id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 28 augustus 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.3.288 Rolnummer: A. 189221/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 3288 - Dienst Vreemdelingenzaken - 28/08/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-22 Raadplegingen: 47 - laatst gezien 2026-06-29 08:28 Fiche Beschikking nr 3.288 van 28 augustus 2008 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 3288 van 28 augustus 2008 in de zaak A. 189.221 In zake : 1.XXXXX, 2.XXXXX, die woonplaats kiezen bij advocaat P. ROBERT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : de Belgische staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse zaken, thans de Minister van Migratie- en asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX en XXXXX, beiden van Colombiaanse nationaliteit, op 31 juli 2008 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 13.465 van 30 juni 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de ontvangst, op 8 augustus 2008, van het dossier van de zaak; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat in het bestreden arrest wordt gesteld dat uit het administratief dossier blijkt dat de overweging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken, waarin naar een niet aan de verzoekende partijen meegedeeld advies van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 17 september 2007 wordt verwezen, de essentie van dat advies overneemt, dat de verzoekende partijen niet duidelijk maken op welk punt die motivering hen niet in staat stelt te begrijpen op welke juridische en feitelijke gronden de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken is genomen; dat het bestreden arrest met de vaststelling dat de essentie van de inhoud van het niet aan de verzoekende partijen meegedeelde advies in de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken was opgenomen, zodat de verzoekende partij op die manier kennis hadden van de gronden waarop die beslissing was gesteund, de artikelen 2 en 3 van de wet 189.221-1/3 van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet heeft geschonden; dat het eerste onderdeel van het middel kennelijk ongegrond is; Overwegende dat de procedure, waarin de minister van Binnenlandse Zaken over de ontvankelijkheid van een aanvraag om machtiging tot verblijf beslist, een zuiver administratieve beslissingsprocedure is, waarop de regels van “het tegensprekelijk debat” niet van toepassing zijn; dat het tweede onderdeel van het middel in die mate kennelijk niet-ontvankelijk is; Overwegende dat het door de verzoekende partij bedoelde stuk, het advies van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 17 september 2007, zich in het administratief dossier en dus op tegensprekelijke wijze in het debat voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen was betrokken; dat het tweede onderdeel van het middel in die mate kennelijk ongegrond is; Overwegende dat het bestreden arrest met de overweging dat de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken de essentie van het (toen niet meegedeelde) advies van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vermeldt, voldoende naar recht antwoordt op het middel dat het verslag niet aan de verzoekende partijen werd meegedeeld “zodat ze de inhoud daarvan of de bronnen die daarin vermeld zouden zijn (...) niet kunnen betwisten”; dat het derde onderdeel van het eerste middel kennelijk ongegrond is; Overwegende dat in het bestreden arrest wordt vastgesteld dat de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevochten beslissing stelt dat de door de verzoekende partijen aangehaalde elementen geen buitengewone omstandigheid vormen op grond waarvan zij hun aanvraag niet volgens de gewone procedure via de bevoegde diplomatieke of consulaire post konden indienen, dat de minister van Binnenlandse Zaken wat betreft de aangehaalde elementen betreffende de veiligheidssituatie in Colombia niet op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten dat de niet-terugleidingsclausule uit 2000 niet meer actueel is, dat de moorden in Bogota voornamelijk door het conflict tussen drugskartels zijn te verklaren, dat de verzoekende partijen niet aantonen van een dergelijke organisatie deel uit te maken en dat derhalve kon worden aangenomen dat zij geen reëel risico lopen om slachtoffer te worden van dergelijk conflict; dat de beslissing van de dienst Vreemdelingenzaken slechts hoefde te antwoorden op de door de verzoekende partijen aangevoerde elementen en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich als annulatierechter tot de beoordeling daarvan kon beperken; dat de verzoekende partijen niet aantonen dat zij andere elementen hebben aangevoerd die door de minister van Binnenlandse Zaken niet in aanmerking werden genomen en die zij in hun middel voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zouden hebben betrokken; dat het vierde onderdeel van het middel kennelijk ongegrond is; 189.221-2/3 Overwegende dat in het bestreden arrest wordt overwogen dat de verzoekende partijen met hun betoog “dat de verwerende partij een balans moest maken tussen de belangen van de staat enerzijds en het privé-leven van verzoeker anderzijds” niet aannemelijk maken dat de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken op kennelijk onredelijke gronden is gesteund; dat in het bestreden arrest wordt overwogen dat de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bestreden beslissingen tegen het hele gezin zijn gericht en dat de verzoekende partijen het in artikel 8 van het E.V.R.M. vervatte recht op respect voor hun familie- en gezinsleven in het land van herkomst kunnen uitputten; dat het bestreden arrest aldus ook de aangevoerde schending van artikel 8 van het E.V.R.M. beantwoordt; dat het vijfde onderdeel van het middel kennelijk ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op achtentwintig augustus tweeduizend en acht, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. C. ADAMS. 189.221-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.3.288 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.