id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.276 Rolnummer: A. 64438/X-9714 Zaak: Arrest 189276 - Monumenten en Landschappen - 05/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-14 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-29 12:24 Fiche Arrest nr 189.276 van 5 januari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.276 van 5 januari 2009 in de zaak A. 64.438/X-9.714. In zake : de n.v. NOCASU, die woonplaats kiest bij advocaten G. SOETE en G. AMPE, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, Kerkstraat 8, bus 1 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Gerard Davidstraat 46, bus 1. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. NOCASU op 10 juli 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 8 maart 1995 van de Vlaamse regering tot uitbreiding van het beschermd dorpsgezicht te De Haan (koninklijk besluit van 24 juni 1981) tot het hele gebied van de voormalige concessie; Gelet op het arrest nr. 161.225 van 11 juli 2006 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de kennisgeving van het aanvullend verslag aan de partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 17 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; X-9714-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat T. SOETE, die loco advocaten G. SOETE en G. AMPE verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P.-J. STAELENS, die loco B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten De feiten worden uiteengezet in ’s Raads arrest nr. 161.225 van 11 juli 2006. 2. Ten gronde 2.1.1. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 7 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna: het monumentendecreet). De verzoekende partij laat gelden dat niet de Vlaamse regering maar de Koning de bevoegdheid heeft om het bestreden beschermingsbesluit te nemen, “de staatshervorming (...) daar niets aan (kan) veranderen”, “alleen een nieuwe wet (...) in die regeling verandering (zou) kunnen brengen”, “het (...) niet (
- is)omdat de Koning niet langer kan optreden als uitvoerende macht dat de Vlaamse regering dan die macht krijgt”, “de Vlaamse regering (...) zich geen bevoegdheid kan toeëigenen die met decreet van de Vlaamse Raad van 03 maart 1976 aan de Koning werd gegeven”, en de latere vervanging van de woorden “de Koning” door “de Vlaamse regering” bij decreet van 22 februari 1995 “het standpunt dat de Koning als Vlaamse regering moet gelezen worden (weerlegt)”. 2.1.2. Artikel 7, eerste lid van het monumentendecreet luidde als volgt op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen: X-9714-2/8 “De Koning, de Koninklijke Commissie gehoord, gaat over tot de definitieve bescherming van de op de ontwerpen van lijst voorkomende monumenten en stads- en dorpsgezichten”. Met ingang van 5 april 1995 werd “de Koning” door artikel 6 van het decreet van 22 februari 1995 vervangen door “de regering” en met ingang van 1 juli 2006 werd de “regering” door artikel 8 van het decreet van 10 maart 2006 vervangen door de “Vlaamse regering”. 2.1.3. Overeenkomstig het verticaliteitsbeginsel is de overheid die bevoegd is voor de regelgeving, behoudens andersluidende bepalingen, tevens belast met de tenuitvoerlegging en de toepassing ervan. Ingevolge artikel 6, § 1, I, 7/ van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen is de verwerende partij “wat de ruimtelijke ordening betreft” bevoegd voor “de monumenten en landschappen”. Krachtens artikel 20 van dezelfde bijzondere wet maakt de (Vlaamse) regering de verordeningen en neemt zij de besluiten die voor de uitvoering van de decreten nodig zijn, zonder ooit de decreten zelf te mogen schorsen of vrijstelling van hun uitvoering te mogen verlenen. De vaststelling dat bij een navolgende decreetswijziging de woorden “de Koning” werden vervangen door “ de (Vlaamse) regering” doet geen afbreuk aan het voorgaande. Bij gebreke van een andersluidende bepaling moet worden vastgesteld dat de Vlaamse regering bevoegd was tot het nemen van het bestreden besluit. Het tweede middel is niet gegrond. 2.2.1. Het derde middel is genomen uit de schending van artikel 7 van het monumentendecreet. De verzoekende partij betoogt dat het bestreden besluit werd genomen nadat de inschrijving op het bij ministerieel besluit van 23 juli 1993 vastgestelde ontwerp van lijst, dat met zes maanden was verlengd bij ministerieel besluit van 5 oktober 1994, van rechtswege was vervallen. 2.2.2. Artikel 7, derde lid van het monumentendecreet luidde ten tijde van het bestreden besluit, als volgt: “De inschrijving op de ontwerpen van lijst vervalt van rechtswege indien deze koninklijke besluiten niet zijn opgenomen uiterlijk één jaar na de publicatie van de voormelde ontwerpen van lijst in het Belgisch Staatsblad. Die termijn kan bij gemotiveerde beslissing van de Minister, eenmaal voor ten hoogste zes maanden worden verlengd”. Uit de ontstaansgeschiedenis van het monumentendecreet blijkt duidelijk dat ten gevolge van een materiële misslag het woord “opgenomen” in de plaats is gekomen van het woord “genomen”. Immers in het tweede amendement X-9714-3/8 van de regering op het ontwerp van decreet was de bewuste bepaling als volgt opgesteld: “De inschrijving op de ontwerplijsten vervalt van rechtswege indien deze koninklijke besluiten niet zijn genomen uiterlijk één jaar na de publicatie van de voormelde ontwerplijsten in het Belgisch Staatsblad” (Gedr. St. Cultuurraad 15 (B.Z. 1974) - nr. 4, 4). Het is die versie die bij de tweede artikelsgewijze bespreking door de commissie voor culturele promotie en het cultureel patrimonium van de cultuurraad werd aangenomen (Gedr. St. Cultuurraad 15 (B.Z. 1974) - nr. 10, 24). In de door de commissie bij de eindstemming over het geheel van het ontwerp aangenomen tekst werd het woord “opgenomen” vermeld in plaats van “genomen” (ibid., blz. 64). Uit niets blijkt dat die wijziging gewild was door de decreetgever. Die materiële misslag werd overigens inmiddels door het voormelde decreet van 22 februari 1995 ongedaan gemaakt. Derhalve moet het woord “opgenomen” als “genomen” worden gelezen. Het bestreden besluit werd genomen op 8 maart 1995, dit is binnen de met zes maanden verlengde termijn van één jaar na de vermelding in het Belgisch Staatsblad van 6 oktober 1993, van het voormelde ministerieel besluit van 23 juli 1993, waardoor het hele gebied van de voormalige concessie als een voor bescherming vatbaar dorpsgezicht op een ontwerp van lijst werd geplaatst. Het derde middel mist feitelijke grondslag en is derhalve niet gegrond. 2.3. In zoverre de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie nog laat gelden dat het ministerieel besluit van 23 juli 1993 waarbij het ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare dorpsgezichten werd vastgesteld, “in het Belgisch Staatsblad (moest) gepubliceerd worden met een koninklijk besluit”, “een dergelijk koninklijk besluit (...) nooit (werd) gepubliceerd”, er “alleen (...) een ontwerplijst (was) die op verkeerde wijze gepubliceerd werd”, en “een verkeerde publicatie in een onjuiste vorm (...) geen gevolgen (kan) teweeg brengen”, voert zij een nieuw middel aan dat onontvankelijk is omdat het niet in het verzoekschrift en dus laattijdig werd aangevoerd. 2.4.1. Het vierde middel is genomen uit de schending van de artikelen 2, 1/ en 8, § 2 van het monumentendecreet. De verzoekende partij betoogt dat het bestreden besluit “moest genomen worden op gezame(n)lijke voordracht van de X-9714-4/8 minister van cultuur en de minister tot wiens bevoegdheid de ruimtelijke ordening en stedenbouw behoort”, “de minister van cultuur (...) het besluit niet (nam) en er (...) ook geen koninklijk besluit tussen(kwam) op gezame(n)lijke voordracht van de minister van Nederlandse cultuur en de minister tot wiens bevoegdheid de ruimtelijke ordening en stedenbouw behoort”. In de memorie van wederantwoord laat zij gelden dat de Vlaamse regering “geen enkele bevoegdheid (heeft) om een dergelijke beslissing te treffen” en de Vlaamse regering “de bevoegdheidsregeling van artikel 8" van het monumentendecreet “negeerde”. 2.4.2. Artikel 8, § 2 van het monumentendecreet luidde ten tijde van het bestreden besluit als volgt: “Wanneer voor het gebied waarin het monument of stads- of dorpsgezicht gelegen is een door de Koning goedgekeurd plan van aanleg of een verkavelingsvergunning bestaat wordt het koninklijk besluit tot bescherming genomen op gezamenlijke voordracht van de Minister [tot wiens bevoegdheid de Nederlandse cultuur behoort] en van de Minister tot wiens bevoegdheid de ruimtelijke ordening en stedenbouw behoren”. Ten gevolge van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen is dergelijk beschermingsbesluit vanaf 1 oktober 1980 tot de bevoegdheid van de Vlaamse regering gaan behoren. Het artikel 83, § 3 van de bijzondere wet bepaalt in dat verband: “De bevoegdheden toegewezen aan een Minister bij wet, bij decreet of bij koninklijk besluit, worden uitgeoefend door de Regering, telkens als het om een zaak gaat die tot de bevoegdheid van deze laatste behoort”. Hieruit en uit artikel 69 van de bijzondere wet volgt dat het genoemde beschermingsbesluit in principe een zaak van de Vlaamse regering is geworden, onverminderd de door haar toegestane delegaties overeenkomstig het voormelde artikel 69. Te dezen werd het bestreden besluit van de Vlaamse regering ondertekend door de minister-president van de Vlaamse regering, de heer Luc Van Den Brande, door de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden, de heer Theo Kelchtermans, en door de Vlaamse minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming, de heer Johan Sauwens, die overeenkomstig het besluit van 20 oktober 1992 van de Vlaamse regering tot delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de leden van de Vlaamse regering bevoegd was voor monumenten en landschappen. X-9714-5/8 Het vierde middel is niet gegrond. 2.5.1. Het vijfde middel is genomen uit de schending van artikel 8, § 3 van het monumentendecreet. De verzoekende partij betoogt dat volgens de voormelde decretale bepaling “het koninklijk besluit de bijzondere beperkingen vermeldt die met het oog op de vrijwaring van de wezenlijke kenmerken van het beschermd monument, stad- of dorpsgezicht aan het eigendomsrecht worden gesteld”, “er (...) geen koninklijk besluit (is)” en het bestreden besluit “die bijzondere beperkingen” niet vermeldt. In de memorie van wederantwoord laat zij nog gelden dat “wanneer er geen bijzondere beperkingen zijn, (...) dat (moet) vermeld worden” en zulks niet gebeurd is. 2.5.2. De artikelen 7, tweede lid en 8, § 3 van het monumentendecreet luidden als volgt toen het bestreden besluit werd genomen: “(artikel 7) ‘Dit koninklijk besluit vermeldt de algemene en desgevallend specifieke voorschriften inzake instandhouding en onderhoud’. (artikel 8) ‘§ 3. Het koninklijk besluit tot bescherming van een stads- of dorpsgezicht bevat in bijlage een plan met nauwkeurige aflijning van het beschermde gebied. Het vermeldt de bijzondere beperkingen die met het oog op de vrijwaring van de wezenlijke kenmerken van het beschermde monument, stads- of dorpsgezicht aan het eigendomsrecht worden gesteld’”. 2.5.3. Artikel 2 van het bestreden besluit luidt als volgt: “Met het oog op de bescherming zijn van toepassing: 1. De beschikkingen van het koninklijk besluit van 6 december 1976 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van de monumenten en de stads- en dorpsgezichten. 2. De ‘beeldbepalende’ gebouwen zoals aangeduid op bijgaand plan en hierboven vermeld, met een uitzicht dat typisch is voor De Haan en dat er mede het karakter van bepaalt, zijn in de toekomst te behouden in hun algemeen uitzicht en voorkomen. Verbouwingswerken dienen gedacht te worden in termen van renovatie en herstel”. 2.5.4. Het middel mist feitelijke grondslag nu het bestreden besluit niet enkel algemene doch ook specifieke voorschriften inzake instandhouding en onderhoud bevat. Uit de bespreking van het tweede middel volgt dat de vermelding “koninklijk besluit” in de hiervoor aangehaalde artikelen 7 en 8 van het monumentendecreet moet gelezen worden als “besluit van de Vlaamse regering”. X-9714-6/8 Het vijfde middel is niet gegrond. 2.6.1. In het zesde middel voert de verzoekende partij de miskenning aan van substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, van het eigendomsrecht, van de beginselen van behoorlijk bestuur en van een geordende ruimtelijke aanleg. Zij betoogt dat “een oude en vetuuste woning, zonder waarde en met veel schade, enkel goed genoeg voor afbraak, wordt opgenomen in een beschermde stads- en dorpsgezicht niettegenstaande daar geen enkele reden toe is”, “het gebouw geen enkele waarde heeft voor het algemeen belang” waardoor “het eigendomsrecht miskend (wordt), “de oude woning op de Zeedijk geen enkele bescherming als dorpsgezicht verantwoordt”, “de woning (...) geprangd (staat) tussen grote appartementsgebouwen en (...) bestemd (was) voor afbraak”. Als annulatierechter is de Raad van State belast met een wettigheidstoezicht. Het komt de Raad van State niet toe het feitenonderzoek in de behandelde zaak over te doen en in plaats van het bestuur te appreciëren of een goed wel als dorpsgezicht beschermingswaard is. De verzoekende partij voert niet aan dat de beoordeling dat de in het beschermde dorpsgezicht op het bij het bestreden besluit gevoegde plan aangeduide “beeldbepalende gebouwen (...) een uitzicht (hebben) dat typisch is voor De Haan en dat er mede het karakter van bepaalt”, zoals het gebouw “Notre Nid”, uitgaat van in feite onjuiste vaststellingen De minister heeft bijgevolg met kennis van zaken geoordeeld en de verzoekende partij toont niet aan dat de minister zijn beoordelingsbevoegdheid verkeerd heeft gebruikt door te oordelen dat die beeldbepalende gebouwen “in de toekomst te behouden (zijn) in hun algemeen uitzicht en voorkomen” en “verbouwingswerken (...) in termen van renovatie en herstel (dienen gedacht te worden)”. De verzoekende partij toont niet aan dat het bestreden besluit door het opleggen van de voormelde beperkingen haar eigendomsrecht op welkdanige wijze zou miskennen. Het zesde middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. X-9714-7/8 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf januari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-9714-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.276 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.225 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div