id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.244 Rolnummer: A. 186329/XIV-30133 Zaak: Arrest 189244 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 05/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-02 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 12:13 Fiche Arrest nr 189.244 van 5 januari 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.244 van 5 januari 2009 in de zaak A. 186.329/XIV-30.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. DE LIEN, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kameroense nationaliteit, op 19 december 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 3659 van 14 november 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 2055 van 4 februari 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 9 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 december 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-30.133-1/18 Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. DE LIEN, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Kr. GOOSSENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX komt op 10 november 2002 België binnen en vraagt op 5 juni 2007 voor de tweede maal om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
- Deze aanvraag wordt op 3 september 2007 door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
- Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 21 september 2007 hoger beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
- Op de zitting van 6 november 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen worden Advocaat J. TIELEMAN loco Advocaat J. DE LIEN, die optreedt voor verzoeker, en Attaché G. HABETS, die optreedt voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, gehoord, waarna de debatten worden gesloten en de zaak in beraad wordt genomen. 1.
- Op 14 november 2007 neemt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest, waarbij aan verzoeker de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd. XIV-30.133-2/18 Dit arrest is als volgt gemotiveerd : “
- Het feitenrelaas luidt volgens de bestreden beslissing als volgt: “U verklaart een Kameroens staatsburger van Meta-origine te zijn afkomstig van Guneku in de North West provincie. U was niet politiek actief in Kameroen, maar uw ouders, ooms en tantes waren allen lid van de oppositiepartij Social Democratic Front (SDF) en de Anglofone afscheidingsbeweging Southern Cameroons National Council (SCNC). U werd op 8 april 2000 gearresteerd en ervan beschuldigd SCNC-vergadering- en te organiseren bij u thuis. U ontkende en zei dat niet u, maar uw ouders actief waren voor SCNC. Op 28 september 2000 kwam u vrij. Op 1 oktober 2002 werd u opnieuw gearresteerd en beschuldigd van deelname aan de SCNC-onafhankelijkheidsviering in Bamenda. U kon op 4 oktober 2002 ontsnappen en besloot te vluchten. U diende op 14 november 2002 een eerste maal asiel in op de Dienst Vreemdelingenza- ken. Uw aanvraag werd door de Dienst Vreemdelingenzaken onontvankelijk verklaard. U tekende op 12 december 2002 een beroep aan bij het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatslozen. De Commissaris-generaal nam op 28 januari 2003 een beslissing tot verder onderzoek. U werd gehoord op het Commissariaat-generaal op 19 september 2003 en op 22 oktober 2003 ontving u een weigering tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. Uw beroep bij de Vaste Beroepscommissie werd op 25 januari 2005 verworpen. Op 5 juni 2007 vroeg u een tweede maal asiel aan in België. U verklaart sinds uw aankomst in België niet te zijn teruggekeerd naar Kameroen. Ter ondersteuning van uw tweede asielaanvraag legt u een nota neer van uw advocaat, een kopie van uw geboortecertificaat, een oproepingsbrief van het Hof van Beroep dd. 23.1.2007, een attest van Southern Cameroons National Council dd. 17.1.2007 en een brief van Dynamic Law Firm dd. 12.4.2007.” 2.1 De advocaat van verzoeker werpt ter zitting de vraag op of de persoon die verschijnt voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen (verder: CGVS) gemachtigd is om het CGVS te vertegenwoordigen. 2.2 Bij brief van 31 mei 2007 van de Commissaris-generaal aan de eerste voorzitter van de Raad werd een lijst met namen doorgegeven van attachés die gemachtigd werden om het CGVS bij de Raad te vertegenwoordigen. Aangezien de naam van de heer Gunter HABETS op deze lijst voorkomt is hij gemachtigd om het CGVS ter zitting te vertegenwoordigen.
- De verklaringen van de kandidaat-vluchteling kunnen een voldoende bewijs zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze plausibel, geloofwaardig en eerlijk zijn (J. HATHAWAY, The Law of Refugee Status, Butterworths, Toronto- Vancouver, 1991, 84). De verklaringen mogen niet in strijd zijn met algemeen bekende feiten. De bewijslast berust in beginsel bij de kandidaat-vluchteling die in de mate van het mogelijke elementen dient aan te brengen ter staving van zijn relaas en bij het ontbreken van dergelijke elementen, hiervoor een aannemelijke verklaring dient te geven. Het voordeel van de twijfel kan slechts worden verleend indien alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen (UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1992, 204). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet niet bewijzen dat de feiten onwaar zouden zijn (R.v.St., X, nr. 43.027,19 mei 1993) en het is niet de taak van de Raad zelf de lacunes in de bewijsvoering van de vreemdeling op te vullen (R.v.St., X, nr. 173.197, 5 juli 2007). De ongeloofwaardigheid van een asielrelaas kan niet alleen worden afgeleid uit tegenstrijdigheden, maar ook uit vage, incoherente en ongeloofwaardige verklaringen. 4.1 De motivering van de bestreden beslissing stelt: “ (…) Wat betreft de door u aangehaalde elementen voor uw tweede asielaanvraag dient te worden opgemerkt dat u blijft bij de redenen aangehaald in uw eerste asielaanvraag (zie gehoor CGVS, p.3). XIV-30.133-3/18 Er dient echter te worden vastgesteld dat uw eerste asielaanvraag ongeloofwaardig werd bevonden door het Commissariaat-generaal en de weigering van de hoedanigheid van vluchteling werd bevestigd door de Vaste Beroepscommissie. De documenten die u neerlegt ter ondersteuning van uw tweede asielaanvraag kunnen op zich niet de geloofwaardigheid van uw eerste asielaanvraag herstellen. Men dient in dat opzicht er op te wijzen dat een document, om bewijskrachtig te zijn, een verhaal moet ondersteu- nen dat ook samenhangend en geloofwaardig is en dat dit niet het geval is. Daarbij blijkt u niet te weten hoe uw moeder de dagvaarding van het Hof van Beroep verkregen heeft (zie gehoor CGVS, p.9) en op de dagvaarding zelf wordt merkwaardig genoeg nergens de naam van de State Counsel vermeld. Met betrekking tot het SCNC- attest en de brief van de advocaat dient te worden opgemerkt dat het merkwaardig is dat u deze pas in 2007 kon bekomen. Te meer daar u stelt dat SCNC op de hoogte was van uw problemen (zie gehoor CGVS, p.12). Inzake het SCNC-attest kan nog worden aangestipt dat lidkaarten en getuigschriften van een politieke beweging een bijkomend bewijs kunnen zijn van aangehaalde feiten maar dergelijke getuigschriften, die geen officieel karakter hebben, zijn op zich niet voldoende om het gebrek aan geloofwaardig- heid van het relaas van een asielzoeker te herstellen. Voor wat betreft de brief van uw advocaat in Kameroen kan worden opgemerkt dat deze bezwaarlijk in aanmerking kan worden genomen vermits een advocaat loyauteit is verschuldigd aan zijn cliënt. Bovendien dient te worden opgemerkt dat algemeen wordt aangenomen dat Kameroen tot de meest corrupte landen behoort en (officiële) documenten tegen betaling kunnen worden bekomen (zie informatie administratief dossier). Aldus kan de authenticiteit van de door u neergelegde documenten niet worden nagegaan. Verder dient te worden opgemerkt dat u uitdrukkelijk verklaart na het negatieve antwoord van de Vaste Beroepscommissie en het negatieve antwoord op uw regularisatie-aanvraag naar de Kameroense ambassade in België te zijn geweest (zie gehoor CGVS, p.2 en p.15). Dit gegeven is moeilijk verenigbaar met een vrees voor vervolging door de autoriteiten van uw land van herkomst. Uit al het voorgaande blijkt dat u bezwaarlijk kan stellen dat u uw land uit ‘vrees voor vervolging’ in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève heeft verlaten of dat u bij een eventuele terugkeer naar uw land van oorsprong een ‘reëel risico op het lijden van ernstige schade’ zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming zou lopen. Het door u neergelegde geboortecertificaat (n/5/vol1/79 opgemaakt op 2.1.1979 te Mbengwi) bevat identiteitsgegevens waaraan hier niet direct wordt getwijfeld.” 4.2 Verzoeker stelt in een eerste middel dat onderhavig beroep een schending uitmaakt van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en van de principes van het E.U.-procesrecht in het algemeen. Verzoeker argumenteert dat het beroep niet voldoet aan de waarborgen zoals vastgesteld in deze wetgeving, in het bijzonder stelt hij dat hij recht heeft op een beroep met volle rechtsmacht. Dit recht wordt volgens verzoeker beperkt gezien hij na het indienen van dit beroep geen nieuwe stukken kan aanbrengen en geen geactualiseerde memorie of conclusies kan bijbrengen. Verzoeker wijst erop dat artikel 6, lid 1 E.V.R.M. niet alleen toegang tot de rechter garandeert, maar ook eisen stelt aan de rechterlijke toetsing van het overheidsoptreden; in het bijzonder moet de rechter alle voor het betreffende geschil relevante vragen van zowel juridische als feitelijke aard kunnen onderzoeken. Om zijn betoog te ondersteu- nen, verwijst verzoeker naar rechtspraak van het E.H.R.M. omtrent de toepassing van dit artikel. Verzoeker vraagt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie, die als volgt luidt: “Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en houdt artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in dat deze administratieve rechtscolleges over een eigen onderzoeksbevoegdheid dienen te beschikken die hen toelaat tot op de dag van de eindbeslissing onderzoek te verrichten naar alle relevante feiten die nuttig zijn om de zaak te beoordelen?” XIV-30.133-4/18 4.3 Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie heeft als dusdanig geen bindende kracht. Het Europees Hof van Justitie stelt in het arrest van 27 juni 2006 in de zaak C-540/03, anders dan voorgehouden door verzoeker, uitdrukkelijk dat “het Handvest geen bindend rechtsinstrument is” (R.v.St., beschikking nr. 1400, 18 oktober 2007). Artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens is niet van toepassing op geschillen betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. De voormelde wet van 15 december 1980 voorziet uitdrukkelijk dat het beroep tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal een beroep is met volle rechtsmacht. De Raad kan luidens artikel 39/2, §1, de bestreden beslissingen bevestigen, hervormen en vernietigen wegens een substantiële onregelmatigheid of het ontbreken van essentiële elementen die inhouden dat de Raad niet kan komen tot de bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te bevelen. Zulks houdt in dat de Raad kennis neemt van het geschil in zijn volledigheid en de beslissing van de Commissaris- generaal kan herzien, ongeacht op grond van welk motief deze tot de bestreden beslissing is gekomen. Het gebrek aan aanvullende onderzoeksbevoegdheid wordt ondervangen door een aantal correcties: de vreemdeling mag overeenkomstig artikel 39/76 onder bepaalde voorwaarden nieuwe gegevens aanvoeren in het verzoekschrift en de Raad kan ook op eigen initiatief beslissen om onder bepaalde voorwaarden rekening te houden met elk nieuw gegeven dat hem ter kennis wordt gebracht door de partijen, ook tijdens de terechtzitting, en zulks zelfs wanneer daarvan geen melding is gemaakt in het inleidend verzoekschrift. Ten slotte kan de kamervoorzitter of rechter in vreemdelingenzaken de bestreden beslissing vernietigen en voor een nieuw onderzoek terugsturen naar het CGVS indien hij van oordeel is dat hij de zaak niet ten gronde kan onderzoeken omdat hij niet beschikt over bepaalde essentiële gegevens en waarvoor het nodig is aanvullende onderzoeksmaatregelen te bevelen (R.v.St., X, beschikking betreffende de toelaatbaarheid in administratieve cassatie, nr. 1344, 9 oktober 2007). Het middel is ongegrond. 5.1 Verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van artikel 62 van de vreemdelingenwet, van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukke- lijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 1 van de Conventie van Genève en van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet. Verzoeker betoogt dat verweerder, door de documenten ter ondersteuning van de tweede asielaanvraag als niet-bewijskrachtig te verwerpen omdat ze geen samenhang- end en geloofwaardig verhaal ondersteunen, de bewijsregels van de Conventie van Genève miskent. Hij stelt dat hij pas na lange tijd er in geslaagd is om een bewijs van vervolging voor te leggen. In casu legde verzoeker bij zijn tweede asielaanvraag een dagvaarding voor, evenals een kopie van zijn geboortecertificaat, een brief van zijn advocaat en een brief van de SCNC. Verzoeker argumenteert dat hij in de onmogelijk- heid wordt gebracht een voorgaand foutief oordeel van verweerder tegen te spreken daar deze nalaat hem de mogelijkheid te bieden opnieuw zijn verhaal te doen. Verzoeker verwijst naar de nota “Note on Burden and Standard of Proof in Refugee Claims” van het UNHCR. Verzoeker stelt dat hij zijn verhaal steeds geloofwaardig en zonder tegenstrijdigheden heeft uiteengezet en dat de bewijslast vervalt indien hij waarheidsgetrouwe verklaring aflegt over de feiten. Daar verzoekers verklaringen consistent en plausibel zijn en er geen fundamentele tegenstrijdigheden werden opgetekend dient hem het voordeel van de twijfel en aldus het vluchtelingenstatuut te worden toegekend. Aangaande de motivering van de bestreden beslissing omtrent de corruptie in Kameroen, waardoor (officiële) documenten tegen betaling kunnen worden bekomen, meent verzoeker dat verweerder faalt in de motivering wanneer hij stelt dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is op basis van twijfel over de authenticiteit van zijn documenten die de facto het hart van de asielaanvraag vormen. XIV-30.133-5/18 Inzake verzoekers bezoek aan de Kameroense ambassade stelt hij dat niet op de hoogte was van het feit dat hij in de Kameroense ambassade niet de bescherming kan krijgen die hij op het Belgisch grondgebied kan krijgen. Het was de gemeente die hem had aangeraden een paspoort te halen op de ambassade en nagelaten had hem uit te leggen dat hij evenzeer vervolgd kan worden in de Kameroense ambassade waardoor aan verzoeker niet verweten kan worden dat hij onwetend is over het statuut van de ambassade. 5.2 De uitdrukkelijke motiveringsplicht, voorgeschreven in artikel 62 van de wet van 15 december 1980 en de wet van 29 juli 1991, heeft tot doel de burger in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid een beslissing heeft genomen, zodat de rechtzoekende kan oordelen of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. Verzoeker brengt kritiek uit op de inhoud van de motivering, zodat de schending van de materiële motiveringplicht wordt aangevoerd en het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht (R.v.St., nr. 133.153, 25 juni 2004). Verzoeker verklaart dat hijzelf niet politiek actief was terwijl zijn ouders, ooms en tantes allen lid waren van het Social Democratic Front (SDF) en de anglofone afscheidingsbeweging Southern Cameroons National Council (SCNC). Verzoeker verklaart tevens dat zijn tweede asielaanvraag om dezelfde redenen werd ingediend als zijn eerste asielaanvraag (administratief dossier, map tweede asielaanvraag, stuk 3, p. 3). Uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker, hoewel zelf niet politiek actief, beweert vervolgd te zijn omwille van activiteiten voor het SCNC, terwijl zijn moeder, die volgens zijn beweringen een hoge functie had en zeer actief was voor het SCNC (administratief dossier, map eerste asielaanvraag, stuk 4, p. 3), geen problemen heeft met de autoriteiten (administratief dossier, map tweede asielaanvraag, stuk 3, p. 14). Verzoeker brengt, ter ondersteuning van zijn tweede asielaanvraag, ondermeer als nieuw element een oproeping voor de rechtbank bij waaruit zou blijken dat hij, omwille van een feit op 1 oktober 2002, op 23 januari 2007 wordt gedagvaard om op 5 februari 2007 voor de rechtbank te Bamenda te verschijnen. In acht genomen dat (i) de naam van de “State Council” niet is vermeld (ii) verzoeker niet weet hoe zijn moeder dit document verkreeg (iii) verzoeker, die contact heeft met een advocaat (zie attest van “Dynamic Law Firm” van 12 april 2007), geen melding maakt over de afloop van de behandeling van zijn zaak op 5 februari 2007 (iv) het niet aannemelijk is dat verzoeker, die apolitiek was en is, meer dan vier jaar na de beweerde feiten vervolgd zou worden terwijl zijn moeder, die een overtuigd SCNC-activiste zou zijn, geen problemen heeft met de autoriteiten, kan de oproeping niet in aanmerking worden genomen als element waaruit zou blijken dat hij actief vervolgd wordt door de autoriteiten. Dit klemt des te meer daar uit de beslissing van verweerder van 20 oktober 2003, bevestigd door de Vaste Beroepscommissie, blijkt dat verzoeker geen coherente, consistente en plausibele verklaringen aflegde tijdens zijn eerste asielprocedure, waarvan de door hem aangehaalde feiten de basis vormen van zijn tweede asielaanvraag. Verzoekers bezoek aan de Kameroense ambassade te Brussel om documenten te bekomen duidt aan dat hij geen vrees koestert ten aanzien van de autoriteiten van zijn land van herkomst daar, ongeacht de omstandigheden waarom hij zich erheen begaf, redelijkerwijze aangenomen kan worden dat hij weet dat de ambassade de diplomatieke vertegenwoordiging is van Kameroense autoriteiten. Inzake het attest van de SCNC, gedateerd op 17 januari 2007, waaromtrent de bemerking kan gemaakt worden dat verzoeker dit slechts bekomt in 2007 terwijl hij op 14 november 2002 zijn eerste asielaanvraag indiende, stelt de bestreden beslissing terecht dat dergelijk attest geen officieel karakter heeft, daar het op verzoek kan worden bekomen, en dat het geen ongeloofwaardig relaas geacht relaas vermag te herstellen. Aan het attest van de advocaat, dat verzoeker eveneens slechts in 2007 ontving, kan evenmin enige bewijswaarde worden toegekend aangezien een persoonlijk raadsman niet aanzien kan worden als een objectieve bron. De bestreden beslissing wordt niet dienstig weerlegd, is terecht en wordt derhalve door de Raad overgenomen. XIV-30.133-6/18 Het voorafgaande in acht genomen, kan niet worden aangenomen dat verzoeker de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging zoals bepaald in artikel 1, A
(2), van de Conventie van Genève van 28 juli
- Het tweede middel is ongegrond. 6.1 In een derde middel voert verzoeker de schending aan van artikel 62 van de vreemdelingenwet, artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet. Verzoeker verwijst naar de gegevens uiteengezet betreffende het vluchtelingenstatuut en stelt dat hij wel degelijk heeft aangetoond dat hij een reëel risico loopt op het lijden van ernstige schade zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming in artikel 48/4 Vreemdelingenwet. 6.2 Verzoeker voert ter ondersteuning van zijn verzoek tot toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus geen andere elementen aan dan deze die de grondslag vormden van zijn aanvraag tot het bekomen van de vluchtelingenstatus. De gegevens van het administratief dossier en de vastgestelde ongeloofwaardigheid van verzoekers verklaringen in acht genomen, is het verzoek tot toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus ongegrond. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Artikel 1 De vluchtelingenstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd. Artikel 2 De subsidiaire beschermingsstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd.”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “EERSTE MIDDEL: Schending van het recht van verdediging zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutio- nele tradities van de lidstaten. Verzoeker betoogt dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geenszins voldoet aan de waarborgen zoals vastgesteld in bovenvermelde rechten. Verzoeker meent dat hij recht heeft op een beroep met volle rechtsmacht en dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hieraan niet voldoet. Verzoeker zal in eerste instantie uiteenzetten dat hij zich rechtstreeks kan beroepen op de grondrechten zoals die voortvloeien uit de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten. Verzoeker zal in tweede instantie uiteenzetten dat hij conform bovenvermelde principes recht heeft op een onderzoek van de feiten door het jurisdictioneel orgaan dat zijn beroep behandelt en dit omwille van het feit dat de natuur van een asielaanvraag een actuele beoordeling dient in te houden van zijn asielaanvraag op het moment van de finale beslissing. Dat dit recht beperkt wordt gezien verzoeker na het indienen van onderhavig beroep geen nieuwe stukken kan aanbrengen en geen geactualiseerde memorie/conclusie kan bijbrengen. Dat geenszins sprake kan zijn van een jurisdictio- neel orgaan dat volle rechtsmacht heeft. Verzoeker zal aantonen dat het begrip "volle rechtsmacht" een bijzondere betekenis heeft en dat de betekenis varieert van materie tot materie. Verzoeker zal tenslotte in derde instantie aantonen dat de processuele waarborgen van het Europees gemeenschapsrechten volledig afwezig zijn en dit ondanks het feit dat de ganse materie van asiel thans onder het Europees recht. XIV-30.133-7/18
- Grondrechten zoals die voortvloeien uit de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten hebben rechtstreekse werking. De kern van het afdwingen van procedurele regels in het nationale recht met betrekking tot het EU gemeenschapsrecht is vervat in de Rewe Comet formule (...). “In the absence of Community rules governing the matter, it is for the domestic Legal system of each Member State to designate the courts and tribunals having jurisdiction and to lay down the detailed procedural rules governing actions for safeguarding rights which individuals derive from the direct effect of Community law. However, such rules must not be less favourable than those governing similar domestic actions, nor render virtually impossible or excessively difficult the exercise of rights conferred by Community law". ( EQ. 33/76 Rewe-Zentralfinanz eG & rewe-Zentral AG v. landwirtschafstskammer fur das Saarland, 1976 ; ECJ 45/76 Comet BW Produktschap voor Siergewassen Eigen vertaling: Wanneer het Gemeenschapsrecht de materie niet behandelt, dient het eigen rechtsysteem van elk van de lidstaten de hoven en rechtbanken aan te duiden en dient zij gedetailleerde procedurele regels voor te schrijven die instaan voor de waarborg van de rechten waarop individuele personen zich kunnen beroepen op grond van de directe werking van het Gemeenschapsrecht. Echter deze regels mogen enerzijds niet minder gunstig zijn dan gelijkaardige rechten in het eigen rechtssysteem noch mogen zij de uitoefening van de rechten afgeleid uit het Gemeenschapsrecht virtueel onmogelijk of overdreven moeilijk maken. Richtlijn 2004/83 biedt effectief processuele grondrechten voor individuen. De richtlijn verwijst naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de "grondrechten" eigen aan het EU recht. Dat processuele grondrechten hier eveneens onder vallen. Overweging 10 stelt: Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In het bijzonder tracht deze richtlijn de menselijke waardigheid, het recht op asiel van asielzoekers en hun begeleidende familieleden en de bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering op grond van de artikelen 1, 18 en 19 van het Handvest ten volle te eerbiedigen. Dat het begrip grondrechten duidt op de grondrechten zoals het Europees Hof van Justitie deze erkend in de rechtspraak of "grondrechten zoals zij uit de gemeenschappe- lijke constitutionele tradities van de lidstaten voorvloeien als beginselen van Gemeen- schapsrecht”. Het EHJ heeft reeds verschillende keren geoordeeld dat de algemene rechtsbeginselen waartoe ook de grondrechten behoren integraal deel uitmaken van het gemeenschaps- recht (...). Welke grondrechten juist deel uitmaken van het gemeenschapsrecht bepaalt het EHJ niet. Er bestaat geen lijst van grondrechten. Het achterliggende beginsel dat het EHJ gebruikt in zijn rechtspraak over grondrechten is de bescherming van de waarheid en de vrijheid van de menselijke persoon (...). Het EHJ haalt deze grondrechten en fundamentele vrijheden uit de constitutionele tradities welke aan de Lidstaten gemeen zijn (...), alsook uit de internationale verklaringen inzake de bescherming van de rechten van de mens waaraan de Lidstaten hun medewerking hebben verleend of waartoe ze later zijn toegetreden (...). Zo heeft het EHJ al enkele keren een grondrecht uit het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten als integraal deel uitmakend van het gemeenschaps- recht aanvaard(...). De bescherming van de grondrechten als integraal onderdeel van het gemeenschaps- recht geldt niet enkel met betrekking van de maatregelen van de EU zelf. De bescherming geldt ook voor maatregelen die de Lidstaten mogen of moeten nemen uit hoofde van het gemeenschapsrecht (...). Zodat in casu de Vreemdelingenwet voor zover zij handelt inzake materies die geregeld worden door het Europees Gemeenschapsrecht waaronder het asielrecht in overeenstemming dient te zijn met deze grondrechten. XIV-30.133-8/18 Dat in elk geval deze grondrechten rechtstreekse werking hebben en de rechtstreekse werking ervan . Dat het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie een samenvatting vormt van deze grondrechten. De rechtsleer stelt onder andere: "Het Handvest voegt dus strikt genomen geen rechte toe, maar visualiseert enerzijds de bekende op neutrale wijze en expliciteert anderzijds de potentie van de het gemeen- schappelijk constitutioneel erfgoed en de internationale verplichtingen van de lidstaten, onder de vorm van zogenaamde nieuwe rechten.(...)” De preambule van het Handvest laat over de bedoeling ervan geen twijfel bestaan: "Onder eerbiediging van de bevoegdheden en taken van de Gemeenschap en de Unie en van het subsidiariteitsbeginsel, bevestigt dit Handvest de rechten die met name voortvloeien uit de gemeenschappelijke constitutionele verdragen, uit het EVRM, uit de door de Gemeenschap en de Raad van Europa aangenomen sociale handvesten, alsook uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie en van het Europees Hof voor de rechten van de Mens. Verzoeker verwijst naar de zaak 222/86 (Heylens) waarin voormeld principe van de rechten van verdediging bevestigd wordt. 2 . AANGEZIEN DE VRIJE TOEGANG TOT HET ARBEIDSPROCES EEN FUNDAMENTEEL RECHT IS DAT HET VERDRAG AAN IEDERE WERKNEMER VAN DE GEMEENSCHAP INDIVIDUEEL TOEKENT, IS DE MOGELIJKHEID VAN BEROEP IN RECHTE TEGEN IEDERE BESLISSING VAN EEN NATIONA- LE INSTANTIE WAARBIJ DE UITOEFENING VAN DAT RECHT WORDT GEWEIGERD, VAN WEZENLIJK BELANG OM DE PARTICULIER EEN DOELTREFFENDE BESCHERMING VAN ZIJN RECHT TE WAARBORGEN. DIT VEREISTE VORMT EEN ALGEMEEN BEGINSEL VAN GEMEENSCHAPS- RECHT, DAT VOORTVLOEIT UIT HET CONSTITUTIONELE ERFGOED DAT ALLE LID-STATEN GEMEEN HEBBEN EN DAT EVENEENS IS NEERGELEGD IN DE ARTIKELEN*6 EN*1 3 VAN HET EUROPEES VERDRAG TOT BESCHER- MING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS Dat de rechten van verdediging in elk geval grondrechten zijn die gegarandeerd worden door het gemeenschapsrecht. Dat verzoeker ook betoogt dat het recht op een beroep in volle rechtsmacht een grondrecht is dat wordt gegarandeerd door het gemeenschapsrecht.
- Volle rechtsmacht Verzoeker stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volle rechtsmacht dient te hebben en thans niet voldoet aan deze vereist. Dat de principes van het recht van verdediging eveneens te ontwaren vallen art. 6 EVRM welke uiteraard ook een grondrecht vormt in het gemeenschapsrecht. Dat voor zover verzoekster verwijst naar art. 6 EVRM, zij dit enkel doet om het begrip volle rechtsmacht nader uiteen te zetten. Dat zij derhalve geen schending van het artikel op zich inroept daar het asielrecht in de huidige stand van de rechtspraak niet van toepassing is op asielaanvragen. Verzoeker betoogt dat het principe dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen eigen onderzoek kan stellen in strijd is met het begrip "full jurisdiction” volle rechtsmacht zoals vastgelegd in het EVRM en dus indirect van toepassing zijn door het feit dat dit een grondrecht uitmaakt in het gemeenschapsrecht. ‘Full jurisdiction' Van belang is om te beginnen dat artikel 6 lid 1 EVRM niet alleen toegang tot een rechter garandeert maar ook eisen stelt aan de rechterlijke toetsing van overheidsoptre- den. In het kader van een procedure moet op grond van vaste jurisprudentie ten minste één rechterlijke instantie met volledige rechtsmacht ('full jurisdiction') de betreffende besluiten kunnen controleren (...). De eis van 'full jurisdiction' houdt in dat de betreffende rechter de bevoegdheid moet hebben: 'to examine all questions of fact and law relevant to the dispute before it.’(...) De rechter moet op grond van artikel 6 lid 1 EVRM dus alle voor het betreffende geschil relevante vragen van juridische en feitelijke aard kunnen onderzoeken. Het is XIV-30.133-9/18 belangrijk om expliciet te constateren dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen rechtsvragen en feitelijke vragen (...). Uit het voorgaande volgt dat de rechter om te voldoen aan de eisen van artikel 6 EVRM dus ook moet kunnen oordelen over de vaststelling van de feiten als deze relevant zijn in het geschil. Daarmee is van belang wat wordt bedoeld met 'facts relevant to the dispute'. Immers alleen met betrekking tot deze feiten geldt het vereiste van 'full jurisdiction'. Daarmee is de vraag aan de orde hoe intensief de rechter terzake moet kunnen toetsen. Uitgangspunt van de jurisprudentie van het EHRM lijkt te zijn dat de rechter een eigen oordeel over de feiten moet geven hetgeen impliceert dat hij de bestuurlijke feitenvast- stelling vol moet kunnen toetsen. Gewezen kan hier worden op de uitspraak van het EHRM in de zaak Terra Woningen t. Nederland. Daarin werd een schending van artikel 6 lid 1 EVRM aangenomen omdat de kantonrechter bij het vaststellen van een huurprijs niet zelfstandig wilde onderzoeken of er sprake was van bodemverontreini- ging (een factor bij het bepalen van de huurprijs) en het standpunt van Gedeputeerde Staten daarover zonder meer overnam. Dit ondanks het feit dat partijen van mening verschilden over de vraag of er inderdaad sprake was van bodemverontreiniging. Uit het voorgaande zou kunnen worden afgeleid dat een meer terughoudende - marginale toetsing van de feitenvaststelling nooit door de beugel zou kunnen,365 maar uit de zaak Bryan t. Verenigd Koninkrijk blijkt dat het EHRM onder bepaalde omstandigheden daarmee wel genoegen neemt (...). Deze zaak betrof een handhavings- besluit op grond waarvan de heer Bryan twee huizen moest slopen en bouwmateriaal moest verwijderen. Daartegen kwam hij vergeefs op bij het bestuursorgaan dat het besluit nam, waarna er beroep werd ingesteld bij de rechter. Door kon echter de juistheid van de vastgestelde feiten die de basis vormden van het besluit niet meer direct worden betwist. De rechter was alleen bevoegd ten aanzien van rechtsvragen en kon geen nader bewijs ontvangen. Wel had de rechter de bevoegdheid om te beoordelen of de procedure waarin de feiten waren vastgesteld rechtmatig was en of de feitenvaststel- ling 'perverse or irrational' was. Beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling bevinden zich dus 'in de gevarenzone van artikel 6 EVRM', maar zijn gelet op de zaak Bryan niet zonder meer ongeoorloofd. Voor dergelijke beperkingen moet wel een overtuigende rechtvaardigingsgrond bestaan, zoals de aard van het materiële rechtsgebied en de daaraan verbonden bestuurlijke vrijheid en het gespecialiseerde karakter van de feitenvaststelling. Daarbij is van belang dat de bestuurlijke feitenvaststelling in een met voldoende waarborgen omklede - quasirechterlijke gespecialiseerde administratieve voorprocedure heeft plaatsgevonden. Hieruit lijkt voort te vloeien dat het in dergelijke gevallen in het licht van artikel 6 EVRM ook mogelijk is grenzen te stellen aan het inbrengen van bepaald nieuw bewijsmateriaal in de rechterlijke procedure. Sommige bewijsmateriaal vergt immers een geheel nieuwe beoordeling door de rechter, iets waartoe hij echter juist niet in staat is gelet op, bijvoorbeeld, de daartoe vereiste specialisatie. De beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling mogen in ieder geval nooit zo ver gaan dat de rechter zich geheel verlaat op het oordeel van het bestuur. Dat zou immers feitelijk betekenen dat de betrokkene opdat punt geen toegang heeft tot de rechter. Er moet in het kader van de rechterlijke procedure een debat kunnen worden gevoerd over de juistheid van het bestuurlijke feitenoordeel en de wijze waarop dat tot stand is gekomen. Het geheel uitsluiten daarvan kan blijkens de jurisprudentie van het EHRM niet door de beugel. Gewezen kan worden op de al genoemde zaak Terra Woningen t. Nederland en op de meer recente zaak Chevrol t. Frankrijk (...). Deze laatste zaak werd aan het EHRM voorgelegd nadat de Franse Raad van State (Conseil d'Etat) het beroep van verzoekster tegen de weigering haar Algerijnse artsexamen te erkennen had afgewezen. Daarbij heeft de Raad van State zijn eigen jurisprudentie gevolgd, waarbij hij, bij de beantwoording van de vraag of de betreffende verdragen toepasselijk waren, zich geheel heeft verlaten op het oordeel van een bestuursorgaan, ook waar dat de feitenvaststelling betrof. Het EHRM is daarover XIV-30.133-10/18 kritisch: ook al lijkt raadpleging van de minister door de Raad van State over de beoordeling van de voorwaarde van wederkerigheid bij de erkenning van diploma's noodzakelijk, door deze wijze van werken verplicht de Raad van State zich het oordeel te volgen van de minister, dat wil zeggen van een buiten de Raad staande en tot de uitvoerende macht behorende autoriteit, zonder het oordeel van die autoriteit aan kritiek of aan een contradictoir debat te onderwerpen. Het Hof is verder van oordeel dat met betrekking tot het inwinnen van het oordeel van de minister, dat bepalend zou zijn voor hetgeen in het geschil ter beslissing stond, voor appellante geen enkele voorziening openstond. Zij heeft geen enkele gelegenheid gekregen zich uit te spreken over het gebruik van het ministerieel oordeel, of over de formulering van de aan de minister gestelde vraag, of over de elementen van de beantwoording van die vraag. Appellante heeft aan de Raad van State verscheidene stukken overgelegd om aan te tonen dat de Algerijnse overheid de betreffende regelingen feitelijk wel degelijk toepaste. Deze stukken zijn zelfs niet onderzocht door de Raad, die derhalve niet heeft willen onderzoeken of zij een goede grondslag voor het betoog van appellante vormden. Aldus heeft de Raad zich gebonden geacht aan het oordeel van de minister, en zichzelf de bevoegdheid ontzegd om feitelijke gegevens die beslissend konden zijn voor het aan hem voorgelegde geschil in zijn beoordelingen te betrekken. Onder deze omstandighe- den kan volgens het EHRM niet worden gezegd dat appellante toegang heeft gehad tot een rechterlijke instantie die een toereikende bevoegdheid had, dan wel erkende dat zij een dergelijke bevoegdheid had, om zich te buigen over alle feitelijke en juridische kwesties die relevant waren om het geschil te beoordelen. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit evenwel niet heeft gedaan.
- Gebrek aan rechten van verdediging en volle rechtsmacht Toegepast op de beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, meent verzoeker dat deze procedure geenszins voldoet. Dat de Raad voor Vreemdelin- genbetwistingen ambtshalve dient over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor deze zaak. Meer bepaald dient zij zich ervan te vergewissen dat verzoeker geen enkel risico op een mensonterende behandeling zal ondergaan wanneer hij terug zou keren naar Kameroen. Dat het een schending van de rechten van verdediging is daar verzoeker van mening is dat hij zich dienstig moet kunnen verweren tegen de repliek van het Commissariaat- Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen. Dat deze mogelijkheid in casu verboden is. Dat verzoeker eveneens verzoekt aan de Raad voor State prejudiciële vragen te stellen aan het Europees Hof van Justitie die als volgt luiden: "Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en houdt art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of het algemeen rechtsbeginsel recht op verdediging en recht op een beroep met volle rechtsmacht in dat deze administratieve rechtscolleges over een eigen onderzoeksbevoegdheid te beschikken die hen toelaat tot op de dag van de eindbeslissing onder-zoek te verrichten naar alle relevante feiten, die nuttig zijn om de zaak te beoordelen”. "Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en houdt art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of het algemeen rechtsbeginsel recht op verdediging en recht op een beroep met volle rechtsmacht in dat eenieder het recht heeft om schriftelijk te antwoorden op de antwoordbesluiten van de Lidstaat”.”; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord integraal het in het inleidend verzoekschrift uiteengezette middel herhaalt en als volgt repliceert op het verweer van de tegenpartij: XIV-30.133-11/18 “De verwijzing naar Belgische rechtspraak is voor het overgrote deel irrelevant gezien de materie ressorteert onder het Europees Gemeenschapsrecht. Dat het aspect "volle rechtsmacht” in overeenstemming dient te zijn met het begrip “volle rechtsmacht" zoals het geïnterpreteerd wordt door het gemeenschapsrecht. Verzoekster verwijst naar de arrest van het Europees Hof van Justitie in de zaak “Organisatie van Volksmujahedeen van Iran tegen de Raad van de Europese Unie” van 12.12.2006, zaak T 228-
- Meer bepaald deriveert het arrest uit Richtlijn 2004/38 (Vrijheid van verkeer en niet 2004/83) rechtsbeginselen, (meer bepaald uit art. 31.3 van de Richtlijn) dat er "rechtsmiddelen dienen te worden voorzien met de mogelijkheid van onderzoek van de wettigheid van het besluit, alsmede van de feiten en omstandigheden die de voorgenomen maatregel rechtvaardigen". Dat zulks in casu bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onmogelijk is.”; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker meent dat de rechten van de verdediging zijn geschonden doordat hij recht heeft op een beroep met volle rechtsmacht tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hieraan niet voldoet; dat daargelaten de vaststelling dat het louter wetskritiek betreft waarover de Raad van State niet kan oordelen, - zoals in het bestreden arrest reeds terecht werd opgemerkt - de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), zoals gewijzigd door de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen, uitdrukkelijk voorziet dat het beroep ingesteld tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal er één is met volle rechtsmacht; dat luidens artikel 39/2, § 1, van de Vreemdelingenwet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de bestreden beslissingen van de Commissaris-generaal kan bevestigen, hervormen of vernietigen wegens een substantiële onregelmatigheid dan wel omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad niet kan komen tot de bevestiging of hervorming zonder hiertoe aanvullende onderzoeks- maatregelen te moeten bevelen; dat zulks inhoudt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen kennis neemt van het geschil in zijn volledigheid en hij de beslissingen van de Commissaris-generaal kan herzien, ongeacht op grond van welk motief deze tot de bestreden beslissing is gekomen; dat bovendien het gebrek aan aanvullende onderzoeksbevoegdheid wordt ondervangen door een aantal correcties: de vreemdeling mag onder bepaalde voorwaarden “nieuwe gegevens” aanvoeren in het verzoekschrift ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (artikelen 39/69 en 39/76, § 1, tweede lid, van de Vreemdeling- enwet), de Raad kan ook op eigen initiatief beslissen om onder bepaalde voorwaarden rekening te houden met elk “nieuw gegeven” dat hem ter kennis wordt gebracht door de partijen, ook tijdens hun verklaringen op de terechtzitting en zulks zelfs wanneer daarvan geen melding is gemaakt in het inleidend verzoekschrift, en krachtens artikel 39/76, § 2, van de Vreemdelingenwet kan de kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken ten slotte bij een gemotiveerde beschikking de bestreden beslissing vernietigen en voor een nieuw XIV-30.133-12/18 onderzoek terugsturen naar de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen indien hij van oordeel is dat hij de zaak niet ten gronde kan onderzoeken omdat hij niet beschikt over bepaalde essentiële gegevens en waarvoor het nodig is aanvullende onderzoeksmaatregelen te bevelen; dat tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechtscollege, in casu de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, openstaat voor de asielzoekers overigens door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 werd bevestigd; dat voor zover verzoeker in zijn memorie van wederantwoord aanvoert dat de verwijzing naar Belgische rechtspraak door de verwerende partij in haar memorie van antwoord “voor het overgrote deel irrelevant (is) gezien de materie ressorteert onder het Europees Gemeenschaps- recht” daar “het aspect ‘volle rechtsmacht’ in overeenstemming dient te zijn met het begrip ‘volle rechtsmacht’ zoals het geïnterpreteerd wordt door het gemeenschapsrecht”, hij hiermee geenszins aantoont dat het Grondwettelijk Hof een andere invulling aan het begrip “volle rechtsmacht” zou geven dan de interpretatie die eraan gegeven wordt in het gemeenschaps- recht; dat voor zover verzoeker in zijn memorie van wederantwoord verwijst naar een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak Organisatie van Volksmujahedeen van Iran tegen de Raad van de Europese Unie (zaak T-228/02), waarin wordt overwogen dat er “rechtsmiddelen dienen te worden voorzien met de mogelijkheid van onderzoek van de wettigheid van het besluit, alsmede van de feiten en omstandigheden die de voorgenomen maatregel rechtvaardigen”, hij nalaat aan te tonen welke de relevantie hiervan is voor onderhavige zaak en op welke wijze voormeld arrest afbreuk zou doen aan het feit dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen voldoet aan de waarborgen inzake het “recht op effectieve rechterlijke bescherming”, waarop de door verzoeker geciteerde paragraaf uit voormeld arrest betrekking heeft; dat verzoeker nalaat in concreto te verduidelijken waarom de door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in casu gemaakte beoordeling van zijn zaak geen “actuele beoordeling (...) van zijn asielaanvraag op het moment van de finale beslissing” zou inhouden; dat hij er zich enkel toe beperkt op algemene en onsamenhangende wijze te poneren
(1)“(d)at de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen ambtshalve dient over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor deze zaak” en er zich “(m)eer bepaald dient (...) van te vergewissen dat verzoeker geen enkel risico op een mensonterende behandeling zal ondergaan wanneer hij terug zou keren naar Kameroen” en
(2)“(d)at het een schending van de rechten van verdediging is daar (...) hij zich dienstig moet kunnen verweren tegen de repliek van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen”, mogelijkheid die in casu verboden zou zijn; dat wat grief
(1)betreft, in casu uit de motivering van het bestreden arrest genoegzaam blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er zich wel degelijk van vergewist heeft dat verzoeker geen XIV-30.133-13/18 enkel risico op een mensonterende behandeling zal ondergaan bij een terugkeer naar zijn land van herkomst; dat op grond van de uitvoerig toegelichte - en door verzoeker overigens niet betwiste - vaststellingen omtrent de door hem voorgelegde stukken (waaronder een oproeping voor de rechtbank, een attest van de SCNC en een attest van een advocaat) en omtrent de ongeloofwaardige verklaringen, afgelegd in het kader van zijn eerste asielaan- vraag, waarvan de door hem aangehaalde feiten de basis vormen van zijn tweede asielaanvraag, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot het besluit komt dat aan verzoeker noch de vluchtelingenstatus noch de subsidiaire beschermingsstatus kan worden toegekend; dat wat grief
(2)betreft, de rechten van de verdediging betrekking hebben op het eerlijk verloop van de procedure en zij er toe strekken de betrokkene in staat te stellen naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken; dat, gelet op de mogelijkheid waarover de vreemdeling beschikt om ter zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen mondeling zijn argumenten, met inbegrip van zijn opmerkingen omtrent de nota van de tegenpartij, te ontwikkelen en op de mogelijkheid (in sommige gevallen de verplichting) die dit rechtscollege heeft om “nieuwe gegevens” in aanmerking te nemen, niet kan worden ingezien - en verzoeker evenmin verduidelijkt - op welke wijze de rechten van de verdediging zouden zijn geschonden, temeer daar hij niet aannemelijk maakt dat volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen alleen een schriftelijk verweer afdoende zou zijn om dit recht te waarborgen en temeer daar - zoals de verwerende partij terecht opmerkt - de Vreemdelingenwet niet voorziet in een absoluut verbod om nieuwe gegevens te doen gelden, doch enkel in een beperking van die mogelijkheid; dat in subsidiaire orde erop dient gewezen dat verzoeker niet in het minst toelicht waarom deze beperking het recht op een beroep met volle rechtsmacht of de rechten van de verdediging zou aantasten; dat uit de stukken van het administratief dossier niet blijkt dat verzoeker ter zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een “geactualiseerde memo- rie/conclusie” heeft neergelegd of heeft willen neerleggen en hij in onderhavig middel niet in het minst verduidelijkt welk verweer hij dan wel tegen de repliek van het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wenste te voeren; dat de prejudiciële vragen die verzoeker wil gesteld zien, dan ook niet dienend zijn voor de oplossing van het geschil daar de Vreemdelingenwet voorziet in een beroep met volle rechtsmacht bij een administra- tief rechtscollege, met name de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, waar de rechten van de verdediging gewaarborgd zijn; dat, met uitzondering van “het recht van verdediging zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten” niet wordt verduidelijkt welke principes van het EU-procesrecht zouden zijn geschonden; dat bovendien het Europees procesrecht en derhalve de principes ervan niet van toepassing zijn op een aan de Raad voor Vreemdeling- XIV-30.133-14/18 enbetwistingen voorgelegd geschil; dat het eerste middel, voor zover het al ontvankelijk zou zijn, moet worden verworpen; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “TWEEDE MIDDEL: Schending van art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Verzoeker verwijst naar het eerste middel en stelt dat zijn recht op een beroep in volle rechtsmacht en zijn recht op verdediging eveneens grondrechten zijn welke door het Handvest worden gegarandeerd. Dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ondertekend werd op 12 december 2007 en dus vier dagen voor de indiening van huidig beroep. Dat het Handvest door verzoeker kan ingeroepen worden op grond van het adagium "patere legem quem ipsi fecisti" en dit enkel in de verticale wijze. Hij kan het met andere woorden inroepen ten aanzien van de Belgische Staat. Zowel de Kwalificatierichtlijn (2004/83) als de Procedurerichtlijn verwijzen direct naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en dus ook naar art. 47 van het Handvest. In juni 2006 citeerde het Europees Hof van Justitie het Charter derwijze dat het zijn rechtstreekse werking bevestigde. Het stelde dat de vermelding in de preambule in de richtlijn voldoende was om het Charter van toepassing te maken (...). Een Advocaat Generaal van het Europees Hof van Justitie stelde dat het Handvest de uitdrukking is van het hoogste niveau , van een democratisch gevestigde politiek consensus welke thans beschouwd moet worden als een catalogus van fundamentele rechten gewaarborgd in het Gemeenschapsrecht. Dat ook het UNHCR deze visie is toegedaan. Dat verzoeker verwijst naar "The European asylum procedures directive in Legal context.' Research Paper No.
- p. 20 ev. (www.unhcr.org) Dat de toepassing van art. 47 van het Handvest dan ook gewaarborgd dient te worden in alle zaken die de Europese Unie regelt waaronder het asielrecht. Dat art. 47 als volgt luidt: Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordi- gen. Rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voorzover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen. Dat de invulling van art. 47 gelijklopend is met de invulling van art. 6 EVRM met het verschil dat het toepassingsgebied zich uitstrekt niet alleen over burgerlijke en strafrechtelijke materies maar ALLE materies die het Europees recht regelt waaronder dus ook het asielrecht. Dat de tekst zowel art. 13 EVRM als art. 6 EVRM incorporeert. Dat de rechtspraak ivm art. 6 EVRM dan ook relevant is ter beoordeling van het feit of dat onderhavig beroep voldoet aan de voorwaarde zoals gesteld in het Europees Handvest. Dat evenwel art. 47 van het handvest geen vereiste stelt van burgerlijke of politieke rechten. Dat voor het overige verzoeker verwijst naar het eerste middel.”; XIV-30.133-15/18 2.2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord integraal het in het inleidend verzoekschrift uiteengezette middel herhaalt; 2.2.
- Overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - in tegenstelling tot hetgeen verzoeker meent - tot op heden geen bindende kracht heeft; dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in het arrest van 27 juni 2006 in de zaak C-540/03, waarnaar verzoeker verwijst, overigens uitdrukkelijk stelt dat “het Handvest geen bindend rechtsinstrument is”; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert: “DERDE MIDDEL: Schending van het artikel 39/56 van de Vreemdelingenwet. Schending van het artikel 39/59 van de Vreemdelingenwet. Schending van het artikel 3 van het Koninklijk besluit houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemde- lingenbewistingen. Art. 39/56 van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: "Art. 39/
- De beroepen bedoeld in artikel 39/2 kunnen voor de Raad worden gebracht door de vreemdeling die doet blijken van een benadeling of van een belang. De Minister of diens gemachtigde kan een beroep instellen tegen een beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die hij strijdig acht met de wet of met de Koninklijke besluiten die ermee in verband staan. De partijen mogen zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door advocaten die ingeschreven zijn op de tabel van de Orde der Advocaten of op de lijst van de stagiairs, alsook, volgens de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, door de onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie die gerechtigd zijn om het beroep van advocaat uit te oefenen. Onverminderd deze mogelijkheid, wordt bij een beroep tegen een beslissing van de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, deze partij vertegenwoordigd door de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, door een van de adjuncten of door een door de Commissaris-Generaal aangewezen gemachtigde." Op de zitting d.d. 10.08.2007 was de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen in casu beweerdelijk vertegenwoordigd door attaché G. HABETS. Uit geen enkel stuk uit het administratief dossier blijkt dat G. HABETS een aangewe- zen gemachtigde van de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen zou zijn. De raadsman van verzoeker heeft tijdens de zitting van 6.11.2007 uitdrukkelijk gesteld dat het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen niet geldig vertegenwoordigd was. Verzoeker is van mening dat elkeen die beweert gemachtigd te zijn door de Commissa- ris Generaal voor de Vluchtelingen en verschijnt voor de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen hiervan bewijs dient te leveren op de zitting zelf, of minstens dat het dossier zelf een spoor bevat van deze machtiging. Ondergeschikt meent verzoeker dat een dergelijke machtiging een procedurestuk betreft dat in eik dossier dient te worden bijgevoegd zodat het controleerbaar is. Verzoeker stelt vast dat van de opgeworpen procedurekwestie geen spoor in het arrest hieromtrent te vinden. Derhalve kan geen machtiging worden aangetoond. Dat zulks een machtiging een procedurestuk betreft dat zich in het dossier dient te bevinden. Dat een algemene machtiging niet kan en indien er zulks een algemene machtiging zou bestaan dan diende de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen zulks een bewijs ten laatste op de zitting voor te brengen. XIV-30.133-16/18 De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had dan ook toepassing moeten maken van het artikel 39/59 § 2 van de Vreemdelingenwet. Dit artikel 39/59 §2 luidt als volgt: "§
- Alle partijen verschijnen ter terechtzitting of zijn er vertegenwoordigd. Wanneer de verzoekende partij noch verschijnt noch vertegenwoordigd is, wordt het beroep verworpen. De andere partijen die niet zijn verschenen of niet vertegenwoordigd zijn, worden geacht in te stemmen met de vordering of het beroep. In elke kennisgeving van een beschikking tot vaststelling van de rechtsdag wordt melding gemaakt van deze paragraaf." De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had dus moeten vaststellen dat de Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen niet geldig was vertegen- woordigd en dat het artikel 39/59 volle uitwerking diende te krijgen, met name dat er ingestemd werd met de vordering. Dit middel zou moeten leiden tot cassatie van de bestreden beslissing.”; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord integraal het in het inleidend verzoekschrift uiteengezette middel herhaalt; 2.3.
- Overwegende dat artikel 39/56 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat de partijen zich voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen mogen laten vertegenwoordi- gen of bijstaan door advocaten die ingeschreven zijn op de tabel van de Orde der Advocaten of op de lijst van de stagiairs alsook door de onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie die gerechtigd zijn om het beroep van advocaat uit te oefenen, en dat bij een beroep tegen een beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, deze partij vertegenwoordigd wordt door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, door één van de adjuncten of door een door de Commissaris-generaal aangewezen gemachtigde; dat uit het bestreden arrest blijkt dat de naam van G. HABETS, die in casu ter zitting van 14 november 2007 voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verscheen, voorkomt op de lijst die de Commissaris-generaal bij brief van 31 mei 2007 heeft overgezonden aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en waarbij hij de namen vermeldt van de attachés die door hem gemachtigd werden om hem te vertegenwoordigen bij de Raad; dat voormeld artikel 39/56 van de Vreemdelingenwet niet voorschrijft dat deze brief van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, waarin hij de namen opgeeft van de attachés die hij machtigt hem te vertegen- woordigen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en die - in tegenstelling tot hetgeen verzoeker voorhoudt - geen “procedurestuk” is, (al dan niet ter zitting) aan de verzoekende partij dient te worden voorgelegd, laat staan dat zulks op straffe van nietigheid van het bestreden arrest moet gebeuren; dat aangezien de vertegenwoordiger van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op de zitting van 14 november 2007 over de wettelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid beschikte om in rechte op te treden voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen namens de tegenpartij, de schending XIV-30.133-17/18 van artikel 39/59, § 2, van de Vreemdelingenwet niet dienstig wordt aangevoerd; dat het derde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf januari tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.133-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.244 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div