← België

Cassatiebeschikking 2838 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 12/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 12 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.2.838 Rolnummer: A. 188355/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 2838 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 12/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-20 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-06-29 08:12 Fiche Beschikking nr 2.838 van 12 juni 2008 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 2838 van 12 juni 2008 in de zaak A. 188.355 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat Geert MULLENS, kantoor houdende te 3740 BILZEN, St. Lambertuslaan 26 tegen: de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Afghaanse nationaliteit, op 28 mei 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 10.452 van 24 april 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de ontvangst van het administratief dossier op 9 juni 2008; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 3 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei

  1. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is een administratief rechtscollege. Bijgevolg is de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing op zijn beslissingen. Artikel 3 van het E.V.R.M. stelt dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. Deze 188.355-1/3 verdragsbepaling kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden worden ingeroepen, namelijk wanneer er ernstige en zwaarwichtige gronden zijn dat er bij terugleiding naar het land van herkomst een ernstig en reëel risico bestaat op onmenselijke of vernederende bestraffing. De uiteenzetting van het middel is echter summier en beperkt zich tot loutere beweringen. De verzoekende partij blijft in gebreke te bewijzen dat de verwijdering van het grondgebied van het Rijk ten gevolge van de tenuitvoerlegging van het bestreden bevel, een onmenselijke behandeling zou uitmaken in de zin van deze verdragsbepaling. Bovendien kan deze verdragsbepaling niet dienstig worden aangevoerd tot staving van een beroep tot nietigverklaring van een beslissing waarbij, zonder een terugleidingsmaatregel te nemen, uitsluitend uitspraak wordt gedaan over de hoedanigheid van vluchteling en het beantwoor- den aan de criteria ter verkrijging van het subsidiaire beschermingsstatuut van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). Uit het onderzoek van het cassatieberoep blijkt dus dat het niet voldoet aan de vereisten voor de toelaatbaarheid ervan, bepaald in artikel 20, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, BESLUIT: Artikel
  2. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken, op twaalf juni tweeduizend en acht, door : 188.355-2/3 de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. E. BREWAEYS. 188.355-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.2.838 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.