← België

Arrest 189275 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.275 Rolnummer: A. 128154/X-11158 Zaak: Arrest 189275 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-15 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 12:23 Fiche Arrest nr 189.275 van 5 januari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.275 van 5 januari 2009 in de zaak A. 128.154/X-11.158. In zake : de n.v. ISOBAR, die woonplaats kiest bij advocaat D. VAN HEUVEN, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 8b tegen : de deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN, die woonplaats kiest bij advocaten A. LUST en J. GOETHALS, kantoor houdende te 8310 BRUGGE, Baron Ruzettelaan 27. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. ISOBAR op 17 oktober 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 14 augustus 2002 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij haar beroep ingesteld tegen het besluit van 20 februari 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kuurne wordt verworpen en de stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd voor het renoveren van een industriële site : afbraak loodsen en fabrieksgebouwen, bouwen van een montagehall en renovatie overblijvende loodsen tot autobergplaatsen op een perceel gelegen te Kuurne, Harelbeeksestraat 42, kadastraal bekend sectie C, nrs. 249/z/3, 249/b/4, 249/y/3 deel en 249/c/4; Gelet op het arrest nr. 115.288 van 30 januari 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 13 maart 2003 ingediend door de n.v. ISOBAR; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; X-11.158-1/6 Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur S. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 21 december 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 18 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. VAN DROMME, die loco advocaat D. VAN HEUVEN verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat J. GOETHALS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van adjunct-auditeur A. VAN DEN BROECK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten De feiten werden uiteengezet in ‘s Raads arrest nr. 115.288 van 30 januari 2003. 2. Ontvankelijkheid 2.1. De verzoekende partij heeft in de loop van deze procedure haar maatschappelijke zetel verplaatst van de Harelbeeksestraat 81 te Kuurne naar de Pontstraat 80 te Beveren (Leie). X-11.158-2/6 2.2. De verzoekende partij behoudt niettemin haar actueel belang nu uit de gegevens van de zaak blijkt dat zij tot op heden als eigenares zakelijke rechten heeft op de industriële site aan de Harelbeeksestraat 42 te Kuurne, die het voorwerp is van het bestreden besluit. 3. Ten gronde 3.1. Het enige middel is genomen uit de schending van artikel 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna het gecoördineerde decreet) juncto artikel 171 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, artikel 43, §§ 2 en 5 van het gecoördineerde decreet, het gewestplan Kortrijk, artikel 7 en 8.2.1.3 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, het algemeen rechtsbeginsel dat elke overheid verplicht haar besluiten formeel en materieel te motiveren, het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, en artikel 5, § 1 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning. De verzoekende partij betoogt onder meer dat het bestreden besluit steunt op twee overwegingen, meer bepaald dat voor de betrokken site een duidelijke visie ontbreekt enerzijds en dat een stedenbouwkundige vergunning “door de definitieve weigering van de milieuvergunning (...) toch niet uitvoerbaar (zou) zijn” anderzijds, artikel 43, §§ 2 en 5 van het gecoördineerde decreet enkel een weigeringsgrond vormt in het geval van een onverenigbaarheid met een voorlopig vastgesteld plan van aanleg en niet wanneer nog geen plan van aanleg voorlopig is vastgesteld, een vergunningsaanvraag niet kan getoetst worden aan “planologische doelstellingen” of “knelpuntennota’s”, de aanvraag volgens het advies van de gemachtigde ambtenaar “aanvaardbaar (

  1. is)naar volume, oppervlakte en inplanting” en dus “conform de bestemmingsvoorschriften (van het gewestplan)”, de verwerende partij “de bindende kracht van het gewestplan Kortrijk (schendt) door tegenover deze bindende kracht loutere beleidsopties in te brengen om de milieuvergunning (sic) aan verzoekende partij te weigeren” en “de toets van (
  2. de)vergunningsaanvraag (...) aan de planologische voorschriften zonder meer (weigert) omdat ‘de gemeente bezig is met de opmaak van een BPA’ (...)”. 3.2. De verwerende partij repliceert dat “de gemeente (...) haar verantwoordelijkheid (heeft) opgenomen en een aantal duidelijke krijtlijnen X-11.158-3/6 getrokken om het knelpunt wonen/artisanale activiteiten op die plaats stedenbouwkundig op te lossen”, “de conclusie van Arohm en het gemeentebestuur (...) duidelijk (is): een inplanting volgens het eertijds afgeleverde stedenbouwkundig attest is dan niet passend”, zij “zich (heeft) aangesloten bij voormelde stedenbouwkundige vaststellingen van Arohm en het gemeentebestuur”, de vergunning niet werd geweigerd “omdat de gemeente bezig is met de opmaak van een BPA” maar nadat “de gemeente (...) diepgaand (heeft) nagedacht over het manifeste knelpunt wonen/artisanale activiteiten op die plaats en (...) zo tot de bevinding (kwam) dat het initiële plan van de exploitant de goede ruimtelijke ordening verstoort”, die conclusie van de gemeente haar “tot haar weigerings- beslissing heeft gebracht”. 3.3. De verzoekende partij dupliceert dat in het bestreden besluit “geen spoor terug te vinden (
  3. is)van een aftoetsing aan de goede plaatselijke ordening, die iets anders zou inhouden dan de aftoetsing aan de toekomstvisie van de gemeente, die op haar beurt maar teruggevonden wordt in het op te maken BPA”. 3.4. Nadat het bestreden besluit heeft vastgesteld dat de betrokken site volgens het bij koninklijk besluit van 4 november 1977 vastgestelde gewestplan Kortrijk is gelegen in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en voor kleine en middelgrote ondernemingen en, voor een klein gedeelte, in een woongebied en “de aanvraag niet overeenstemt met de toekomstvisie van de gemeente voor het betrokken gebied”, wordt het volgende overwogen: “Dat er gestreefd moet worden naar een toekomstgerichte ruimtelijke ordering; dat, nu de gemeente bezig is met de opmaak van een BPA, het onverantwoord zou zijn zaken te vergunnen die later niet blijken te stroken met de bestemmingen en doelstellingen van het in opmaak zijnde BPA; dat gelet op de omstandigheden en het ontbreken van een duidelijke visie voor de betrokken site, geen vergunning kan worden verleend (...)”. 3.5. Artikel 43, § 2, derde lid van het gecoördineerde decreet luidt als volgt: “Bij het verlenen van een ongunstig advies mag de gemachtigde ambtenaar afwijken van de voorschriften van een streek- of gewestplan, hetzij van een algemeen plan van aanleg, in zoverre het nieuwe plan waarmede de werken, handelingen en wijzigingen strijdig zijn voorlopig werd vastgesteld”. Artikel 43, § 5, eerste en vierde lid van hetzelfde decreet luidt als volgt: X-11.158-4/6 “Wordt een vergunning geweigerd of vernietigd om de enige reden dat de aanvraag onverenigbaar is met een voorlopig vastgesteld bijzonder plan van aanleg, dan vervalt de weigering of de vernietiging indien dit plan geen bindende kracht heeft verkregen binnen drie jaar na de weigering of de vernietiging van de vergunning. (...) In de drie gevallen wordt, op verzoek van de aanvrager, over de oorspronkelijke aanvraag een nieuwe beslissing genomen, die bij weigering niet meer op de genoemde reden gegrond mag zijn”. 3.6. Artikel 43, § 5, eerste lid van het gecoördineerde decreet geeft nauwkeurig aan in welk stadium de procedure voor het opmaken van een bijzonder plan van aanleg gekomen moet zijn opdat de vergunning kan worden geweigerd voor een werk dat conform is aan een hoger plan van aanleg maar dat onverenigbaar is met het bijzonder plan van aanleg dat in de maak is. Dat stadium is de voorlopige vaststelling -in het geval van de gemeenteraad “aanneming”- van het ontwerpplan dat aan het openbaar onderzoek onderworpen wordt en waarover bepaalde instanties advies uitbrengen bij toepassing van artikel 19 van het gecoördineerde decreet. 3.7. Uit de motieven van het bestreden besluit blijkt dat de gevraagde vergunning werd geweigerd om reden van “het in opmaak zijnde BPA”. De verwerende partij heeft zodoende artikel 43, § 5, eerste lid van het gecoördineerde decreet geschonden aangezien uit niets blijkt dat het zogenaamde “in opmaak zijnde BPA” op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit door de gemeenteraad van Kuurne voorlopig was aangenomen en derhalve als weigerings- grond voor de aanvraag van de verzoekende partij kon gelden. 3.8. Het bijkomstige, niet op zichzelf staande, weigeringsmotief luidens hetwelk “ten andere door de definitieve weigering van de milieuvergunning de stedenbouwkundige vergunning thans toch niet uitvoerbaar zou zijn”, maakt evenmin een wettig weigeringsmotief uit. Artikel 5, § 1, eerste en laatste lid van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning bepaalt weliswaar dat de bouwvergunning wordt geschorst zolang de milieuvergunning niet is verleend, respectievelijk dat de bouwvergunning van rechtswege vervalt op de dag van de weigering van de milieuvergunning in laatste aanleg, doch deze bepalingen volstaan niet als rechtsgrond voor het weigeren van de stedenbouwkundige vergunning. 3.9. Het middel is in zoverre gegrond. X-11.158-5/6 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 14 augustus 2002 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij haar beroep ingesteld tegen het besluit van 20 februari 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kuurne wordt verworpen en de stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd voor het renoveren van een industriële site : afbraak loodsen en fabrieksgebouwen, bouwen van een montagehall en renovatie overblijvende loodsen tot autobergplaatsen op een perceel gelegen te Kuurne, Harelbeeksestraat 42, kadastraal bekend sectie C, nrs. 249/z/3, 249/b/4, 249/y/3 deel en 249/c/4. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf januari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-11.158-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.275 Gerelateerde publicatie(
  4. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.115.288 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.