← België

Arrest 189264 - Tucht (openbaar ambt) - 05/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.264 Rolnummer: A. 103435/IX-2834 Zaak: Arrest 189264 - Tucht (openbaar ambt) - 05/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-14 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 12:19 Fiche Arrest nr 189.264 van 5 januari 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.264 van 5 januari 2009 in de zaak A. 103.435/IX-2834. In zake : XXXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-72 tegen : de POST. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat XXXX op 17 april 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 5 februari 2001 van de Chief Human Resources Officer van De Post waarbij hij met ingang van diezelfde datum wordt afgezet; Gelet op het arrest nr. 97.066 van 27 juni 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 27 augustus 2001 door verzoeker; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 10 maart 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-2834-1/14 Gelet op de beschikking van 13 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. WAEGEMANS die, loco advocaat P. DEVERS, verschijnt voor verzoeker, en van advocaat V. LEROY die, loco advocaat C. VAN OLMEN, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.1. Verzoeker was werkzaam bij De Post als postman. 1.2. Bij arrest van 29 juni 1999 wordt verzoeker door het Hof van beroep te Gent veroordeeld wegens verkrachting van een geestelijk gehandicapte persoon tot een gevangenisstraf van twaalf maanden en een ontzetting gedurende vijf jaar uit onder meer het recht om een openbaar ambt te bekleden. Voor beide straffen wordt uitstel van tenuitvoerlegging verleend gedurende een termijn van vijf jaar onder de verplichting tot naleving van probatievoorwaarden. 1.3. Begin juli 1999 ontvangt de verwerende partij een anonieme brief met in bijlage een krantenknipsel waarin wordt bericht over de veroordeling die verzoeker heeft opgelopen. De anonieme briefschrijver, die blijkbaar tot het postpersoneel behoort, schrijft onder meer: “Het is de hoogste tijd dat hij (verzoe- ker) buiten vliegt. De mensen hier te Buggenhout spreken er schande over. En wij willen dit niet meer in onze rangen. Ik hoop dat jullie daar iets aan doen. (...) Hij moet buiten.” IX-2834-2/14 Als gevolg van die brief vraagt de verwerende partij op 6 augustus 1999 aan de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent een kopie van het arrest teneinde desgevallend de nuttig geachte disciplinaire maatregelen te kunnen nemen. Op 12 augustus 1999 wordt haar de gevraagde kopie toegezonden. 1.4. Er wordt dan een tuchtprocedure opgestart tegen verzoeker die eindigt met de afzetting van verzoeker bij beslissing van 30 december 1999 van zijn onmiddellijke chef. 1.5. Verzoeker dient tegen die beslissing een beroep tot schorsing en tot nietigverklaring in bij de Raad van State dat leidt tot het arrest nr. 88.032 van 19 juni 2000 waarbij die beslissing wordt geschorst. 1.6. Bij beslissing van 1 augustus 2000 trekt verzoekers chef haar beslissing van 30 december 1999, waarbij hij werd afgezet, in. 1.7. Op 8 september 2000 wordt de tuchtprocedure opnieuw opgestart. Verzoekers hiërarchische chef stelt opnieuw de afzetting voor. Zij motiveert haar voorstel omstandig. Na te hebben gewezen op het arrest van het hof van beroep en op het probatie-uitstel stelt zij dat De Post van oordeel is dat de feiten waarvoor verzoeker werd veroordeeld algemene verontwaar- diging en afkeuring opwekken, dat daardoor ernstige schade werd berokkend aan de goede naam van De Post, dat het vertrouwen van de klanten werd beschaamd, dat dit de goede werking van de dienst in gevaar brengt en dat de vertrouwensrelatie tussen verzoeker en De Post daardoor ernstig werd geschaad. Zij stelt verder dat alleen de afzetting de juiste tuchtmaatregel is omdat elke andere sanctie de band met De Post zou laten bestaan. Zij is ervan overtuigd dat een verdere samenwerking niet alleen onmogelijk is vanuit het standpunt van de werkgever, maar dat bovendien absoluut moet worden vermeden, om redenen die eigen zijn aan de toekomst van verzoeker zelf, dat hij zijn betrekking behoudt, rekening houdend met de reacties van totale afwijzing die onvermijdelijk zullen zijn, wanneer hij zijn tewerkstelling zou behouden. Zij stelt dat het ook onvermijdbaar is dat bij een overplaatsing naar een andere postale regio zijn nieuwe collega’s onmiddellijk op de hoogte zullen IX-2834-3/14 worden gebracht van de feiten zoals ze zich hebben voorgedaan en dat naar redelijkheid niet kan worden verwacht dat hun reacties van die aard zullen zijn dat verzoeker zich op een normale manier zal kunnen ontplooien in een nog steeds postale werkomgeving. Bijgevolg liggen zijn kansen op reclassering volgens haar hoger in een totaal nieuw beroepsmilieu waar de kansen op een nieuwe start, in tegenstelling tot een tewerkstelling bij De Post, wel als realistisch kunnen worden aangemerkt. 1.8. Verzoeker wordt gehoord op 15 september 2000 en stelt verwonderd te zijn dat de tuchtprocedure hervat wordt na de beslissing van de Raad van State. Hij herhaalt dat de feiten hebben plaatsgevonden buiten de dienst en buiten de gemeente van tewerkstelling en dat er op zijn dienst nooit opmerkingen zijn geweest. Hij vraagt dat het arrest van het hof van beroep zou worden gevolgd. Diezelfde dag wordt hij opnieuw geschorst. Verzoekers hiërarchische chef antwoordt dat reeds aan verzoekers raadsman werd meegedeeld dat de anomalieën die door de Raad van State waren vastgesteld in verband met de eerste tuchtprocedure konden worden rechtgezet en dat bijgevolg een nieuwe procedure kon worden aangevat. Zij stelt verder, zoals ze reeds omstandig in haar motivering heeft vermeld, dat de omstandigheid dat de feiten zich buiten de dienst hebben voorgedaan niet verhindert dat de afzetting de gepaste straf is, en dat de omstandigheid dat de feiten zich buiten de gemeente van tewerkstelling hebben afgespeeld niet heeft verhinderd dat ze gekend zijn door het personeel van het postkantoor en de bevolking van de gemeente. Ten slotte stelt zij dat zij zich terdege bewust is van verzoekers probatie-uitstel maar dat zij om de redenen die zij reeds in haar motivering uiteenzette van mening is dat tot de afzetting moet worden overgegaan. 1.9. Op 17 oktober 2000 beslist zijn hiërarchische chef dan om aan verzoeker de afzetting op te leggen. Verzoeker tekent onmiddellijk beroep aan tegen die beslissing bij de commissie van beroep. IX-2834-4/14 1.10. De commissie van beroep adviseert op 29 november 2000 unaniem om de tuchtsanctie van de schorsing voor vijf dagen op te leggen en verzoeker bij ordemaatregel te verplaatsen. Dit advies is als volgt gemotiveerd: “Gelet op de bijzondere aard van de gepleegde feiten die zich buiten De Post hebben afgespeeld maar die geen enkele invloed hadden op de kwaliteit van zijn werk is de Commissie van oordeel dat De Post genoodzaakt is rekening te houden met de termen van het arrest van het Hof van Beroep te Gent d.d. 29.06.1999 en de uitspraak van de Raad van State. De Commissie is wel van oordeel dat betrokkene door het plegen van deze zeer ernstige feiten de goede naam van postambtenaar ernstig heeft geschaad. Bij de vorming van haar oordeel heeft de Commissie rekening gehouden met de ruchtbaarheid die hieraan werd gegeven in de pers waarbij de heer XXXX als postbode werd vermeld. In die optiek adviseert de Commissie, teneinde de straf in overeen- stemming te brengen met de vaststellingen t.o.v. de goede naam van post- ambtenaar, de hoogste tuchtschorsing. Rekening houdend met de sfeer die er in het postkantoor heerst t.o.v. een verdere tewerkstelling van betrokkene - zie anonieme brief - is de Commissie verder van mening dat om een sereen klimaat in het kantoor te bewaren en de goede werking van de dienst niet te belemmeren een verdere tewerkstelling van beroeper in zijn huidig aanhechtingskantoor onmogelijk is. De Commissie acht een verplaatsing naar een andere postentiteit derhalve noodzakelijk.” 1.11. Op 5 februari 2001 beslist de Chief Human Resources Officer om verzoeker af te zetten met ingang van die datum. Dit is de bestreden beslissing. Zij is als volgt gemotiveerd: “(...) Gelet op het feit dat Dhr. XXXX heeft bekend dat hij op 16 december 1996 te Dendermonde (...) heeft verkracht, Gelet op het feit dat Dhr. XXXX daarenboven heeft bekend in de periode van 1 november 1996 tot 28 november 1996 te Dendermonde meermaals op dezelfde persoon met geweld of bedreiging aanranding van de eerbaarheid te hebben gepleegd, Gelet op het feit dat Dhr. XXXX voor deze feiten door het Hof van Beroep van Gent op 29 juni 1999 werd veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf met probatie-uitstel gedurende vijf jaar, en dit wegens verkrachting en aanranding van een mentaal gehandicapte minderjarige jongen, dat hij tevens voor een duur van 5 jaar werd ontzet uit zijn burgerlijke en politieke rechten, eveneens met probatie-uitstel, Gelet op het feit dat dit arrest inmiddels kracht van gewijsde heeft verkregen, IX-2834-5/14 Gelet op het feit dat deze vergrijpen algemene verontwaardiging en afkeuring opwekken, dat hierdoor zeer ernstige schade werd berokkend aan de goede naam van De Post en het vertrouwen van de klanten werd beschaamd, Gelet op het feit dat deze vergrijpen tevens aanleiding geven tot reacties van totale afwijzing vanwege zijn collega’s en dat hierdoor de goede werking van de dienst in gevaar wordt gebracht, Gelet op het feit dat veel jonge contractuelen de rangen van De Post komen vervoegen en deze feiten bij hen onzekerheid en wantrouwen teweegbrengen aangezien zij het vak moeten leren van ervaren postmannen zoals betrokkene, die om evidente redenen dan ook een voorbeeldfunctie heeft. Bijgevolg zal dhr. XXXX nooit meer kunnen rekenen op het nodige respect door deze contractuelen, Gelet op de ernst van de feiten is de vertrouwensrelatie tussen De Post en de heer XXXX ernstig geschaad nl. De Post moet kunnen rekenen op een onberispelijk en verantwoordelijk gedrag van haar werknemers. Dergelijke feiten kunnen niet worden getolereerd en het vertrouwen van De Post kan niet meer worden hersteld, Gelet op het feit dat De Post ervan overtuigd is, in weerwil van het voormeld arrest van het Hof van Beroep van Gent, dat het behoud van de job in hoofde van de heer XXXX als onmogelijk moet worden aangemerkt; Dat De Post er immers van overtuigd is dat een verdere samenwerking niet alleen onmogelijk is vanuit het standpunt van de werkgever, maar dat bovendien - en niet in het minst - ook absoluut zal moeten worden vermeden, om redenen die eigen zijn aan de toekomst van de heer XXXX zélf, dat betrokkene zijn betrekking behoudt, rekening houdend met de reacties van totale afwijzing die de facto onvermijdelijk zullen zijn wanneer betrokkene zijn tewerkstelling zou behouden; Dat redelijkerwijze niet kan worden aangenomen, in tegenstelling tot het advies van de Commissie van Beroep die van mening is dat De Post rekening dient te houden met het arrest van het Hof van Beroep, dat een andere maatregel dan de afzetting nl. de tuchtschorsing gedurende een periode van vijf dagen gepaard gaande met een verplaatsing bij ordemaatregel, op een afdoende manier tegemoet komt aan de verzuchting van bovenvermeld arrest; Dat het volstrekt utopisch is om te verhopen dat het opleggen van een andere (orde- of disciplinaire) maatregel dan de afzetting van aard is om betrokkene in omstandigheden te kunnen tewerkstellen die voor hem weldoend of batig kunnen zijn; Dat immers niet kan worden vermeden dat, zelfs bij een verplaatsing bij ordemaatregel naar een ander postale regio, quasi onmiddellijk zijn nieuwe collega’s op de hoogte zouden worden gebracht van de feiten zoals ze zich hebben voorgedaan; Dat dan ook niet naar redelijkheid kan worden verondersteld dat de reacties van deze collega’s van aard zullen zijn dat de heer XXXX zich op een normale manier kan ontplooien in de nog steeds postale werkomgeving, al is die niet meer te situeren in het postkantoor van oorsprong; IX-2834-6/14 Dat bijgevolg de kansen op reclassering, zoals in de vraag om inlichtingen door de heer XXXX werd vooropgesteld, ongetwijfeld hoger liggen in een totaal nieuw beroepsmilieu, waar kansen op een nieuwe start, in tegenstelling met een tewerkstelling in De Post, wél als realistisch kunnen worden aangemerkt; Gelet op al deze feiten is elke professionele samenwerking tussen De Post en de heer XXXX onmogelijk geworden en wordt beslist dat, in toepassing van art. 4, 3e al. en 9, le al. van D.I. 334 houdende de Richtlijn over de Tuchtregeling, genomen in toepassing van Hoofdstuk XII van het Administratief Statuut van de Postambtenaren, geen andere tuchtstraf dan de afzetting aan de heer XXXX kan worden opgelegd zoals voorzien in art. 89 § 1,5/ van het Administratief Statuut van de Postambtenaren.” Die beslissing is op 16 februari 2001 aan verzoeker betekend. Gegrondheid van het beroep Standpunt van de partijen. 2.1.1. In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van de materiële motiveringsplicht en van de bijzondere motiveringsplicht voorzien in artikel 118, § 2, van het administratief statuut van het postpersoneel wanneer wordt afgeweken van het advies van de commissie van beroep, gelezen in samenhang met de artikelen 22 en 23 van de richtlijn D.I. 334 over de tuchtregeling. Verzoeker stelt dat niet wordt aangegeven waarom de afzetting de enige mogelijke sanctie is en waarom het niet mogelijk is om passende maatregelen te nemen zoals de overplaatsing naar een ander kantoor of waarom een verdere professionele samenwerking tussen de verwerende partij en hem definitief onmogelijk is geworden, terwijl volgens de genoemde richtlijn de verwerende partij slechts optreedt voor feiten uit het privé-leven wanneer deze openbaar schandaal verwekken of wanneer de goede naam van de postambtenaren of de goede werking van de dienst in het gedrang komt en haar tussenkomst in die gevallen er niet op gericht is de straf die door het gerecht is uitgesproken te verzwaren maar wel de belangen van de dienst en van de tucht te vrijwaren. Volgens verzoeker komt de verwerende partij in de bestreden beslissing niet verder dan het herhalen van de termen van de richtlijn zelf, door te spreken van feiten die de “algemene verontwaardiging en afkeuring opwekken” en de “goede naam” van de verwerende partij schaden en door stijlformules te hanteren zoals “de vertrouwensrelatie tussen De Post en de heer XXXX (

  1. is)ernstig geschaad”, zonder dat wordt aangegeven waarom, gelet op de specifieke omstandigheden van de zaak, elke samenwerking onmogelijk was geworden. Verzoeker is ook van mening, in acht genomen de bijzondere IX-2834-7/14 omstandigheden van de door hem gepleegde feiten, dat het geenszins duidelijk is waarom zijn verdere tewerkstelling in een ander postkantoor bij de jonge contractuelen bij De Post onzekerheid en wantrouwen zou veroorzaken, bij het aanleren van het vak, en dat er evenmin reacties zijn van totale afwijzing vanwege collega’s die elke verdere tewerkstelling zouden beletten. Motieven die puur speculatief zijn, zoals voorspelde toekomstige reacties van collega’s van andere aanhechtingskantoren en het nooit meer kunnen rekenen op respect vanwege contractuelen, komen evident niet in aanmerking, zo stelt hij. Dit geldt volgens hem ook voor de motieven die verband zouden houden met zijn eigen welzijn, waarbij hij opmerkt dat de verwerende partij zich bij het motiveren van haar beslissing niet te bekommeren heeft om zijn persoonlijke toekomst, of dat dit minstens niet ter zake doet. 2.1.2. De verwerende partij antwoordt dat in de bestreden beslissing expliciet wordt aangegeven op grond van welke feiten moest worden besloten dat de noodzakelijke vertrouwensband tussen haar en verzoeker op onherstelbare wijze was verbroken. Zij stelt dat overeenkomstig de richtlijn feiten uit het privé-leven wel degelijk tuchtrechtelijk kunnen worden gestraft wanneer zij een weerslag hebben op de dienst, of de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen en dat bij gerechtelijke vervolging wegens feiten die plaats vonden buiten de dienst de veroordelingen kunnen leiden tot afzetting wanneer het gaat om algemeen bekend wangedrag. Zij wijst erop dat zowel in de pers, in de gemeente als op het werk de daden van verzoeker gekend zijn en in verband worden gebracht met zijn ambt als postbode waardoor het vertrouwen van het publiek in De Post en in haar werknemers ernstig wordt geschaad. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt volgens haar uitvoerig, duidelijk en afdoende waarom zij meent te moeten optreden tegen het gedrag van verzoeker in de privé-sfeer, waarom zij het advies van de commissie van beroep niet volgt en waarom zij kiest voor de zwaarste tuchtsanctie terwijl de strafrechter probatie-uitstel verleende. Het is volgens haar redelijkerwijze niet speculatief ervan uit te gaan dat de reacties van de collega’s van verzoeker van die aard zullen zijn dat hij zich niet meer op een normale manier zal kunnen ontplooien. 2.1.3. Verzoeker repliceert dat de bestreden beslissing haaks staat zowel op de overwegingen en de uitspraak van het hof van beroep als op het advies van de commissie van beroep. Met name wordt in dat advies volgens hem in redelijkheid aangegeven op welke wijze de gerechtvaardigde doelstellingen van de Post, meer bepaald het bewaren van een sereen klimaat in het kantoor en de goede werking van IX-2834-8/14 de dienst, kunnen worden verzoend met de levensnoodzakelijke noden van verzoeker, met name het behoud van tewerkstelling mits een overplaatsing en na sanctionering middels een tijdelijke schorsing. Hij stelt dat wanneer de verwerende partij in het nadeel van de ambtenaar afwijkt van het advies van het adviserend orgaan, zij in haar beslissing duidelijk moet aangeven waarom zij van dat advies afwijkt. Voorts merkt hij op, gelet op het feit dat in casu de zwaarste tuchtstraf werd opgelegd, dat hoe zwaarder de sanctie, hoe strenger de motiveringsplicht. 2.2.1. In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van het evenredigheidsbeginsel, doordat er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen de bewezen feiten en de opgelegde tuchtstraf. Met name stelt hij dat krachtens de eigen regelgeving van De Post een grote terughoudendheid in acht moet worden genomen bij het opleggen van tuchtmaatregelen en in het bijzonder bij het opleggen van de zwaarste tuchtstraf voor feiten die reeds strafrechtelijk zijn gestraft en tot het privé- leven behoren, dat er niet valt in te zien waarom het belang van de dienst niet kon worden gevrijwaard door het opleggen van een andere tuchtmaatregel samen met een ordemaatregel, zoals door de commissie van beroep werd geadviseerd, dat de gevolgen van de opgelegde sanctie voor verzoeker desastreus zijn vermits ze hem volgens het deskundigenverslag van dokter T. zijn laatste levenshouvast ontnemen, wat ook het hof van beroep ertoe had gebracht een probatie-uitstel toe te staan. Tevens dient rekening te worden gehouden met zijn blanco tuchtverleden. 2.2.2. De verwerende partij antwoordt dat enkel een kennelijk onredelijke straf onwettig kan worden bevonden en dat het in casu niet ondenkbaar is en derhalve aannemelijk dat de tuchtoverheid de straf van de afzetting zou opleggen. Zij wijst op de motivering van de bestreden beslissing waarin wordt gesteld dat de noodzakelijke vertrouwensrelatie tussen De Post en haar ambtenaar op een onherstelbare wijze werd geschonden, dat schade werd berokkend aan de goede naam van De Post en dat het vertrouwen van de klanten werd beschaamd. 2.2.3. Verzoeker herhaalt dat de bestreden beslissing haaks staat zowel op de overwegingen en de uitspraak van het hof van beroep als op het advies van de commissie van beroep. Met name wordt in dat advies volgens hem in redelijkheid aangegeven op welke wijze de gerechtvaardigde doelstellingen van de instelling, meer bepaald het bewaren van een sereen klimaat in het kantoor en de goede werking van de dienst, kunnen worden verzoend met de levensnoodzakelijke noden van verzoeker, met name het behoud van tewerkstelling mits een overplaatsing en IX-2834-9/14 na sanctionering middels een tijdelijke schorsing. Die redelijkheid meent hij niet terug te vinden in de bestreden beslissing. Beoordeling. 3.1. Te dezen werd aan verzoeker de zwaarst mogelijke tuchtstraf van de afzetting opgelegd naar aanleiding van feiten gepleegd in zijn privé-leven, met name de verkrachting en aanranding van een mentaal gehandicapte minderjarige jongen, waarvoor hij reeds strafrechtelijk veroordeeld werd. Feiten uit het privé- leven kunnen tuchtrechtelijk worden bestraft, voor zover zij de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen. De tuchtoverheid die een sanctie oplegt voor dergelijke feiten dient dan ook aan te geven waarom die feiten of de veroordeling die ervoor werd opgelopen de waardigheid van het ambt dat door de betrokkene wordt uitgeoefend in het gedrang brengen. In casu heeft de commissie van beroep een voor verzoeker gunstig advies verleend door voor te stellen om hem slechts de tuchtschorsing voor vijf dagen op te leggen en hem te verplaatsen bij ordemaatregel. De verwerende partij diende dan ook te motiveren waarom zij van dat advies afweek. Daarenboven moest zij motiveren waarom zij de zwaarste sanctie meende te moeten opleggen terwijl de strafrechter juist probatie-uitstel had verleend om verzoekers professionele kansen niet buitenmatig te schaden. Hoewel de tuchtoverheid niet is gebonden door de wijze waarop de rechterlijke overheid de betrokkene meent te moeten bestraffen, dient zij, wanneer bij de rechter duidelijk de wil bestond om de kansen van de veroordeelde voor de toekomst niet buitenmatig te bezwaren, wat in casu blijkt uit de verleende opschorting van strafuitvoering en probatie, daarmee rekening te houden bij de straftoemeting in die zin dat het niet evident is dat in een dergelijk geval toch nog de zwaarste tuchtsanctie wordt opgelegd. Er kunnen motieven bestaan die in een dergelijk geval de tuchtoverheid toch rechtmatig ertoe kunnen brengen om de betrokkene af te zetten, maar het is dan aan die overheid om die motieven kenbaar te maken. 3.2. In de bestreden beslissing worden verschillende motieven opgegeven: - de omstandigheid dat de feiten van die aard zijn dat ze algemene veront- waardiging en afkeuring opwekken en ernstige schade berokkenen aan de goede naam van De Post en het vertrouwen van de klanten beschamen; - de reacties van totale afwijzing vanwege de collega’s van verzoeker waardoor de goede werking van de dienst in gevaar komt; IX-2834-10/14 - het feit dat verzoeker niet meer het nodige respect zal kunnen krijgen van nieuwe postmannen die geacht worden van hem hun vak te leren; - het verbroken zijn van de vertrouwensrelatie tussen verzoeker en De Post; - het feit dat in redelijkheid kan worden aangenomen dat verzoeker binnen De Post, zelfs na een overplaatsing naar een ander kantoor, zich niet meer op een normale manier zal kunnen ontplooien, vermits zijn nieuwe collega’s quasi onmiddellijk op de hoogte zullen worden gebracht van de gepleegde feiten, zodat het voor zijn sociale reclassering beter is dat hij buiten de postale omgeving een nieuwe professionele start probeert te maken. Uit voornoemde motieven blijkt duidelijk, expliciet en afdoende waarom de tuchtoverheid meent te moeten optreden naar aanleiding van feiten gepleegd in de privé-sfeer. Met name overweegt de bestreden beslissing dat die feiten algemene verontwaardiging en afkeuring opwekken, en dat daardoor de goede naam van De Post en het vertrouwen van de klanten werden beschaamd. Deze overweging vindt steun in de krantenartikels die in het administratief dossier worden opgenomen, waaruit niet alleen blijkt dat de feiten algemene bekendheid hebben verkregen, maar ook dat het verband werd gelegd tussen verzoeker en zijn werkgever vermits erin werd vermeld dat hij als postbode werkzaam was. Aldus kon op gemotiveerde wijze en in redelijkheid worden gesteld dat ernstige schade werd berokkend aan de goede naam van De Post. Deze motieven zijn dan ook meer dan loutere stijlformules of het enkel herhalen van de inhoud van de richtlijn. 3.3. In tuchtzaken beschikt de overheid bij het bepalen van de strafmaat over een bijzonder ruime appreciatiebevoegdheid in die mate dat de Raad van State enkel een kennelijk volkomen in wanverhouding tot de feiten staande straf als onwettig kan beschouwen, dit wil zeggen een straf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die feiten zou opleggen. Uit het voorgaande blijkt dat de overheid in redelijkheid kon oordelen dat de feiten, hoewel gepleegd binnen de privé-sfeer, een tuchtoptreden konden rechtvaardigen. De tuchtvordering heeft een andere finaliteit dan de strafvordering, vermits zij ook gericht is op de goede werking van de dienst en het ongeschonden houden van het imago ervan. Wanneer de tuchtoverheid optreedt benadert zij de feiten dan ook vanuit een andere optiek dan de strafrechter. Dit kan verklaren waarom de tuchtoverheid de gevolgen van een sanctie voor de IX-2834-11/14 persoonlijke situatie van de betrokkene anders in rekening brengt dan de strafrechter. Het feit dat de strafrechter uitstel van strafuitvoering verleent, mits naleving van probatie-voorwaarden teneinde verzoekers toekomst op professioneel vlak niet al te zwaar te hypothekeren en dat hij het met andere woorden wenselijk acht dat de band tussen verzoeker en de verwerende partij blijft bestaan, laat dan ook niet zonder meer toe te stellen dat de afzetting van verzoeker een kennelijk onredelijke tuchtsanctie zou uitmaken. Gezien de ernst van de feiten, kon de verwerende partij redelijkerwijze ervan uitgaan dat verzoekers verdere tewerkstelling op zijn huidige arbeidsplaats bij De Post de goede werking van de dienst zou kunnen hinderen, gelet op de reacties van totale afwijzing vanwege zijn collega’s en het teloorgaan van zijn voorbeeldfunctie voor en respect van jonge collega’s die het vak van hem zouden moeten leren. Gelet in het bijzonder op de anonieme brief die zij kreeg toegezonden, kon de verwerende partij evenzeer redelijkerwijze oordelen dat het verplaatsen van verzoeker naar een andere postale regio geen oplossing zou bieden, vermits zijn nieuwe collega’s quasi onmiddellijk op de hoogte zouden worden gebracht van de gepleegde feiten. Ook het oordeel van de verwerende partij dat het vrijwaren van haar goede naam verzoekers verwijdering noodzaakt, kan bezwaarlijk onredelijk genoemd worden. De omstandigheid dat de afzetting rampzalige gevolgen heeft voor verzoeker in die zin dat hij zijn enige houvast in zijn leven verliest, laat in redelijkheid niet toe te besluiten dat er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen de feiten en de bestreden beslissing. Die kennelijke onevenredigheid wordt evenmin bewezen door het loutere feit dat de verwerende partij een lichtere tuchtstraf kon opleggen of door het feit dat verzoeker een vlekkeloze staat van dienst had. Het feit dat de commissie van beroep unaniem heeft geadviseerd om een tuchtschorsing gedurende een periode van vijf dagen op te leggen, gepaard gaande met een verplaatsing bij ordemaatregel, betekent dat de bestreden beslissing zich niet evident opdringt, maar niet dat ze zich evident niet opdringt. Aldus heeft de Chief Human Resources Officer de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid niet overschreden door aan verzoeker de zwaarste tuchtstraf op te leggen. 3.4. Voormelde motieven van de bestreden beslissing, die de toets van de redelijkheid doorstaan, verklaren niet enkel op afdoende wijze waarom verzoeker toch tuchtrechtelijk wordt gestraft voor feiten uit het privé-leven, maar ook waarom hij wordt gestraft met de enige sanctie die de band met de verwerende partij IX-2834-12/14 verbreekt. Deze motieven volstaan ruimschoots om te begrijpen waarom werd afgeweken van het advies van de commissie van beroep om een tuchtschorsing van vijf dagen op te leggen samen met een overplaatsing bij ordemaatregel of waarom geen andere -minder zware- maatregelen werden genomen. Ook volstaan zij om te begrijpen waarom werd afgeweken van de intentie van de strafrechter om verzoekers toekomst niet buitenmatig te schaden. 3.5. Het eerste en het tweede middel zijn niet gegrond. Verzoek tot anonimisering 4. Ter zitting vraagt verzoeker de anonimisering van het arrest, bij de publicatie ervan. Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet- toelaatbaarheid van de Raad van State kan iedere partij bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig wordt gemaakt op elk moment van de rechtspleging en totdat de debatten gesloten zijn, eisen dat bij de publicatie van het arrest of de beschikking de identiteit van de natuurlijke personen niet zou worden bekendgemaakt. Te dezen verzet niets zich tegen het inwilligen van verzoekers vraag. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. Bij de publicatie van dit arrest wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. IX-2834-13/14 Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 5 januari 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-2834-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.264 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.97.066 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.