← België

Arrest 189314 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 06/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.314 Rolnummer: A. 188715/XII-5477 Zaak: Arrest 189314 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 06/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-08 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 12:35 Fiche Arrest nr 189.314 van 6 januari 2009 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Bevolen heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK nr. 189.314 van 6 januari 2009 in de zaak A. 188.715/XII-

  1. In zake : Eduard SERVAES, die woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door Scholengroep 16 Midden Limburg, dat woonplaats kiest bij advocaat G. Van Den Eynde, kantoor houdende te Geel, Diestseweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Eduard Servaes op 25 juni 2008 heeft ingediend om de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van “het besluit dat is getroffen door de Raad van Bestuur van de Scholengroep Midden-Limburg van het Gemeenschapsonderwijs waarbij [hij] krachtens artikel 53b van het decreet rechtspositie gemeenschapsonderwijs uit het ambt van directeur van BS Houthalen uit zijn ambt werd verwijderd en waarbij in toepassing van artikel 54 van het decreet rechtspositie gemeenschapsonderwijs geen affectatie gegeven wordt in de scholengroep 16 Midden-Limburg en bijaldien [hij] ambtshalve gepensioneerd wordt”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en over de vordering tot schorsing opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 6 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 november 2008 XII-5477-1/14 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van advocaat B. Staelens, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat S. Cauwenberghs, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
  3. Verzoeker fungeert sinds 2001 als directeur van de basisschool (BS) De Mozaïek te Houthalen, die deel uitmaakt van de scholengroep 16 Midden- Limburg van het Gemeenschapsonderwijs. Hij was er voorheen onderwijzer. Op 1 april 2007 wordt hij vast benoemd als directeur. 1.
  4. Een dalend leerlingenaantal noopt verwerende partij er toe de pedagogische begeleidingsdienst van het Gemeenschapsonderwijs in te schakelen, die op 31 januari 2007 een analyseverslag opstelt. De opmerkingen die in dit verslag worden gemaakt over het directiebeleid geven er aanleiding toe dat de algemeen directeur op 16 augustus 2007 bij hoogdringendheid beslist om verzoeker preventief te schorsen. Verzoeker wordt uitgenodigd voor een hoorzitting op 11 september 2007 voor de raad van bestuur, die op dezelfde datum beslist om de opgelegde preventieve schorsing te bekrachtigen en om de onderzoekscommissie te vragen zo snel mogelijk het functioneren van verzoeker alsook de gehele schoolwerking te onderzoeken. De onderzoekscommissie dient op 26 november 2007 haar verslag in. XII-5477-2/14 1.
  5. Op 8 januari 2008 wordt verzoeker uitgenodigd voor een hoorzitting “in het kader van tuchtprocedure en verwijdering uit het ambt”, op 24 januari
  6. In deze brief wordt verduidelijkt dat de raad van bestuur beslist heeft om twee procedures op te starten : - de verwijdering uit het ambt met toepassing van artikel 53, eerste lid, b, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (hierna : het rechtspositiedecreet), en - de terugzetting in rang met toepassing van artikel 67, § 2, van het rechtspositiedecreet. Uit het administratief dossier blijkt dat de brief op 9 januari 2008 door De Post is aangeboden aan verzoeker, dat er ook bericht is gelaten op 9 januari 2008 en dat de zending niet is afgehaald. 1.
  7. De raad van bestuur beslist op 24 januari 2008 met toepassing van artikel 53, eerste lid, b, van het rechtspositiedecreet bij verstek aan de kamer van beroep voor te stellen verzoeker uit het ambt van directeur van de BS Houthalen te verwijderen. Deze beslissing wordt door de algemeen directeur met een op 14 februari 2008 aangetekende, niet gedateerde brief aan verzoeker meegedeeld. Deze begeleidende brief preciseert nog : “Indien u verzet wenst aan te tekenen bij deze verstekbeslissing, dient u mij de motieven voor dit verzet uiterlijk tien werkdagen na het ontvangen van de beslissing te bezorgen. De Raad van Bestuur zal dan uw motieven om verzet aan te tekenen op zijn volgende zitting bespreken en beslissen u al dan niet op te roepen voor een nieuwe hoorzitting. [...] Indien u geen verzet aantekent kan u tegen deze beslissing beroep aantekenen bij de Kamer van Beroep [volgt het adres] U beschikt hiervoor over een termijn van 20 kalenderdagen, termijn die ingaat de dag na de ontvangst van deze dienstbrief”. Verzoeker neemt deze op 15 februari 2008 door De Post aan- geboden brief in ontvangst op 1 maart
  8. 1.
  9. De raad van bestuur heeft op diezelfde 24 januari 2008 ook een beslissing genomen in de tuchtprocedure. Een afschrift van die beslissing is niet neergelegd door verwerende partij in het administratief dossier, maar wel door verzoeker als bijlage bij zijn verzoekschrift. XII-5477-3/14 De raad van bestuur heeft luidens dit stuk beslist om bij verstek aan de kamer van beroep voor te stellen om verzoeker bij tuchtmaatregel terug te zetten in rang. Die beslissing is aan verzoeker op onbekende datum meegedeeld met een niet gedateerde brief, die verzoeker ook bij zijn verzoekschrift heeft gevoegd. Ook die brief bevat volgende vermeldingen : “Indien u verzet wenst aan te tekenen bij deze verstekbeslissing, dient u mij de motieven voor dit verzet uiterlijk tien werkdagen na het ontvangen van de beslissing te bezorgen. De Raad van Bestuur zal dan uw motieven om verzet aan te tekenen op zijn volgende zitting bespreken en beslissen u al dan niet op te roepen voor een nieuwe hoorzitting. [...] Indien u geen verzet aantekent kan u tegen deze beslissing beroep aantekenen bij de Kamer van Beroep [volgt het adres] U beschikt hiervoor over een termijn van 20 kalenderdagen, termijn die ingaat de dag na de ontvangst van deze dienstbrief”. Deze brief preciseert nog dat ingevolge het opstarten van de tuchtprocedure, de preventieve schorsing wordt verlengd. 1.
  10. Met een aan de voorzitter van de raad van bestuur gerichte, maar op 10 maart 2008 aan de algemeen directeur aangetekend verzonden brief, drukt verzoeker zijn verwondering uit over “uw beslissing bij verstek van 24 januari 2008”. Hij stelt geen uitnodiging te hebben ontvangen, verklaart te goeder trouw te zijn en verzoekt om een nieuwe hoorzitting. Deze brief is volgens haar nota met opmerkingen “door verweerster niet gekend”. 1.
  11. Op 28 april 2008 stelt de raad van bestuur dat verzoeker binnen de vermelde termijn van twintig kalenderdagen geen beroep heeft ingesteld. De raad van bestuur behandelt opnieuw het dossier. Hij stelt vast en beslist : “Gezien u het voorstel om u uit het ambt van directeur te verwijderen niet binnen de voorziene termijn door middel van een beroepsschrift heeft aangevochten, wat betekent dat u het voorstel aanvaardt, is de beslissing inmiddels definitief geworden. Dit betekent dat u in toepassing van artikel 54 van het DRP een betrekking dient op te nemen in het ambt waarin u voorafgaand vast benoemd was in de instelling waar u voor uw vaste benoeming in het selectie- of bevorderingsambt was geaffecteerd. Artikel 54 bepaalt immers in de eerste paragraaf : XII-5477-4/14 ‘Bij het beëindigen van de vaste benoeming in een selectie- of bevorderingsambt krachtens artikel 53, b, neemt het personeelslid een betrekking op in de instelling of bij de scholengroep waar het was geaffecteerd vóór zijn benoeming in het selectie- of bevorderingsambt, tenzij het personeelslid en de Raad van Bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdienst : de afgevaardigd bestuurder - akkoord gaan met een nieuwe affectatie in de scholengroep of met mutatie.’ Aangezien de Raad van Bestuur geen akkoord verleent aan een nieuwe affectatie in de scholengroep dient u derhalve in principe uw opdracht als onderwijzer aan de BS Houthalen op te nemen. In de BS Houthalen zijn evenwel alle organieke uren opgenomen door vastbenoemde personeelsleden. Deze behouden hun aanstelling [...]. Dientengevolge wordt u ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Wat betreft dergelijke terbeschikkingstelling schrijft het DRP in artikel 83, § 1 echter voor [...]. Gelet op wat voorafgaat - en overwegende dat u de leeftijd van zestig jaar reeds bereikt hebt en meer dan dertig dienstjaren telt - volgt uw onmiddellijke en ambtshalve oppensioenstelling met ingang van 1 mei
  12. [...] De Raad van Bestuur beslist om de heer Servaes geen nieuwe affectatie in een instelling van de Scholengroep te toe te kennen omdat de stukken van alle voorgaande beslissingen bewijzen dat dit personeelslid ook in andere scholen alleen maar tot negatieve invloeden zal leiden voor de betrokken leerlingen. Uit al de voorgaande stukken en beslissingen blijkt immers de onbekwaamheid van de heer Servaes als individu. Het niet verschijnen op vorige hoorzittingen. Het betwisten van oproepingen ondanks de bewijslast. Het niet ingaan op voorstellen voor minnelijke schikkingen in aanwezigheid van getuigen. Door de historiek van de aangehaalde punten, de halsstarrige houding van Dhr. Servaes, het niet respecteren van onderlinge afspraken en het daardoor ontbreken van alle gronden tot samenwerking, beslist de Raad van Bestuur Dhr. Servaes geen nieuwe affectatie toe te wijzen. De heer Servaes is niet de onderwijzer aan wie de Raad van Bestuur leerlingen van de basisscholen wil toevertrouwen. Gezien er in alle stukken van voorgaande beslissingen voldoende motieven zijn wordt er geen bijkomende hoorzitting gehouden. De feiten zijn duidelijk genoeg. Zie bijlagen. De heer Servaes heeft nog altijd de mogelijkheid om mutatie aan te vragen naar een andere Scholengroep. Zelfs als gepensioneerde kan hij binnen de grenzen van de wet in andere Scholengroepen of andere netten zijn ambt uitoefenen. De heer Servaes is zelf in de mogelijkheid om initiatieven in zijn voordeel te nemen die zijn financiële situatie kunnen herstellen”. Op 30 april 2008 wordt met een aangetekend schrijven aan verzoeker meegedeeld dat de verwijdering definitief is geworden, dat de raad van bestuur geen akkoord verleent aan een nieuwe affectatie in de scholengroep, dat alle beschikbare uren in de basisschool opgenomen zijn, dat hij ter beschikking gesteld wordt wegens ontstentenis van betrekking en dat gelet op artikel 83 van het rechtspositiedecreet hier zijn onmiddellijke en ambtshalve oppensioenstelling uit volgt met ingang van 1 mei
  13. De brief bevat niet de hiervoor overgeschreven specifieke motivering waarom de raad van bestuur een affectatie afwijst, noch worden er eventuele beroepsmogelijkheden in vermeld. Verzoeker blijkt deze zending op 5 mei 2008 in ontvangst te hebben genomen. XII-5477-5/14 1.
  14. Verzoeker reageert nog op 15 mei
  15. Hij schrijft dat hij zich nog steeds bekwaam acht om zijn werk uit te voeren en vraagt om actief ingezet te worden in de eigen school of, als dit niet kan, binnen de scholengroep of - gemeenschap. Hij wijst “elke uitnodiging om pensioen aan te vragen” af. Het is niet duidelijk of en wanneer deze brief is verstuurd en evenmin of er op is geantwoord. De ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
  16. Verwerende partij werpt op dat tegen de bestreden beslissing een georganiseerd beroep openstond bij de kamer van beroep, dat verzoeker geen beroep aantekende en dat de bestreden beslissingen niet ontvankelijk bij de Raad van State kunnen worden bestreden nu het georganiseerd beroep niet is uitgeput.
  17. Verzoeker antwoordt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de door de raad van bestuur genomen beslissingen, te weten de verwijdering uit het ambt enerzijds en de weigering een nieuwe affectatie te geven en pensionering anderzijds. Die pensionering is volgens verzoeker geen loutere gevolgakte, er moesten andere tussenliggende beslissingen worden genomen. Hij is er nooit over gehoord, de motieven ervan zijn hem nooit meegedeeld. Zijn beroep er tegen is dus alleszins ontvankelijk, aldus verzoeker. Tegen de eerstgenoemde beslissing wijst verzoeker op het verzet dat hij heeft aangetekend. Is dit verzet te laat, dan moest er toch een beslissing volgen waarin die laattijdigheid wordt vastgesteld als motief om desgevallend het verzet te verwerpen. Pas dan diende hij beroep aan te tekenen bij de kamer van beroep. Hij mocht dus het antwoord van het bestuur over zijn verzet afwachten, intussen liep niet de beroepstermijn. Hij doet gelden, ook in het eerste middel van zijn verzoekschrift, zich op 7 maart 2008 in verzet te hebben voorzien, maar niet te zijn gehoord noch te hebben vernomen wat de redenen daarvoor waren. Het strookt niet, zo stelt hij, met de regels van de fair-play, het vertrouwensbeginsel en de formele-motiveringsplicht dat er met dit verzet op geen enkele wijze rekening wordt gehouden. Hij maakt nog een analogie met het bepaalde in artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. XII-5477-6/14 Beoordeling 4.
  18. Op 24 januari 2008 heeft de raad van bestuur beslist om een ordemaatregel en een tuchtmaatregel voor te stellen, beide in afwezigheid van verzoeker. Over de thans bestreden ordemaatregel van de verwijdering uit het ambt van directeur, bepaalt artikel 53, tweede lid, van het rechtspositiedecreet zoals het is gewijzigd bij decreet van 13 juli 2007 : “Het betrokken personeelslid kan tegen de in het eerste lid, b), vermelde beslissing beroep aantekenen bij de beroepsinstantie vermeld in artikel 52, b). De termijn voor het instellen van het beroep bedraagt twintig kalenderdagen. Het beroep schort de in het eerste lid, b), vermelde beslissing op”. 4.
  19. Verzoeker geeft toe dat hij het bedoelde beroep niet heeft ingesteld. Het instellen van dit door de decreetgever georganiseerd beroep is nochtans een verplichte voorwaarde vooraf, opdat het beroep tot nietigverklaring ontvankelijk kan worden ingesteld bij de Raad van State. 4.
  20. De Raad van State stelt vast dat, in tegenstelling tot wat is bepaald met betrekking tot tuchtbeslissingen, inzake de ordemaatregel van de verwijdering uit het ambt een “verzet” niet wettelijk georganiseerd is. Verzoeker wijst geen enkele bepaling aan in de toepasselijke regelgeving, die tegen de door hem bestreden verwijderingsmaatregel een ander georganiseerd administratief beroep openstelt dan het opschortend beroep bedoeld in artikel 53, tweede lid, van het rechtspositie- decreet. De gezien de termen “indien u verzet wenst aan te tekenen” niet anders dan als louter facultatief te begrijpen mogelijkheid tot “verzet” die verwerende partij biedt met haar brief van 14 februari 2008, verandert niets aan die vaststelling. Hier dient trouwens opgemerkt dat verwerende partij daarenboven zelf in die brief aangeeft dat verzoeker tegen de meegedeelde beslissing beroep kan aantekenen bij de kamer van beroep en daartoe beschikt over een termijn van twintig kalenderdagen. Dit doet besluiten dat verwerende partij met haar kennisgeving over een niet opschortend “verzet” slechts heeft willen herinneren aan de steeds bestaande mogelijkheid van een willig beroep. Is het gebruik van de term “verzet” ongelukkig gekozen, dan nog is verzoeker niet op een onbetamelijke wijze door het bestuur misleid geworden, nu hem ondubbelzinnig is meegedeeld dat tegen de beslissing van 24 januari 2008 het administratief beroep bij de kamer van beroep ter beschikking stond en hij over twintig dagen beschikte om de beslissing bij die kamer XII-5477-7/14 van beroep aan te vechten. Aldus kon hij weten dat hij niet de eventuele uitkomst van zijn “verzet” moest afwachten, om desgewenst reeds zijn grieven tegen de verwijderingsmaatregel bij de kamer van beroep te doen gelden. 4.
  21. Het feit dat verwerende partij die mogelijkheid tot willig beroep uitdrukkelijk heeft vermeld, maakt het nog niet tot een georganiseerd administratief beroep. Verzoeker meent nu dat de fair play en het vertrouwensbeginsel verwerende partij er wél toe verplichten om zich over het verzet uit te spreken, nu zij dit eenmaal uitdrukkelijk in het vooruitzicht heeft gesteld. Zo hijzelf niet moést wachten op de uitkomst van dit verzet om zich tot de kamer van beroep te wenden, dan mócht hij het wel. Diezelfde beginselen staan er volgens hem aan in de weg dat hem wordt tegengeworpen niet binnen twintig dagen een beroep bij de kamer van beroep te hebben ingesteld. Nog daargelaten dat verzoeker nog steeds geen beroep heeft ingesteld bij de kamer van beroep, hoeft de Raad van State in de concrete omstandigheden van de zaak geen stelling hierover te nemen. Immers, verwerende partij heeft in haar mededeling gepreciseerd dat de motieven om verzet aan te tekenen haar “uiterlijk tien werkdagen na het ontvangen van de beslissing” bezorgd moeten worden. Als het al zo is, dat het bestuur door haar wijze van kennisgeving enig vertrouwen heeft gewekt bij verzoeker om toch, buiten elke procedure- voorschrift om, zijn verzet te behandelen, dan kon verzoeker daar enkel op vertrouwen binnen de door het bestuur in diezelfde kennisgeving uitdrukkelijk en ondubbelzinnig geschetste grenzen. Die tien werkdagen waren echter al verstreken toen verzoeker er toe kwam op 1 maart de zending te gaan afhalen. Hij wist bijgevolg reeds op dat ogenblik dat de termijn die hem door verwerende partij gegeven was om gemotiveerd verzet aan te tekenen voorbij was. Verwerende partij heeft dan ook niet het vertrouwensbeginsel, noch de fairplay miskend door op 28 april 2004 vast te stellen dat verzoeker geen tijdig beroep heeft ingesteld bij de kamer van beroep. De Raad van State deelt die vaststelling, welke tot gevolg heeft dat het beroep niet ontvankelijk is voor zover het is gericht tegen de beslissing tot verwijdering van verzoeker uit het ambt van directeur. XII-5477-8/14 4.
  22. Het auditoraat heeft terecht besloten, wat de verwijdering uit het ambt betreft, dat de beslechting van het geschil ten gronde afgedaan kan worden in korte debatten, in de zin van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 5.
  23. Verwerende partij betoogt dat de ambtshalve pensionering een loutere gevolgakte is van de eerste bestreden beslissing, zodat het beroep tegen die beslissing om dezelfde reden onontvankelijk is ingediend. In de huidige stand van de procedure deelt de Raad van State niet die mening. Overigens bestrijdt verzoeker woordelijk de beslissing “waarbij geen affectatie gegeven wordt in de scholengroep 16 Midden-Limburg en bijaldien [hij] ambtshalve gepensioneerd wordt”. 5.
  24. Op 28 april 2008 stelt de raad van bestuur eerst vast dat verzoeker, door niet tijdig het georganiseerd administratief beroep uitgeput te hebben, geacht wordt in te stemmen met de verwijdering uit het ambt. Vervolgens wijst de raad van bestuur op artikel 54, § 1, van het rechtspositiedecreet, dat het vervolg regelt van die verwijdering : “Bij het beëindigen van de vaste benoeming in een selectie- of bevorderingsambt krachtens artikel 53, b), neemt het personeelslid een betrekking op in de instelling of bij de scholengroep waar het was geaffecteerd vóór zijn benoeming in het selectie- of bevorderingsambt, tenzij het personeelslid en de raad van bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdienst : de afgevaardigd bestuurder - akkoord gaan met een nieuwe affectatie in de scholengroep of met mutatie”. Dat verzoeker door de raad van bestuur ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking en dan, met toepassing van artikel 83, § 1, van het rechtspositie-decreet, ambtshalve op pensioen gesteld wordt, is mede het gevolg van de door verzoeker bestreden weigering van de raad van bestuur om “akkoord [te] gaan met een nieuwe affectatie in de scholengroep of met mutatie”. 5.
  25. De Raad van State is van oordeel dat het middel van onontvankelijkheid, wat het tweede voorwerp van het beroep betreft, de vraag doet rijzen of die bestreden beslissing wel degelijk als een soort gebonden bevoegdheid beschouwd moet worden welke onlosmakelijk samenhangt met en louter volgt uit de verwijdering uit het ambt; vraag die niet in korte debatten beantwoord kan XII-5477-9/14 worden en die integendeel volgens de gewone rechtspleging behandeld moeten worden. 6.
  26. Uit het voorgaande volgt dat de vordering tot schorsing onderzocht moet worden volgens de gewone rechtspleging, doch enkel wat betreft het tweede voorwerp van het beroep. 6.
  27. In de huidige stand van de rechtspleging oordeelt de Raad van State dat de exceptie van onontvankelijkheid, wat die beslissing betreft, niet kan worden bijgevallen. De Raad meent aan de hand van de stukken waarop hij thans acht kan slaan, prima facie, dat het gevolg van de verwijdering uit het ambt en dus de tweede bestreden beslissing anders had kunnen luiden, zo de raad van bestuur niet had geweigerd om akkoord te gaan met een nieuwe affectatie van verzoeker als onderwijzer, dat die weigering een discretionaire beslissing is, waarover de raad van bestuur zich pas op 28 april 2008 voor het eerst heeft gebogen en die niet noodzakelijk voortvloeit uit de verwijdering uit het ambt van directeur. Vooralsnog neemt de Raad van State daarom aan dat het verzuim van verzoeker om tegen de verwijdering uit het ambt een beroep in te stellen bij de kamer van beroep geen weerslag heeft op de ontvankelijkheid van zijn beroep tegen de later besloten weigering om hem een nieuwe affectatie te geven, de er op volgende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en de daaruit volgende oppensioenstelling. De schorsingsvoorwaarden
  28. Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. XII-5477-10/14 Onderzoek van de eerste schorsingsvoorwaarde Standpunt van de partijen
  29. Verzoeker voert in een tweede middel aan, onder meer, dat de hoorplicht is geschonden omdat hij nooit is gehoord over de weigering om akkoord te gaan met een nieuwe affectatie.
  30. Verwerende partij antwoordt dat verzoeker behoorlijk was opgeroepen voor de hoorzitting van 24 januari 2008, dat er zich sindsdien geen nieuwe feiten hebben voorgedaan, dat een bijkomende hoorzitting niet vereist was. Beoordeling
  31. Hiervoor is reeds voorlopig aangenomen dat de terbeschikkingstelling als onderwijzer geen noodzakelijk gevolg is van de verwijdering uit het ambt als directeur en nog een discretionaire stellingname van het bestuur vereist over een nieuwe affectatie. Door dit te weigeren wijzigt het bestuur de rechtstoestand van verzoeker en treft het hem op een meer dan geringe wijze nadelig in zijn belangen. De beslissing is gesteund op gegevens die hem als een tekortkoming worden aangerekend. Krachtens een beginsel van behoorlijk bestuur mag het bestuur zo een beslissing niet rechtmatig nemen dan nadat de betrokkene de gelegenheid heeft gekregen vooraf zijn standpunt op een nuttige wijze ter kennis te brengen. Dit impliceert dat zowel de aard van de overwogen maatregel als de motieven die er aan ten grondslag liggen vooraf aan de betrokkene worden medegedeeld en dat hij over een redelijke termijn moet beschikken om zijn verweer degelijk te kunnen voorbereiden.
  32. Te dezen blijkt vooralsnog niet dat verzoeker reeds in de oproeping van 8 januari 2008 voor de hoorzitting van 24 januari 2008 méér kon lezen dan de overwogen tucht- en ordemaatregel. Meer bepaald lijkt verwerende partij hem er toen niet van op de hoogte te hebben gebracht dat en waarom zij, na het opleggen van deze maatregelen, een nieuwe affectatie niet zag zitten. Ook daarna heeft zij verzoeker niet meer de kans gegeven, zijn zienswijze hierover nuttig voor te leggen. XII-5477-11/14 Het middel is ernstig. Onderzoek van de tweede schorsingsvoorwaarde Standpunt van de partijen
  33. Verzoeker zet uiteen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te zullen lijden door “in enkele stappen, zonder genade” van directeur tot gepensioneerde omgetoverd te worden. Er is een financieel nadeel, dat weliswaar herstelbaar is maar zo groot dat het menselijkerwijze niet draagbaar is, mede in acht genomen dat zijn echtgenote maar halftijds werkt. Van groter belang noemt hij het morele nadeel dat hij ondergaat door de voldoening uit arbeid te verliezen. Dit is ernstig en onherstelbaar, mede gelet op zijn leeftijd. De inhoud van de besluiten komen er voorts op neer dat hij als een onbenul wordt afgeschilderd. Verzoeker ondergaat een odium dat zeer wel gelijkt op het ontslag bij tuchtmaatregel.
  34. Verwerende partij antwoordt in haar nota dat verzoeker nog altijd mutatie kan aanvragen naar een andere scholengroep en zelfs als gepensioneerde binnen de grenzen van de wet zijn ambt kan uitoefenen, dat er geen causaal verband is tussen het aangevoerde nadeel en de bestreden beslissing, dat het ook zo is voor wat het financiële nadeel betreft omdat verzoeker dit in verband brengt met het deeltijds werken van zijn echtgenote, dat het financieel nadeel hoe dan ook herstelbaar is, dat hetzelfde geldt voor een moreel nadeel. Beoordeling
  35. Verzoeker ziet zich in de concrete omstandigheden van de zaak eerst geconfronteerd met een beslissing die weliswaar geen tuchtmaatregel is, maar dan toch gesteund is op een uiterst negatieve beoordeling van zijn bekwaamheid om als directeur te fungeren. Vervolgens ondergaat hij een tweede beslissing waardoor hij ook niet langer geduld wordt om als onderwijzer zijn ambt uit te oefenen en wordt hij derhalve uit het onderwijs verwijderd. De specifieke, afzonderlijke motieven van die tweede beslissing of alleszins van de weigering om akkoord te gaan met een nieuwe affectatie zijn te zijner tijd niet aan verzoeker meegedeeld. In het administratief dossier is die sub. 1.
  36. geciteerde motivering wel neergelegd, en de negatieve waardering van verzoeker die er uit blijkt voegt zich toe aan de eerdere afkeuring. De Raad van State valt verzoeker bij dat het verlies van zijn betrekking XII-5477-12/14 in het onderwijs en de pensionering hem in die omstandigheden een moreel nadeel doet ondergaan dat, gelet op zijn leeftijd, moeilijk te herstellen is door de eventueel later uit te spreken nietigverklaring. Weliswaar is het financiële nadeel herstelbaar en zijn dat ook de andere aspecten van het aangevoerde morele leed, maar samen genomen en toegevoegd aan het morele nadeel dat verzoeker ondergaat door zijn verwijdering uit het onderwijs, brengt dit de Raad er toe het aangevoerde nadeel in zijn globaliteit ook als ernstig te kwalificeren.
  37. Er is bijgevolg, wat de tweede bestreden beslissing betreft, voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  38. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen wat betreft de beslissing van 24 januari 2008, bevestigd op 28 april 2008, van de raad van bestuur van de scholengroep 16 Midden-Limburg van het Gemeenschapsonderwijs, waarbij Eduard Servais wordt verwijderd uit zijn ambt van directeur van de basisschool De Mozaïek te Houthalen. Artikel
  39. De debatten worden heropend voor het overige en de zaak wordt voortgezet volgens de gewone procedure. Artikel
  40. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 28 april 2008, van de raad van bestuur van de scholengroep 16 Midden-Limburg van het Gemeenschapsonderwijs, waarbij geen akkoord wordt verleend aan een nieuwe affectatie van Eduard Servais in de scholengroep, Eduard Servais ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking en ambts- halve op pensioen wordt gesteld met ingang van 1 mei
  41. XII-5477-13/14 Artikel
  42. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes januari 2009, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5477-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.314 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.780 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.