id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.335 Rolnummer: A. 153395/XII-4206 Zaak: Arrest 189335 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 08/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-15 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 12:53 Fiche Arrest nr 189.335 van 8 januari 2009 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.335 van 8 januari 2009 in de zaak A. 153.395/XII-
(9)vrije werkdagen (daarbij zijn donderdag 8, zaterdag 10, zaterdag 17 en donderdag 22 januari 2004 nog buiten beschouwing gelaten) om inzage te nemen van zijn dossier, een raadsman te raadplegen en met die raadsman een verdediging voor te bereiden. Dat verzoeker op grond van de reglementering omtrent openbaarheid van bestuur recht had op een afschrift van het onderzoeksrapport, is terzake niet relevant. Immers, dat laat zijn mogelijkheid tot inzage van het dossier onverlet; mogelijkheid waarvan verzoeker om een niet nader toegelichte reden geen gebruik heeft gemaakt. Er moet immers worden vastgesteld dat in de oproepingsbrief van 7 januari 2004 uitdrukkelijk melding werd gemaakt van verzoekers recht om inzage te nemen van het dossier; er werd van hem alleen gevraagd de algemeen directeur op voorhand telefonisch te verwittigen van zijn komst. Verzoeker heeft er echter voor geopteerd géén inzage te nemen en pas op 14 januari 2004, d.i. één week na de oproeping, om een afschrift van het onderzoeksrapport te verzoeken. Dit werd hem per brief van 16 januari 2004 overgemaakt. Verzoeker geeft echter geen enkele verklaring voor het feit dat hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn inzagerecht, en al evenmin voor het feit dat hij, na de uitnodiging, haast één week van de hem gegunde termijn heeft laten verstrijken vooraleer om een afschrift te vragen. Zijn vorig verzoek daartoe, daterend van 23 december 2003, is terzake evenmin relevant, nu dat verzoek alleszins niet kaderde in de administratieve procedure die tot de verwijderingsmaatregel heeft geleid. Die procedure heeft maar een aanvang genomen met de oproepingsbrief van 7 januari 2004. Er dient daarbij XII-4206-13/18 trouwens op gewezen dat verwerende partij onmiddellijk op verzoekers vraag tot het bekomen van een afschrift is ingegaan in het kader van de administratieve procedure tot het opleggen van een verwijderingsmaatregel. Een en ander doet besluiten dat het inroepen van de openbaarheid van bestuur door verzoeker onterecht gebeurt, nu deze regelgeving niet dat doel heeft dat verzoeker er in de context van zijn zaak aan wil geven, namelijk te interveniëren in administratieve procedures. Dat volgt alleen al uit het feit dat inzake de openbaarheid van bestuur specifieke regels en termijnen gelden die, doorgaans, niet bestaanbaar zijn met andere administratieve procedures, zoals bijvoorbeeld tuchtprocedures of, zoals te dezen, procedures voor het opleggen van ordemaatregelen. 5.2.8.2. Ten overvloede kan nog het volgende worden opgemerkt. Bij gebrek aan enige bepaling terzake, moet aangenomen worden dat een personeelslid dat op grond van artikel 52, b), juncto artikel 53, b), van het rechtspositiedecreet wordt opgeroepen voor een hoorzitting, een redelijke termijn moet worden verleend, die hem in staat moet kunnen stellen de hoorzitting voor te bereiden, desgewenst beroep te doen op een raadsman en om met die raadsman zijn verdediging voor te bereiden (R.v.St. nr. 107.626, Peeters, 11 juni 2002). Bij de beoordeling van de redelijkheid van de ter beschikking gestelde termijn, moet rekening worden gehouden met de concrete gegevens van de zaak. Los van de vraag of de termijn van minimaal drie werkdagen - maandag 19, dinsdag 20 en woensdag 21 januari 2004; de hoorzitting vond plaats op donderdag 22 januari 2004 om 19u30, zodat ook het grootste deel van die dag nog nuttig kon worden aangewend om de verdediging voor te bereiden - als redelijk te beschouwen is, moet hier worden vastgesteld dat verzoeker een termijn van negen vrije werkdagen ter beschikking had; een dergelijke termijn moet in beginsel als redelijk worden beschouwd, zelfs indien het onderzoeksrapport, zoals verzoeker aangeeft, ‘uit meer dan honderd pagina’s (bestaat)’. Verzoeker beweert vooreerst niet dat die termijn in casu onredelijk zou zijn. Verzoeker gaat - ten onrechte, zo is gebleken - uit van de mededeling van het onderzoeksrapport bij brief van 16 januari 2004, bij hem toegekomen op 19 januari 2004, en niet van de datum van 7 januari 2004, datum waarop hem de oproepingsbrief - met recht op inzage - werd toegestuurd. Bovendien is het aantal pagina’s van een dossier op zichzelf genomen niet bepalend om de redelijkheid van de termijn te beoordelen. Te dezen moet vastgesteld: 1) dat het onderzoeksrapport 88 pagina’s telt (inclusief de inventaris van de bijlagen en een ruime inleiding van 11 pagina’s); 2) dat eveneens in het rapport zijn opgenomen de schriftelijke weergaven van de verhoren van personeelsleden van de scholengroep, waaronder verzoeker (ruim 30 verhoren, samen goed voor 63 pagina’
- s)en dat het rapport uitgebreide passages van die verhoorverslagen bevat, zodat minstens een gedeelte van die pagina’s dezelfde tekst weergeven; XII-4206-14/18 3) dat de algemene synthese van het rapport is gebundeld in een viertal pagina’s achteraan het rapport (p. 84-87), waarbij aan verzoeker concrete verwijten worden gemaakt: een opgestelde onthaalbrochure wordt niet door hem gebruikt; het schoolreglement is onvolledig want bevat geen leefregels; er ontbreekt een schoolwerkplan; de afdeling bio-esthetiek krijgt niet de nodige aandacht en de belangrijkste leerkracht daarin wordt aan haar lot overgelaten en kreeg zelfs nooit een schoolreglement; verzoeker delegeert te veel verantwoordelijkheden waardoor bepaalde organen zich ‘overbevraagd’ voelen; verzoeker is vaak te laat op school en soms niet, wat zijn bereikbaarheid niet ten goede komt; er is geen of weinig overleg met de internaatbeheerder en er is ook daar geen werkplan; er is geen nascholingbeleid en evenmin een plan; er is geen overleg tussen personeel en directie, alleen loutere mededeling van informatie; de beoordelingen van het personeel werden laattijdig opgesteld en zijn te beperkt; verzoeker zou brutaal optreden wat sommige leerkrachten shockeert; de cel leerlingenbegeleiding wordt niet van nabij gevolgd door de directie; de organisatie van de schoolraad laat te wensen over (laattijdige uitnodigingen, beknopte dagorde, geen voorbereidende stukken, summiere verslagen die het verloop en de inhoud onvoldoende weergeven); er zijn onvoldoende contacten met de basisschool; briefwisseling met een bewonersplatform wordt laattijdig en tactloos beantwoord; de directie volgt het beheer van de middelen weinig op; chaotisch bureau van verzoeker; het secretariaat is weinig toegankelijk (vaak gesloten en eerder norse personeelsleden); verzoeker heeft het voorbije schooljaar geen nascholing gevolgd; 4) dat die algemene synthese aan verzoeker werd bezorgd in de oproepingsbrief van 7 januari 2004, zodat hij hiervan op de hoogte was vóór de mededeling van het onderzoeksrapport op 16 januari 2004; 5) dat de 20 bijlagen 41 pagina’s omvatten (o.a. verslagen, brieven en e- mails), die overwegend aan verzoeker zijn gericht, dan wel van hem uitgaan, zodat hij de inhoud van die documenten ook reeds voordien kende. Al deze concrete elementen in acht genomen, moet worden besloten dat een termijn van negen vrije werkdagen om zijn verdediging voor te bereiden, niet als onredelijk te beschouwen is. Van de ‘ernst’ van de beoogde maatregel op zich valt niet in te zien hoe dit van invloed kan zijn bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn. Verzoeker verduidelijkt dit evenmin. Dit argument komt trouwens onwaarschijnlijk over, nu enerzijds de eerste bestreden beslissing een ordemaatregel inhoudt en geen tuchtsanctie, die ernstiger van aard moet worden geacht, en anderzijds verzoeker niet betwist dat de minimale oproepingstermijn in tuchtzaken werd gerespecteerd. Wat de complexiteit van de zaak dan betreft, brengt verzoeker geen enkel gegeven bij dat die complexiteit bewijst. Verzoekers raadsman had het in zijn brief van 16 februari 2004 nogal affirmatief over het feit dat er ‘(i)n casu zonder meer sprake (
- is)van een ernstig en complex dossier, dat een ruimere voorbereidingstermijn vergt dan de minimale wettelijke termijn’, zonder daarbij ook maar op enigerlei wijze aan te geven waarom tot die complexiteit moet worden besloten. 5.2.8.3. De hem geboden voorbereidingstermijn van negen vrije werkdagen is redelijk. Dat verzoeker pas op 19 januari 2004 kennis heeft XII-4206-15/18 genomen van het onderzoeksrapport, heeft hij aan zichzelf te wijten. Zulks kan niet ten laste van verwerende partij worden gelegd. In die omstandigheden kan er geen sprake zijn van overmacht - de ‘onmogelijkheid’ om aanwezig te zijn op de hoorzitting - in hoofde van verzoeker, zijnde een onvoorzienbare en onoverkomelijke gebeurtenis met een uitwendige oorzaak. De ingeroepen bepalingen en beginselen zijn op dat vlak alvast niet geschonden. 5.2.9.1. Verzoeker werpt tevens op dat hij voornemens was een in het administratief recht gespecialiseerde advocaat te zullen raadplegen. Vooreerst moet worden vastgesteld dat verzoeker reeds vóór de oproeping door verwerende partij een raadsman onder de arm had genomen. Het is dus niet zo dat verzoeker van iedere juridische bijstand verstoken is gebleven. Dat verzoeker, in het kader van de oproeping voor een hoorzitting, beroep wenste te doen op een in het bestuursrecht gespecialiseerde advocaat, is een louter persoonlijke aangelegenheid. Het was aan verzoeker om zich zo te organiseren dat hij die advocaat van zijn keuze binnen de hem opgelegde redelijke tijdspanne kon raadplegen. In dat verband toont verzoeker trouwens in het geheel niet aan dat het hem niet mogelijk was dit binnen die termijn van negen vrije werkdagen te doen. Verzoeker voerde overigens aanvankelijk, op 14 januari 2004, slechts aan dat hij ‘overwoog’ om een gespecialiseerd advocaat te raadplegen, daaraan toevoegend dat de afspraak daartoe pas op 20 januari 2004 kon doorgaan. In de brief van 22 januari 2004 van de toenmalige raadsman van verzoeker werd gewag gemaakt van een ‘voornemen’ van verzoeker om die gespecialiseerde advocaat te raadplegen, waarmee meteen duidelijk is dat hij alvast op die datum nog geen dergelijke advocaat een mandaat had verleend. Trouwens, de huidige raadsman van verzoeker schrijft in zijn brief van 16 februari 2004 dat hij pas op 26 januari 2004, d.i. vier dagen nà de hoorzitting, werd geraadpleegd. Verzoeker verduidelijkt dit tijdsverloop, dat zich niet verdraagt met de in het bestuursrecht vaak voorkomende korte termijnen, niet. 5.2.9.2. Verzoeker verwijst naar twee arresten van de Raad van State, met name het arrest nr. 93.845, Onclin, van 12 maart 2001 en het arrest nr. 116.060, Merckx, van 18 februari 2003. Die verwijzingen worden niet begrepen. In het eerstgenoemde arrest was inderdaad de situatie aan de orde dat de raadsman van de verzoekende partij over een volledig mandaat beschikte, en dus geen reden had om, bij afwezigheid van de verzoekende partij zelf, ook afwezig te blijven. Voorzover verzoeker daaruit - a contrario - afleidt dat hij, nu hij geen raadsman met een volledig mandaat had belast, afwezig kon blijven, net als zijn ‘onvolledig’ beopdrachte raadsman, moet worden opgemerkt dat hoger is vastgesteld dat verzoeker niet aantoont dat het XII-4206-16/18 gebrek aan een raadsman met volledig mandaat te wijten is aan overmacht in zijnen hoofde. De vergelijking gaat dan ook niet op. Dat geldt ook voor het tweede arrest waarnaar verzoeker verwijst. Daarin was dan weer de situatie aan de orde dat verzoeker niet de gelegenheid had gekregen om een technisch raadsman (grafoloog) te raadplegen en een tegenexpertise te laten uitvoeren ter ondersteuning van zijn verdediging. Te dezen is zo’n technisch onderzoek evenwel niet aan de orde, maar gaat het om verwijten die worden gemaakt aan het adres van verzoeker uit hoofde van zijn functie van (waarnemend) directeur van het koninklijk technisch atheneum te De Panne. De hoorzitting, waartoe verzoeker werd opgeroepen, was erop gericht verzoeker in zijn verweermiddelen te horen. Van enig technisch onderzoek, vergelijkbaar met dat in het genoemde arrest, is evenwel geen sprake. 5.2.9.3. Ook verzoekers tweede argument is niet van aard om te besluiten tot een overmachtsituatie in zijnen hoofde. Verzoeker slaagt er ook hier niet in de onwettigheid van de beslissing van verwerende partij, op het vlak van de weigering van het uitstel van de hoorzitting, aan te tonen. 5.2.10. Het tweede middel is ongegrond”. 8. In de laatste memorie argumenteert verzoeker ten gronde enkel dat een beoordeling van het eerste middel “zich opdringt”, omdat naar zijn mening de tweede bestreden beslissing wel degelijk aanvechtbaar is. Over het tweede middel, laat staan over de zo-even geciteerde uitvoerig geargumenteerde beoordeling ervan in het auditoraatsverslag, wordt in de laatste memorie niet meer gerept. In die omstandigheden kan de Raad van State er mee volstaan om zich de zienswijze van het auditoraat eigen te maken en, insgelijks, tot de verwerping van het middel te besluiten. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De Vlaamse Gemeenschap wordt buiten de zaak gesteld. Artikel 2. XII-4206-17/18 Het beroep tegen de beslissing van 22 januari 2004 van de raad van bestuur van de scholengroep 28 van het Gemeenschapsonderwijs wordt verworpen. Artikel 3. De debatten worden heropend voor het overige. Artikel 4. Het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt belast met het verder onderzoek van de zaak. Artikel 5. De kosten van het beroep worden in beraad gehouden. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht januari 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4206-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.335 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.212.048 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div