id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 03 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.3.494 Rolnummer: A. 190021/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 3494 - Varia (justitie) - 03/11/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-24 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:49 Fiche Beschikking nr 3.494 van 3 november 2008 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING INZAKE DE TOELAATBAARHEID VAN EEN CASSATIEBEROEP nr. 3494 van 3 november 2008 in de zaak G/A 190.
- In zake : XXXXX, handelend in eigen naam en in hoedanigheid van zijn minderjarige dochter XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat Jean-Baptiste PETITAT, kantoor houdende te SINT-KRUIS (Brugge), Sportstraat 49 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. -------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX op 17 oktober 2008 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 17 september 2008 van de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders; Gelet op artikel 20, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en op de artikelen 7 tot 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State; Gelet op de ontvangst, op 23 oktober 2008, van het dossier van de zaak; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 190.021-1/5 OVERWEEGT WAT VOLGT:
- In het eerste middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 149 van de Grondwet. Volgens de verzoeker motiveert de Commissie niet, minstens niet voldoende, waarom zij de bedragen door de verzoeker gevorderd in zijn verzoekschrift niet toekent, en evenmin waarom zij de bedragen toegekend door het Hof van Beroep te Gent bij arrest van 26 september 2006 herleidt. De Commissie overweegt dat de wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden aan de slachtoffers geen subjectief recht op schadeloosstelling verleent, maar wel een recht op het eventueel verkrijgen van een “hulp”, gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Zij voegt eraan toe dat uit de aard zelf van de hulp volgt dat de “volledige vergoeding” van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Na aldus in het algemeen de redenen te hebben opgegeven waarom de Commissie niet gehouden is tot het toekennen van een hulp die de volledige schade dekt, onderzoekt de Commissie achtereenvolgens het verzoek van de verzoeker in eigen naam en het verzoek van de verzoeker in naam van zijn dochter. Wat betreft het verzoek ingediend door de verzoeker in eigen naam, stelt de Commissie vast dat uit het arrest van het hof van beroep blijkt dat “niet alleen de opvoedingssituatie langs moederszijde, maar ook die langs vaderskant verre van optimaal was”. Om die reden wordt aan de verzoeker geen hulp toegekend voor de door hem geleden morele schade. Voor de materiële kosten kent de Commissie wel een hulp toe, die zij “in billijkheid” bepaalt op 750 euro. Precies omdat de Commissie in billijkheid oordeelt, was zij niet gehouden, bij gebreke van een conclusie van de verzoeker op dit punt, om nader te motiveren op grond van welke criteria zij tot de vaststelling van het bedrag in billijkheid kwam. Wat betreft het verzoek ingediend door de verzoeker in naam van zijn dochter, overweegt de Commissie uitdrukkelijk dat zij rekening houdt met een aantal factoren, in het bijzonder: de aard van de gepleegde feiten; de zeer jeugdige leeftijd van het slachtoffer; de omstandigheid dat de gevolgschade van het enige feit waarvoor de dader strafrechtelijk veroordeeld werd, niet duidelijk 190.021-2/5 gedefinieerd kan worden, wat het hof van beroep er overigens toe bracht om een vergoeding in billijkheid toe te kennen. Aldus blijkt dat de Commissie ook voor dit verzoek de redenen opgeeft waarom zij, in de uitoefening van haar bevoegdheid om in billijkheid te oordelen, aan de verzoeker geen hulp voor het totale bedrag van de geleden schade toekent. Mede rekening houdend met het feit dat het motiveringsvereiste opgelegd bij artikel 149 van de Grondwet een louter formeel vereiste is, mist het middel kennelijk feitelijke grondslag.
- In het tweede middel voert de verzoeker de schending aan van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen en van het beginsel van de scheiding der machten. Volgens de verzoeker gaat de Commissie, door de door het hof van beroep toegekende bedragen te herleiden, voorbij aan de haar opgelegde verplichting om financiële hulp te verstrekken aan een aanvrager die aan de voorwaarden voldoet. Bovendien stelt de Commissie zich in de plaats van de rechtbank en het hof van beroep, door een financiële tussenkomst toe te kennen voor een bepaald bedrag, rekening houdend met feiten waarvan de beoordeling behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de hoven en rechtbanken, die daarover ook geoordeeld hebben. Artikel 32 van de wet van 1 augustus 1985 somt de bestanddelen van de schade op waarvoor de toekenning van een hulp verleend kan worden. Volgens artikel 33, § 1, van de wet wordt het bedrag van de hulp naar billijkheid bepaald. Uit die bepalingen volgt dat de Commissie, nadat zij vastgesteld heeft dat aan de toekenningsvoorwaarden is voldaan, een financiële hulp kan toekennen voor een lager bedrag dan dat van de werkelijk geleden schade, zoals die is vastgesteld door de hoven en rechtbanken. Door op grond van billijkheidsoverwegingen een financiële hulp toe te kennen voor een lager bedrag dan de vergoeding waartoe de dader door de hoven en rechtbanken is veroordeeld, mengt de Commissie zich niet in de beoordeling van de feiten door de hoven en rechtbanken. Het middel faalt kennelijk naar recht.
- In het derde middel voert de verzoeker de schending aan van het beginsel van het gezag van gewijsde. Volgens de verzoeker schendt de 190.021-3/5 Commissie het gezag van gewijsde van het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 26 september 2008, door te beslissen dat aan de verzoeker, optredend in eigen naam, geen vergoeding voor morele schade wordt toegekend. De verzoeker voert aan dat de Commissie steunt op het verslag van een deskundige, dr. W., om daaruit af te leiden dat er geen morele schade is in hoofde van de verzoeker, terwijl het hof van beroep in het genoemde arrest voor recht heeft gezegd dat er wel degelijk morele schade is in hoofde van de verzoeker. De Commissie steunt op de verslagen van deskundigen, waaronder dat van dr. W., om daaruit af te leiden dat de opvoedingssituatie niet alleen langs moederszijde, maar ook langs vaderskant verre van optimaal was. Anders dan de verzoeker aanvoert leidt zij uit die verslagen niet af dat de verzoeker geen morele schade geleden heeft. Wel beslist de Commissie op grond van de genoemde vaststelling dat aan de verzoeker geen hulp voor de geleden morele schade moet worden toegekend. Het middel, dat berust op een verkeerde lezing van de bestreden beslissing, mist kennelijk feitelijke grondslag. OM DIE REDENEN BESLIST DE VOORZITTER : Artikel 1 Het cassatieberoep is ontoelaatbaar. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. 190.021-4/5 Aldus te Brussel verleend op 3 november 2008 door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. 190.021-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.3.494 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.