← België

Arrest 189316 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 07/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.316 Rolnummer: A. 189212/IX-5997 Zaak: Arrest 189316 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 07/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-16 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 12:41 Fiche Arrest nr 189.316 van 7 januari 2009 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.316 van 7 januari

  1. in de zaak A.189.212/IX -
  2. In zake : Dimitri BURMS, die woonplaats kiest te KEERBERGEN, Tremelobaan 55, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Dimitri BURMS op 1 augustus 2008 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 2 juni 2008 van de beroepscommissie, waarbij de beslissing van 6 mei 2008 van de evaluatiecommissie om hem als kandidaat-beroepsvrijwilli- ger van rechtswege mislukt te bevinden, wordt bevestigd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKE- RE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 24 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. MARTENS, die verschijnt voor de verzoeker, en van kapitein V. DE SAEDELEER, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-5997-1/11 Gehoord het eensluidende advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Gegevens van de zaak 1.
  3. De verzoeker is sedert 2 juni 2003 kandidaat-beroepsvrijwilliger bij de landmacht. Hij heeft de graad van eerste soldaat. Op de voormelde datum vangt voor hem de vierjarige vormings- cyclus aan, zoals bedoeld in artikel 38 van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende de vorming van de kandidaat-militairen van het actief kader (hierna: het koninklijk besluit van 11 augustus 1994). De vooropgestelde einddatum van zijn vorming is 1 juni
  4. Hij wordt opgeleid voor de functie van chauffeur. 1.
  5. Omwille van zijn afwezigheid om gezondheidsredenen van 19 januari 2004 tot 31 december 2004 wordt aan de verzoeker, op zijn aanvraag, een verlenging van de vormingsduur met 347 dagen toegestaan. De nieuwe einddatum van zijn vorming is 12 mei
  6. 1.
  7. Op 27 maart 2006 wordt de verzoeker om medische redenen geheroriënteerd naar de functie van kanonnier. 1.
  8. Vanaf 29 juni 2006 onderbreekt de verzoeker zijn vorming in afwachting van zijn verschijning voor de Militaire Commissie voor Geschiktheid en Reform (hierna: de MCGR). Tot zijn verschijning voor deze commissie wordt hij beschouwd als afwezig om gezondheidsredenen. IX-5997-2/11 1.
  9. Op 12 december 2006 verklaart de MCGR dat de verzoeker de lichamelijke geschiktheid van kandidaat-beroepsvrijwilliger bezit en in staat is om zijn vorming van kanonnier verder te zetten. Een dag later hervat de verzoeker zijn vorming in zijn eenheid. 1.
  10. Met een nota van 25 maart 2007 wordt namens de directeur- generaal Human Ressources aan de korpscommandant van de verzoeker meegedeeld dat aan de verzoeker een uitstel van vorming van 166 dagen wordt verleend, omdat hij tijdens de periode van 29 juni 2006 tot 12 december 2006 niet aan de vorming heeft kunnen deelnemen. De vormingsperiode van de verzoeker wordt aldus verlengd tot 25 oktober
  11. De nota vermeldt dat de verzoeker reeds 513 dagen uitstel van vorming heeft verkregen en dat de overschrijding van de maximumtermijn van uitstel te wijten is aan een procedure voor de MCGR, maar dat hij nu geen recht op uitstel meer heeft. 1.
  12. Op 14 december 2007 dient de verzoeker een nieuwe aanvraag in om een uitstel van vorming te verkrijgen, ditmaal voor de periode van 9 juli 2007 tot 4 december 2007, wegens een nieuwe procedure voor de MCGR. 1.
  13. Op 16 januari 2008 wordt zijn aanvraag door de algemene directie Human Ressources echter afgewezen, omdat hij reeds de maximale periode van uitstel heeft verkregen. 1.
  14. Op 6 mei 2008 wordt de verzoeker, bijgestaan door een vakbondsafgevaardigde, gehoord door de evaluatiecommissie die, op vraag van zijn korpscommandant, is samengesteld om “over [zijn] kandidatuur te oordelen”. Deze commissie beslist dat de verzoeker “van rechtswege mislukt wordt bevonden” op grond dat de totale duur van de verlengingen, met inbegrip van de termijn noodzakelijk voor het afsluiten van de reeds opgestarte procedure voor de MCGR, de maximale duur van één jaar overschrijdt, de verzoeker bovendien niet kon worden beoordeeld tijdens de periode van 9 juli 2007 tot 4 december 2007 en hij daarvoor geen uitstel kan verkrijgen. IX-5997-3/11 1.
  15. Op 13 mei 2008 dient de verzoeker hiertegen beroep in bij de beroepscommissie. In zijn beroepsschrift stelt hij onder meer dat hij op grond van artikel 46, § 2, van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 nog recht heeft op uitstel van vorming tot oktober
  16. 1.
  17. Na de verzoeker, bijgestaan door een vakbondsafgevaardigde, te hebben gehoord, beslist de beroepscommissie op 2 juni 2008 dat de beslissing van 6 mei 2008 van de evaluatiecommissie wordt bevestigd en dat de verzoeker bijgevolg van rechtswege mislukt is. Deze beslissing van de beroepscommissie steunt op de volgende motieven: “a. In rechte :

(1)KB van 11 Aug 1994 (Reg A16-K4) Art 45, § 2, 2e lid
(2)KB van 11 Aug 1994 (Reg A16-K4) Art 45, § 2, 3e lid
(3)KB van 11 Aug 1994 (Reg A16-K4) Art 46, § 3, 2e lid b. In feite : Gezien de totale duur van de verlengingen, inclusief de termijnen noodzake- lijk voor het afsluiten van de reeds opgestarte procedure om te verschijnen voor de MCGR (29 Jun 06 tot 12 Dec 06), de maximum duur van één jaar overschrijdt; Gezien betrokkene daarenboven niet kon worden beoordeeld (wegens een tweede procedure MCGR) in de periode van 09 Jul 07 tot 04 Dec 07 en hiervoor geen uitstel kan bekomen;” 1.
  1. Met een brief van 20 augustus 2008 wordt de verzoeker namens de Chef Defensie ervan in kennis gesteld dat hij, “naar aanleiding van” de beslissing van de beroepscommissie, van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-beroepsvrijwilliger verliest op 6 september
  2. Voorwerp van de vordering 2.
  3. De beslissing van 2 juni 2008 van de beroepscommissie, houdende de bevestiging van de beslissing van 6 mei 2008 van de evaluatiecommissie om de verzoeker als kandidaat-beroepsvrijwilliger van rechtswege mislukt te bevinden, maakt het eerste voorwerp uit van de voorliggende vordering tot schorsing. 2.
  4. Met een brief van 7 oktober 2008 en, eveneens, ter terechtzitting vraagt de verzoeker de uitbreiding van het voorwerp van zijn vordering tot de IX-5997-4/11 beslissing van 20 augustus 2008 van de Chef Defensie, luidens dewelke hij op 6 september 2008 van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-beroepsvrijwil- liger verliest. Terecht argumenteert de verzoeker dat de desbetreffende beslissing haar rechtstreekse grondslag vindt in de bestreden beslissing van 2 juni 2008 van de beroepscommissie, waarbij hij van rechtswege mislukt wordt beschouwd. Vermits de desbetreffende beslissing inderdaad een gevolgakte is van de initieel bestreden beslissing van de beroepscommissie en de verzoeker bij de eerst nuttige procedurele gelegenheid, zijnde ter terechtzitting, de uitbreiding van het voorwerp van zijn vordering heeft gevraagd, staat niets die uitbreiding in de weg. Ontvankelijkheid van de vordering 3.
  5. De verwerende partij werpt in haar nota twee excepties op betreffende de ontvankelijkheid van de vordering. Vooreerst voert zij aan dat de bestreden beslissing van 2 juni 2008 van de beroepscommissie een akte is die de beslissing voorbereidt waarbij het verlies van de hoedanigheid van kandidaat- beroepsvrijwilliger ten aanzien van de verzoeker wordt uitgesproken, en dat tegen een dergelijke akte geen ontvankelijk beroep kan worden ingesteld. Voorts laat zij gelden dat de verzoeker de beslissing van 16 januari 2008, waarbij zijn aanvraag werd afgewezen om een uitstel van vorming te verkrijgen voor de periode van 9 juli 2007 tot 4 december 2007, niet heeft bestreden, waardoor deze definitief is geworden en een eventuele vernietiging van de beslissing van de beroepscommissie daaraan niets meer kan veranderen en de verzoeker dus geen voordeel kan opleveren. 3.
  6. Deze excepties moeten slechts worden onderzocht en er moet slechts uitspraak worden over gedaan, indien aan de beide grondvoorwaarden voor het bevelen van de schorsing is voldaan, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. Grondvoorwaarden voor het bevelen van de schorsing IX-5997-5/11
  7. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 4.
  8. De verzoeker voert in een enig middel de schending aan van artikel 45, § 2, van het koninklijk besluit van 11 augustus
  9. Hij betoogt dat na de eerste procedure voor de MCGR de einddatum van zijn vormingsperiode op “12 mei 2008” (lees: 25 oktober 2008) werd gebracht. Vóór het verstrijken van deze periode werd op 9 juli 2007 een nieuwe procedure voor de MCGR aangevat en op 4 december 2007 afgerond. Op grond van deze procedure was hij gerechtigd op een nieuwe verlenging van zijn vormingsperiode met 149 dagen. Volgens de verzoeker komt het standpunt van de verwerende partij erop neer dat slechts één procedure voor de MCGR in aanmerking kan worden genomen voor verlengingen boven de grens van 365 dagen en dat een dergelijke procedure moet zijn opgestart binnen de oorspronkelijke opleidingstermijn, vermeerderd met maximum 365 dagen. De verwerende partij voegt aldus twee voorwaarden toe, die niet terug te vinden zijn in de tekst van artikel 45, § 2, van het koninklijk besluit van 11 augustus
  10. 4.
  11. De verwerende partij verwijst in haar nota naar de bepalingen van artikel 45, § 1 en § 2, en artikel 46, § 3, van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994, alsook naar de wijziging daarvan bij koninklijk besluit van 23 juni 2005 en het daarbij behorende verslag aan de Koning. Zij leidt daaruit af dat een kandidaat zijn periode van vorming ingevolge uitstellen maximaal met 365 dagen kan verlengen. Een overschrijding van de maximale verlenging van de vormingsduur kan enkel ingevolge een procedure voor de MCGR en dan nog slechts indien die procedure werd opgestart op een ogenblik dat de kandidaat-beroepsvrijwilliger minder dan 365 dagen verlenging van de vormingsduur ingevolge uitstellen heeft genoten. Indien het totaal van de verlengingen van de vormingsduur, opgeteld bij de duur van de procedure MCGR, 365 dagen overschrijdt, dan kan geen bijkomende IX-5997-6/11 verlenging van de vormingsduur, omwille van uitstel of een procedure voor de MCGR, meer worden toegestaan. Volgens de verwerende partij impliceert verzoekers interpretatie van artikel 45, § 2, van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 dat zolang de einddatum van de vorming niet is bereikt, onbeperkt verlengingen van de vormingsduur ingevolge uitstellen kunnen worden aangevraagd en dienen te worden toegestaan. Het is echter niet de einddatum van de vorming die bepalend is of al dan niet een verlenging kan worden toegestaan, maar wel de som van de reeds toegestane verlengingen. Is deze som kleiner dan 365 dagen, dan kan een bijkomend uitstel aanleiding geven tot een bijkomende verlenging van de vormingsduur, voor zover de 365 dagen niet worden overschreden, tenzij het desbetreffende uitstel het gevolg is van een procedure voor de MCGR, in welk geval de limiet mag worden overschreden. Eens de limiet is bereikt of -in het geval van een procedure voor de MCGR- is overschreden, kan onmogelijk nog een bijkomende verlenging van de vormingsduur worden toegestaan. De verwerende partij argumenteert dat de verzoeker op het ogenblik dat hij een uitstel van vorming vroeg ingevolge de procedure voor de MCGR van 9 juli 2007 tot 4 december 2007, reeds 513 dagen verlenging van de vormingsduur had genoten. Een bijkomende verlenging van de vormingsduur ingevolge een uitstel van de vorming kon hem dan ook niet meer worden toegestaan, aangezien hij de limiet reeds had bereikt. 4.3.
  12. Luidens artikel 38 van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994, vervangen bij koninklijk besluit van 23 mei 2006, duurt de vormingscyclus van de kandidaat-beroepsvrijwilliger vier vormingsjaren. Luidens artikel 45, § 1, van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994, vervangen bij koninklijk besluit van 23 juni 2005, kan de kandidaat uitstel verkrijgen in de gevallen bedoeld in artikel 24, § 6, van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader, indien hij in de onmogelijkheid verkeert of verkeerde om zich voor te bereiden op of deel te nemen aan de proeven of examens met betrekking tot de professionele hoedanighe- den of fysieke hoedanigheden op het vlak van de fysieke conditie of om één of meerdere vormingsgedeelten, geheel of gedeeltelijk te volbrengen. IX-5997-7/11 Artikel 45, § 2, van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994, vervangen bij koninklijk besluit van 23 juni 2005, waarvan de verzoeker de schending aanvoert, luidt als volgt: “Een uitstel waarbij de vormingsduur verlengd wordt, kan leiden tot de aanhechting aan een volgende promotie. Een uitstel met verlenging van de vormingsduur kan enkel toegestaan worden indien daardoor de totale duur van de verlengingen te wijten aan uitstellen niet meer dan één jaar bedraagt. Deze totale duur van de verlengingen mag evenwel overschreden worden met de termijn noodzakelijk voor het afsluiten van een reeds opgestarte procedure om te verschijnen voor de militaire commissie voor geschiktheid en reform. Voor de berekening van de totale duur wordt geen rekening gehouden met de aanhechting aan een volgende promotie, beslist door een deliberatiecom- missie omwille van onvoldoende professionele hoedanigheden.” 4.3.
  13. Uit de samenlezing van het tweede en het derde lid van artikel 45, § 2, blijkt dat de totale duur van de verlengingen van de periode van vorming van de kandidaat-beroepsvrijwilliger te wijten aan uitstellen in beginsel niet meer dan één jaar mag bedragen en dat daarop slechts één uitzondering bestaat: de totale duur van de verlengingen mag de maximale duur van één jaar overschrijden met de termijn die noodzakelijk is voor het afsluiten van een reeds opgestarte procedure om te verschijnen voor de MCGR. Hieruit kan worden afgeleid dat “een reeds opgestarte procedure’ moet worden begrepen als een procedure die werd opgestart vooraleer de oorspron- kelijke vormingstermijn, verlengd met maximaal één jaar, is verstreken. Te dezen lijkt de verzoeker aan de verwerende partij dan ook niet te kunnen verwijten dat zij de verlenging van de vormingsduur afhankelijk maakt van een voorwaarde waarin door artikel 45, § 2, niet is voorzien. Overigens blijkt uit niets dat de verwerende partij aan de verzoeker geen verlenging van de vormingsduur voor de tweede procedure bij de MCGR heeft toegestaan op grond dat ze niet zou zijn opgestart vooraleer de oorspronkelijke vormingstermijn, verlengd met maximaal één jaar, was verstreken. De oorspronkelijke vormingstermijn van vier jaar liep voor de verzoeker van 2 juni 2003 tot 1 juni 2007 en kon in beginsel maximaal tot 1 juni 2008 worden verlengd. Omwille van verzoekers afwezigheid om gezondheidsredenen van 19 januari 2004 tot 31 december 2004 werd zijn IX-5997-8/11 oorspronkelijke vormingstermijn met 347 dagen verlengd tot 12 mei
  14. Omwille van een eerste procedure voor de MCGR van 29 juni 2006 tot 12 december 2006 werd verzoekers vormingstermijn met 166 dagen vervolgens verlengd tot 25 oktober
  15. De tweede procedure voor de MCGR werd gevoerd van 9 juli 2007 tot 4 december
  16. Zowel de eerste als de tweede procedure voor de MCGR werd dus opgestart vooraleer de oorspronkelijke vormingstermijn, verlengd met maximaal één jaar, was verstreken. 4.3.
  17. Het aangevoerde middel doet echter de vraag rijzen of artikel 45, § 2, mogelijk maakt dat meer dan één procedure voor de MCGR in aanmerking wordt genomen voor een overschrijding van de in beginsel maximale verlenging van de vormingstermijn met één jaar. Voor zover al niet uit de tekst zelf van het tweede en het derde lid van artikel 45, § 2, van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 kan worden afgeleid dat slechts één procedure voor de MCGR in aanmerking kan worden genomen, blijkt zulks alleszins uit het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 23 juni 2005 tot wijziging van meerdere koninklijke besluiten betreffende het statuut van de kandidaat-militairen en de militairen, dat artikel 45 van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 heeft vervangen en daarbij precies heeft voorzien in de voorheen onbestaande uitzondering op de maximale verlenging van de vormingsduur met één jaar, voor wat een reeds opgestarte procedure voor de MCGR betreft. Het bedoelde verslag aan de Koning, dat weliswaar niet in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt, maar wel door de verwerende partij als een stuk van het administratief dossier voor de Raad van State werd neergelegd, stelt met betrekking tot de vervanging van artikel 45 van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994: “[...] De mogelijkheid wordt voorzien om de toelating te geven om één of meerdere vormingsgedeelten van alle vormingsperiodes, geheel of gedeeltelijk, later te volbrengen. Dit was voordien beperkt tot de vormingsgedeelten van de stage- en de evaluatieperiode. De overschrijding van de totale duur van de verlenging van de vormingsduur te wijten aan uitstellen (één jaar) met de termijn nodig voor het afsluiten van een al opgestarte procedure voor de militaire commissie voor geschiktheid en reform (MCGR) wordt voorzien. De duur van de procedure MCGR wordt meegerekend voor het bepalen van de totale duur van de verlenging van de vormingsduur te wijten aan uitstel; dit impliceert dat aan een kandidaat waarvoor de vormingsduur met een jaar of meer werd verlengd ten gevolge van de procedure MCGR en die een vorming mag voltooien geen bijkomend uitstel -dat IX-5997-9/11 aanleiding zou geven tot verlenging van de vormingsduur- meer kan worden toegekend.[...]” Hieruit blijkt de bedoeling van de Koning dat de verlenging van de vormingsperiode boven de maximale termijn van één jaar slechts wordt toegestaan voor de duur van één reeds opgestarte procedure voor de MCGR. De verzoeker kan derhalve ook niet worden bijgevallen in zijn standpunt dat de verwerende partij een voorwaarde heeft toegevoegd aan artikel 45, § 2, derde lid, door deze bepaling in die zin te interpreteren dat voor de verlenging van de vormingsduur boven de grens van 365 dagen, slechts één periode MCGR in aanmerking kan worden genomen. Deze interpretatie lijkt niet strijdig met de tekst van artikel 45, § 2, en stemt overeen met de bedoeling van de regelgever, zoals weergegeven in het voormelde verslag aan de Koning. De omstandigheid dat dit verslag niet in het Belgisch staatsblad werd bekendgemaakt, lijkt hieraan geen afbreuk te kunnen doen. 4.3.
  18. Uit wat voorafgaat volgt dat de verwerende partij terecht, zo lijkt, de aanvraag van de verzoeker tot het verkrijgen van een uitstel van vorming wegens de tweede procedure voor de MCGR heeft afgewezen en dat de verzoeker niet op ernstige grond aanvoert dat de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissingen artikel 45, § 2, van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 heeft geschonden. Het enige middel is niet ernstig. 4.
  19. Derhalve is alvast aan de eerste van de twee genoemde grondvoorwaarden voor het bevelen van de schorsing niet voldaan. Deze vaststelling volstaat om de voorliggende vordering te verwerpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER: Artikel
  20. De vordering tot schorsing wordt verworpen. IX-5997-10/11 Artikel
  21. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting op 7 januari 2009, door: de HH. B THYS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. B. THYS. IX-5997-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.316 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.777 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.