← België

Arrest 189245 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 05/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.245 Rolnummer: A. 186880/XIV-30159 Zaak: Arrest 189245 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 05/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-02 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 12:13 Fiche Arrest nr 189.245 van 5 januari 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.245 van 5 januari 2009 in de zaak A. 186.880/XIV-30.

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat J. TIELEMAN, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Armeense nationaliteit, op 30 januari 2008 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 5370 van 21 december 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 2371 van 19 maart 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 9 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 december 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-30.159-1/16 Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. DE LIEN die, loco Advocaat J. TIELEMAN verschijnt voor de verzoekende partijen en van Attaché Kr. GOOSSENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. XXX en XXX, beide van Armeense nationaliteit, komen op 21 maart 2007 België binnen en vragen op dezelfde dag om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
  6. Deze aanvragen worden op 24 juli 2007 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
  7. Verzoekers tekenen tegen deze weigeringsbeslissingen op 9 augustus 2007 hoger beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
  8. Op de zitting van 8 november 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen worden verzoekers, bijgestaan door Advocaat J. TIELEMAN, en Attaché F. VEREEKEN, die optreedt voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, gehoord, waarna de debatten worden gesloten en de zaak in beraad wordt genomen. 1.
  9. Op 21 december 2007 velt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest, waarbij aan verzoekers de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd. XIV-30.159-2/16 Dit arrest is als volgt gemotiveerd: “
  10. In eerste instantie moet worden vastgesteld dat de bestreden beslissing ten aanzien van tweede verzoekster stelt dat alle problemen die zij kende in Armenië verbonden waren met de problemen van haar echtgenoot en dat zij geen persoonlijke problemen kende, dat ten aanzien van haar echtgenoot werd besloten tot een weigering van de vluchtelingenstatus en tot een weigering van de subsidiaire beschermingsstatus, zodat in haren hoofde evenmin kan worden besloten tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op het lijden van ernstige schade. Tweede verzoekster verzet zich niet tegen deze vaststellingen en voert, samen met haar echtgenoot, uitsluitend middelen aan tegen de beslissing aangaande laatstgenoemde. Derhalve zal ook in de onderhavige procedure een beslissing ten aanzien van eerste verzoeker met zich brengen dat dezelfde beslissing wordt genomen ten aanzien van tweede verzoekster, zijn echtgenote. 2.
  11. Verzoekers voeren in een eerste middel de schending aan van de motiveringsver- plichting van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 1 van het Internatio- naal Verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), en van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet. In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van de motiveringsverplichting van artikel 62 van de vreemdelingenwet, van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 1 van de Conventie van Genève, en van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet. 2.
  12. De formele motiveringsplicht, vervat in artikel 62 van de Vreemdelingenwet en in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshande- lingen, heeft tot doel zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, opdat de betrokkene zou weten of hij zich zinvol kan verweren met de middelen die het recht hem verschaft (R.v.St. nr. 167.408, 2 februari 2007; R.v.St. nr. 167.852, 15 februari 2007). Er moet worden vastgesteld dat verzoeker blijkens het verzoekschrift kennis heeft van de motieven van de bestreden beslissing, zodat het doel van de formele motiverings- plicht is bereikt. Het middel wordt derhalve vanuit het oogpunt van de materiële motiveringsplicht onderzocht, met dien verstande dat de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen erop wijst dat hij inzake beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen over volheid van rechtsmacht beschikt, hetgeen impliceert dat het geschil met alle feitelijke en juridische vragen in zijn geheel aanhangig wordt gemaakt bij de Raad die een onderzoek voert binnen de lijnen van het rechtsplegingdossier en rekening houdend met het verzoekschrift dat de grenzen van het gerechtelijke debat bepaalt. Als administratieve rechter doet de Raad in laatste aanleg uitspraak over de grond van het geschil (Wetsontwerp tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, Parl.St. Kamer 2005-2006, nr. 2479/001, 95, 96 en 133). Door de devolutieve kracht van het beroep is de Raad niet noodzakelijk gebonden door de motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund. De middelonderdelen zullen dan ook maar worden onderzocht in zoverre zij betrekking hebben op de motieven die in de onderhavige beslissing in aanmerking worden genomen. 2.
  13. De materiële motiveringsplicht, het vereiste van deugdelijke motieven, houdt in dat een administratieve rechtshandeling, in casu de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen, op motieven moet steunen waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoor- ding van de beslissing in aanmerking kunnen genomen worden. Het middel zal dan ook vanuit dit oogpunt worden onderzocht (R.v.St., nr. 133.153, 25 juni 2004). 2.
  14. De bestreden beslissing luidt onder meer als volgt : XIV-30.159-3/16 “U verklaart tijdens het interview voor het Commissariaat-generaal dat u problemen kende in Armenië met jullie burgemeester omdat hij jullie grond wou overnemen voor slechts 20.000 dollar, en u dit weigerde omdat de eigenlijke waarde 200.000 à 250.000 dollar was (CGVS, p. 7, 8 en 9).Hierover dient te worden opgemerkt dat nergens uit uw verklaringen blijkt dat uw problemen enige connotatie hebben met de criteria bepaald in de Vluchtelingenconventie namelijk etnie, nationaliteit, religieuze of politieke overtuiging of het behoren tot een sociale groep. U maakt evenmin aannemelijk dat u een reëel risico loppt op het lijden van ernstige schade zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming. Vooreerst brengt u absoluut geen begin van bewijs aan over uw concrete problemen in Armenië, en over de problemen die u eventueel naar de toekomst toe zou kunnen verwachten. Bovendien geeft u aan dat een intern vluchtalternatief niet uit gesloten is. U verklaart tijdens het interview voor het Commissariaat-generaal aanvankelijk wel dat u zich qua bescher- ming elders in Armenië niet veilig zou kunnen vestigen aangezien er binnen Armenië geen plaatsen zijn “waar de armen van deze burgemeester zich niet uitstrekken” (CGVS, p. 19 en 20). U geeft tijdens het interview voor het Commissariaat-generaal verder wel uitdrukkelijk toe dat, indien u uw boerderij wel zou verkopen, u dan misschien ook wel geen problemen meer zou kennen met die burgemeester (CGVS, p. 19 en 20). Concluderend kan dan ook gesteld worden dat u zelf aangeeft dat u zich mogelijk veilig elders in Armenië had kunnen vestigen indien een tot een akkoord was gekomen metde burgemeester over uw eigendom. (…)” 2.
  15. Aangaande het motief dat de aangehaalde problemen geen enkele connotatie zouden hebben met de criteria van de Conventie van Genève, zijn verzoekers van oordeel dat zij een gegronde vrees voor vervolging hebben ingevolge het behoren tot een bepaalde sociale groep, meer bepaald de groep van grondeigenaars in een gebied waar het merendeel van de grond in bezit is van verzoekers vervolger, die weigert hun grond af te staan. 2.
  16. Overeenkomstig artikel 48/3, § 4, d), van de Vreemdelingenwet kan worden gesproken van een specifieke sociale groep wanneer de leden van die groep een aangeboren kenmerk vertonen of een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet kan worden gewijzigd, of een kenmerk of een geloof delen dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is dat van hen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven, en deze groep in het betrokken land een identiteit heeft omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd. In eerste instantie moet worden vastgesteld dat geen van de door verzoekers neergeleg- de documenten het bestaan van een dergelijke sociale groep aantoont. Deze stukken en de inhoud ervan worden beoordeeld in de bestreden beslissing, en deze beoordeling wordt door verzoekers niet betwist. Meer specifiek voeren verzoekers geen argumenten aan tegen de vaststelling dat het neergelegde internetartikel waarin zou zijn vermeld dat de betrokken burgemeester 70 à 80 % van de grond in de provincie Shirak bezit hun concrete problemen niet aantoont. Verzoekers voeren evenmin aan dat de betrokkene zijn eigendom van deze grond kwaadschiks heeft bekomen en dat de grondeigenaars ter plaatse het slachtoffer zouden zijn van vervolgingen ingevolge de druk die op hen wordt gelegd om hun eigendom te verkopen. Voor het overige zal hieronder blijken dat geen enkel bewijs voorligt van enige vervolging, zodat verzoekers in casu niet aantonen dat hun probleem niet van gemeenrechtelijke aard is. Het feit tenslotte dat verzoeker in zijn verklaringen spreekt over het al dan niet reeds geprivatiseerd zijn van de betrokken gronden, en over het feit dat hij niet van plan was zich te laten onteigenen, bevestigen dit. 2.
  17. Verzoekers vechten verder het motief aangaande het gebrek aan bewijs aan in het kader van de subsidiaire bescherming. Zoals reeds gezegd vechten verzoekers de beoordeling van de voorliggende documenten door de verwerende partij niet aan, doch zij voeren aan dat zij zijn weggevlucht uit Armenië omdat ze werden vervolgd door de Armeense autoriteiten, dat ze regelmatig hebben geprobeerd klacht neer te leggen de XIV-30.159-4/16 politie maar dat, gezien de acties van de burgemeester werden gesteund door de politiediensten en deze er alle belang bij hadden om de vervolging clandestien te houden, geen documenten kunnen worden neergelegd. Voorts stellen verzoekers nog dat uit de door hen in hun verzoekschrift aangehaalde persberichten blijkt dat de burgemeester zich eerder al schuldig maakte aan het schenden van mensenrechten, dat hij zo controversieel is dat er al een aanslag werd gepleegd op zijn leven, en dat dit verzoekers verhaal bevestigt of ondersteunt, hetgeen niet door de verwerende partij werd onderzocht in het kader van de gedeelde bewijslast. Verzoekers stellen verder nog dat de verklaringen van een asielzoeker voldoende kunnen zijn op voorwaarde dat ze mogelijk, plausibel en oprecht zijn, hetgeen in casu het geval is, zodat hem het voordeel van de twijfel kan worden verleend. 2.
  18. De Raad stelt vast dat de bewijslast inzake de gegrondheid van een asielaanvraag in beginsel op de asielzoeker zelf rust. Zoals iedere burger die om een erkenning vraagt, moet ook hij aantonen dat zijn aanvraag gerechtvaardigd is. Hij moet een poging ondernemen om het relaas te staven en hij moet de waarheid vertellen (R.v.St., X, nr. 163.124, 4 oktober 2006; UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1992, nr. 205). Zijn verklaringen kunnen een voldoende bewijs zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, geloofwaardig en eerlijk zijn (J. HATHA- WAY, The Law of Refugee Status, Butterworths, Toronto-Vancouver, 1991, 84). De afgelegde verklaringen mogen daarvoor niet in strijd zijn met algemeen bekende feiten. In het relaas mogen geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdighe- den op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Het voordeel van de twijfel kan slechts worden toegestaan als alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen (UNHCR, a.w., nr. 204). In casu komt de Raad, na onderzoek van de elementen van het asielrelaas, tot de conclusie dat dit relaas niet geloofwaardig is. Ten eerste is het niet geloofwaardig dat verzoekers, die luidens hun verklaringen zich steeds en in alle heftigheid zouden hebben verzet tegen het afstaan van hun eigendom- men, gevlucht zouden zijn met hun persoonlijke documenten, doch zonder de eigendomsdocumenten (gehoorverslag DVZ, administratief dossier stuk 11, p. 17), die thuis zouden zijn gebleven, in een kast die bestemd is om documenten in op te bergen. Het feit dat verzoekers hun eigendomsdocumenten later, tijdens het gehoor bij de verwerende partij, toch wisten neer te leggen (gehoorverslag CGVS, administratief dossier stuk 3, p. 4), doet geen afbreuk aan het feit dat zij deze aanvankelijk niet hadden meegenomen. Voorts moet nog worden vastgesteld dat eerste verzoeker bij de Dienst Vreemdelingen- zaken verklaarde dat na de problemen van 27 en 30 november 2006 op 3 december 2006 vijf mannen naar zijn boerderij kwamen om hem andermaal onder druk te zetten en dat hij op die dag in mekaar werd geslagen (gehoorverslag DVZ, p 14-15). Uit verzoekers verklaringen blijkt dat dit de enige keer is dat verzoekers fysieke integriteit werd aangetast, zodat moet worden aangenomen dat deze dag en dit voorval in verzoekers geheugen zou gegrift staan. In die optiek is het niet aannemelijk dat eerste verzoeker bij de verwerende partij, nadat hij was gehoord in verband met de voorvallen op 27 en 30 november 2006 en hem expliciet werd gevraagd: “volgende probleem” (gehoorverslag CGVS, p 10) verwees naar de problemen van 21 januari 2007, zonder de vermelding van het incident van 3 december
  19. Dit ondermijnt de geloofwaardig- heid van zijn relaas. Zoals reeds gesteld mag er van worden uitgegaan dat dit incident, het enige waarbij geweld werd gebruikt ten aanzien van eerste verzoeker, in zijn geheugen zou gegrift staan en dat het niet aannemelijk is dat hij dit in de opsomming van de feiten niet zou hebben vermeld. Dit klemt des te meer nu bij elk incident dat door eerste verzoeker werd uiteengezet uitdrukkelijk werd gevraagd of er geweld werd gebruikt, zodat er kan worden van uit gegaan dat het relaas zou worden opgebouwd rond die éne keer dat wel geweld zou zijn gebruikt. Het gegeven dat verzoeker later in XIV-30.159-5/16 datzelfde gehoor nog heeft verwezen naar het incident van 3 december 2006 doet aan het hiervoor gestelde geen afbreuk. 2.
  20. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat verzoekers asielrelaas niet geloofwaardig is en dat het niet kunnen voorleggen van bewijsstukken een verdere negatieve indicatie is voor de geloofwaardigheid van het relaas. Waar verzoekers stellen dat de door hen aangehaalde berichtgeving omtrent hun vermeende vervolger hun relaas ondersteunt of bevestigt, werd eerder al vastgesteld dat verzoekers niet ontkenden dat deze geen melding maken van hun problemen of van enigerlei problemen van dezelfde aard, zodat zij niet kunnen worden gevolgd waar zij menen dat de berichten in casu enige bewijskracht zouden kunnen hebben. Het feit dat eerste verzoeker valselijk zou zijn beschuldigd van een ongeval, waarbij volgens zijn verklaringen zijn vervolgers het hele ongeval zouden hebben geënsce- neerd, zou logischerwijze hebben geresulteerd in het feit dat een schriftelijke klacht zou zijn opgesteld jegens hem. Immers, in het andere geval zou het niet aannemelijk zijn dat hij, zoals hij thans beweert, vreest voor vervolging op het hele grondgebied van Armenië en zou verzoeker niet aannemelijk maken dat hij zich niet elders in Armenië, buiten de invloedssfeer van zijn vermeende vervolger, zou kunnen vestigen. Derhalve is het niet aannemelijk dat deze klacht niet in zijn bezit zou zijn. Blijkens de gegevens van het dossier heeft verzoeker tijdens zijn verblijf in België nog contact gehad met zijn land van herkomst –getuige daarvan het feit dat hij aanvankelijk zijn eigendomsdocu- menten niet kon voorleggen terwijl hij dat later wel kon- en blijkt zijn moeder nog in de boerderij te wonen, zodat van hem kan worden verwacht dat hij deze klacht, zo ze zou bestaan, zou kunnen voorleggen. De bewijslast berust immers in beginsel bij de asielzoeker die, in de mate van het mogelijke stavingstukken moet aanbrengen. Aangezien deze klacht van essentieel belang is om te kunnen bepalen of verzoekers al dan niet zouden kunnen beschikken over een intern vestigingsalternatief, is het niet onredelijk om te verwachten dat het stuk thans zou worden voorgelegd. 2.
  21. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de middelen zoals besproken in het kader van de bevoegdheid in volle rechtsmacht niet gegrond zijn en dat verzoekers niet aannemelijk hebben kunnen maken dat zij een gegronde vrees voor vervolging in de vluchtelingen- rechtelijke zin of een reëel risico op het lijden van ernstige schade zouden kunnen hebben OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Artikel 1 De vluchtelingenstatus wordt aan de verzoekende partijen geweigerd. Artikel 2 De subsidiaire beschermingsstatus wordt aan de verzoekende partijen geweigerd.”.
  22. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  23. Overwegende dat verzoekers als eerste middel aanvoeren: “EERSTE MIDDEL: Schending van het recht van verdediging zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutio- nele tradities van de lidstaten . Verzoekers betogen dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geenszins voldoet aan de waarborgen zoals vastgesteld in bovenvermelde rechten. Verzoekers menen dat zij recht hebben op een beroep met volle rechtsmacht en dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hieraan niet voldoet. Verzoekers zullen in eerste instantie uiteenzetten dat zij zich rechtstreeks kunnen beroepen op de grondrechten zoals die voortvloeien uit de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten. XIV-30.159-6/16 Verzoeker zullen in tweede instantie uiteenzetten dat zij conform bovenvermelde principes recht hebben op een onderzoek van de feiten door het jurisdictioneel orgaan dat hun beroep behandelt en dit omwille van het feit dat de natuur van een asielaan- vraag een actuele beoordeling dient in te houden van hun asielaanvraag op het moment van de finale beslissing. Dat dit recht beperkt wordt gezien verzoekers na het indienen van onderhavig beroep geen nieuwe stukken kunnen aanbrengen en geen geactualiseer- de memorie/conclusie kan bijbrengen. Dat geenszins sprake kan zijn van een jurisdictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft. Verzoekers zullen aantonen dat het begrip "volle rechtsmacht" een bijzondere betekenis heeft en dot de betekenis varieert van materie tot materie. Verzoekers zullen tenslotte in derde instantie aantonen dat de processuele waarborgen van het Europees gemeenschapsrechten volledig afwezig zijn en dit ondanks het feit dat de ganse materie van asiel thans onder het Europees recht valt.
  24. Grondrechten zoals die voortvloeien uit de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten hebben rechtstreekse werking. De kern van het afdwingen van procedurele regels in het nationale recht met betrekking tot het EU gemeenschapsrecht is vervat in de Rewe Comet formule (...). “In the absence of Community rules governing the matter, it is for the domestic Legal system of each Member State to designate the courts and tribunals having jurisdiction and to lay down the detailed procedural rules governing actions for safeguarding rights which individuals derive from the direct effect of Community low. However, such rules must not be less favourable than those governing similar domestic actions, nor render virtually impossible or excessively difficult the exercise of rights conferred by Community law". ( ECJ. 33/76 Rewe-Zentralfinanz eG & rewe-Zentral AG v. landwirtschafstskammer fur das Saarland, 1976 ; ECJ 45/76 Comet BVv Produktschap voor Siergewassen Eigen vertaling: Wanneer het Gemeenschapsrecht de materie niet behandelt, dient het eigen rechtsysteem van elk van de lidstaten de hoven en rechtbanken aan te duiden en dient zij gedetailleerde procedurele regels voor te schrijven die instaan voor de waarborg van de rechten waarop individuele personen zich kunnen beroepen op grond van de directe werking van het Gemeenschapsrecht. Echter deze regels mogen enerzijds niet minder gunstig zijn dan gelijkaardige rechten in het eigen rechtssysteem noch mogen zij de uitoefening van de rechten afgeleid uit het Gemeenschapsrecht virtueel onmogelijk of overdreven moeilijk maken. Richtlijn 2004/83 biedt effectief processuele grondrechten voor individuen. De richtlijn verwijst naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de "grondrech- ten” eigen aan het EU recht. Dat processuele grondrechten hier eveneens onder vallen. Overweging 10 stelt: "Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In het bijzonder tracht deze richtlijn de menselijke waardigheid, het recht op asiel van asielzoekers en hun begeleidende familieleden en de bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering op grond van de artikelen 1, 7 8 en 79 van het Handvest ten volle te eerbiedigen.” Dat het begrip grondrechten duidt op de grondrechten zoals het Europees Hof von Justitie deze erkend in de rechtspraak of "grondrechten zoals zij uit de gemeenschappe- lijke constitutionele tradities van de lidstaten voorvloeien als beginselen van Gemeen- schapsrecht”. Het EHJ heeft reeds verschillende keren geoordeeld dat de algemene rechtsbeginselen waartoe ook de grondrechten behoren integraal deel uitmaken van het gemeenschaps- recht (...). Welke grondrechten juist deel uitmaken van het gemeenschapsrecht bepaalt het EHJ niet. Er bestaat geen lijst van grondrechten. Het achterliggende beginsel dat het EHJ gebruikt in zijn rechtspraak over grondrechten is de bescherming van de waarheid en de vrijheid van de menselijke persoon (...). XIV-30.159-7/16 Het EHJ haalt deze grondrechten en fundamentele vrijheden uit de constitutionele tradities welke aan de Lidstaten gemeen zijn (...), alsook uit de internationale verklaringen inzake de bescherming van de rechten van de mens waaraan de Lidstaten hun medewerking hebben verleend of waartoe ze later zijn toegetreden (...). Zo heeft het EHJ al enkele keren een grondrecht uit het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten als integraal deel uitmakend van het gemeenschaps- recht aanvaard (...). De bescherming van de grondrechten als integraal onderdeel van het gemeenschaps- recht geldt niet enkel met betrekking van de maatregelen van de EU zelf. De bescherming geldt ook voor maatregelen die de Lidstaten mogen of moeten nemen uit hoofde van het gemeenschapsrecht (...). Zodat in casu de Vreemdelingenwet voor zover zij handelt inzake materies die geregeld worden door het Europees Gemeenschapsrecht waaronder het asielrecht in overeenstemming dient te zijn met deze grondrechten. Dat in elk geval deze grondrechten rechtstreekse werking hebben en de rechtstreekse werking ervan. Dat het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie een samenvatting vormt van deze grondrechten. De rechtsleer stelt onder andere: "Het Handvest voegt dus strikt genomen geen rechte toe, maar visualiseert enerzijds de bekende op neutrale wijze en expliciteert anderzijds de potentie van de het gemeen- schappelijk constitutioneel erfgoed en de internationale verplichtingen van de lidstaten, onder de vorm van zogenaamde nieuwe rechten.(...)” De preambule van het Handvest laat over de bedoeling ervan geen twijfel bestaan: "Onder eerbiediging van de bevoegdheden en taken van de Gemeenschap en de Unie en van het subsidiariteitsbeginsel, bevestigt dit Handvest de rechten die met name voortvloeien uit de gemeenschappelijke constitutionele verdragen, uit het EVRM, uit de door de Gemeenschap en de Raad van Europa aangenomen sociale handvesten, alsook uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie en van het Europees Hof voor de rechten van de Mens. Verzoekers verwijzen naar de zaak 222/86 (Heylens) waarin voormeld principe van de rechten van verdediging bevestigd wordt. 2 . AANGEZIEN DE VRIJE TOEGANG TOT HET ARBEIDSPROCES EEN FUNDAMENTEEL RECHT IS DAT HET VERDRAG AAN IEDERE WERKNEMER VAN DE GEMEENSCHAP INDIVIDUEEL TOEKENT, IS DE MOGELIJKHEID VAN BEROEP IN RECHTE TEGEN IEDERE BESLISSING VAN EEN NATIONA- LE INSTANTIE WAARBIJ DE UITOEFENING VAN DAT RECHT WORDT GEWEIGERD, VAN WEZENLIJK BELANG OM DE PARTICULIER EEN DOELTREFFENDE BESCHERMING VAN ZIJN RECHT TE WAARBORGEN . DIT VEREISTE VORMT EEN ALGEMEEN BEGINSEL VAN GEMEENSCHAPS- RECHT DAT VOORTVLOEIT UIT HET CONSTITUTIONELE ERFGOED DAT ALLE LID-STATEN GEMEEN HEBBEN EN DAT EVENEENS IS NEERGELEGD IN DE ARTIKELEN*6 EN*13 VAN HET EUROPEES VERDRAG TOT BESCHER- MING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS Dat de rechten van verdediging in elk geval grondrechten zijn die gegarandeerd worden door het gemeenschapsrecht. Dat verzoekers ook betogen dat het recht op een beroep in volle rechtsmacht een grondrecht is dat wordt gegarandeerd door het gemeenschapsrecht.
  25. Volle rechtsmacht Verzoekers stellen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volle rechtsmacht dient te hebben en thans niet voldoet aan deze vereiste. Dat de principes van het recht van verdediging eveneens te ontwaren vallen art. 6 EVRM welke uiteraard ook een grondrecht vormt in het gemeenschapsrecht. Dat voor zover verzoekers verwijzen naar art. 6 EVRM, zij dit enkel doen om het begrip volle rechtsmacht nader uiteen te zetten. Dat zij derhalve geen schending van het artikel op zich inroepen daar het asielrecht in de huidige stand van de rechtspraak niet van toepassing is op asielaanvragen. XIV-30.159-8/16 Verzoekers betogen dat het principe dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen eigen onderzoek kan stellen in strijd is met het begrip "full jurisdiction" volle rechtmacht zoals vastgelegd in het EVRM en dus indirect van toepassing zijn door het feit dat dit een grondrecht uitmaakt in het gemeenschapsrecht. ‘Full jurisdiction' Van belang is om te beginnen dat artikel 6 lid 1 EVRM niet alleen toegang tot een rechter garandeert maar ook eisen stelt aan de rechterlijke toetsing van overheidsoptre- den. In het kader van een procedure moet op grond van vaste jurisprudentie ten minste één rechterlijke instantie met volledige rechtsmacht ('full jurisdiction') de betreffende besluiten kunnen controleren (...). De eis van 'full jurisdiction' houdt in dat de betreffende rechter de bevoegdheid moet hebben: 'to examine all questions of fact and low relevant to the dispute before it.'(...) De rechter moet op grond van artikel 6 lid 1 EVRM dus alle voor het betreffende geschil relevante vragen van juridische en feitelijke oord kunnen onderzoeken. Het is belangrijk om expliciet te constateren dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen rechtsvragen en feitelijke vragen(...). Uit het voorgaande volgt dat de rechter om te voldoen aan de eisen van artikel 6 EVRM dus ook moet kunnen oordelen over de vaststelling van de feiten als deze relevant zijn in het geschil. Daarmee is van belang wat wordt bedoeld met 'facts relevant to the dispute'. Immers alleen met betrekking tot deze feiten geldt het vereiste van 'full jurisdiction'. Daarmee is de vraag aan de orde hoe intensief de rechter terzake moet kunnen toetsen. Uitgangspunt van de jurisprudentie van het EHRM lijkt te zijn dat de rechter een eigen oordeel over de feiten moet geven hetgeen impliceert dat hij de bestuurlijke feitenvast- stelling vol moet kunnen toetsen. Gewezen kan hier worden op de uitspraak van het EHRM in de zaak Terra Woningen t. Nederland. Daarin werd een schending van artikel 6 lid 1 EVRM aangenomen omdat de kantonrechter bij het vaststellen van een huurprijs niet zelfstandig wilde onderzoeken of er sprake was van bodemverontreiniging (een factor bij het bepalen van de huurprijs) en het standpunt van Gedeputeerde Staten daarover zonder meer overnam. Dit ondanks het feit dat partijen van mening verschilden over de vraag of er inderdaad sprake was van bodemverontreiniging. Uit het voorgaande zou kunnen worden afgeleid dat een meer terughoudende - marginale - toetsing van de feitenvaststelling nooit door de beugel zou kunnen,365 maar uit de zaak Bryan t. Verenigd Koninkrijk blijkt dat het EHRM onder bepaalde omstandigheden daarmee wel genoegen neemt (...). Deze zaak betrof een handhavings- besluit op grond waarvan de heer Bryan twee huizen moest slopen en bouwmateriaal moest verwijderen. Daartegen kwam hij vergeefs op bij het bestuursorgaan dat het besluit nam, waarna er beroep werd ingesteld bij de rechter. Daar kon echter de juistheid van de vastgestelde feiten die de basis vormden van het besluit niet meer direct worden betwist. De rechter was alleen bevoegd ten aanzien van rechtsvragen en kon geen nader bewijs ontvangen. Wel had de rechter de bevoegdheid om te beoordelen of de procedure waarin de feiten waren vastgesteld rechtmatig was en of de feitenvaststel- ling 'perverse or irrational' was. Beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling bevinden zich dus 'in de gevarenzone van artikel 6 EVRM', maar zijn gelet op de zaak Bryan niet zonder meer ongeoorloofd. Voor dergelijke beperkingen moet wel een overtuigende rechtvaardigingsgrond bestaan, zoals de aard van het materiële rechtsgebied en de daaraan verbonden bestuurlijke vrijheid en het gespecialiseerde karakter van de feitenvaststelling. Daarbij is van belang dat de bestuurlijke feitenvaststelling in een met voldoende waarborgen omklede - quasirechterlijke gespecialiseerde administratieve voorprocedure heeft plaatsgevonden. Hieruit lijkt voort te vloeien dat het in dergelijke gevallen in het licht van artikel 6 EVRM ook mogelijk is grenzen te stellen aan het inbrengen van bepaald nieuw bewijsmateriaal in de rechterlijke procedure. Sommige bewijsmateriaal vergt immers een geheel nieuwe beoordeling door de rechter, iets waartoe hij echter juist niet in staat is gelet op, bijvoorbeeld, de daartoe vereiste specialisatie. XIV-30.159-9/16 De beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling mogen in ieder geval nooit zo ver gaan dat de rechter zich geheel verlaat op het oordeel van het bestuur. Dat zou immers feitelijk betekenen dat de betrokkene opdat punt geen toegang heeft tot de rechter. Er moet in het kader van de rechterlijke procedure een debat kunnen worden gevoerd over de juistheid van het bestuurlijke feitenoordeel en de wijze waarop dat tot stand is gekomen. Het geheel uitsluiten daarvan kan blijkens de jurisprudentie van het EHRM niet door de beugel. Gewezen kan worden op de al genoemde zaak Terra Woningen t. Nederland en op de meer recente zaak Chevrol t. Frankrijk (...). Deze laatste zaak werd aan het EHRM voorgelegd nadat de Franse Raad van State (Conseil d'Etat) het beroep van verzoekster tegen de weigering haar Algerijnse artsexamen te erkennen had afgewezen. Daarbij heeft de Raad van State zijn eigen jurisprudentie gevolgd, waarbij hij, bij de beantwoording van de vraag of de betreffende verdragen toepasselijk waren, zich geheel heeft verlaten op het oordeel van een bestuursorgaan, ook waar dat de feitenvaststelling betrof. Het EHRM is daarover kritisch: ook al lijkt raadpleging van de minister door de Raad van State over de beoordeling van de voorwaarde van wederkerigheid bij de erkenning van diploma's noodzakelijk, door deze wijze van werken verplicht de Raad van State zich het oordeel te volgen van de minister, dat wil zeggen van een buiten de Raad staande en tot de uitvoerende macht behorende autoriteit, zonder het oordeel van die autoriteit aan kritiek of aan een contradictoir debat te onderwerpen. Het Hof is verder van oordeel dat met betrekking tot het inwinnen van het oordeel van de minister, dat bepalend zou zijn voor hetgeen in het geschil ter beslissing stond, voor appellante geen enkele voorziening openstond. Zij heeft geen enkele gelegenheid gekregen zich uit te spreken over het gebruik van het ministerieel oordeel, of over de formulering van de aan de minister gestelde vraag, of over de elementen van de beantwoording van die vraag. Appellante heeft aan de Raad van State verscheidene stukken overgelegd om aan te tonen dat de Algerijnse overheid de betreffende regelingen feitelijk wel degelijk toepaste. Deze stukken zijn zelfs niet onderzocht door de Raad, die derhalve niet heeft willen onderzoeken of zij een goede grondslag voor het betoog van appellante vormden. Aldus heeft de Raad zich gebonden geacht aan het oordeel van de minister, en zichzelf de bevoegdheid ontzegd om feitelijke gegevens die beslissend konden zijn voor het aan hem voorgelegde geschil in zijn beoordelingen te betrekken. Onder deze omstandighe- den kan volgens het EHRM niet worden gezegd dat verzoekers toegang hebben gehad tot een rechterlijke instantie die een toereikende bevoegdheid had, dan wel erkende dat zij een dergelijke bevoegdheid had, om zich te buigen over alle feitelijke en juridische kwesties die relevant waren om het geschil te beoordelen. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit evenwel niet heeft gedaan.
  26. Gebrek aan rechten van verdediging en volle rechtsmacht Toegepast op de beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, menen verzoekers dat deze procedure geenszins voldoet. Dat de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen ambtshalve dient over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor deze zaak. Meer bepaald dient zij zich ervan te vergewissen dat verzoekers geen enkel risico op een mensonterende behandeling zullen ondergaan wanneer zij terug zou keren naar Armenië. Dat het een schending van de rechten van verdediging is daar verzoekers van mening zijn dat zij zich dienstig moeten kunnen verweren tegen de repliek van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen. Dat deze mogelijkheid in casu verboden is. Dat verzoekers eveneens verzoeken aan de Raad voor State prejudiciële vragen te stellen aan het Europees Hof van Justitie die als volgt luiden: "Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en houdt art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of het algemeen rechtsbeginsel recht op verdediging en recht op een beroep met volle rechtsmacht in dat deze administratieve rechtscolleges over een eigen onderzoeksbevoegdheid te beschikken XIV-30.159-10/16 die hen toelaat tot op de dag van de eindbeslissing onderzoek te verrichten naar alle relevante feiten, die nuttig zijn om de zaak te beoordelen". "Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en houdt art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of het algemeen rechtsbeginsel recht op verdediging en recht op een beroep met volle rechtsmacht in dat eenieder het recht heeft om schriftelijk te antwoorden op de antwoordbesluiten van de Lidstaat".”; 2.1.
  27. Overwegende dat verzoekers in hun memorie van wederantwoord integraal het in het inleidend verzoekschrift uiteengezette middel herhalen; 2.1.
  28. Overwegende dat verzoekers menen dat de rechten van de verdediging werden geschonden doordat zij recht hebben op een beroep met volle rechtsmacht tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hieraan niet voldoet; dat daargelaten de vaststelling dat het louter wetskritiek betreft waarover de Raad van State niet kan oordelen, de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), zoals gewijzigd door de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, uitdrukkelijk voorziet dat het beroep ingesteld tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal er één is met volle rechtsmacht; dat luidens artikel 39/2, § 1, van de Vreemdelingenwet de Raad voor Vreemdelingenbetwisting- en de bestreden beslissingen van de Commissaris-generaal kan bevestigen, hervormen of vernietigen wegens een substantiële onregelmatigheid dan wel omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad niet kan komen tot de bevestiging of hervorming zonder hiertoe aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen; dat zulks inhoudt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kennis neemt van het geschil in zijn volledigheid en hij de beslissingen van de Commissaris-generaal kan herzien, ongeacht op grond van welk motief deze tot de bestreden beslissing is gekomen; dat bovendien het gebrek aan aanvullende onderzoeksbevoegdheid wordt ondervangen door een aantal correcties: de vreemdeling mag onder bepaalde voorwaarden “nieuwe gegevens” aanvoeren in het verzoekschrift ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (artikelen 39/69 en 39/76, § 1, tweede lid, van de Vreemdelingenwet), de Raad kan ook op eigen initiatief beslissen om onder bepaalde voorwaarden rekening te houden met elk “nieuw gegeven” dat hem ter kennis wordt gebracht door de partijen, ook tijdens hun verklaringen op de terechtzitting en zulks zelfs wanneer daarvan geen melding is gemaakt in het inleidend verzoekschrift, en krachtens artikel 39/76, § 2, van de Vreemdelingenwet kan de kamervoor- zitter of de rechter in vreemdelingenzaken ten slotte bij een gemotiveerde beschikking de bestreden beslissing vernietigen en voor een nieuw onderzoek terugsturen naar de XIV-30.159-11/16 Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen indien hij van oordeel is dat hij de zaak niet ten gronde kan onderzoeken omdat hij niet beschikt over bepaalde essentiële gegevens en waarvoor het nodig is aanvullende onderzoeksmaatregelen te bevelen; dat tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechtscollege, in casu de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen, openstaat voor de asielzoekers overigens door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 werd bevestigd; dat verzoekers nalaten in concreto te verduidelijken waarom de door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in casu gemaakte beoordeling van hun zaak geen “actuele beoordeling (...) van hun asielaanvraag op het moment van de finale beslissing” zou inhouden; dat zij er zich enkel toe beperken op algemene en onsamenhangende wijze te poneren

(1)“(d)at de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen ambtshalve dient over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor deze zaak” en er zich “(m)eer bepaald dient (...) van te vergewissen dat verzoekers geen enkel risico op een mensonterende behandeling zullen ondergaan wanneer zij terug zou(den) keren naar Armenië” en
(2)“(d)at het een schending van de rechten van verdediging is daar (...) zij zich dienstig moeten kunnen verweren tegen de repliek van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen”, mogelijkheid die in casu verboden zou zijn; dat, wat grief
(1)betreft, in casu uit de motivering van de bestreden beslissing genoegzaam blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er zich wel degelijk van vergewist heeft dat verzoekers geen enkel risico op een mensonterende behandeling zullen ondergaan bij een terugkeer naar hun land van herkomst; dat op grond van de uitvoerig toegelichte - en door verzoekers overigens niet betwiste - vaststellingen dat het asielrelaas niet geloofwaardig is en dat geen enkel bewijs voorligt van enige vervolging en zij in casu niet aantonen dat hun probleem niet van gemeenrechtelijke aard is, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot het besluit komt dat aan verzoekers noch de vluchtelingenstatus noch de subsidiaire beschermingsstatus kan worden toegekend; dat, wat grief
(2)betreft, de rechten van de verdediging betrekking hebben op het eerlijk verloop van de procedure en zij er toe strekken de betrokkene in staat te stellen naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken; dat, gelet op de mogelijkheid waarover de vreemdeling beschikt om ter zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen mondeling zijn argumenten, met inbegrip van zijn opmerkingen omtrent de nota van de tegenpartij, te ontwikkelen en op de mogelijkheid (in sommige gevallen de verplichting) die dit rechtscollege heeft om “nieuwe gegevens” in aanmerking te nemen, niet kan worden ingezien - en verzoekers evenmin verduidelijken - op welke wijze de rechten van de verdediging zouden zijn geschonden, temeer daar zij niet aannemelijk maken dat volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen alleen een schriftelijk verweer afdoende zou zijn om dit recht te waarborgen en temeer daar - zoals de verwerende partij terecht opmerkt - de Vreemdelingenwet niet voorziet in een XIV-30.159-12/16 absoluut verbod om nieuwe gegevens te doen gelden, doch enkel in een beperking van die mogelijkheid; dat in subsidiaire orde erop dient gewezen dat verzoekers niet in het minst toelichten waarom deze beperking het recht op een beroep met volle rechtsmacht of de rechten van de verdediging zou aantasten; dat uit de stukken van het administratief dossier niet blijkt dat verzoekers ter zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een “geactualiseerde memorie/conclusie” hebben neergelegd of hebben willen neerleggen en zij in onderhavig middel niet in het minst verduidelijken welk verweer zij dan wel tegen de repliek van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wensten te voeren; dat de prejudiciële vragen die verzoekers willen gesteld zien, dan ook niet dienend zijn voor de oplossing van het geschil daar de Vreemdelingenwet voorziet in een beroep met volle rechtsmacht bij een administratief rechtscollege, met name de Raad voor Vreemdelin- genbetwistingen, waar de rechten van de verdediging gewaarborgd zijn; dat, met uitzondering van “het recht van verdediging zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten” niet wordt verduidelijkt welke principes van het EU-procesrecht zouden zijn geschonden; dat bovendien het Europees procesrecht en derhalve de principes ervan niet van toepassing zijn op een aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voorgelegd geschil; dat het eerste middel, voor zover het al ontvankelijk zou zijn, moet worden verworpen; 2.2.
  1. Overwegende dat verzoekers als tweede middel aanvoeren: “TWEEDE MIDDEL: Schending van art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Verzoekers verwijzen naar het eerste middel en stellen dat hun recht op een beroep in volle rechtsmacht en hun recht op verdediging eveneens grondrechten zijn welke door het Handvest worden gegarandeerd. Dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ondertekend werd op 12 december 2007 en dus vier dagen voor de indiening van huidig beroep. Dat het Handvest door verzoekers kan ingeroepen worden op grond van het adagium "patere legem quem ipsi fecisti" en dit enkel in de verticale wijze. Zij kunnen het met andere woorden inroepen ten aanzien van de Belgische Staat. Zowel de Kwalificatierichtlijn (2004/83) als de Procedurerichtlijn verwijzen direct naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en dus ook naar art. 47 van het Handvest. In juni 2006 citeerde het Europees Hof van Justitie het Charter derwijze dat het zijn rechtstreekse werking bevestigde. Het stelde dat de vermeiding in de preambule in de richtlijn voldoende was om het Charter van toepassing te maken (...). Een Advocaat Generaal van het Europees Hof van Justitie stelde dat het Handvest de uitdrukking is van het hoogste niveau , van een democratisch gevestigde politiek consensus welke thans beschouwd moet worden als een catalogus van fundamentele rechten gewaarborgd in het Gemeenschapsrecht. Dat ook het UNHCR deze visie is toegedaan. Dat verzoeker verwijst naar "The European asylum procedures directive in Legal context." Research Paper No.
  2. p. 20 ev. (www.unhcr.org) Dat de toepassing van art. 47 van het Handvest dan ook gewaarborgd dient te worden in alle zaken die de Europese Unie regelt waaronder het asielrecht. XIV-30.159-13/16 Dat art. 47 als volgt luidt: "Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordi- gen. Rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voorzover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.” Dat de invulling van art. 47 gelijklopend is met de invulling van art. 6 EVRM met het verschil dat het toepassingsgebied zich uitstrekt niet alleen over burgerlijke en strafrechtelijke materies maar ALLE materies die het Europees recht regelt waaronder dus ook het asielrecht. Dat de tekst zowel art. 13 EVRM als art. 6 EVRM incorporeert. Dat de rechtspraak ivm art. 6 EVRM dan ook relevant is ter beoordeling van het feit of dat onderhavig beroep voldoet aan de voorwaarde zoals gesteld in het Europees Handvest. Dat evenwel art. 47 van het handvest geen vereiste stelt van burgerlijke of politieke rechten. Dat voor het overige verzoekers verwijzen naar het eerste middel.”; 2.2.
  3. Overwegende dat verzoekers in hun memorie van wederantwoord integraal het in het inleidend verzoekschrift uiteengezette middel herhalen; 2.2.
  4. Overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - in tegenstelling tot hetgeen verzoekers menen - tot op heden geen bindende kracht heeft; dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in het arrest van 27 juni 2006 in de zaak C-540/03, waarnaar verzoekers verwijzen, overigens uitdrukkelijk stelt dat “het Handvest geen bindend rechtsinstrument is”; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 2.3.
  5. Overwegende dat verzoekers als derde middel aanvoeren: “DERDE MIDDEL: Schending van het artikel 39/56 van de Vreemdelingenwet. Schending van het artikel 39/59 van de Vreemdelingenwet. Schending van het artikel 3 van het Koninklijk besluit houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen. Art. 39/56 van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: "Art. 39/
  6. De beroepen bedoeld in artikel 39/2 kunnen voor de Raad worden gebracht door de vreemdeling die doet blijken van een benadeling of van een belang. De Minister of diens gemachtigde kan een beroep instellen tegen een beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die hij strijdig acht met de wet of met de Koninklijke besluiten die ermee in verband staan. De partijen mogen zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door advocaten die ingeschreven zijn op de tabel van de Orde der Advocaten of op de lijst van de stagiairs, alsook, volgens de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, door de onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie die gerechtigd zijn om het beroep van advocaat uit XIV-30.159-14/16 te oefenen. Onverminderd deze mogelijkheid, wordt bij een beroep tegen een beslissing van de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, deze partij vertegenwoordigd door de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, door een van de adjuncten of door een door de Commissaris-Generaal aangewezen gemachtigde." Op de zitting d.d. 08.11.2007 was de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen in casu beweerdelijk vertegenwoordigd door attaché XXX. Uit geen enkel stuk uit het administratief dossier blijkt dat XXX een aangewezen gemachtigde van de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen zou zijn. Verzoekers zijn van mening dat elkeen die beweert gemachtigd te zijn door de Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen en verschijnt voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hiervan bewijs dient te leveren op de zitting zelf, of minstens dat het dossier zelf een spoor bevat van deze machtiging. Ondergeschikt menen verzoekers dat een dergelijke machtiging een procedurestuk betreft dat in elk dossier dient te worden bijgevoegd zodat het controleerbaar is. Verzoekers stellen vast dat van de opgeworpen procedurekwestie geen spoor in het arrest hieromtrent te vinden. Derhalve kan geen machtiging worden aangetoond. Dat zulks een machtiging een procedurestuk betreft dat zich in het dossier dient te bevinden. Dat een algemene machtiging niet kan en indien er zulks een algemene machtiging zou bestaan dan diende de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen zulks een bewijs ten laatste op de zitting voor te brengen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had dan ook toepassing moeten maken van het artikel 39/59 § 2 van de Vreemdelingenwet. Dit artikel 39/59 §2 luidt als volgt: "§
  7. Alle partijen verschijnen ter terechtzitting of zijn er vertegenwoordigd. Wanneer de verzoekende partij noch verschijnt noch vertegenwoordigd is, wordt het beroep verworpen. De andere partijen die niet zijn verschenen of niet vertegenwoordigd zijn, worden geacht in te stemmen met de vordering of het beroep. In elke kennisgeving van een beschikking tot vaststelling van de rechtsdag wordt melding gemaakt van deze paragraaf." De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had dus moeten vaststellen dat de Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen niet geldig was vertegen- woordigd en dat het artikel 39/59 volle uitwerking diende te krijgen, met name dat er ingestemd werd met de vordering. Dit middel zou moeten leiden tot cassatie van de bestreden beslissing.”; 2.3.
  8. Overwegende dat verzoekers in hun memorie van wederantwoord integraal het in het inleidend verzoekschrift uiteengezette middel herhalen; 2.3.
  9. Overwegende dat uit het proces-verbaal van de zitting en uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoekers en hun raadsman zonder enig voorbehoud op de terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 8 november 2007 zijn verschenen; dat niet blijkt dat zij enige opmerking of voorbehoud hebben geformuleerd omtrent de vertegenwoordiging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat een verzoekende partij in een administratief cassatieberoep geen rechtsmiddel kan doen gelden dat zij niet vooraf heeft onderworpen aan het administratief rechtscollege waarvan zij de beslissing bestrijdt; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoekers beweren, er XIV-30.159-15/16 overigens geen verplichting bestaat het machtigingsbesluit in het administratief dossier op te nemen; dat het derde middel, voor zover het ontvankelijk is, kennelijk niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  10. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf januari tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.159-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.245 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.