← België

Arrest 189325 - Natuurbehoud - Vergunningen - 08/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.325 Rolnummer: A. 130983/VII-28603 Zaak: Arrest 189325 - Natuurbehoud - Vergunningen - 08/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-19 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 12:49 Fiche Arrest nr 189.325 van 8 januari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.325 van 8 januari 2009 in de zaak A. 130.983/VII-28.

  1. In zake : de NV DOMO GENT, rechtsgeding hervat door : de NV DOMO GENT INDUSTRIES, die woonplaats kiest bij advocaat D. RYCKBOST, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 80 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-
  2. tussenkomende partij : de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM), die woonplaats kiest bij advocaten P. LUYPAERS en H.-K. CARÊME, kantoor houdende te HEVERLEE, Industrieweg 4, bus
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV DOMO GENT op 24 december 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 25 oktober 2002 houdende uitspraak over het beroep ingesteld tegen de beslissing van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij van 26 juli 2002, waarbij deze het "bodemsane- ringsproject NV DOMO GENT" conform verklaart aan de bepalingen van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering; Gelet op het arrest nr. 120.127 van 4 juni 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; VII-28.603-1/22 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 5 augustus 2003 ingediend door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna : OVAM); Gelet op de beschikking van 7 oktober 2003 die de tussenkomst van OVAM toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij, waarmee de NV DOMO GENT INDUSTRIES tevens verklaart het geding te hervatten, en de laatste memorie van de tussenkomende partij; Gelet op de beschikking van 27 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 november 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CHRISTIAEN die, loco advocaat D. RYCKBOST verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat P. VANDENDAEL die, loco advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij en van advocaat H.-K. CARÊME die, tevens loco advocaat P. LUYPAERS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-28.603-2/22
  4. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. De verzoekende partij exploiteert een textielbedrijf in Gent, Nederzwijnaarde 2, op percelen die eigendom zijn van de NV FABELTA SERVICE (thans de NV DOMO SERVICE). 1.
  6. Op 7 maart 2000 meldt de NV FABELTA SERVICE aan de tussenkomende partij dat zij de gronden overdraagt aan de verzoekende partij. Bij de melding wordt een oriënterend bodemonderzoek gevoegd. Met een brief van 3 april 2000 antwoordt de tussenkomende partij dat er, op basis van het oriënterend bodemonderzoek, ernstige aanwijzingen zijn dat er op de gronden historische bodemverontreiniging voorkomt die een ernstige bedreiging vormt, alsook gemengde bodemverontreiniging. De NV FABELTA SERVICE wordt aangemaand een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren, voor de historische en voor de gemengde verontreiniging. Met een brief van 11 april 2000 wordt ook de verzoekende partij aangemaand een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren voor de gemengde bodemverontreiniging. Op 27 april 2000 laat de NV FABELTA SERVICE aan de tussenkomende partij weten van mening te zijn niet saneringsplichtig te zijn. Met een brief van 15 juni 2000 laat de tussenkomende partij weten het hiermee eens te zijn, omdat de verzoekende partij saneringsplichtig is. 1.
  7. Met een op 28 juni 2000 verzonden brief bezorgt de verzoekende partij een beschrijvend bodemonderzoek aan de tussenkomende partij. Ze laat daarbij weten zich voor de historische verontreiniging te zullen beroepen op de vrijstelling van artikel 31, § 2, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering (hierna : bodemsaneringsdecreet). In een brief van 23 augustus 2000 verklaart de tussenkomende partij het beschrijvend bodemonderzoek conform aan de bepalingen van het bodemsaneringsdecreet; de verzoekende partij moet binnen zes maanden een bodemsaneringsproject opstellen, voor zowel historische als gemengde verontreini- ging op perceel 391v. VII-28.603-3/22 1.
  8. Op 20 november 2000 bezorgt de tussenkomende partij aan de verzoekende partij een afschrift van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 6 november 2000 waarbij perceel 391v wordt aangewezen als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden. 1.
  9. Met een brief van 4 januari 2001 maant de tussenkomende partij de verzoekende partij aan om de sanering uit te voeren. Op 9 januari 2001 antwoordt de verzoekende partij bereid te zijn tot sanering over te gaan voor wat betreft de door haar veroorzaakte verontreiniging (ethylbenzeen, xylenen en dichloormethaan), en vraagt zij vrijstelling van de saneringsplicht voor de verontreiniging van de bodem met minerale olie en de verontreiniging van het grondwater met arseen, zink en minerale olie. Zij vraagt de tussenkomende partij ook de mogelijkheid te onderzoeken om ambtshalve tussen te komen voor dat laatste gedeelte van de sanering. In dat laatste geval zou alles in één project kunnen worden gesaneerd. Met een brief van 31 januari 2001 verleent de tussenkomende partij uitstel tot 30 juni 2001 voor het indienen van een bodemsaneringsproject, en met een brief van 9 maart 2001 verwerpt zij de vraag van de verzoekende partij om gedeeltelijk vrij te worden gesteld van de saneringsplicht. 1.
  10. Een administratief beroep vanwege de verzoekende partij tegen deze laatste beslissing wordt door de bevoegde minister op 28 juni 2001 verworpen. De verzoekende partij dient tegen deze beslissing bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging in. In zijn arrest nr. 102.040 van 19 december 2001 verwerpt de Raad van State de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van dit besluit, omdat geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel wordt aangetoond. Bij arrest nr. 179.345 van 7 februari 2008 vernietigt de Raad van State dit besluit. 1.
  11. Op 2 mei 2002 bezorgt de verzoekende partij een bodemsane- ringsproject aan de tussenkomende partij. De saneringswerken zouden 281 weken (ongeveer vijf en een half jaar) duren, waarna nog tien jaar en twee maanden nazorg nodig zou zijn. Er wordt voorgesteld de saneringswerken te starten op 1 maart
  12. Op 26 juni 2002 verklaart de tussenkomende partij het bodem- saneringsproject conform aan de bepalingen van het bodemsaneringsdecreet. Beslist VII-28.603-4/22 wordt echter ook dat de saneringswerken ten laatste op 31 december 2005 moeten aanvangen, en dat tot die tijd een "monitoring" moet gebeuren van de situatie. 1.
  13. De verzoekende partij tekent, samen met de eigenaar van het terrein, administratief beroep aan tegen de conformverklaring, voor wat betreft de opgelegde uiterste aanvangsdatum en voor de in afwachting opgelegde "monito- ring". De adviescommissie bodemsanering adviseert ongunstig. Op 25 oktober 2002 wordt het bestreden besluit genomen : het beroep wordt verworpen. De uiterste aanvangsdatum en de voorafgaande "monito- ring" blijven behouden;
  14. Ten gronde 2.1.
  15. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 17, § 2, van het bodemsaneringsdecreet en van het vertrouwensbeginsel; dat zij van mening is dat de overheid de door de bodemsane- ringsdeskundige in het bodemsaneringsproject voorgestelde aanvangsdatum enkel mag wijzigen via artikel 17, § 2, van het bodemsaneringsdecreet, dus door het voorstellen van een wijziging waarna een nieuw bodemsaneringsproject moet worden ingediend, en niet via artikel 20, § 1, van het bodemsaneringsdecreet volgens hetwelk in het conformiteitsattest de voorwaarden worden bepaald waaronder de bodemsaneringswerken kunnen worden uitgevoerd; dat zij uiteenzet dat de bodemsaneringsdeskundige in het bodemsaneringsproject stelde dat de sanering niet hoogdringend is en de startdatum ervan op 1 maart 2011 bepaalde terwijl de tussenkomende partij, alhoewel zij vindt dat er geen aanleiding is tot wijziging of aanvulling van het bodemsaneringsproject, toch beslist tot een vervroegde start van de saneringswerken, met name tegen uiterlijk 31 december 2005; dat de verzoekende partij er op wijst dat een eerdere beslissing van de tussenkomende partij waarbij deze eigenhandig de startdatum van een bodemsane- ringsproject vervroegde, door de Vlaamse regering werd opgeheven op grond van het motief dat het niet aan de tussenkomende partij is om zelf een uiterste datum voor het begin van de werken vast te stellen; dat zij voorts stelt dat de stelling van de verwerende partij dat, vooreerst, artikel 16, § 1, van het bodemsaneringsdecreet enkel stelt dat de aanvangsdatum van de saneringswerken moet worden opgenomen in het bodemsaneringsproject maar niet bepaalt wie deze datum moet vaststellen, dat er vervolgens slechts sprake is van aanvullingen en wijzigingen zoals bedoeld in artikel 17, § 2, van het bodemsaneringsdecreet wanneer die datum er niet in vermeld VII-28.603-5/22 zou zijn en dat de tussenkomende partij in artikel 20, § 1, van het bodemsanerings- decreet de bevoegdheid put om de aanvangstermijn als voorwaarde voor conform- verklaring te bepalen, niet logisch lijkt, dat wanneer de regelgever de beoordeling van de termijnen waarbinnen de maatregelen zullen worden genomen, overlaat aan de erkende saneringsdeskundige in het kader van het bodemsaneringsproject, zulks ook het bepalen van de aanvangsdatum van de werken impliceert, dat indien de tussenkomende partij het met die datum niet eens is, zij voorstellen tot aanvulling of wijziging kan formuleren, dat dit ook de zienswijze van de verwerende partij in het "besluit van 14 maart 2002" is waarbij het eerste conformiteitsattest werd opgeheven, dat door nu een tegenovergesteld standpunt in te nemen de verwerende partij het vertrouwensbeginsel schendt; 2.1.
  16. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat artikel 16, § 1, van het bodemsaneringsdecreet niet bepaalt wie de termijnen waarbinnen de saneringsmaatregelen moeten worden genomen, moet vaststellen en dat artikel l7, § 2, van het bodemsaneringsdecreet aan de tussenkomende partij toelaat voorstellen tot aanvulling of wijziging te formuleren wanneer de termijnen niet in het bodemsaneringsproject worden vermeld, dat artikel 20, § 1, van het bodemsanerings- decreet bepaalt dat de tussenkomende partij in het conformiteitsverslag de voorwaarden kan bepalen waaronder de bodemsaneringswerken kunnen worden uitgevoerd, voorwaarden die de bescherming van mens en milieu en de verwezenlij- king van een goede plaatselijke aanleg beogen; dat volgens de verwerende partij het opleggen van een vroegere begindatum voor de saneringswerken juist is ingegeven door die bezorgdheid; dat zij daaromtrent verwijst naar wat is gesteld in het conformiteitsverslag; dat zij benadrukt dat de bodemsaneringsdeskundige enkel een aantal theoretische voorspellingen maakt omtrent de evolutie van de vervuiling waaruit hij afleidt dat er geen hoogdringendheid is, maar dat hij geen redelijke verantwoording geeft waarom zo lang zou moeten worden gewacht; 2.1.
  17. Overwegende dat de verzoekende partij repliceert dat artikel 20, § 1, van het bodemsaneringsdecreet inderdaad aan de tussenkomende partij de mogelijkheid geeft om voorwaarden op te leggen, maar dat uit het samenlezen van dit artikel met artikel 17 van het bodemsaneringsdecreet blijkt dat het voorwaarden moeten betreffen die niet in het bodemsaneringsproject zijn voorzien, dat artikel l7, § 2, van het bodemsaneringsdecreet immers bepaalt dat een conformiteitsattest wordt toegekend of voorstellen tot aanvulling of wijziging worden geformuleerd, dat te dezen de tussenkomende partij het saneringsproject conform heeft verklaard en tegelijkertijd wijzigingen heeft aangebracht, dat indien de tussenkomende partij van VII-28.603-6/22 mening was dat de voorgestelde termijnen in functie van de bescherming van mens en milieu en van de verwezenlijking van een goede plaatselijke ordening moesten worden ingekort, zij het bodemsaneringsproject niet conform had mogen verklaren maar eerst wijzigingen had moeten voorstellen, dat alleen indien er in het bodemsa- neringsproject geen datum was voorzien, een beroep op artikel 20, § 1, van het bodemsaneringsdecreet mogelijk was geweest, dat de beginselen van behoorlijk bestuur hoe dan ook geen verantwoording kunnen bieden voor het omzeilen van duidelijke wetteksten, dat de bewering dat de verzoekende partij onwillig zou zijn geweest om aan de aanvullingen of instructies van de tussenkomende partij gevolg te geven, volstrekt onterecht is, dat zij zich immers baseert op het conform verklaarde bodemsaneringsproject en de wetenschappelijke bevindingen daarin, voorafgegaan door talrijke onderzoekingen, dat de tussenkomende partij ten slotte ten onrechte stelt dat zij de aanvangsdatum in de plaats stelde van een niet-conforme rapportering, aangezien zij immers het bodemsaneringsproject conform heeft verklaard; 2.1.
  18. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst argumenteert dat zij als openbaar bestuur belast met bijzondere bestuurlijke politie in ieder geval vermag als hoogste erkende bodemsaneringsdes- kundige de rapporten en voorstellen van de saneringsplichtigen te evalueren, dat zij niet onmiddellijk naar het middel van de gedwongen uitvoering en subsidiaire ambtshalve sanering zal grijpen zolang, naar alle redelijkheid en evenredigheid, de saneringsplichtige de gelegenheid kan worden geboden om uit eigen beweging zijn verplichtingen na te komen, dat evenwel wanneer zij vaststelt dat bepaalde conclusies of aanbevelingen van de erkende bodemsaneringsdeskundige niet conform het bodemsaneringsdecreet zijn en de betrokken saneringsplichtige op niet aflatende wijze onwillig blijft om aan de opgelegde aanvullingen of instructies een passend gevolg te geven, het beginsel van behoorlijk bestuur er precies toe strekt dat een einde wordt gesteld aan wat anders een eeuwig "ping-pong"-spel dreigt te worden, dat zij volkomen terecht naar alle redelijkheid en evenredigheid de aanvangsdatum van de werken heeft vastgesteld; 2.1.
  19. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie stelt dat artikel 17, § 2, van het bodemsaneringsdecreet een artikel betreft dat de bestuurde in staat moet stellen om een administratief beroep in te stellen tegen die beslissingen van de tussenkomende partij die worden genomen binnen het kader van de opmaak van een bodemsaneringsproject en dus voorafgaandelijk aan de conformverklaring van dit bodemsaneringsproject, dat hierbij noodzakelijk eerst VII-28.603-7/22 verwezen moet worden naar de artikelen 16 en 23 van het bodemsaneringsdecreet, dat voornoemd artikel 16, § 1, de voorwaarden opsomt waaraan een bodemsane- ringsproject inhoudelijk moet voldoen, dat één van deze elementen onder meer de opgave van de datum betreft waarop de saneringswerken moeten worden aangevat, dat de tussenkomende partij onderzoekt of het ingediende bodemsaneringsproject al dan niet beantwoordt aan de vereisten van voornoemd artikel 16, § 1, dat indien de tussenkomende partij meent dat het bodemsaneringsproject niet voldoet aan deze vereisten, de tussenkomende partij de indiener binnen de veertien dagen na ontvangst in kennis stelt van de niet-ontvankelijkheid of de onvolledigheid van het bodemsaneringsproject, dat in dit geval de bestuurshandelingen voorgeschreven door artikel 17 van het bodemsaneringsdecreet worden gestuit tot op het ogenblik waarop de indiener een ontvankelijk en volledig bodemsaneringsproject heeft ingediend, dat tegen de beslissing waarbij de tussenkomende partij zich uitspreekt over de ontvankelijkheid of volledigheid van het ingediende bodemsaneringsproject door elke belanghebbende een beroep kan worden ingesteld bij de Vlaamse regering op grond van artikel 23 van het bodemsaneringsdecreet, dat deze beroepsmogelijk- heid zich richt tot de inhoudelijke kant van het bodemsaneringsproject en in het bijzonder de in artikel 16, § 1, van het bodemsaneringsdecreet verplicht voorge- schreven gegevens die het bodemsaneringsproject moet bevatten, dat indien het bodemsaneringsproject ontvankelijk en volledig werd verklaard, het vervolgens wordt voorgelegd aan de adviezen van de personen en besturen zoals opgesomd in artikel 16, §§ 4, 5, 6 en 7, van het bodemsaneringsdecreet, dat na ontvangst van deze adviezen, de tussenkomende partij zich uitspreekt over de conformiteit van het bodemsaneringsproject aan de bepalingen van het bodemsaneringsdecreet, dat artikel 17, § 2, van het bodemsaneringsdecreet bepaalt dat de tussenkomende partij hierna hetzij een conformiteitsattest aflevert, hetzij voorstellen tot wijzigingen of aanvullingen oplegt, dat indien de tussenkomende partij overgaat tot de conformver- klaring van het bodemsaneringsproject, dan kan tegen deze beslissing beroep worden aangetekend, ditmaal niet op grond van artikel 23, doch wel op grond van artikel 18 van het bodemsaneringsdecreet, dat dit beroep door de in artikel 17, § 3, van het bodemsaneringsdecreet opgesomde personen kan worden ingesteld, dat indien de tussenkomende partij overgaat tot het formuleren van wijzigingen of aanvullingen, het aangepaste of gewijzigde bodemsaneringsproject door de bodemsaneringsdeskundige opnieuw aan de tussenkomende partij moet worden overgemaakt, conform de bepalingen van artikel 16 van het bodemsaneringsdecreet, dat in dit geval de bestuurshandelingen zoals voorgeschreven door artikel 17 van het bodemsaneringsdecreet derhalve opnieuw worden gestuit tot op het ogenblik waarop de indiener een ontvankelijk en volledig bodemsaneringsproject heeft ingediend, dat VII-28.603-8/22 uit het voorgaande volgt dat de tussenkomende partij hetzij overgaat tot de conformverklaring van het bodemsaneringsproject, hetzij tot het formuleren van wijzigingen of aanvullingen op het bodemsaneringsproject, doch dat zij niet kan overgaan tot een conformverklaring waarbij zij op eenzijdige wijze zelf de inhoud van het bodemsaneringsproject wijzigt en hierbij de bestuurde de mogelijkheid ontneemt om tegen deze aanvullingen of wijzigingen beroep aan te tekenen bij de Vlaamse regering op grond van artikel 23 van het bodemsaneringsdecreet; Overwegende dat de verzoekende partij voorts in haar laatste memorie uiteenzet dat de door de tussenkomende partij gevraagde wijzigingen of aanvullingen op het bodemsaneringsproject nieuwe elementen betreffen waarover de bodemsaneringsdeskundige zich moet kunnen uitspreken, dat het overmaken van deze wijzigingen of aanvullingen aan de bodemsaneringsdeskundige niet alleen zinvol is, doch tevens wettelijk staat ingeschreven in het in dezen geschonden artikel 17, § 2, van het bodemsaneringsdecreet, dat het doel van artikel 17, § 2, van het bodemsaneringsdecreet bestaat uit het bewaren van het evenwicht tussen enerzijds de bodemsaneringsdeskundige die in volle onafhankelijkheid overgaat tot het uitvoeren van een bodemsaneringsproject en anderzijds het toezicht die de tussenkomende partij, als hoogste bodemsaneringsdeskundige, op die bodemsane- ringsdeskundige uitoefent, dat dit evenwicht door het bodemsaneringsdecreet wordt gegarandeerd aangezien iedere beslissing van de tussenkomende partij tot wijziging of aanvulling op het bodemsaneringsproject opnieuw moet worden voorgelegd aan de bodemsaneringsdeskundige die vervolgens deze nieuwe elementen toetst aan de reeds uitgevoerde oriënterende en beschrijvende bodemonderzoeken alsook het bodemsaneringsproject zelf, dat het essentieel is hierbij op te merken dat de bodemsaneringsdeskundige de door de tussenkomende partij geformuleerde wijzigingen of aanvullingen kan bijtreden, doch ook kan ontkrachten op basis van wetenschappelijke informatie of ingewonnen externe adviezen, dat door het op eenzijdige wijze opleggen van wijzigingen en aanvullingen op het bodemsanerings- project zonder de bodemsaneringsdeskundige in de mogelijkheid te stellen om deze nieuwe elementen te evalueren in functie van de reeds bekomen resultaten en dit ingevolge de onmiddellijk hierop volgende conformverklaring door de tussen- komende partij, het door artikel 17, § 2, van het bodemsaneringsdecreet gestelde doel niet langer bereikt kan worden, dat daarenboven aan de saneringsplichtige persoon de mogelijkheid wordt ontnomen om tegen de door de tussenkomende partij op eenzijdige wijze aangebrachte wijzigingen of aanpassingen beroep aan te tekenen bij de Vlaamse regering; dat zij voorts stelt dat het bodemsaneringsproject te dezen werd geconcipieerd vanuit de wetenschappelijke vaststelling dat de vastgestelde VII-28.603-9/22 verontreiniging heel traag zal verdwijnen door natuurlijke afbraak, dat de verontreiniging van het grondwater met arseen, zink en organische stoffen zich zal verspreiden via de grondwaterstroming en als er geen rekening wordt gehouden met een retardatiefactor voor de betreffende verontreiniging en/of met natuurlijke afbraakprocessen, de verontreiniging pas na meer dan 60 jaar de zuidelijke grens van het terrein zal bereiken, dat op basis van het voorgaande de erkende deskundige voorstelt om de sanering ten laatste in 2011 uit te voeren omdat tegen die tijd de arseenverontreiniging in het grondwater ter plaatse van de verfkeuken zich volgens bovenstaande redenering zal hebben uitgebreid tot aan de plaats waar de horizontale drain voor de grondwaterbeheersmaatregel zal worden voorzien, dat inmiddels een pilootproef tot "airspaging" reeds werd afgerond in opdracht van de verzoekende partij, alsook een bijkomende "monitoring" van de verontreiniging, dat hieruit blijkt dat de gemengde verontreiniging met dichloorethaan en vinylchloride afkomstig van de solventen-kelder verder daalt ten gevolge van natuurlijke afbraak, dat tevens de waarden van de zware metalen (arseen en zink) niet meer in die categorie liggen dat ze moeten worden meegenomen in de sanering, dat op basis van de verkregen resultaten door de bodemsaneringsdeskundige wordt voorgesteld om zich enkel nog te focussen op de parameter "minerale olie", dat de volgende stap erin bestaat om de verontreiniging met minerale olie zo juist mogelijk in te perken, dat de bodemsane- ringsdeskundige hiervoor reeds is begonnen met het plaatsen van bijkomende peilbuizen met het oog op de afperking van deze verontreiniging, dat deze nieuwe gegevens thans worden overgemaakt aan de tussenkomende partij waarbij het voorstel wordt geformuleerd om enkel nog over te gaan tot het saneren van de historische verontreiniging met minerale olie, dat uit het voorgaande derhalve volgt dat de in het bodemsaneringsproject vooropgestelde saneringswerken werden bepaald in functie van de aard, hoeveelheid, concentratie en oorsprong van de verontreinigende stoffen of organismen, de mogelijkheid op verspreiding ervan, het gevaar op blootstelling eraan van mensen, planten en dieren en van het grond- en oppervlaktewater evenals een prognose van de spontane evolutie van de verontrei- nigde bodem naar de toekomst toe, dat op basis van de verzamelde wetenschappelij- ke informatie de bodemsaneringsdeskundige tot de conclusie kwam dat de vooropgestelde saneringswerken pas een aanvang moesten nemen op 1 maart 2011, dat op het terrein er thans enkel nog een historische verontreiniging aanwezig is met minerale olie die het voorwerp moet uitmaken van een bodemsanering; VII-28.603-10/22 2.1.
  20. Overwegende dat artikel 17, § 2, van het bodemsaneringsdecreet ten tijde van het bestreden besluit als volgt luidde : "OVAM kent een conformiteitsattest toe of formuleert voorstellen tot wijziging of aanvulling. Indien OVAM aanvullingen of wijzigingen oplegt, wordt het aangepaste of gewijzigde bodemsaneringsproject opnieuw aan OVAM overgelegd, op wijze als bepaald in artikel 16, §
  21. Indien OVAM haar standpunt niet binnen (negentig) dagen heeft meegedeeld, wordt het bodemsa- neringsproject geacht conform te zijn met de bepalingen van dit decreet"; dat voornoemd artikel bepaalt dat OVAM slechts over twee mogelijkheden beschikt; dat zij ofwel het saneringsproject goedkeurt en een conformiteitsattest toekent, ofwel vindt dat het saneringsproject niet beantwoordt aan de doelstelling en voorwaarden van het decreet, en aanvullingen en wijzigingen voorstelt; dat in het laatste geval het aangepaste of gewijzigde project opnieuw ter goedkeuring aan OVAM moet worden voorgelegd; dat OVAM niet overeenkomstig artikel 17, § 2, van het bodemsaneringsdecreet heeft gehandeld, aangezien zij het saneringsproject zowel conform heeft verklaard als een wijziging heeft opgelegd; dat het voorschrift dat het aangepaste project opnieuw ter goedkeuring aan OVAM moet worden voorgelegd, evenwel aanduidt dat het is bedoeld voor die wijzigingen of aanpassing- en waarvoor het zinvol is dat OVAM er zich opnieuw over uitspreekt, met name wijzigingen of aanvullingen die een inhoudelijke invulling door de bodemsanerings- deskundige vereisen die niet volledig vastligt in de vraag van OVAM zelf; dat het doel van artikel 17, § 2, van het bodemsaneringsdecreet er in bestaat aan OVAM toe te laten na te gaan of het voorgelegde saneringsproject beantwoordt aan de decretale voorschriften en een technisch aanvaardbare oplossing biedt voor de sanering van de vastgestelde verontreiniging; dat het terug voorleggen van het saneringsproject aan OVAM na aanvulling of wijziging enkel zin heeft indien er in het nieuwe saneringsproject ten gevolge van de door OVAM gevraagde wijzigingen of aanvullingen nieuwe elementen staan waarover OVAM zich voordien nog niet heeft kunnen uitspreken; dat indien OVAM het voorgelegde saneringsproject inhoudelijk conform bevindt en enkel een wijziging van de startdatum oplegt, het zinloos is dat de procedure zou moeten worden gevolgd zoals beschreven in voornoemd artikel 17, § 2, van het bodemsaneringsdecreet; dat dit immers niets verandert aan het voorgelegde project als dusdanig; dat formaliteiten niet omwille van zichzelf moeten worden vervuld, maar omwille van het doel dat zij moeten dienen; dat wanneer in een concreet geval blijkt, zoals te dezen, dat het naleven van een niet op straffe van nietigheid voorgeschreven formaliteit niet het beoogde nut oplevert, het niet-vervullen van die formaliteit de aan de formaliteit onderworpen handeling niet onwettig maakt; dat aan de ingeroepen schending van het vertrouwensbeginsel geen VII-28.603-11/22 aparte invulling wordt gegeven zodat moet worden aangenomen dat dit beginsel geschonden wordt geacht uitsluitend door de niet- naleving van artikel 17, § 2, van het bodemsaneringsdecreet; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
  22. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel, meer bepaald in een eerste onderdeel, de schending aanvoert van het zorgvuldig- heidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel; dat zij in een tweede onderdeel meent dat de formele motiveringsplicht, die is vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en in artikel 37 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 1996 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering (hierna : Vlarebo) is geschonden; Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste onderdeel van het middel argumenteert dat de voornoemde beginselen zijn geschonden, omdat op basis van wetenschappelijke gegevens kan worden aangetoond dat de door het bestuur opgelegde termijn voor de aanvang van de werken, alsook de verplichting tot zesmaandelijkse "monitoring" kennelijk onredelijk is en de verzoekende partij bereid is om de verspreiding van de verontreiniging verder op te volgen en indien nodig maatregelen te nemen om een verdere verspreiding van de grondwaterveront- reiniging te voorkomen, als zou blijken dat de uitbreidingssnelheid werd onderschat, dat de bodemsaneringsdeskundige oordeelde dat, gelet op de relatief geringe stromingssnelheid van het grondwater die gericht is naar het zuiden, de arseenver- ontreiniging die bestaat ter hoogte van de verfkeuken pas na 60 jaar de zuidelijke grens van het terrein, zijnde het kanaal van Zwijnaarde, zal bereiken, dat hij verder oordeelt dat de verontreiniging met olie geen risico voor mens en dier inhoudt omdat zij ten eerste, gering is en, ten tweede, er wegens de aanwezigheid van een dikke betonverharding geen contact van mens en dier met de verontreinigde grond mogelijk is en dat de verontreiniging van het grondwater met arseen beperkt is in omvang en zich slechts over een kleine afstand met het grondwater kan verplaatsen omdat zij zich reeds dicht bij het kanaal bevindt, dat gelet op het industrieel gebruik van het terrein en de aanwezigheid van het kanaal van Zwijnaarde als hydraulische barrière, de bodemsaneringsdeskundige oordeelt dat het uitstellen van de sanering geen bijkomend risico voor mens, dier of plant inhoudt en dat er geen aangrenzende percelen door de verontreiniging zouden worden aangetast, dat hij voorstelt pas in 2011 te beginnen met saneren omdat tegen dan de arseenverontreiniging in het grondwater, dit is deze die zich reeds het verst heeft verspreid, de draineerbuis voor de grondwaterbeheersmaatregel zal hebben bereikt, dat het bestreden besluit ten VII-28.603-12/22 onrechte stelt dat deze oplossing niet wenselijk is omdat dit toelaat dat de verontreiniging zich zal verspreiden en een verslechtering van de actuele milieukwa- liteit zal veroorzaken en dat men, veeleer dan te wachten tot de verontreiniging zich in het grondwater zal hebben verspreid tot aan de draineerbuis, deze stroomopwaarts zou moeten verplaatsen zodat er minder grondwater verontreinigd wordt, dat dit laatste onmogelijk is aangezien er rekening moet worden gehouden met de verontreinigingscontour van de minerale olie in het grondwater, dat het vanuit een efficiënte behandeling van de grondwaterverontreiniging is, dat getracht wordt om alle grondwaterverontreiniging gelijktijdig te behandelen, dat de eis om de grondwaterverontreiniging om de zes maanden te "monitoren" niet redelijk is, dat er geen wetenschappelijke ondersteuning is om nu reeds een dergelijke "monitoring" uit te voeren, gelet op de verwachte trage verspreiding van de verontreiniging in het grondwater, dat een dergelijke frequentie daarbij vereist dat op het ogenblik dat het ene onderzoek is afgerond het tweede al begonnen zal moeten worden, dat men dan ook redelijk moet blijven, dat in plaats van nu reeds een zeer stringent en onmogelijk "monitoringsprogramma" op te leggen en te stellen dat dit desgevallend kan worden afgebouwd, men evengoed kan stellen dat na een tussentijdse "monitoring" zal blijken of er bijkomende maatregelen nodig zijn, hetzij een verhoogde "monitoring", hetzij een vervroegde sanering, dat de tussenkomende partij vindt dat de weten- schappelijk analyse van de bodemsaneringsdeskundige te theoretisch is en dat het daarom nodig is ze te versnellen en een zesmaandelijkse "monitoring" te doen, dat die analyse nochtans steunt op de onderzoeksresultaten die naar voren kwamen uit het oriënterend en het beschrijvend bodemonderzoek, die gesteund zijn op de specifieke gegevens die op het terrein werden verzameld, dat de analyse dus niet uitsluitend steunt op literatuurgegevens, dat de inschatting van een toekomstige evolutie evenwel steeds een abstract gegeven is dat enkel wetenschappelijk kan worden onderbouwd, dat in de analyse veiligheidsmarges werden ingebouwd en wordt gesteld dat indien toch zou blijken dat de uitbreidingssnelheid van de verontreiniging werd onderschat er maatregelen zullen worden genomen om verdere uitbreiding te voorkomen; dat de verzoekende partij voorts uiteenzet dat de tussenkomende partij ook ten onrechte stelt dat de potentiële risico's niet werden onderzocht, dat de conclusie van de bodemsaneringsdeskundige dat de sanering niet hoogdringend is, immers steunt op een inschatting van de mogelijke verspreidingsri- sico's, dat de tussenkomende partij verder nog stelt dat er rekening moet worden gehouden met de kostprijs van de sanering, dat dit juist is wat de bodemsanerings- deskundige heeft gedaan, dat met name wordt voorgesteld om gebruik te maken van de horizontale drain voor de grondwaterbeheersmaatregel om de sanering uit te voeren, dat deze wordt geplaatst om de grondwaterverontreiniging tegen te houden, VII-28.603-13/22 dat het uitstellen van de sanering tot 2011 geen noemenswaardige verhoging van de kosten zal veroorzaken, dat de bijkomende verspreiding tot 2011 hoogstens 10,44 meter zal bedragen zodat bezwaarlijk kan worden gesteld dat deze verspreiding van de verontreiniging een belangrijke invloed zal hebben op de efficiëntie en het milieurendement van de sanering, dat er ook geen sprake is van een verdunning van de verontreiniging vermits het saneringsproject voorziet dat het grondwater wordt opgepompt en gereinigd in een grondwaterzuiveringsinstallatie zolang als nodig, dat het uitstellen van het begin van de saneringswerken tot aan de uitspraak door de Raad van State over de vraag van de verzoekende partij om te worden vrijgesteld van saneringsplicht voor de historische verontreiniging is aangewezen omwille van de rechtszekerheid, dat het immers technisch en wetenschappelijk niet mogelijk is om de historische verontreiniging te onderscheiden van de nieuwe en gemengde en het derhalve noodzakelijk is de verschillende soorten verontreiniging gezamenlijk en tezelfdertijd te behandelen, wat door het voorgestelde saneringsproject wordt gedaan, dat indien de sanering niet wordt uitgesteld tot er zekerheid is over de vrijstelling van saneringsplicht, het risico bestaat dat de sanering reeds zou zijn uitgevoerd op het ogenblik dat komt vast te staan dat de verzoekende partij niet saneringsplichtig was met het gevolg dat de verzoekende partij nimmer nog genoegdoening zal kunnen verkrijgen, dat de overheid dan immers enkel zal kunnen vaststellen dat de vraag om van saneringsplicht te worden vrijgesteld zonder voorwerp is geworden omdat de sanering reeds is afgelopen, dat op basis van het door de verzoekende partij ingediende saneringsproject de totale kostprijs wordt geraamd op 980.108 euro, waarvan ongeveer 47 % betrekking heeft op de historische verontreiniging, dat minstens de mogelijkheid moet worden toegestaan om hiervoor de nodige reserves aan te leggen, gespreid over verschillende jaren; Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede onderdeel stelt dat, gelet op het voorgaande, de motivering van het bestreden besluit rechtens en feitelijk onjuist is, noch pertinent en dat zelfs "belangrijke informatie (wordt) achter(ge)houd(en)", dat daarenboven geen enkel van de bezwaren van de ver- zoekende partij wordt weerlegd maar enkel de beroepen beslissing van de tussenkomende partij integraal wordt bevestigd onder nagenoeg identieke bewoordingen; VII-28.603-14/22 2.2.
  23. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord, wat het eerste onderdeel betreft, in hoofdorde van mening is dat de verzoekende partij in gebreke blijft om aan te geven op welke wijze de verwerende partij onzorgvuldig, onredelijk en onevenredig zou hebben gehandeld, dat er enkel een uiteenzetting wordt gegeven van wat algemeen onder de voormelde beginselen wordt verstaan en van de redenen die er de bodemsaneringsdeskundige toe hebben gebracht te oordelen dat de sanering niet hoogdringend was en waarom het zou volstaan de sanering pas in 2011 aan te vatten, dat het eerste onderdeel niet ontvankelijk is; dat zij in ondergeschikte orde stelt dat de Raad van State slechts een marginaal toezicht kan uitoefenen op de redelijkheid van een beslissing van de overheid, dat de verwerende partij te dezen uitgebreid heeft gemotiveerd waarom zij van mening was waarom uitstel tot 2011 onaanvaardbaar was, dat de motieven die door de bodemsaneringsdeskundige werden aangehaald, diepgaand werden onderzocht in de motivering, dat door aan de verzoekende partij uitstel te bieden tot 31 december 2005, de verwerende partij haar de gelegenheid heeft gegeven om reserves aan te leggen om de saneringswerken te bekostigen, zodat zij daar geenszins onredelijk is opgetreden, dat wat de zesmaandelijkse "monitoring" betreft, de verzoekende partij er zich toe beperkt te stellen dat ze onredelijk want overbodig is, dat de verwerende partij evenwel duidelijk heeft aangegeven waarom dergelijke "monitoring" wenselijk is vanuit de bekommernis van de mens en van het milieu, dat de bodemsaneringsdeskundige zich "in allerlei bochten (moet) wringen" teneinde te motiveren waarom er geen bezwaar is om de sanering uit te stellen tot 2011, dat hij evenwel geen motivering geeft waarom het wenselijk zou zijn een sanering die meer dan vijf jaar in beslag zal nemen nog eens tien jaar uit te stellen, dat er alleszins geen enkele milieutechnische reden is, noch kan worden gesteld dat de sanering erdoor "eenvoudiger laat staan goedkoper zou" zijn, wel integendeel, dat de bodemsane- ringsdeskundige "zich kennelijk (heeft) laten leiden door overwegingen dewelke vreemd zijn aan de saneringsoperatie zelf"; dat de verwerende partij ten slotte stelt dat ook het tweede onderdeel niet concreet wordt uitgewerkt, dat niet wordt aangegeven welke informatie zou zijn achtergehouden, noch welke motivering niet pertinent zou zijn en waarom, dat het evenmin correct is dat geen enkel van de bezwaren van de verzoekende partij werd weerlegd, dat uit de motivering van het bestreden besluit blijkt dat de verwerende partij de argumentatie van de verzoekende partij heeft onderzocht en op precieze wijze heeft aangegeven waarom de bodemsaneringsdeskundige niet kan worden gevolgd, dat het tweede onderdeel in hoofdorde niet ontvankelijk en in ondergeschikte orde niet gegrond is; VII-28.603-15/22 2.2.
  24. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord, wat betreft het eerste onderdeel, herhaalt dat de verwerende partij het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel heeft geschonden, door de wetenschappelijke elementen die de bodemsaneringsdeskundige aanhaalt om te verantwoorden dat er geen dringende noodzaak tot sanering is en de bodemsane- ringswerken tot 2011 kunnen worden uitgesteld, naast zich neer te leggen; dat zij van oordeel is dat aangezien het bodemsaneringsproject op wetenschappelijke en empirische waarnemingen berust, daartegenover tegenargumenten met eveneens wetenschappelijke basis moeten worden geplaatst, dat de tussenkomende partij aan de stelling van de bodemsaneringsdeskundige verwijt dat zij op literatuurstudie is gebaseerd en dus te theoretisch is, dat evenmin duidelijk is of de veronderstelling van de tussenkomende partij aangaande het verspreidingsrisico, een grotere wetenschappelijke basis heeft en minder theoretisch is, dat het risico van de verticale verspreiding hoe dan ook zal worden opgevolgd in het kader van de "monitoring" waar dan zal blijken of er eerder dan 2011 maatregelen noodzakelijk zijn, dat deze wijze van besluitvorming veel redelijker ware geweest dan zonder over resultaten te beschikken meteen te besluiten tot een verhoogd verspreidingsrisico; dat de verzoekende partij verder herhaalt dat er geen redelijke verantwoording bestaat voor de zesmaandelijkse "monitoring" die in feite neerkomt op een continue "monitoring" terwijl deze zeer hoge kosten meebrengt en er geen gefundeerde wetenschappelijke reden voor bestaat aangezien verwacht wordt dat de verontreiniging zich zeer traag zal verspreiden; dat zij stelt dat noch de tussenkomende partij, noch de bestreden beslissing de gunstige adviezen van de diverse instanties voorafgaand aan de conformverklaring volgen, dat aldus de tussenkomende en de verwerende partij geen redelijke en zorgvuldige afweging hebben gemaakt van de belangen van het milieu tegen deze van de onderneming van de verzoekende partij; dat zij ook de opwerping betreffende de noodzaak om eerst klaarheid te bekomen over haar saneringsplicht herhaalt en opnieuw wijst op de noodzaak om reserves te kunnen aanleggen ter financiering van de saneringswerken; dat volgens de verzoekende partij het economisch belang van de onderneming in ernstige mate werd gekrenkt terwijl er geen redelijke verantwoording voor is; dat, wat het tweede onderdeel betreft, de verzoekende partij stelt dat precies omdat de bestreden beslissing niet de nodige afdoende en draagkrachtige motieven bevat die de grief van het eerste onderdeel weerleggen, de motiveringsplicht werd geschonden; 2.2.
  25. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst in verband met het eerste onderdeel opmerkt dat zij door het bodemsaneringsdecreet als de hoogste erkende bodemsaneringsdeskundige wordt VII-28.603-16/22 gekwalificeerd; dat zij er op wijst dat in uitvoering van artikel 3, § 7, van Vlarebo de statutair benoemde ambtenaren van niveau A van de afdeling van de tussen- komende partij die zich bezighoudt met de bodemsanering en wiens namen zijn bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, voor de uitvoering van hun taak van rechtswege de erkenning als bodemsaneringsdeskundige van type 2 hebben, dat de stelling waarop de verzoekende partij de conclusie maakt dat er tot 2011 kan worden gewacht met de sanering uitsluitend steunt op het horizontale verspreidingsrisico van de verontreiniging, terwijl de tussenkomende partij ook aandacht heeft gehad voor het risico van verticale verspreiding van de verontreiniging met dichloormethaan, dat de tussenkomende partij zodoende, daarin gevolgd door de verwerende partij, wel degelijk een afdoende afweging van belangen heeft gedaan en op grond van redelijke en rechtsgeldige motieven, onder meer het risico op verticale verspreiding met het risico van minder evident saneringsresultaat en een gevoelige verhoging van de kostprijs tot gevolg, de uiterste datum van aanvang van de saneringswerken op 31 december 2005 kon bepalen en tevens een zesmaandelijkse "monitoring" kon opleggen; dat zij met betrekking tot het tweede onderdeel opmerkt dat in de bestreden beslissing wel degelijk op afdoende wijze wordt gemotiveerd waarom de conformverklaring kan worden gehandhaafd, dat de motivering van het verticale verspreidingsrisico "handig (wordt) omzeild en doodgezwegen", doch niet wordt betwist; 2.2.
  26. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie nog stelt dat het op eenzijdige wijze en in strijd met artikel 17, § 2, van het bodemsaneringsdecreet, wijzigen van de datum waarop de saneringswerken moeten worden opgestart, tot gevolg heeft dat aan de verzoekende partij "de facto" de verplichting wordt opgelegd om over te gaan tot het uitvoeren van saneringswerken voor de historische verontreiniging waarvan de auditeur in zijn verslag in de zaak A. 109.542/VII-24.379 concludeert dat de verzoekende partij het bewijs levert dat zij voldoet aan de voorwaarden tot het verkrijgen van het statuut van onschuldig bezitter zodat zij op grond van artikel 31, § 2, van het bodemsaneringsdecreet er niet toe gehouden is om tot bodemsanering over te gaan voor dit gedeelte van de verontreiniging, dat de bestreden beslissing bijgevolg moet worden vernietigd aangezien zij kennelijk onredelijk is, dat deze onredelijkheid door de auditeur evenwel niet is weerhouden op basis van de overweging dat indien de verzoekende partij vrijgesteld zou worden van de saneringsplicht voor de helft van de verontreini- ging, met name de historische verontreiniging, zij de kosten die zij daarvoor heeft gedaan toch zal kunnen terugeisen van de overheid, dat er geen enkele bepaling in het bodemsaneringsdecreet bestaat die voorziet in een terugbetaling door de VII-28.603-17/22 overheid van kosten die door de vermeende saneringsplichtige persoon werden gemaakt in uitvoering van de saneringswerken zoals vastgesteld in het conform verklaard bodemsaneringsproject, dat de artikelen 25 en volgende van het bodemsaneringsdecreet enkel in de mogelijkheid voorzien om een regres uit te oefenen voor de gemaakte kosten tegen de personen die aansprakelijk zijn voor de verontreiniging die werd bekostigd door de in het bodemsaneringsdecreet aangewezen saneringsplichtige persoon, dat het bodemsaneringsdecreet evenwel niet voorziet in de mogelijkheid om deze kosten te verhalen op de overheid indien later binnen het kader van een niet- schorsend annulatieberoep voor de Raad van State zou blijken dat de door de overheid aangesproken persoon er conform de bepalingen van het bodemsaneringsdecreet niet toe gehouden was om deze bodemsanering uit te voeren, dat indien er thans in onderhavige zaak uitspraak zou worden gedaan vooraleer de Raad van State zich definitief heeft uitgesproken over het annulatiebe- roep in de zaak A. 109.542/VII-24.379 waarbij het verzoek tot het verkrijgen van het statuut van onschuldig bezitter wordt afgewezen door de Vlaamse minister, dit tot gevolg zou hebben dat de verzoekende partij zich niet langer op de ambtshalve tussenkomst van de tussenkomende partij zou kunnen beroepen en dit ook niet in het geval waarbij het advies van het auditoraat zou worden gevolgd en het "Besluit van de Vlaamse minister dd. 28 juni 2001" door de Raad van State wordt vernietigd, dat de mogelijkheid tot ambtshalve tussenkomst van de tussenkomende partij nochtans uitdrukkelijk in het decreet werd ingeschreven zodat de niet-vernietiging van de bestreden beslissing niet alleen kennelijk onredelijk is, doch tevens een schending uitmaakt van de artikelen 45 en 46 van het bodemsaneringsdecreet; dat de verzoekende partij verder nog verwijst naar de zeer recente ontwikkelingen bij de "DOMO-groep" waarbij is aangekondigd dat er een tweehonderdtal banen dienen te verdwijnen in het kader van een reorganisatie, dat als reden voor de herstructure- ring de verminderde vraag naar kamerbreed tapijt in West-Europa en de daling van het aantal klanten voor de afdeling textielgaren werden opgegeven, dat indien niet zou worden overgegaan tot een vernietiging van de bestreden beslissing en de verzoekende partij derhalve onmiddellijk zou moeten overgaan tot een sanering van circa 980.000 euro, een bijkomende sanering in de personeelsuitgaven, met bijgevolg bijkomend banenverlies, onafwendbaar lijkt met het oog op het financieel gezond houden van de onderneming, dat de omstandigheid dat de bestreden beslissing kennelijk onredelijk is, ook volgt uit het gegeven dat : "- Uit het bodemsaneringsproject blijkt dat de verontreiniging niet van die aard is dat zij een onmiddellijk gevaar vormt voor blootstelling eraan van mensen, planten en dieren en van het grond- en oppervlaktewater. VII-28.603-18/22 - Bij het opstellen van het bodemsaneringsproject met deze elementen rekening werd gehouden bij het vooropstellen van de datum waarop de bodemsanerings- werken dienen uitgevoerd te worden. - Verzoekende partij wel degelijk financiële redenen kan inroepen om de beslissing van de bodemsaneringsdeskundige te schragen om de begindatum voor de uitvoering van de saneringswerken vast te stellen in maart
  27. - Door het vaststellen van de datum voor het uitvoeren van de saneringswerken tot maart 2011 werd door de bodemsaneringsdeskundige enerzijds rekening gehouden met het beperkte gevaar dat de verontreiniging inhoudt en anderzijds de financiële implicaties die een onmiddellijk(e) uitvoering van de bodemsane- ringswerken met zich zou meebrengen voor verzoekende partij"; 2.2.
  28. Overwegende dat de verwerende partij niet kan worden gevolgd waar zij stelt dat de verzoekende partij in gebreke blijft aan te geven op welke wijze de verwerende partij onzorgvuldig, onredelijk en onevenredig zou hebben gehandeld; dat uit de lezing van het middel voldoende duidelijk is dat de verzoeken- de partij meer doet dan enkel de redenen aangeven die er de bodemsaneringsdeskun- dige toe hebben gebracht te oordelen dat de sanering niet hoogdringend was en waarom het zou volstaan de sanering pas in 2011 aan te vatten; dat deze redenen worden gesteld tegenover de kritiek die daarop door de tussenkomende partij is uitgeoefend; dat er ook wordt ingegaan op de eigen motieven van de tussenkomende partij waarvan wordt getracht de onjuistheid of de onredelijkheid aan te tonen; dat het eerste onderdeel van het tweede middel ontvankelijk is; Overwegende dat de tussenkomende en de verwerende partij bij de beoordeling van voorgestelde saneringsprojecten of de beslissing tot het opleggen van begeleidende maatregelen, over een discretionaire bevoegdheid beschikken die slechts de redelijkheid als grens heeft; dat op een dergelijke bevoegdheid de Raad van State slechts een marginale controle kan uitoefenen, wat betekent dat hij het bestreden besluit slechts onregelmatig zal kunnen bevinden indien het kennelijk onredelijk is; dat de verzoekende partij in haar middel kritiek heeft op de verschil- lende argumenten die de tussenkomende partij heeft aangehaald om haar beslissing te staven; dat het annulatieberoep evenwel is gericht tegen de beslissing van de verwerende partij die op eigen motieven is gesteund; dat het deze motieven zijn, die op hun redelijkheid moeten worden getoetst; Overwegende dat de verwerende partij de beslissing om de startdatum voor de saneringswerken te bepalen op 31 december 2005 steunt op de overweging dat wachten met de saneringswerken tot gevolg zal hebben dat de verontreiniging zich verder zal hebben verspreid, waardoor de actuele milieukwali- teit nog zal verslechteren en er een verdunning optreedt, zodat grotere watervolumes VII-28.603-19/22 zullen moeten worden behandeld; dat de verzoekende partij nergens stelt dat dit argument niet juist zou zijn; dat kan worden aangenomen dat de overheid oordeelt dat zelfs met een trage verspreidingssnelheid, het uitstellen met tien jaar van de sanering in elk geval een toename van het volume vervuild grondwater zal veroorzaken, zodat redelijkerwijze een langere duurtijd van de waterbehandeling kan worden verwacht; dat de bodemsaneringsdeskundige van mening is dat er met de sanering kan worden gewacht tot 2011 omdat pas tegen dan de grondwatervervuiling de horizontale drain, die als grondwaterbeheersmaatregel zal worden gelegd, zal hebben bereikt; dat de bodemsaneringsdeskundige evenwel niet duidelijk maakt wat het voordeel daarvan is; dat hij voorstelt om de grondwatersanering uit te voeren in combinatie met de implementatie van een beheersmaatregel; dat de grondwatersane- ring daarbij tot doel heeft de verontreiniging in de kernen op de plaats van de bron van de pollutie aan te pakken en dat de beheersmaatregel tot doel heeft de verspreiding van verontreiniging tegen te gaan; dat daarbij op de plaats van de bronnen van de pollutie het grondwater zou worden opgepompt en gezuiverd; dat hetzelfde gebeurt met het verontreinigde grondwater dat in de draineerbuis zal terechtkomen; dat het niet duidelijk is op welke manier het voor de sanering voordelig zou zijn om nog enkele jaren te wachten en bijgevolg het volume verontreinigd grondwater nog te doen toenemen; dat het niet kennelijk onredelijk is dat de verwerende partij heeft geoordeeld dat het verkieslijker is de verontreiniging snel aan te pakken wanneer het volume verontreinigd bodemwater nog kleiner is; dat het feit dat er geen dringende noodzaak is, niet betekent dat het kennelijk onredelijk zou zijn om de sanering zo vlug mogelijk aan te pakken; dat dit des te meer het geval is nu er volgens de verwerende partij een mogelijk risico is voor verticale verspreiding van dichloormethaan; Overwegende dat de verwerende partij heeft geoordeeld dat de financiële draagkracht geen element is dat van invloed kan zijn op de vraag of er al dan niet tot sanering moet worden overgegaan; dat het feit of een saneringplichtige de kostprijs van de sanering kan dragen, geen element is dat bepalend is om te beslissen of er moet worden gesaneerd of niet; dat dit eventueel wel een element kan zijn dat mee in ogenschouw wordt genomen bij het bepalen of de sanering nog even kan worden uitgesteld of niet, waarbij zulks uiteraard wordt afgewogen aan de noodzaak tot sanering; dat te dezen de financiële gegevens die uit het dossier blijken, niet van die aard zijn dat ze de beslissing van de verwerende partij vanuit dat oogpunt kennelijk onredelijk maken; dat het saneringsproject een totale kostprijs van ongeveer 980.000 euro heeft, voor een saneringsoperatie die vijf jaar in beslag neemt en nog tien jaar nazorg vereist; dat de kostprijs derhalve over verscheidene jaren kan VII-28.603-20/22 worden gespreid; dat dit geval niet toelaat de beslissing om de begindatum op 31 december 2005 te bepalen om die reden als kennelijk onredelijk te beschouwen; Overwegende dat ook de omstandigheid dat noch de tussenkomen- de partij, noch het bestreden besluit de gunstige adviezen van de diverse instanties voorafgaand aan de conformverklaring volgen, niet toelaat het bestreden besluit onredelijk te bevinden; dat de adviezen die op grond van artikel 16 van het bodemsaneringsdecreet over het saneringsproject zijn uitgebracht, deels partiële elementen betreffen, terwijl het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent zonder speciale motivering de voorgestelde plannen aanvaardt in de aspecten "monitoring" en aanvangsdatum van de sanering; Overwegende dat de verwerende partij de noodzaak voor een intense "monitoring" vooral steunt op de mogelijkheid van verticale verspreiding van dichloormethaan waarvan zij, zonder daarin te worden tegengesproken door de verzoekende partij, stelt dat de toestand snel kan evolueren en waarvan het nodig is de verspreidingsevolutie nauwkeurig in het oog te houden zodat er vlug kan worden gereageerd; dat de verwerende partij ook stelt dat door die "monitoring" snel zal blijken hoe de verspreiding evolueert en dat deze, indien zou blijken dat de evolutie inderdaad zo traag gaat als in het project wordt berekend en een dergelijke intense "monitoring" niet nodig zou zijn, altijd kan worden afgebouwd; dat deze "monito- ring" slechts wordt voorzien voor de periode voorafgaand aan de start van de saneringswerken; dat, gelet op deze elementen, de keuze voor een intense "monitoring" niet kennelijk onredelijk kan worden bevonden; dat het eerste onderdeel van het tweede middel niet gegrond is; Overwegende dat het tweede onderdeel geënt is op het eerste onderdeel, in die zin dat de motivering van het bestreden besluit rechtens en feitelijk onjuist en niet pertinent wordt genoemd "gelet op het voorgaande"; dat in die zin de conclusie van het eerste onderdeel mede bepalend is voor het tweede onderdeel; dat aangezien het eerste onderdeel niet gegrond is, ook voor het tweede onderdeel in dezelfde zin wordt geconcludeerd; dat de verzoekende partij bijkomend aanvoert dat er niet is geantwoord op alle argumenten die zij in haar beroepschrift heeft aangevoerd; dat een administratieve overheid evenwel niet verplicht is uitdrukkelijk in te gaan of expliciet te antwoorden op alle argumenten die de betrokkene in de loop van het besluitvormingsproces naar voor schuift; dat het volstaat dat zij in haar beslissing de motieven opneemt die op afdoende wijze de beslissing verantwoorden; dat uit de bespreking van het eerste onderdeel blijkt dat dit te dezen het geval is; dat VII-28.603-21/22 ten slotte de vernietiging, bij het arrest van de Raad van State nr. 179.345 van 7 februari 2008, van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw dat het beroep van de verzoekende partij tegen de beslissing van de tussenkomende partij die haar het statuut van onschuldig bezitter ontzegde, ongegrond bevindt , geen invloed kan hebben op onderhavige beslissing die zich in dezen heeft toegespitst op de aanvangsdatum van de saneringswerken; dat het tweede onderdeel van het tweede middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  29. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  30. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht januari tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-28.603-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.325 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.120.127 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.