← België

Arrest 189326 - Milieuvergunningen - 08/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.326 Rolnummer: A. 131423/VII-28746 Zaak: Arrest 189326 - Milieuvergunningen - 08/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-20 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 12:50 Fiche Arrest nr 189.326 van 8 januari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.326 van 8 januari 2009 in de zaak A. 131.423/VII-28.

  1. In zake : de BVBA VERHAEREN BETON EN ASFALT, die woonplaats kiest bij advocaat C. GYSEN, kantoor houdende te MECHELEN, Antwerpsesteenweg 18 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA VERHAEREN BETON EN ASFALT op 6 januari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 6 november 2002 waarbij het beroep ingesteld door omwonenden tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 25 april 2002, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de verzoekende partij om een betoncentrale, gelegen aan de Leuvensesteenweg 300-302 te Boortmeerbeek te veranderen, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt gewijzigd en haar een proefvergunning wordt verleend voor een termijn verstrijkend op 31 augustus 2003; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 18 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-28.746-1/4 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 17 oktober 2008 waarbij wordt bepaald dat de zaak met toepassing van artikel 90, § 1, derde lid, van de gecoördi- neerde wetten op de Raad van State door één lid van de kamer wordt behandeld; Gelet op de beschikking van 20 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. WENDRICKX die, loco advocaat C. GYSEN verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P. LOUAGE die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. De feiten 1.
  4. Op 7 januari 2002 vraagt de verzoekende partij een milieuvergun- ning aan voor het veranderen van haar betoncentrale, gelegen aan de Leuvensesteen- weg 300-302 te Boortmeerbeek. 1.
  5. Op 25 april 2002 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant aan de verzoekende partij de vergunning voor het veranderen van haar betoncentrale voor een proeftermijn van een jaar verstrij- kend op 25 april 2003 voor wat betreft de grondwaterwinning en het lozen van bedrijfsafvalwater en voor een termijn verstrijkend op 10 februari 2020 voor de overige inrichtingen. VII-28.746-2/4 1.
  6. Na administratief beroep van omwonenden wijzigt de verwerende partij op 6 november 2002 de vergunning in een proefvergunning die verstrijkt op 31 augustus
  7. Dit is de bestreden beslissing. 1.
  8. Op 31 augustus 2003 verleent de verwerende partij aan de verzoekende partij de op 7 januari 2002 aangevraagde vergunning voor een termijn die eindigt op 10 februari 2020, behalve voor wat betreft de grondwaterwinning met een opgepompt debiet van maximum 55 m³/dag - 10.000 m³/jaar, waarvoor de vergunning wordt verleend voor een termijn verstrijkend op 31 augustus
  9. In dit besluit worden zeven bijzondere voorwaarden opgelegd. Tegen dit besluit werd bij de Raad van State geen beroep ingesteld.
  10. De ontvankelijkheid 2.
  11. De verzoekende partij bestrijdt de beslissing waarbij, als gevolg van haar aanvraag van 7 januari 2002, haar een vergunning op proef wordt toegekend. Uit het onderzoek van de auditeur-verslaggever blijkt dat de verwerende partij inmiddels, met name met het ministerieel besluit van 31 augustus 2003, in toepassing van artikel 18, § 1, eerste lid, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, definitief uitspraak gedaan heeft over dezelfde aanvraag. De verzoekende partij heeft aldus de gevraagde uitbatingsvergunning verkregen en dat besluit heeft niet het voorwerp uitgemaakt van een annulatieberoep. 2.
  12. Het bestreden besluit, waarmee voorlopig was beslist over de aanvraag van 7 januari 2002, is opgegaan in de definitieve vergunning van 31 augustus
  13. Het kan op zich niet meer overgedaan worden. Het wegnemen ervan uit het rechtsverkeer kan de rechtstoestand van de verzoekende partij, die nu door het besluit van 31 augustus 2003 geregeld is, niet meer wijzigen en het kan haar geen enkel tastbaar voordeel meer opleveren. 2.
  14. In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij dat de bestreden beslissing een aantal voorwaarden bevatte die aanleiding gegeven hebben tot bepaalde vaststellingen waarover nog een beslissing moet worden genomen in het kader van de "administratieve en/of correctionele opvolging van de site" en dat de proefvergunning tot onzekerheid geleid heeft op het vlak van investeringen, contracten en imago. VII-28.746-3/4 2.
  15. Daargelaten de vaststelling dat de proefvergunning de verzoe- kende partij enkel verplichtte tot het opstellen van een aantal rapporten die het bestuur konden voorlichten bij het toekennen van de definitieve vergunning, verwijst de verzoekende partij daarmee naar een indirect belang -met name het belang om op grond van de onwettigheid van de bestreden beslissing andere eisen te formuleren- en naar een moreel belang -met name de onzekerheid waarin zij een tijdlang verkeerd zou hebben-. Een indirect belang -te weten een belang dat erop gericht is een administratieve rechtshandeling onwettig te horen verklaren om met die titel een eis bij een rechtbank te ondersteunen- volstaat niet om de nietigverklaring te rechtvaardigen. Het moreel belang is te vaag uiteengezet en laat geen concrete toetsing toe. 2.
  16. Bij gebrek aan actueel belang is het beroep niet meer ontvankelijk, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  17. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  18. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht januari tweeduizend en negen, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. A. VANDENDRIESSCHE. VII-28.746-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.326 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.