← België

Arrest 189324 - Natuurbehoud - Vergunningen - 08/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.324 Rolnummer: A. 145235/VII-31235 Zaak: Arrest 189324 - Natuurbehoud - Vergunningen - 08/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-20 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 12:49 Fiche Arrest nr 189.324 van 8 januari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.324 van 8 januari 2009 in de zaak A. 145.235/VII-31.

  1. In zake : Wilfried BULCKE, die woonplaats kiest bij advocaat K. BOUVE, kantoor houdende te DE HAAN, Mezenlaan 9 tegen : de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM), die woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Wilfried BULCKE op 12 december 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij van 9 oktober 2003 tot ambtshalve verwijdering van afvalstoffen, gelegen aan de Mostaertdijk te Knokke-Heist, kadastraal gekend als "Knokke-Heist 10e Afd. / Westkapelle / Sct D nrs. 538/2; 539/2; 540; 540/2; 541; 542; 543; 548; 548/2; 549; 550; 551; 552; 553; 554 en 555a"; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 12 februari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van verzoeker; VII-31.235-1/17 Gelet op de beschikking van 28 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 november 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. NIEUWDORP die, loco advocaat K. BOUVE verschijnt voor verzoeker, en van advocaat F. TEMMERMAN die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. Voor de betrokken percelen bestond destijds een vergunning voor de ontginning van klei aan de NV STEENBAKKERIJ HOEKE. Naderhand wordt op 26 januari 1984 aan de NV VAN HALEWIJN vergunning verleend voor een stortplaats voor inerte materialen voor een periode van vier jaar. Deze vennootschap wordt evenwel op 8 oktober 1987 failliet verklaard, waarna verzoeker, die aannemer is van grondwerken, de stortplaats overneemt. Bij het verstrijken van die vergunning zet verzoeker de stortactiviteiten verder zonder daartoe over de vereiste vergunning te beschikken. Verzoeker heeft naar eigen zeggen in 1988 wel een aanvraag voor een ARAB-vergunning ingediend, maar deze werd "om redenen buiten de wil van verzoeker om niet afgehandeld". Naderhand heeft verzoeker zowel in 1992 als in 1995 nogmaals een milieuvergunningsaanvraag ingediend. Deze aanvragen zijn evenwel geweigerd. Het desbetreffende terrein is ontginningsgebied met als grondkleur groengebied. Rondom het terrein zijn percelen gelegen met bestemming ontginningsgebied met als grondkleur groengebied en natuurgebied. Het terrein ligt VII-31.235-2/17 in een GENO-gebied (Grote Eenheid Natuur in Ontwikkeling). Het zuidelijke deel van het terrein ligt in een vogelrichtlijngebied. 1.
  5. Ingevolge het voortzetten van de stortactiviteiten na het verstrijken van de vergunning wordt verzoeker door de verwerende partij gedagvaard. Op 21 oktober 1996 wordt verzoeker veroordeeld door de correctionele rechtbank te Brugge. Verzoeker tekent beroep aan tegen dit vonnis. Het hof van beroep te Gent veroordeelt verzoeker op 13 juni 1997 tot de volgende straf : "3.
  6. Gelet op de gegevens van het vooronderzoek en het onderzoek ter terechtzitting van het Hof zijn de tenlasteleggingen zoals nader omschreven in de oorspronkelijke dagvaarding (...) lastens beklaagde bewezen. (...) veroordeelt de beklaagde tot een hoofdgevangenisstraf van drie maanden en een geldboete van 10.000 fr. vermeerderd met 990 opdecimes, aldus gebracht op 1.000.000 fr. of een vervangende gevangenisstraf van 3 maanden. Verplicht hem een bedrag van 10 fr. te betalen verhoogd met 1990 opdecimes, aldus gebracht op 2000 fr. tot financiering van het fonds voor hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, meer een forfaitaire vergoeding van 1000 fr. voor de kosten, (...) beveelt aan de beklaagde over te gaan tot de verwijdering van de afvalstoffen door hem in de periodes vermeld in de tenlasteleggingen A en B, zoals verbeterd, gestort op het terrein te Knokke-Heist, Mostaertdijk, kadastraal gekend sectie D nrs. 550, 551, 552 en 553, dit binnen een termijn van één jaar vanaf de dag waarop dit arrest kracht van gewijsde zal hebben verkregen: veroordeelt hem tot terugbetaling van de kosten van verwijdering ervan door de gemeente en/of de afvalstoffenmaatschappij voor het geval hij in gebreke zou blijven hiertoe over te gaan". 1.
  7. Uit diverse terreinbezoeken van de verwerende partij blijkt dat verzoeker niet is overgegaan tot verwijdering van de afvalstoffen. Tevens stelt de verwerende partij, na evaluatie van de inhoud van het arrest en de inhoud van de afgeleverde milieuvergunning, vast dat er met betrekking tot de kwantiteit en de chemische kwaliteit van de afvalstoffen, de grootste onduidelijkheid bestaat. Daarom geeft zij aan SGS GEOLOGICA de opdracht om tijdens de periode van 9 tot 27 september 2002 een bodemonderzoek uit te voeren in het kader van een ambtshalve verwijdering van de afvalstoffen. Uit dit onderzoek is gebleken dat de afvalstoffen die op de desbetreffende terreinen zijn achtergelaten geen inerte afvalstoffen betreffen en dat de grootste bron van verontreiniging zich op de percelen bevindt die niet zijn opgenomen in het arrest van het hof van beroep te Gent van 13 juni
  8. Om mogelijke verspreiding van nieuwe bodemverontreiniging tegen te gaan, moeten alle VII-31.235-3/17 afvalstoffen die gestockeerd liggen op de terreinen kadastraal gekend als sectie D, perceel nrs. 538/2, 539/2, 540, 540/2, 541, 542, 543, 548, 548/2, 549, 550, 551, 552, 553, 554 en 555a, worden verwijderd. 1.
  9. Op 27 mei 2003 wordt een proces-verbaal opgemaakt lastens verzoeker. Hierin wordt aan verzoeker meegedeeld dat uit het onderzoek uitgevoerd door SGS GEOLOGICA is gebleken dat om mogelijke verspreiding van nieuwe bodemverontreiniging tegen te gaan, alle afvalstoffen die gestockeerd liggen op de terreinen kadastraal gekend als sectie D perceel nrs. 538/2, 539/2, 540, 541, 542, 543, 548, 548/2, 549, 550, 551, 552, 553, 554 en 555a, moeten worden verwijderd. In dit proces-verbaal wordt verzoeker er op gewezen dat hij in overtreding is met de artikelen 12 en 37 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen (hierna : afvalstoffendecreet). 1.
  10. Op 23 september 2003 wordt verzoeker door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna : OVAM) op de hoogte gebracht dat hij door de illegaal gestockeerde afvalstoffen, in overtreding is met artikel 12 van het afvalstoffendecreet. Op grond van artikel 37 van voornoemd decreet wordt verzoeker uitgenodigd een hoorzitting bij te wonen op 9 oktober
  11. Verzoeker is niet aanwezig ter zitting, en heeft evenmin zijn standpunt aan OVAM schriftelijk meegedeeld. 1.
  12. Op 9 oktober 2003 neemt OVAM overeenkomstig artikel 37 van het afvalstoffendecreet de beslissing tot ambtshalve verwijdering van de afvalstoffen, gelegen aan de Mostaertdijk te Knokke-Heist. Dit is het thans bestreden besluit, het luidt als volgt : "Beslissing dd. 09.10.2003 tot ambtshalve verwijdering van afvalstoffen gelegen aan de Mostaertdijk te Knokke-Heist kadastraal gekend als Knokke-Heist 10e Afd. / Westkappelle / Sct D nrs. 538/2; 539/2; 540; 540/2; 541; 542; 543; 548; 548/2; 549; 550; 551; 552; 553;554 en 555a. Gelet op artikel 12 en artikel 37 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, gewijzigd bij decreet van 20 april 1994; verder het afvalstoffendecreet genoemd; Overwegende dat u in het Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 13.06.1997 werd u veroordeeld om over te gaan tot de verwijdering van de afvalstoffen die gestort werden op het terrein te Knokke-Heist, Mostaertdijk - op het ogenblik van de uitspraak - kadastraal gekend als Sct. D nrs. 550, 551, 552 en 553; Overwegende dat u niet bent overgegaan tot de verwijdering van de desbetreffende afvalstoffen; VII-31.235-4/17 Overwegende dat het arrest melding maakt van o.a. inbreuken op de bepalingen van het Decreet van 02.07.1981 betreffende het beheer van afvalstoffen; Overwegende dat na evaluatie van de inhoud van het arrest en de inhoud van de afgeleverde milieuvergunningen de OVAM vaststelde dat er m.b.t. de kwantiteit en de chemische kwaliteit van de afvalstoffen de grootste onduidelijkheid bestaat; Overwegende dat de OVAM ten gevolge deze onduidelijkheden aan SGS-Geologica - 3060 Bertem de opdracht gaf een karakterisatie-onderzoek uit te voeren; Overwegende dat dit onderzoek werd uitgevoerd tijdens de maanden september-oktober 2002 en tijdens dit onderzoek de afvalstoffen gekwantificeerd en zowel chemisch als fysisch gekwalificeerd werden; Overwegende dat uit het onderzoek is gebleken dat op volgende kadastrale percelen Vlarebo-activiteiten (Vlarebo-code 2.2.1.a.) werden uitgevoerd: Knokke-Heist 10e Afd. Westkappelle / Sectie D perceelsnummers 538/2; 539/2; 540/2; 541; 542; 543; 548; 548/2; 549; 550; 551; 552; 553; 554 en 555a; Overwegende dat de belangrijkste vaststellingen van het onderzoek als volgt kunnen samengevat worden: - Verspreid over de terreinen werden overschrijdingen van de bodemsaneringsnorm voor PAK's vastgesteld; - In een aantal boringen werden overschrijdingen van de bodemsaneringsnorm voor zware metalen vastgesteld; - Voor wat minerale olie betreft zijn er slechts op enkele locaties licht ve(r)hoogde waarden vastgesteld; - Op 1 locatie werden verhoogde waarden voor EOX aangetroffen Overwegende dat SGS-Geologica nv. in het karakterisatie-onderzoek 2 belangrijke besluiten formuleerde:
  13. Op basis van de uitgevoerde analyses en parallel met het Vlarebo kan gesteld worden dat de percelen 538/2; 541; 542; 543; 544; 545; 548; 548/2; 549; en 550 dienen opgenomen te worden in het register van verontreinigde gronden. Indien dit onderzoek zou gelijkgesteld zijn met een oriënterend onderzoek zou er een beschrijvend onderzoek dienen uitgevoerd te worden;
  14. Indien de analyseresultaten van dit stortmateriaal vergeleken worden met de normen uit Vlarem II subafdeling 5.2.4.
  15. voldoen deze, voor wat de onderzochte parameters betreft, aan de normen voor stortplaats Cat. I en Cat. II. De analyseresultaten voldoen niet aan de normen voor stortplaats Cat. III. Overwegende dat de analyseresultaten uit het karakterisatie-onderzoek aantonen dat de afvalstoffen die op de bovenvermelde terreinen werden achtergelaten geen inerte afvalstoffen betreffen; dat de grootste bron van verontreiniging zich bevindt op de percelen die niet zijn opgenomen in het arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 13.06.
  16. Overwegende dat op basis van de verrichte vaststellingen kan gesteld worden dat: - De afvalstoffen die op de terreinen aan de Mostaertdijk werden gestort GEEN inerte afvalstoffen betreffen - Het storten van niet-inerte afvalstoffen in strijd is met de afgeleverde milieuvergunningen - Er niet-inerte afvalstoffen werden gestort op niet vergunde kadastrale percelen - Het uitvoeringsbesluit van 17.12.1997 van de Vlaamse regering tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (Vlarea) werd overtreden; - Het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, zoals gewijzigd door het decreet van 20.04.1994 (Belgisch staatsblad 29.04.1994, blz. 11.453 en volgende) werd overtreden : artikel 12 VII-31.235-5/17 van genoemd decreet luidt als volgt: 'Het is verboden afvalstoffen achter te laten of te verwijderen in strijd met de voorschriften van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan.'; - Er door het storten en onbeheerd achterlaten van de niet-inerte afvalstoffen een bodemverontreiniging is ontstaan; Overwegende dat de OVAM dd. 01.07.2003 door het Parket van de Procureur des Konings te Brugge ervan op de hoogte werd gesteld dat op 20.05.2003 lastens de heer Bulcke Wilfried een PV met nr. 002439/03 werd opgemaakt. Het betreft hier een navolgend PV aan notitienummer BG.64.97.264/2003, aanvankelijk PV-nummer : BG64.97.000264/
  17. Het PV werd opgemaakt door de plaatselijke politiediensten van Damme/Knokke-Heist; Overwegende dat artikel 12 van het afvalstoffendecreet verbiedt om afvalstoffen achter te laten of te verwijderen in strijd met de voorschriften van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan; Overwegende dat de heer Bulcke Wilfried werd uitgenodigd op een hoorzitting dd. 09.10.03; Overwegende dat de heer Bulcke Wilfried noch op de hoorzitting aanwezig was, noch schriftelijk zijn standpunt aan de OVAM heeft voorgelegd; Overwegende dat de illegaal gestockeerde afvalstoffen, in overtreding met artikel 12 van het decreet betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen van 2 juli 1981, zoals gewijzigd door het decreet van 20 april 1994 (Belgisch Staatsblad 29.04.1994, blz. 110453 en volgende), een risico voor hinder of schade voor mens of leefmilieu betekenen: - Het storten en onbeheerd achterlaten van de niet-inerte afvalstoffen heeft reeds een bodemverontreiniging en een grondwaterverontreiniging veroorzaakt; - De bodemverontreiniging kan door insijpelend regenwater verder uitlogen - De verontreiniging kan zich via bodem en grondwater verder verspreiden in de omgeving - Volgens de biologische waarderingskaart zijn de terreinen gelegen in waardevol tot zeer waardevolgebied - Volgens het natuurdecreet zijn de terreinen gelegen in een GENO-gebied - Het meest zuidelijk deel van de terreinen is gelegen in vogelrichtlijngebied - Omwille van de vastgestelde verontreiniging en de mogelijke verdere verspreiding van de verontreiniging in bodem en grondwater kan de verdere ontwikkeling van fauna en flora ernstig verstoord worden Overwegende dat de OVAM overeenkomstig artikel 37 van het afvalstoffen- decreet wanneer afvalstoffen worden achtergelaten of verwijderd in overtreding van artikel 12 van dit decreet, en er hierdoor risico bestaat van hinder of schade voor de mens of het leefmilieu, deze afvalstoffen ambtshalve kan verwijderen; Op basis van de voorgaande overwegingen besluit de OVAM lastens de heer Bulcke Wilfried, wonende te 8340 Damme - Damweg 31, over te gaan tot de ambtshalve verwijdering van de afvalstoffen op bovenvermelde percelen dit in uitvoering van art. 37 van bovenvermeld decreet";
  18. Ten gronde 2.1.
  19. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van artikel 59 van het afvalstoffendecreet en van het beginsel van de scheiding der machten, doordat het bestreden besluit eenzijdig stelt dat men zal overgaan tot ambtshalve verwijdering van de afvalstoffen op de bewuste percelen gelegen aan de Mostaertdijk te Knokke-Heist, terwijl artikel 59 van het VII-31.235-6/17 afvalstoffendecreet uitdrukkelijk voorschrijft dat het enkel en uitsluitend tot de bevoegdheid van de rechtbanken behoort diegene die afvalstoffen achterlaat in strijd met de bepalingen van het afvalstoffendecreet, te veroordelen tot het verwijderen ervan binnen een door de rechtbank vastgestelde termijn; dat verzoeker ook stelt dat, conform voornoemd artikel 59, § 2, de rechtbank bovendien beveelt dat de veroordeelde tot terugbetaling van de kosten voor het verwijderen door de gemeente, door OVAM of door het Vlaamse Gewest wordt verplicht, in zoverre de veroordeelde niet vrijwillig overgaat tot verwijdering van de bewuste afvalstoffen, dat het bestreden besluit volledig in strijd is met het bewuste artikel dat is ingegeven door het algemeen principe van behoorlijk bestuur, zijnde de scheiding der machten, dat het bijgevolg een procedurefout betreft die duidelijk de belangen van verzoeker schaadt, zodat het bestreden besluit, wat dit betreft, in ieder geval met een onwettelijkheid is behept; 2.1.
  20. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord de artikelen 12 en 37 van het afvalstoffendecreet citeert; dat zij betoogt dat artikel 37 van het afvalstoffendecreet inhoudt dat twee vragen moeten worden beantwoord vooraleer OVAM kan beslissen tot ambtshalve verwijdering van de op het terrein aanwezige afvalstoffen over te gaan : enerzijds de vraag of er al dan niet afvalstoffen worden achtergelaten of verwijderd in overtreding van artikel 12 van het afvalstoffendecreet, en anderzijds de vraag of deze afvalstoffen een risico vormen van hinder of schade voor de mens of het leefmilieu; dat van zodra is voldaan aan deze twee voorwaarden, de ambtshalve verwijdering kan plaatsvinden, op kosten van de overtreder, dat deze wel vooraf moet worden gehoord, terwijl de maatregelen en de motieven alleszins aan hem ter kennis moeten worden gebracht; dat de verwerende partij voorts volgend fragment uit het bestreden besluit citeert : "(...) Overwegende dat op basis van de verrichte vaststellingen kan gesteld worden : - De afvalstoffen die op de terreinen aan de Mostaertdijk werden gestort geen inerte afvalstoffen betreffen; - Het storten van niet-inerte afvalstoffen in strijd is met de afgeleverde milieuvergunning; - Er niet-inerte afvalstoffen werden gestort op niet vergunde kadastrale percelen; - Het uitvoeringsbesluit van 17.12.1997 van de Vlaamse regering tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (Vlarea) werd overtreden; - Het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, zoals gewijzigd door het decreet van 20.04.1994 (...) werd overtreden: artikel 12 van genoemd decreet luidt als volgt: 'het is verboden VII-31.235-7/17 afvalstoffen achter te laten of te verwijderen in strijd met de voorschriften van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan' - Er door het storten en onbeheerd achterlaten van de niet-inerte afvalstoffen een bodemverontreiniging ontstaat; (...) Overwegende dat artikel 12 van het afvalstoffendecreet verbiedt om afvalstoffen achter te laten of te verwijderen in strijd met de voorschriften van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan; Overwegende dat de heer Bulcke werd uitgenodigd op een hoorzitting dd. 09.10.03; Overwegende dat de heer Bulcke noch op de hoorzitting aanwezig was, noch schriftelijk zijn standpunt aan de OVAM heeft voorgelegd; Overwegende dat de illegaal gestockeerde afvalstoffen, in overtreding met artikel 12 van het decreet betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen van 2 juli 1981, zoals gewijzigd door het decreet van 20 april 1994 (...), een risico voor hinder of schade voor mens en milieu betekenen: - Het storten en onbeheerd achterlaten van de niet-inerte afvalstoffen heeft reeds een bodemverontreiniging en een grondwaterverontreiniging veroorzaakt; - De bodemverontreiniging kan door insijpelend regenwater verder uitlogen - De verontreiniging kan zich via de bodem en grondwater verder verspreiden in de omgeving - Volgens de waarderingskaart zijn de terreinen gelegen in waardevol tot zeer waardevol gebied - Volgens het natuurdecreet zijn de terreinen gelegen in GENO-gebied - Het meest zuidelijk deel van de terreinen is gelegen in vogelrichtlijngebied - Omwille van de vastgestelde verontreiniging en de mogelijke verspreiding van de verontreiniging in bodem en grondwater kan de verdere ontwikkeling van fauna en flora ernstig verstoord worden. Overwegende dat de OVAM overeenkomstig artikel 37 van het afvalstoffen- decreet wanneer afvalstoffen worden achtergelaten of verwijderd in overtreding van artikel 12 van dit decre(e)t, en er hierdoor risico bestaat van hinder of schade voor de mens of het leefmilieu, deze afvalstoffen ambtshalve kan verwijderen; Op basis van de voorgaande overwegingen besluit de OVAM lastens de heer Bulcke Wilfried, wonende te 8340 Damme - Damweg 31, over te gaan tot ambtshalve verwijdering van de afvalstoffen op bovenvermelde percelen dit in uitvoering van art. 37 van bovenvermeld decreet"; dat de verwerende partij voorts betoogt dat verzoeker bij arrest van het hof van beroep te Gent van 13 juni 1997 werd veroordeeld om over te gaan tot de verwijdering van de afvalstoffen die werden gestort op het terrein te Knokke Heist, - op het ogenblik van de uitspraak -, kadastraal gekend als sectie D, perceel nrs. 550, 551, 552 en 553, en dit binnen een termijn van één jaar vanaf de dag waarop voornoemd arrest kracht van gewijsde heeft verkregen, dat na diverse terreinbezoeken bleek dat het afval niet vrijwillig werd verwijderd, dat ten gevolge van de grootste onduidelijkheden nopens de kwantiteit en de chemische kwaliteit van de afvalstoffen een gedetailleerd karakterisatie-onderzoek noodzakelijk was, dat uit de analyseresultaten van dit onderzoek is gebleken dat de grootste bron van verontreiniging zich bevond op de percelen die niet waren opgenomen in het arrest van het hof van beroep te Gent, dat de verwerende partij op 1 juli 2003 door het VII-31.235-8/17 parket te Brugge ervan op de hoogte is gesteld dat op 20 mei 2003 lastens verzoeker een proces-verbaal werd opgesteld door de plaatselijke politiediensten, dat in dit proces-verbaal aan verzoeker is meegedeeld dat uit het onderzoek, uitgevoerd door SGS GEOLOGICA, is gebleken dat om mogelijke verspreiding van een nieuwe bodemverontreiniging tegen te gaan alle afvalstoffen die op het ogenblik gestockeerd liggen op de terreinen kadastraal gekend als sectie D, perceel nrs. 538/2, 539/2, 540, 540/2, 541, 542, 543, 548, 548/2, 549, 550, 551, 552, 553, 554 en 555a, moeten worden verwijderd, dat in dit proces-verbaal verzoeker er wordt op gewezen dat hij in overtreding is met de artikelen 12 en 37 van het afvalstoffendecreet, dat bovendien uit dit onderzoek blijkt dat de illegaal gestockeerde afvalstoffen een risico betekenen voor hinder en schade voor mens en milieu, dat het storten en het onbeheerd achterlaten van niet-inerte afvalstoffen reeds een bodemverontreiniging en een grondwaterverontreiniging heeft veroorzaakt, dat de bodemverontreiniging door insijpeling van regenwater verder kan uitlogen, dat de verontreiniging zich via de bodem en het grondwater verder kan verspreiden in de omgeving, dat volgens de waarderingskaart de terreinen zijn gelegen in waardevol tot zeer waardevol gebied, dat volgens het "natuurdecreet" de terreinen zijn gelegen in GENO-gebied, dat het meest zuidelijke deel van de terreinen is gelegen in een vogelrichtlijngebied, dat omwille van de vastgestelde verontreiniging en de mogelijke verspreiding van de verontreiniging in de bodem en het grondwater de verdere ontwikkeling van fauna en flora ernstig kan worden verstoord, dat voornoemde risico's uitvoerig in het bestreden besluit werden opgenomen, dat aldus werd gemotiveerd welke risico's de illegaal gestockeerde afvalstoffen voor mens en milieu betekenen; dat de verwerende partij voorts stelt dat verzoeker niet op de hoorzitting is verschenen, noch zijn standpunt schriftelijk heeft uiteengezet, dat uit de overwegingen van het bestreden besluit blijkt dat aan de voornoemde voorwaarden werd voldaan, dat het aldus aan de verwerende partij stond, overeenkomstig artikel 37 van het afvalstoffendecreet, veiligheidsmaatregelen te nemen door zelf tot de ambtshalve verwijdering van de afvalstoffen over te gaan, dat het bestreden besluit geen afbreuk doet aan artikel 59 van het afvalstoffendecreet, dat onder de strafbepalingen valt, dat uit voorgaande blijkt dat het eerste middel elke feitelijke draagkracht mist; 2.1.
  21. Overwegende dat het bestreden besluit gedeeltelijk interfereert met het arrest van het hof van beroep te Gent van 13 juni 1997, met name in de mate dat beide betrekking hebben op de kadastrale percelen nrs. 550, 551, 552 en 553; dat evenwel niet valt in te zien welk belang verzoeker heeft bij de vernietiging van het bestreden besluit, wat betreft die kadastrale percelen, aangezien een eventuele vernietiging hem geen voordeel kan opleveren; dat een vernietiging van het VII-31.235-9/17 bestreden besluit voornoemd arrest van het hof van beroep te Gent niet ongedaan kan maken; dat bij dat arrest verzoeker werd bevolen "over te gaan tot de verwijdering van de afvalstoffen door hem in de periodes vermeld in de tenlasteleggingen A en B, zoals verbeterd, gestort op het terrein te Knokke-Heist, Mostaertdijk, kadastraal gekend sectie D nrs. 550, 551, 552 en 553, dit binnen een termijn van één jaar vanaf de dag waarop dit arrest kracht van gewijsde zal hebben verkregen" en werd veroordeeld "tot terugbetaling van de kosten van verwijdering ervan door de gemeente en/of de afvalstoffenmaatschappij voor het geval hij in gebreke zou blijven hiertoe over te gaan"; dat verzoeker er aldus geen belang bij heeft het bestreden besluit, wat deze percelen betreft, te horen vernietigen, aangezien de ambtshalve verwijdering van de afvalstoffen reeds bevolen was in het arrest van het hof van beroep en aangezien dit arrest ook na een vernietiging van het bestreden besluit onverkort blijft bestaan; dat aangezien het bestreden besluit inhoudelijk ook niet afwijkt van het arrest van het hof van beroep, niet kan worden aangenomen dat de verwerende partij op een ontoelaatbare wijze heeft ingegrepen in een rechterlijke beslissing en aldus het beginsel van de scheiding der machten zou hebben geschonden; Overwegende dat in de mate dat het bestreden besluit betrekking heeft op de kadastrale percelen die niet het voorwerp zijn geweest van het arrest van het hof van beroep te Gent, er geen schending van het beginsel van de scheiding der machten is; dat wat die percelen betreft, verzoeker volledig abstractie maakt van het onderzoek van SBS GEOLOGICA waaruit onder meer is gebleken dat "de grootste bron van verontreiniging zich bevindt op de percelen die niet zijn opgenomen in het arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 13.06.1997"; dat, vertrekkende van dit niet-correct uitgangspunt, verzoeker van oordeel is dat artikel 59 van het afvalstoffendecreet de toepassing van artikel 37 van hetzelfde decreet uitsluit; dat artikel 59 van het afvalstoffendecreet, opgenomen onder hoofdstuk XI "Strafbepalingen" het volgende bepaalt : "§
  22. Degene die afvalstoffen achterlaat in strijd met de bepalingen van dit decreet, wordt door de rechtbank veroordeeld tot het verwijderen ervan binnen een door haar vastgestelde termijn. §
  23. Onverminderd het bepaalde in § 1 kan de veroordeelde worden verplicht tot terugbetaling van de kosten voor het verwijderen door de gemeente, door de afvalstoffenmaatschappij of door het Vlaamse Gewest. Bij een veroordeling tot terugbetaling van de kosten voor het verwijderen van afvalstoffen in de bossen en aanverwante grondoppervlakten, de onbevaarbare waterlopen en natuurreservaten, wordt dit bedrag gestort op de rekening van het Fonds voor preventie en sanering inzake leefmilieu en natuur. VII-31.235-10/17 Bij een veroordeling tot terugbetaling van de kosten voor het verwijderen van afvalstoffen op de openbare wegen, de waterwegen en de havens en hun specifieke aanhorigheden, wordt dit bedrag gestort op de rekening van het Verkeersinfrastructuurfonds"; dat artikel 37 van het afvalstoffendecreet, opgenomen onder hoofdstuk VII "Veiligheidsmaatregelen", ten tijde van het bestreden besluit als volgt luidde : "Wanneer afvalstoffen worden achtergelaten of verwijderd in overtreding van artikel 12 van dit decreet, en er hierdoor risico bestaat van hinder of schade voor de mens of het leefmilieu, kan de OVAM deze afvalstoffen ambtshalve verwijderen. De OVAM kan hiertoe de bijstand vorderen van de rijkswacht, de politie, de brandweer, de civiele bescherming en andere besturen. Zo mogelijk wordt de overtreder vooraf gehoord. In ieder geval worden de maatregel en de motieven ervan ter kennis gebracht van de overtreder bij aangetekend schrijven. De ambtshalve verwijdering vindt plaats op kosten van de overtreder"; dat de artikelen 59 en 37 van het afvalstoffendecreet aldus een verschillende finaliteit hebben, waarbij de toepassing van het ene artikel de toepassing van het andere niet uitsluit; dat de verwerende partij te dezen een onderzoek heeft laten uitvoeren door SGS GEOLOGICA; dat uit dit onderzoek is gebleken dat de grootste bron van verontreiniging zich bevindt op kadastrale percelen die niet begrepen zijn in het arrest van het hof van beroep te Gent en dat het om mogelijke verspreiding van nieuwe bodemverontreiniging tegen te gaan noodzakelijk is dat de afvalstoffen op die percelen worden verwijderd; dat met betrekking tot deze percelen de voorwaarden waren vervuld om toepassing te maken van artikel 37 van het afvalstoffendecreet; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
  24. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van het algemeen rechtsbeginsel "non bis in idem", van het vertrouwensbeginsel en van het redelijkheidsbeginsel, doordat hij reeds werd vervolgd en veroordeeld door het hof van beroep te Gent op basis van overtredingen van het afvalstoffendecreet op de genoemde percelen, terwijl men conform de algemene rechtsbeginselen nooit tweemaal kan worden veroordeeld, zodat het bestreden besluit met onwettelijkheid is behept en de belangen van verzoeker ernstig schaadt; 2.2.
  25. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de kritiek van verzoeker zich op het gebied van de strafbepalingen situeert, die werden uitgesproken in het arrest van het hof van beroep te Gent van 13 juni 1997; dat de verwerende partij bij deze kritiek opmerkt dat de beslissing in het bestreden besluit om tot ambtshalve verwijdering van de afvalstoffen over te gaan, is genomen als VII-31.235-11/17 veiligheidsmaatregel overeenkomstig artikel 37 van het afvalstoffendecreet, en niet als strafbepaling, zoals verzoeker verkeerdelijk voorhoudt; dat de verwerende partij dienaangaande verwijst naar hetgeen onder het eerste middel werd uiteengezet; dat zij ten slotte opmerkt dat er haar geen wettelijke bepaling, noch beginsel bekend is die verhindert dat een strafrechterlijke herstelmaatregel zou worden gevolgd door een administratieve maatregel, die zoals te dezen, ook andere percelen betreft dan deze bedoeld in de door de strafrechter uitgesproken herstelmaatregel, dat de herstelmaatregel overigens geen straf is, terwijl de beslissing tot ambtshalve sanering geen veroordeling inhoudt; 2.2.
  26. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat de verwerende partij geen rekening houdt met de inhoud van het arrest van het hof van beroep te Gent van 13 juni 1997, dat na kennisname van de weigering van het genadeverzoek, verzoeker contact heeft opgenomen met de bevoegde overheden teneinde besprekingen aan te vatten met het oog op de realisatie van de verplichting die hem werd opgelegd door het hof van beroep, dat verzoeker de overheid duidelijk heeft gemaakt de intentie te hebben om zijn verplichtingen opgelegd bij voornoemd arrest na te komen, dat de besprekingen gevoerd met de betrokken overheden, bij verzoeker de indruk wekten dat er te dezen niet zou worden overgegaan tot een ambtshalve verwijdering van afval op de percelen aangeduid in het arrest van het hof van beroep, dat, door het nemen van het besluit, de verwerende partij het vertrouwen dat de overheid bij verzoeker had gewekt, dermate heeft geschonden, te meer daar de beslissing ten onrechte en onwettig verder gaat dan de beslissing van het hof van beroep te Gent, dat de handeling van de verwerende partij dan ook een schending inhoudt, niet alleen van het vertrouwensbeginsel maar ook van het beginsel van behoorlijk bestuur, dat de verwerende partij rekening had moeten houden met de initiatieven die verzoeker terzake heeft genomen en de besprekingen die gaande waren tussen verzoeker en de overheden, dat de verwerende partij te dezen in alle onredelijkheid is gekomen tot het nemen van het bestreden besluit; 2.2.
  27. Overwegende dat het tweede middel in het verzoekschrift slechts wordt uitgewerkt inzake de schending van het beginsel "non bis in idem"; dat in de mate dat in het middel ook wordt aangevoerd dat het vertrouwens- en redelijkheidsbeginsel worden geschonden, het middel slechts wordt uitgewerkt in de memorie van wederantwoord; dat in die mate het middel onontvankelijk is, aangezien de verduidelijking hoe het bestreden besluit het vertrouwens- en redelijkheidsbeginsel schendt, laattijdig is; VII-31.235-12/17 Overwegende dat, zoals uit de bespreking van het eerste middel is gebleken, de artikelen 59 en 37 van het afvalstoffendecreet een verschillende finaliteit hebben; dat artikel 59 van het afvalstoffendecreet de strafsancties betreft die door de rechter kunnen worden opgelegd, terwijl artikel 37 van het afvalstoffendecreet de veiligheidsmaatregelen betreft die door de verwerende partij kunnen worden opgelegd; dat verzoeker door het bestreden besluit niet wordt veroordeeld, zodat het beginsel "non bis in idem" niet wordt geschonden; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.
  28. Overwegende dat verzoeker in het derde middel de schending aanvoert van de artikelen 99 en 146 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, van "de Wetgeving inzake ontginning van Graverijen", van de desbetreffende vergunning van 1 september 1980 en van het continuïteitsbeginsel in overheidsbeslissingen; dat verzoeker het middel als volgt toelicht : "Doordat conform deze vergunning een aantal voorwaarden werden opgelegd die o.m. luiden als volgt: - na het opvullen van stortmaterialen dient de dekgrond en daarna de teelaarde afzonderlijk te worden aangebracht zonder te compacteren; - de teelaarde zal minstens een dikte hebben van 30 cm; - de gezamenlijke dikte van dekgrond en teelaarde zal tenminste 1 m bedragen; - na afwerking zal het terrein een éénvormig meelopend niveau zonder belangrijke hoogteverschillen vertonen, ook ten opzichte van de omgevende percelen; - de afgedekte terreinen zullen ploegklaar worden afgewerkt en zo spoedig mogelijk in cultuur gebracht. En terwijl bijgevolg enerzijds verzoeker verplicht was conform de bouwvergunning alsook de ontginningsvergunning, over te gaan tot het heropvullen van de put; En terwijl hij zich bij gebreke zou blootstellen aan inbreuken op de Stedenbouwwet of Wetgeving op de Mijnen, Groeven en Graverijen. En terwijl er bijgevolg een volledig gebrek is aan continuïteit in de diverse Overheidsbeslissingen, gebrek waarvan verzoeker het slachtoffer is geworden, en waaruit hij enorme schade lijdt"; 2.3.
  29. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat, zoals blijkt uit het feitenrelaas, door de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen op 26 januari 1984 een vergunning voor het verwijderen van afvalstoffen zou zijn afgeleverd aan de NV VAN HALEWIJN voor een stortplaats voor inerte materialen en dit voor een periode van vier jaar, dat op 8 oktober 1987 de stortplaats werd overgelaten aan verzoeker, dat in de periode van 26 januari 1988, datum van het verstrijken van de vergunning, tot 1 september 1991 de stortactiviteiten van inerte materialen verder worden gezet zonder te beschikken over VII-31.235-13/17 een vergunning, dat de hoeveelheid gestorte afvalstoffen in deze periode 6.500 m³ zou bedragen, dat de afgeleverde bouwvergunning, op 5 juli 1979 aan de NV STEENBAKKERIJ HOEKE verleend voor de ontginning van een graverij voor baksteenaarde op de percelen nrs. 538/2, 541, 542, 543, 544, 548/2, 549, 550, 551, 552 en 553, alsook de op 9 september 1980 verleende ontginningsvergunning aan de NV STEENBAKKERIJ HOEKE, door verzoeker bezwaarlijk kunnen worden aangewend om de door hem in de periode van 26 januari 1988 tot 1 september 1991 niet-vergunde stortactiviteiten van inerte materialen op de percelen nrs. 538/2, 539/2, 540, 540/2, 541, 542, 543, 548, 548/2, 549, 550, 551, 552, 553, 554 en 555a, te verantwoorden; 2.3.
  30. Overwegende dat het middel feitelijke grondslag mist; dat het wordt ontwikkeld vertrekkende van het uitgangspunt dat de stedenbouwkundige vergunning van 5 juli 1979 en de ontginningsvergunning van 9 september 1980 nog steeds geldig zouden zijn; dat in voornoemd arrest van het hof van beroep te Gent evenwel voor bewezen wordt geacht dat de stortactiviteiten sinds 1988 zonder vergunning zijn gebeurd, reden waarom het hof van beroep verzoeker heeft veroordeeld; dat verzoeker in 1992 en 1995 nog vergunningsaanvragen heeft ingediend die evenwel werden geweigerd; dat er bijgevolg geen sprake is van enige vergunning waarop verzoeker zich zou kunnen beroepen om de schending van de aangehaalde bepalingen te staven; dat het derde middel niet gegrond is; 2.4.
  31. Overwegende dat verzoeker in het vierde middel de schending aanvoert van het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- en het vertrouwensbeginsel, doordat hij steeds zijn volledige medewerking heeft verleend aan het onderzoek door de bevoegde besturen, terwijl er op "13 december om 13.30 uur" een plaatsbezoek doorging met "het Bestuur Aminal, Afdeling Natuur, Afdeling Milieuinspectie, en OVAM", teneinde verzoeker instructies te geven omtrent een gecoördineerde aanpak van de problematiek; dat verzoeker stelt dat de diverse besturen immers ook andere belangen of aandachtspunten hebben, dat het steeds zijn verzoek is geweest om, en dit ingevolge de bepalingen van het arrest van het hof van beroep, conform de richtlijnen van de afdeling Natuur en OVAM over te gaan tot het herstel in de vorige staat, dat hij steeds de vraag richtte dit te mogen doen in eigen beheer, mits begeleiding van de betrokken administratie, dat hij overigens een schrijven van 3 juli 2001 van de afdeling Natuur ontving, dat de afdeling Natuur meldde dat de betrokken werken slechts in bepaalde periodes kunnen worden uitgevoerd gelet op het broedseizoen van de vogels, dat door verzoeker in samenspraak met de afdeling Natuur, en in zijn beheer, een aantal werken werden uitgevoerd, en dit tot VII-31.235-14/17 voldoening van de afdeling Natuur, dat verzoeker thans wordt geconfronteerd met het bestreden besluit, dat hij zich de vraag kan stellen waar de coördinatie blijft tussen de diverse besturen, dat de discordantie hem uiteraard zeer zware schade toebrengt, dat elke rechtsonderhorige er kan op rekenen dat ook de overheid verplicht is om in haar maatregelen het algemeen "schadebeperkend" beginsel toe te passen, dat dit te dezen niet het geval is, dat er een duidelijke discrepantie bestaat tussen de schade die verzoeker lijdt tengevolge van dit niet schadebeperkend optreden van de overheid, en de effectieve schade die de overheid zelf lijdt, dat om deze redenen het bestreden besluit met een duidelijke onwettigheid is behept; 2.4.
  32. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat het middel feitelijke grondslag mist, dat hiervoor grotendeels kan worden verwezen naar de uiteenzetting bij het eerste middel, waaruit blijkt dat de verwerende partij over voldoende elementen beschikte ter ondersteuning van haar besluit houdende ambtshalve verwijdering van de op het desbetreffende terrein aanwezige afvalstoffen, dat zij de maatregel en de motieven binnen het kader van artikel 37 van het afvalstoffendecreet duidelijk kenbaar maakte aan de overtreder, dat het aan de verwerende partij stond het bestreden besluit te nemen, aangezien aan de decretale voorwaarden van het afvalstoffendecreet was voldaan, dat er dan ook geen schending van het redelijkheids-, het zorgvuldigheids-, noch het vertrouwensbeginsel kan worden aangevoerd, dat er een discrepantie zou bestaan tussen de schade die verzoeker lijdt, dit ingevolge zijn eigen fout om zonder vergunning in de periode van 26 januari 1988 tot 1 september 1991 illegale stortactiviteiten van inerte materialen uit te voeren, en de effectieve schade die de overheid lijdt, te dezen door verzoeker niet aannemelijk wordt gemaakt, noch bewezen, dat verzoeker tot op heden nog steeds geen uitvoering gaf aan het in kracht van gewijsde gegane arrest van 13 juni 1997 nopens de verwijdering van de afvalstoffen op de percelen nrs. 550, 551, 552 en 553, dat verzoeker aldus bijzonder slecht is geplaatst om op grond van een brief van de afdeling Natuur van 3 juli 2001, dit is een brief die dateert van ruim vier jaar na het in kracht van gewijsde gaan van het voormeld arrest en waarin louter wordt gesteld dat de desbetreffende werken enkel kunnen worden uitgevoerd in bepaalde periodes gelet op het broedseizoen, een gebrek aan coördinatie tussen de besturen op te werpen, dat de omstandigheid dat bij het uitvoeren van de werken rekening wordt gehouden met het broedseizoen van bepaalde vogel- en diersoorten, bezwaarlijk kan inhouden dat de werken hierdoor niet zouden moeten worden uitgevoerd, dat de brief van de afdeling Natuur dateert van 3 juli 2001, terwijl het bestreden besluit dateert van "eind oktober 2003", dat verzoeker aldus ruimschoots de tijd had om alsnog binnen deze periode tot VII-31.235-15/17 uitvoering van het verwijderen van de afvalstoffen over te gaan, dat van enig gebrek aan coördinatie tussen de verschillende besturen geenszins sprake is; 2.4.
  33. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog toevoegt dat de verwerende partij het zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel schendt door geen mededeling te doen van haar onderzoek dat zij liet uitvoeren door SGS GEOLOGICA, waardoor verzoeker niet in de mogelijkheid was om zijn stellingen en bemerkingen inzake het verslag kenbaar te maken, dat de verwerende partij haar beslissing steunt op een niet-tegensprekelijk uitgevoerd onderzoek, waardoor de rechten van verzoeker zijn geschonden; 2.4.
  34. Overwegende dat in de mate dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord aanvoert dat het niet-meedelen van het onderzoek uitgevoerd door SGS GEOLOGICA impliceert dat het bestreden besluit zou zijn genomen op grond van een niet-tegensprekelijk uitgevoerd onderzoek, hij het middel een nieuwe wending geeft en bijgevolg een nieuw middel aanvoert; dat het middel in die mate niet ontvankelijk is; Overwegende dat verzoekers bewering dat hij "steeds zijn volledige medewerking" heeft verleend, slechts wordt gestaafd door de verwijzing naar een plaatsbezoek met de bevoegde overheden op 13 december 2000 en met de loutere vermelding dat reeds "een aantal werken (werden) uitgevoerd, dit tot voldoening van de Afdeling Natuur"; dat de afvalstoffen ten tijde van het bestreden besluit nog niet verwijderd zijn, wordt verantwoord met een brief van de afdeling Natuur van 3 juli 2001 waaruit moet blijken dat de werken slechts in bepaalde periodes kunnen worden uitgevoerd wegens het broedseizoen van de vogels; dat tegenover deze nauwelijks gestaafde beweringen van bereidwillige medewerking van verzoeker en van tegenstrijdige instructies vanwege de verwerende partij onder meer staat dat verzoeker op 13 juni 1997 werd veroordeeld tot het verwijderen van de afvalstoffen op de percelen nrs. 550, 551, 552 en 553, dat op het tijdstip van het bestreden besluit, meer dan zes jaar later, deze veroordeling nog niet volledig werd uitgevoerd, dat in de brief van de afdeling Natuur van 3 juli 2001 waar verzoeker naar verwijst, is geschreven dat de aanbevelingen ter verwijdering moeten worden uitgevoerd "vóór eind december 2001", dat het bestreden besluit werd genomen op grond van een zeer omstandig onderzoek uitgevoerd door SGS GEOLOGICA waaruit blijkt dat de verwijdering van de afvalstoffen noodzakelijk is om de verspreiding van nieuwe bodemverontreiniging te voorkomen, dat het bestreden besluit werd genomen nadat verzoeker werd uitgenodigd om te worden gehoord, dat VII-31.235-16/17 hij niet aanwezig was en evenmin een schriftelijk verweer heeft ingediend; dat uit dit alles veeleer blijkt dat verzoeker steeds gepoogd heeft zijn verantwoordelijkheden te ontlopen in plaats van steeds zijn volledige medewerking te verlenen; dat in die context niet valt in te zien hoe de verwerende partij het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- en het vertrouwensbeginsel zou hebben geschonden; dat het vierde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  35. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  36. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht januari tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-31.235-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.324 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.