id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.345 Rolnummer: A. 164551/IX-4977 Zaak: Arrest 189345 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 08/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-20 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 12:57 Fiche Arrest nr 189.345 van 8 januari 2009 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.345 van 8 januari 2009 in de zaak A. 164.551/IX-
- In zake : Ivan SENTE, die woonplaats kiest bij advocaat P. LAHOUSSE, kantoor houdende te MECHELEN, Leopoldstraat 64 tegen : de PROVINCIE VLAAMS-BRABANT, die woonplaats kiest bij advocaat D. SOCQUET, kantoor houdende te TERVUREN, Merenstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ivan SENTE op 25 juli 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van: - “het schrijven d.d. 08.06.2005 uitgaande van de provinciegriffier van de provincie Vlaams-Brabant, waarbij verzoeker wordt geweigerd tot opname in de bevorderingsreserve voor bestuurssecretaris-landmeter voor de dienst administratie en tekenkamer, waarbij wordt verwezen naar een beslissing van de Bestendige Deputatie d.d. 14.04.2005”; - “de beslissing van de Bestendige Deputatie van de provincie Vlaams-Brabant d.d. 14.04.2005 waarbij impliciet wordt gesteld dat verzoeker moet worden geweigerd tot opname in de bevorderingsreserve voor bestuurssecretaris-landmeter voor de dienst administratie en tekenkamer, die nooit aan verzoeker werd betekend”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. WEEKERS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-4977-1/13 Gelet op de beschikking van 5 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 juni 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. ARNOUTS, die loco advocaat P. LAHOUSSE verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat D. SOQUET, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. WEEKERS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Gegevens van de zaak
- De verzoeker is sinds 1976 in dienst, eerst bij de Provincie Brabant, later bij de Provincie Vlaams-Brabant. In 1983 heeft hij het diploma behaald van meetkundige-schatter van onroerende goederen. Sinds 1987 oefent hij zijn ambt uit in de hoedanigheid van landmeter-expert onroerende goederen (in niveau B) bij de tekenkamer van de directie infrastructuur.
- Op 20 januari 2005 beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant om voor de tekenkamer een betrekking van 1 FTE bestuurssecretaris-landmeter (van het niveau A) vacant te verklaren, in te vullen via werving of bevordering. Kandidaten moeten houder zijn van het diploma van industrieel ingenieur, optie landmeten, of industrieel ingenieur, optie bouwkunde; in het laatste geval moet de kandidaat ook in het bezit zijn van een diploma van meetkundig schatter. Veertien kandidaten, waaronder de verzoeker, stellen hun kandidatuur. Acht kandidaten, waaronder de verzoeker, slagen in de gemeenschappelijke selectieproef. Zes van die kandidaten hebben hun kandidatuur gesteld om benoemd te worden via aanwerving; de overige twee, waaronder de verzoeker, hebben hun kandidatuur gesteld om benoemd te worden via bevordering. IX-4977-2/13 Op 14 april 2005 neemt de bestendige deputatie een besluit aan in verband met het resultaat van de selectieprocedure. De wervings- en de bevorderingsreserves worden vastgesteld (artikelen 1 en 2), en er wordt voorzien in de benoeming van één van de kandidaten (W.V.L.) (artikel 4) en van achtereenvolgens twee andere kandidaten (M.P. en J.D.), voor het geval de beter gerangschikte kandidaat de benoeming zou weigeren. In de overwegingen van het besluit wordt onder meer vastgesteld dat de verzoeker op het ogenblik van de samenstelling van de bevorderingsreserve niet beschikt over het vereiste diploma, met name dat van “industrieel ingenieur optie landmeten of industrieel ingenieur optie bouwkunde (mits de kandidaat in het bezit is van een diploma van meetkundig schatter)”. Om die reden beslist de bestendige deputatie om de verzoeker niet op te nemen in de bevorderingsreserve. De bevorderingsreserve wordt vervolgens formeel vastgesteld in het dispositief van het besluit, met name in artikel 3 ervan. De beslissing om de verzoeker niet op te nemen vormt de tweede bestreden handeling. Met een schrijven van de provinciegriffier van 8 juni 2005 wordt aan de verzoeker medegedeeld dat de bestendige deputatie op 14 april 2005 beslist heeft om de verzoeker niet op te nemen in de bevorderingsreserve. Die brief vormt de eerste bestreden handeling. Voorwerp van het beroep
- Volgens het verzoekschrift bestaat de tweede bestreden handeling uit de “impliciete” beslissing van de bestendige deputatie van 14 april 2005 om de opname van de verzoeker in de bevorderingsreserve te weigeren. Uit het besluit van 14 april 2005, met name uit de aan het dispositief voorafgaande overwegingen, blijkt echter dat de bestendige deputatie uitdrukkelijk beslist om de verzoeker niet op te nemen in de bevorderingsreserve. Het is dan ook die beslissing die geacht moet worden de tweede bestreden handeling te vormen. Ontvankelijkheid van het beroep 4.
- De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, in zoverre het is gericht tegen de eerste bestreden handeling. Volgens de verwerende partij bevat de brief van 8 juni 2005 niets meer dan de IX-4977-3/13 kennisgeving van de ten opzichte van de verzoeker op 14 april 2005 genomen beslissing, en is die brief daarom geen voor vernietiging vatbare handeling. 4.
- De Raad van State stelt vast dat het schrijven van 8 juni 2005 inderdaad niets meer inhoudt dan de kennisgeving van de beslissing van 14 april
- De exceptie is gegrond. 5.
- De verwerende partij werpt een tweede exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, in zoverre het is gericht tegen de tweede bestreden handeling. Volgens de verwerende partij beschikt de verzoeker niet over het vereiste belang bij zijn beroep. In een eerste onderdeel voert de verwerende partij aan dat een van de bevorderingsvoorwaarden erin bestond dat de kandidaat moet beschikken over het diploma van industrieel ingenieur, optie landmeten of optie bouwkunde. Nu de verzoeker niet beschikt over een dergelijk diploma, zou een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing hem geen voordeel kunnen opleveren. In elk geval vloeit de weigering om de verzoeker in de bevorderingsreserve op te nemen te dezen voort, niet uit de bestreden beslissing zelf, maar uit het statuut van het statutair personeel van de provincie Vlaams-Brabant. Uit de artikelen 36, 40 en 43 van dat statuut blijkt immers dat voor de bevordering tot bestuurssecretaris-landmeter het diploma van industrieel ingenieur, optie landmeten, of industrieel ingenieur, optie bouwkunde, vereist is. Om de genoemde redenen heeft de verzoeker geen belang bij zijn beroep. In een tweede onderdeel voert de verwerende partij aan dat de verzoeker, gelet op het resultaat van de selectieproef, in elk geval na de benoemde kandidaat (W.V.L.) gerangschikt zou zijn. Nu de bedoelde kandidaat de benoeming heeft aanvaard, heeft de wervings- en bevorderingsreserve nog slechts een hypothetische waarde. Zelfs zo in de toekomst nog een beroep gedaan zou worden op de reserve, is de kans klein dat de verzoeker in aanmerking zou komen. Op grond van het resultaat van de selectieproef zouden er immers nog verscheidene kandidaten zijn die vóór hem gerangschikt zouden zijn. Om de genoemde redenen is het belang van de verzoeker een louter hypothetisch belang. IX-4977-4/13 5.
- In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat een bevorderingsreserve volgens artikel 45 van het genoemde statuut vier jaar geldig is, en met twee jaar kan worden verlengd. Volgens artikel 69 is een wervingsreserve daarentegen slechts voor twee jaar geldig en kan ze maximaal met één jaar worden verlengd. De verzoeker zou dus, als hij op de bevorderingsreserve zou staan, bevorderd kunnen worden als de thans benoemde persoon (W.V.L.) ontslag neemt en de personen van de wervingsreserve geen interesse hebben of de geldigheidsduur van de wervingsreserve is verstreken. Hij meent dat zijn belang aldus niet hypothetisch, maar reëel is. 5.3.
- De verzoeker heeft er, als geslaagde kandidaat in de selectieproef, een reëel belang bij om de vernietiging na te streven van de beslissing van de bestendige deputatie van 14 april 2005 waarbij hij - in weerwil van zijn slagen - niet opgenomen wordt in de bevorderingsreserve. De omstandigheid dat er eventueel kandidaten zijn die nuttiger zouden zijn gerangschikt, doet aan dat belang geen afbreuk. Het tweede onderdeel van de exceptie kan niet aangenomen worden. 5.3.
- Uit de door de verzoeker ingeroepen middelen blijkt dat hij de wettigheid betwist van de beslissing om hem wegens het ontbreken van een bepaald diploma niet in de bevorderingsreserve op te nemen. Het feit dat hij niet over dat diploma beschikt, belet dus niet dat hij een belang heeft bij zijn beroep. In de veronderstelling dat de uitsluiting van de verzoeker het rechtstreekse gevolg zou zijn van bepalingen vervat in het statuut van het statutair personeel van de provincie Vlaams-Brabant, dient bij de beoordeling van de middelen desgevallend onderzocht te worden of er geen aanleiding is om tegen de betrokken statutaire bepalingen, die van verordenende aard zijn, de exceptie van illegaliteit op te werpen, bedoeld in artikel 159 van de Grondwet. Zelfs indien de uitsluiting van de verzoeker zou voortvloeien uit de toepassing van het genoemde statuut, kan dit gegeven dus niet leiden tot de conclusie dat de verzoeker geen belang heeft bij zijn beroep. Het eerste onderdeel van de exceptie kan evenmin aangenomen worden. IX-4977-5/13 Ten gronde 6.
- In het eerste middel roept de verzoeker de schending in van het gelijkheidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. In een eerste onderdeel voert de verzoeker aan dat artikel 10 van de Grondwet bepaalt dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet en dat dit beginsel, betrokken op de toegang tot het openbaar ambt, betekent dat eenieder een gelijke toegang heeft tot het openbaar ambt. Volgens de verzoeker is de gelijkheid van toegang tot het ambt van bestuurssecretaris-landmeter te dezen geschonden, nu hij enkel wegens het ontbreken van het diploma van industrieel ingenieur geweerd wordt van de toegang tot niveau A, minstens van de toegang tot de bevorderingsreserve. De verzoeker merkt hierbij op dat artikel 40 van het statuut van het statutair personeel van de Provincie Vlaams-Brabant weliswaar bepaalt dat voor de bevordering tot een graad van niveau B het personeelslid in het bezit moet zijn van een diploma dat vereist is voor de aanwerving in die graad. Te dezen gaat het echter om een bevordering van graad B naar graad A, en dienaangaande wordt er statutair niets geregeld. Artikel 36, B, van het statuut verwijst voorts weliswaar naar specifieke bevorderingsvoorwaarden, opgenomen in bijlage 6 bij het statuut. Die bijlage bevat echter een overzicht van de functies per graad (onder meer voor de graad van bestuurssecretaris-landmeter) en van de respectieve diplomavereisten (voor de genoemde graad: industrieel ingenieur, optie landmeter of optie bouwkunde, met in het laatste geval het diploma van meetkundig schatter) bij aanwerving. De diplomavereisten gelden dus niet bij bevordering. De verzoeker merkt voorts op dat het voor hem materieel onmogelijk is aan het diplomavereiste voor bestuurssecretaris-landmeter te voldoen, vermits er in de periode 1982-1983 geen studie bestond van industrieel ingenieur, optie landmeter, en de enige mogelijkheid erin bestond om af te studeren als landmeter, wat hij heeft gedaan. De verzoeker concludeert dat de verwerende partij op een discriminatoire wijze handelt door hem te weren uit de toegang tot niveau A, minstens tot de bevorderingsreserve daartoe. In een tweede onderdeel voert de verzoeker aan dat de motiveringsplicht is geschonden, doordat de beslissing van 8 juni 2005 verwijst naar een beslissing van de bestendige deputatie van 14 april 2005, terwijl in de notulen van de vergadering van de bestendige deputatie van 14 april 2005 op geen enkele IX-4977-6/13 manier melding wordt gemaakt van het feit dat hij geslaagd is in het bevorderingsexamen, noch van het feit dat hij geweigerd zou zijn voor opname in de bevorderingsreserve. In die notulen is slechts sprake van één persoon die in de bevorderingsreserve wordt opgenomen, namelijk E.A. Doordat de beslissing van 8 juni 2005 aldus verwijst naar een beslissing die nooit is genomen, is de motiveringsplicht geschonden. 6.
- In het eerste onderdeel voert de verzoeker aan dat hij, in vergelijking met andere kandidaten, op een discriminerende wijze is behandeld. Volgens de verzoeker zou de discriminatie volgen uit de verkeerde toepassing van artikel 36, B, juncto bijlage 6, en artikel 40 van het statuut van het statuair personeel van de Provincie Vlaams-Brabant. 6.2.
- In de overwegingen van het bestreden besluit van 14 april 2005 wordt naar die bepalingen, alsmede naar artikel 43 van het statuut verwezen. De genoemde artikelen 36, 40 en 43, die alle voorkomen in titel 2 van het statuut, handelend over de bevordering, luiden als volgt: Art.
- Voor bevordering komen alleen de personeelsleden in aanmerking die: A. Algemene bevorderingsvoorwaarden: [...] B. Specifieke bevorderingsvoorwaarden: in voorkomend geval voldoen aan de specifieke bevorderingsvoorwaarden opgenomen in bijlage
- Art.
- Voor de bevordering van een lager tot een hoger niveau moet het personeelslid:
- de minimale niveauanciënniteit hebben: [...]
- slagen voor de selectie. Voor de bevordering tot een graad van niveau B moet het personeelslid bovendien in het bezit zijn van een diploma dat vereist is voor de aanwerving in die graad. Art.
- De kandidaten moeten op het ogenblik van de bevordering of van de opname in de bevorderingsreserve aan alle gestelde bevorderingsvereisten voldoen. Bijlage 6 bij het statuut stelt voor een aantal functies een diplomavereiste vast. Van die bijlage zijn aan de Raad van State twee verschillende versies voorgelegd. Het administratief dossier van de verwerende partij bevat een tekst die gecoördineerd is op 4 december
- Die versie is door de verzoeker ook gevoegd als bijlage bij zijn verzoekschrift. In die versie luiden de relevante bepalingen als volgt: IX-4977-7/13 Bijlage
- Overzicht van de functies per graad en van de respectieve diplomavereisten bij aanwerving Functie Graad Diploma Weddeschaal (in geval van aanwerving) [...] Niveau A [...] [...] [...] [...] bestuurssecretaris industrieel - industrieel ingenieur, optie ingenieur - landmeter of landmeter optie bouwkunde, met in dit geval diploma meetkundig schatter [...] [...] [...] [...] Bij zijn laatste memorie voegt de verzoeker evenwel een andere, niet-gedateerde versie van bijlage 6, luidend als volgt: Bijlage
- Overzicht van de functies per graad en van de respectieve diplomavereisten Functie Graad Diploma (in geval van aanwerving en in geval van bevordering naar administratief hoofdmedewerker en naar functies van het niveau B) [...] IX-4977-8/13 Niveau A [...] [...] [...] bestuurssecretaris - bestuurssecretaris - HO2C: industrieel industrieel ingenieur - industrieel ingenieur - ingenieur, optie landmeter landmeter landmeter of optie bouwkunde, met in dit geval diploma meetkundig schatter [...] [...] [...] Ter terechtzitting voert de verwerende partij aan dat deze laatste versie niet die is welke van toepassing was ten tijde van de bestreden beslissing. Het is te dezen niet nodig in te gaan op de vraag welke versie van bijlage 6 de juiste is. Artikel 36, B, van het statuut bepaalt immers dat de kandidaten voor een bevordering moeten voldoen aan “de specifieke bevorderingsvoorwaarden opgenomen in bijlage 6”. Nu bijlage 6 in geen van de voorgelegde versies “specifieke bevorderingsvoorwaarden” bevat, naast aanwervingsvoorwaarden, moet artikel 36, B, zo begrepen worden dat het de diplomavereisten die volgens bijlage 6 gelden voor een aanwerving in een bepaalde functie, van toepassing maakt voor een bevordering in die functie. Artikel 40, tweede lid, van het statuut moet in die interpretatie begrepen worden als een bepaling die de voornoemde regel uitdrukkelijk bevestigt voor de bevordering tot een graad van niveau B, en kan dan niet a contrario geïnterpreteerd worden in het geval van een bevordering tot een graad van een ander niveau, in dit geval het niveau A. In de twee versies van bijlage 6 geldt voor de functie van bestuurssecretaris - industrieel ingenieur - landmeter het vereiste van het diploma van industrieel ingenieur, optie landmeter of optie bouwkunde, met in dit laatste geval het bijkomende vereiste van het diploma van meetkundig schatter. Het is dat diplomavereiste dat ook vermeld is in de oproep tot de kandidaten. 6.2.
- Het voorgaande brengt mee dat het eerste onderdeel faalt naar recht, in zoverre de verzoeker aan het bestreden besluit verwijt dat het ten onrechte het bedoelde diplomavereiste als bevorderingsvoorwaarde in aanmerking neemt. De verzoeker voert daarnaast ook aan dat het diplomavereiste een ongeoorloofd verschil in behandeling in het leven roept tussen personen die over de IX-4977-9/13 genoemde diploma’s beschikken en personen die, zoals de verzoeker, het diploma van meetkundige-schatter van onroerende goederen hebben behaald. Volgens de verzoeker was het voor hem materieel onmogelijk om aan het diplomavereiste te voldoen, nu er in de periode 1982-1983 geen studie bestond van industrieel ingenieur, optie landmeter. Het enkele feit dat het niet mogelijk was om het diploma van industrieel ingenieur, optie landmeter of optie bouwkunde, te behalen in de periode dat de verzoeker studeerde voor meetkundige-schatter van onroerende goederen, toont echter niet aan dat het opleggen van het genoemde diplomavereiste voor een aanwerving of een bevordering in de functie van bestuurssecretaris - industrieel ingenieur - landmeter leidt tot een ongeoorloofd verschil in behandeling. Weliswaar voert de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord aan dat het diploma van meetkundige-schatter van onroerende goederen, gelet op de opleidingsvereisten, “zeker niet minderwaardig [was ten opzichte van] het diploma van technisch ingenieur” en dat het eerste diploma als “minstens gelijkgeschakeld dan wel gelijkwaardig” met het tweede diploma moest worden beschouwd. Uit de enkele beschrijving van de vereisten voor het verkrijgen van het eerste diploma kan echter niet worden afgeleid dat het vereisen van het tweede diploma te dezen discriminerend zou zijn. In dit opzicht kan het onderdeel dan ook niet aangenomen worden. 6.
- Wat betreft het tweede onderdeel, blijkt uit de bewoordingen ervan, alsmede uit de bijlagen die de verzoeker bij zijn verzoekschrift gevoegd heeft, dat hij ervan uitgaat dat de zogenaamde notulen van de vergadering van de bestendige deputatie van 14 april 2005 bestaan uit een document dat de artikelen 1 tot 6 van het dispositief van het besluit van 14 april 2005 weergeeft. Zoals hiervóór is opgemerkt, bevat het bestreden besluit echter ook een uitvoerig overwegend gedeelte, waarin onder meer de redenen worden gegeven voor het niet opnemen van de verzoeker in de bevorderingsreserve. Het onderdeel, dat uitgaat van een onjuiste lezing van de gegevens van het dossier, mist derhalve feitelijke grondslag. 7.
- In het tweede middel roept de verzoeker de schending in van de beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen, en van het “verwachtings- beginsel” en het redelijkheidsbeginsel in het bijzonder. In een eerste onderdeel roept de verzoeker de schending in van het redelijkheidsbeginsel. Hij voert aan dat de bevorderingsvoorwaarde dat de kandidaat IX-4977-10/13 een diploma moet bezitten van industrieel ingenieur, optie landmeter, niet redelijk is. Die voorwaarde heeft immers tot gevolg dat de verzoeker, afgestudeerd in een periode dat de studierichting industrieel ingenieur geen afdeling/optie landmeter had, de facto van een bevordering naar bestuurssecretaris-landmeter wordt uitgesloten. In een tweede onderdeel roept de verzoeker de schending in van het “verwachtingsbeginsel”. Hij voert aan dat de verwerende partij, door de verzoeker toe te laten tot de bevorderingsexamens, bij hem een verwachtingspatroon heeft ontwikkeld als zou het diplomavereiste niet gelden bij bevorderingen. Nu de verzoeker geslaagd is in het examen, moest hij minstens opgenomen worden in de bevorderingsreserve. 7.
- Met betrekking tot het eerste onderdeel moet worden vastgesteld dat de verzoeker niet de redelijkheid van een diplomavereiste op zich betwist. Hij voert enkel aan dat het vereiste van een diploma van industrieel ingenieur, optie landmeter, onredelijk is, omdat de verzoeker is afgestudeerd in een periode dat hij dat diploma niet kon behalen. Zoals de verwerende partij terecht opmerkt, is de kritiek van de verzoeker enkel gericht op het vereiste van het diploma van industrieel ingenieur met de optie landmeter, en rept hij met geen woord over de mogelijkheid of de onmogelijkheid voor hem om datzelfde diploma met de optie bouwkunde te behalen, in dat geval aangevuld met het -door hem behaalde- diploma van “meetkundig schatter”. De vraag rijst dan ook of het onderdeel wel tot de vernietiging van het bestreden besluit kan leiden. In elk geval toont het enkele feit dat het niet mogelijk was om het diploma van industrieel ingenieur, optie landmeter, te behalen in de periode dat de verzoeker studeerde voor meetkundige-schatter van onroerende goederen, niet aan dat het opleggen van het genoemde diplomavereiste voor een bevordering in de functie van bestuurssecretaris - industrieel ingenieur - landmeter kennelijk onredelijk is. Het onderdeel kan dus in elk geval niet worden aangenomen. 7.
- Met betrekking tot het tweede onderdeel kan ervan uitgegaan worden, zoals de verwerende partij in haar memorie van antwoord doet, dat de verzoeker met het “verwachtingsbeginsel” het vertrouwensbeginsel bedoelt. IX-4977-11/13 Dat beginsel kan echter slechts geschonden zijn indien het bestuur bij de rechtzoekende bepaalde verwachtingen heeft gewekt. Te dezen zijn de voorwaarden, zowel voor een benoeming bij aanwerving als voor een benoeming bij bevordering, echter van meet af duidelijk gemaakt voor de kandidaten, en is daarbij onder meer uitdrukkelijk melding gemaakt van het bekritiseerde diplomavereiste. Bovendien heeft de benoemende overheid, te dezen de bestendige deputatie, door de verzoeker toe te laten tot de selectieproeven, niet de indruk gewekt dat de verzoeker in aanmerking kwam voor een bevordering. Het hiervóór genoemde artikel 43 van het statuut van het statutair personeel van de Provincie Vlaams-Brabant bepaalt immers dat de kandidaten “op het ogenblik van de bevordering of van de opname in de bevorderingsreserve” aan alle gestelde bevorderingsvereisten moeten voldoen. Aan de bestendige deputatie kan niet verweten worden dat ze pas op het bedoelde ogenblik heeft nagegaan of de kandidaten aan de voorwaarden voldeden, en uit het ontbreken van een voorafgaand onderzoek van de diplomavereisten kunnen geen gewekte verwachtingen worden afgeleid. Het tweede onderdeel mist dan ook feitelijke grondslag. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. IX-4977-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 8 januari 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-4977-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.345 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.