← België

Arrest 189382 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 12/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.382 Rolnummer: A. 84990/IX-1883 Zaak: Arrest 189382 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 12/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-22 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 13:08 Fiche Arrest nr 189.382 van 12 januari 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.382 van 12 januari 2009 in de zaak A. 84.990/IX-

  1. In zake : XXXX tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat XXXX op 26 juni 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van: - het koninklijk besluit van 19 augustus 1998 waarbij Marc DE GEYNDT wordt benoemd tot auditeur-generaal van financiën bij de centrale diensten van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie, en van de voorbereidende handelingen van de zittingen van de directieraad van 12 september 1997 en 10 oktober 1997, haar betekend op 21 januari 1998, en de andere voorbereidende handelingen van de directieraad die haar niet werden betekend; - het koninklijk besluit van 10 januari 1999 waarbij Paul SWEVERS wordt benoemd tot auditeur-generaal van financiën bij de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit alsmede van de voorbereidende handelingen van de zittingen van de directieraad van 12 september 1997 en 10 oktober 1997, haar betekend op 21 januari 1998, en de andere voorbereidende handelingen van de directieraad die haar niet werden betekend; Gelet op het arrest nr. 82.797 van 11 oktober 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 7 december 1999 door de verzoekster; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; IX-1883-1/24 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 3 juni 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van de verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Gegevens van de zaak 1.
  2. Bij bekendmaking van 4 augustus 1997 met referentie SP 51-376/18-21 wordt één betrekking van auditeur-generaal van financiën bij de Administratie van de bijzondere belastinginspectie (hierna: BBI) vacant verklaard. Bij dit bericht is een functiebeschrijving gevoegd, alsmede een profiel van de gezochte kandidaat. De verzoekster en Marc DE GEYNDT stellen hun kandidatuur, samen met nog 20 andere collega's, voor deze betrekking. Met een nota van 29 augustus 1997 worden de kandidaturen aan de directieraad overgemaakt. Bij bekendmaking van eveneens 4 augustus 1997 met referentie SP 51-376/20-1 worden zes betrekkingen van auditeur-generaal van financiën bij de centrale diensten van de nieuwe Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit (hierna: AOIF) vacant verklaard. Vier van deze betrekkingen zijn voorbehouden aan ambtenaren afkomstig van de Administratie van de directe IX-1883-2/24 belastingen. De verzoekster en Paul SWEVERS, beiden directeur bij de directe belastingen, stellen hun kandidatuur, samen met nog 39 andere collega's, voor deze betrekkingen. De kandidaturen voor deze betrekking worden met een nota van 5 september 1997 aan de directieraad overgemaakt. 1.
  3. De kandidaturen voor al deze betrekkingen maken het voorwerp uit van één globaal onderzoek door de directieraad in zijn zitting van 12 september
  4. Over de verzoekster, Marc DE GEYNDT en Paul SWEVERS luiden de notulen als volgt: “XXXX. In hoofde van Mevrouw XXXX werd in het verleden herhaaldelijk vastgesteld dat zij een groot aantal dossiers onnodig in haar bezit hield, zodat haar moest worden opgelegd maandelijks verslag uit te brengen nopens de dossiers die niet binnen een redelijke termijn werden afgehandeld. Er moesten bovendien maatregelen worden getroffen om de in haar werkzaamheden ontstane achterstand weg te werken. Mevrouw XXXX beantwoordt thans in onvoldoende mate aan het profiel dat voor een Auditeur-generaal van financiën mag worden vooropgezet. Na geheime stemming sluit de Raad zich eenparig aan bij dit advies. (...) DE GEYNDT M. De heer DE GEYNDT komt in aanmerking voor de betrekking bij de Bijzondere Belastinginspectie. Op tussenkomst van de heer V. stelt de Raad de benoeming voor van de heer DE GEYNDT, die niet wordt voorbijgestreefd door na hem gerangschikte kandidaten. (...) SWEVERS P. Gelet op het dossier ‘AUTEURS’ oordeelt de Raad, na geheime stemming, met 14 stemmen voor en 2 onthoudingen, dat betrokkene voor het ogenblik in onvoldoende mate beantwoordt aan het profiel dat voor een auditeur-generaal van financiën mag worden vooropgezet.” Deze bespreking leidt tot de volgende voorstellen: - Marc DE GEYNDT wordt voorgesteld voor de betrekking van auditeur-generaal van financiën bij de Administratie van de BBI; - noch Paul SWEVERS, noch de verzoekster worden voorgesteld voor één van de vier betrekkingen bij AOIF die voorbehouden zijn voor ambtenaren van de Administratie van de directe belastingen. Evenwel wordt slechts voor drie IX-1883-3/24 betrekkingen een voordracht gedaan; de voordracht voor de vierde betrekking wordt uitgesteld. De bevorderingsvoorstellen worden in afzonderlijke mededelingen van 16 september 1997 ter kennis gebracht van de kandidaten. 1.
  5. Op 24 september 1997 dient de verzoekster een bezwaarschrift in tegen het voorstel om Marc DE GEYNDT te benoemen tot auditeur-generaal van financiën bij de Administratie van de BBI. Daarin stelt zij: - dat zij zeer ontgoocheld is dat zij niet werd voorgedragen omdat zij rang inneemt vóór Marc DE GEYNDT en zij steeds een integer en eerlijk ambtenaar is geweest die met heel veel inzet voor de administratie heeft gewerkt en haar ervaring nooit aan de privé-sector heeft verkocht; - dat haar niet voorstellen betekent dat zij in de ogen van haar collega's en van de buitenwereld als een “gesanctioneerde wegens lekken” zal worden beschouwd; - dat er geen rekening werd gehouden met de wet van 17 juli 1997 tot wijziging van de wet van 20 juli 1990 ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid; - dat Marc DE GEYNDT niet voldoet aan de benoemingsvoorwaarden die in de vacature waren gesteld omdat hij niet de nodige graadanciënniteit heeft die door het organiek reglement wordt vereist om benoemd te worden tot auditeur-generaal van financiën bij de centrale diensten van de Administratie van de BBI. Op 22 september 1997 dienen zowel de verzoekster als Paul SWEVERS een bezwaarschrift in tegen de voorstellen voor benoeming in de drie betrekkingen bij de AOIF. 1.
  6. Op 10 oktober 1997 onderzoekt de directieraad de bezwaarschriften die de verzoekster en Paul SWEVERS indienden tegen de bevorderingsvoorstellen bij AOIF. Hij beslist de bespreking van de bezwaarschriften tegen het benoemingsvoorstel van Marc DE GEYNDT uit te stellen teneinde enkele aspecten van het dossier, blijkbaar onder meer de vraag of Marc DE GEYNDT wel aan de benoemingsvereisten qua anciënniteit voldoet, nader te onderzoeken. In verband met het bezwaarschrift van Paul SWEVERS stelt de directeur-generaal van de Administratie van de BBI vooreerst dat het niet de bedoeling was hem voorbij te streven, maar wel zijn kandidatuur in beraad te houden en de betrekking slechts later toe te kennen. De raad stelt verder dat, hoewel de IX-1883-4/24 bekwaamheden van Paul SWEVERS niet worden betwist, hij niet benoemd kan worden omdat hij op dat ogenblik niet het vertrouwen geniet maar dat niets belet dat hij later, eens het vertrouwen hersteld, nog kan worden benoemd. Hij kan trouwens snel opgevist worden want één der betrekkingen wordt voorlopig nog niet toegekend. Zijn bezwaarschrift wordt zonder gevolg gerangschikt. De verzoekster wordt door de directieraad gehoord. Zij gaat uitgebreid in op wat haar is aangedaan naar aanleiding van de zaak “auteurs” waarin zij in opspraak is gekomen en verklaart nogmaals dat zij steeds integer is geweest en niets te maken heeft met die zaak. Haar betoog komt erop neer dat zij zich onheus behandeld voelt door de administratie en dat zij betreurt dat de administratie haar niet in eer heeft hersteld door haar voor bevordering voor te dragen. Zij verwijst verder naar het werk dat zij heeft gepresteerd op de dienst “conventies” en naar het succes dat zij aldaar, ondanks het gebrek aan medewerking van haar oversten, heeft geboekt in een belangrijk dossier. Daarin moet, zo houdt zij voor, ook de verklaring worden gevonden voor de achterstand in andere dossiers, die evenwel van heel wat minder belang waren. Zij bespreekt ook haar leiderscapaciteiten, waarbij zij stelt dat zij niet autoritair kan omgaan met personeel maar dat zij meent dat men respect afdwingt door kennis. Vervolgens bespreekt de directieraad het bezwaarschrift van de verzoekster. Die bespreking wordt in de notulen weergegeven als volgt: “De voorzitter stelt vast dat Mevr. XXXX, alleen al door de wijze waarop zij haar motivering heeft uiteengezet, heeft bewezen dat zij niet over de bekwaamheden beschikt om te worden benoemd in een ambt van rang
  7. Gedurende 35 minuten heeft zij hoofdzakelijk naast de kwestie gepraat en is in bijkomende orde ter zake gekomen voor wat betreft de verdediging van haar kandidatuur in functie van de gevraagde profielen. Een lid bevestigt dat Mevr. XXXX een degelijke technische kennis heeft en inderdaad resultaten heeft geboekt in het dossier met de Amerikanen, maar dat men niet zoekt naar mensen die dossiers kunnen doen, maar wel naar mensen die bekwaam zijn voor de functie van auditeur-generaal.” Tot slot stelt de directieraad vast dat de verzoekster geen nieuwe elementen heeft aangebracht die van aard zijn de benoemingsvoorstellen in vraag te stellen en beslist hij met 10 stemmen tegen 1 haar bezwaarschrift zonder gevolg te rangschikken. 1.
  8. Bij koninklijk besluit van 18 november 1997 worden onder meer drie van de vier betrekkingen van auditeur-generaal van financiën bij de AOIF, die voorbehouden waren voor ambtenaren afkomstig van de Administratie van de IX-1883-5/24 directe belastingen, begeven. Noch Paul SWEVERS, noch de verzoekster behoren tot de benoemden. 1.
  9. Op 30 januari 1998 onderzoekt de directieraad de bezwaarschriften tegen de voordracht van Marc DE GEYNDT voor benoeming tot auditeur-generaal van financiën bij de Administratie van de BBI. De directeur-generaal van die administratie zet eerst uiteen waarom Marc DE GEYNDT wel degelijk voldoet aan de benoemingsvoorwaarden. Dan worden de verschillende bezwaarschriften besproken. In verband met verzoeksters bezwaarschrift bevatten de notulen volgend relaas: “De h. V. herinnert eraan dat de Voorzitter heeft vastgesteld dat Mevr. XXXX, alleen al door de wijze waarop zij haar motivering had uiteengezet, had bewezen dat zij niet over de bekwaamheden beschikt om te worden benoemd in een ambt van rang
  10. De h. T. bevestigt dat er sedertdien zeker geen verbetering is opgetreden. Na te hebben vastgesteld dat betrokkene geen enkel nieuw element naar voren heeft gebracht dat van aard is om de uitgebrachte benoemingsvoorstellen in vraag te stellen, gaat de Raad over tot de geheime stemming, en beslist unaniem het bezwaarschrift van Mevr. XXXX zonder enig ander gevolg in het dossier op te bergen.” 1.
  11. Op 27 april 1998 wordt het benoemingsdossier van Marc DE GEYNDT voorgelegd aan de Minister van Financiën. Bij koninklijk besluit van 19 augustus 1998 wordt Marc DE GEYNDT bevorderd tot auditeur-generaal van financiën bij de centrale diensten van de Administratie van de BBI. Dit besluit, dat bij uittreksel wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 april 1999, is het eerste bestreden besluit. 1.
  12. Op 1 april 1998, heeft de directeur-generaal van de Administratie van de BBI de secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën aangeschreven betreffende de vierde, onbezet gelaten betrekking van auditeur-generaal van financiën bij de AOIF. Hij herinnert eraan dat de directieraad beslist heeft die betrekking voorlopig niet toe te kennen omdat de toestand van Paul SWEVERS onduidelijk was ingevolge diens vermeende betrokkenheid bij het dossier “auteurs”. Hij wijst er dan op dat noch het tuchtonderzoek noch het gerechtelijk onderzoek enig feit hebben opgeleverd dat ten laste van Paul SWEVERS zou moeten worden weerhouden en hij meent dat er geen redenen meer bestaan om het onderzoek van de kandidaturen voor deze betrekking nog langer in beraad te houden. IX-1883-6/24 1.
  13. Op 29 mei 1998 onderzoekt de directieraad de kandidaturen voor de tot dan toe niet toegewezen betrekking bij de AOIF. Er wordt een uitvoerige bespreking gewijd aan de kandidatuur van Paul SWEVERS nadat is vastgesteld dat uit een gevoerd tuchtonderzoek blijkt dat hem niets kan worden verweten in het dossier “auteurs”. Die bespreking wordt in de notulen als volgt weergegeven: “In verband met de h. SWEVERS stelt de h. V. dat deze kandidaat aangeschreven staat als zeer bekwaam en als iemand die werkt met zeer veel inzet. Hij werkt sedert jaren op de Bijzondere Belastinginspectie, waar hij belast werd met moeilijke dossiers, zoals bijvoorbeeld de zaak Beaulieu en het onderzoek in de meelsector. In dit laatste dossier fungeerde hij als coördinator en speelde hij een leidende rol. De h. V. is ervan overtuigd dat de h. SWEVERS bij de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit het vertrouwen niet zal beschamen. Hij voegt daar nog aan toe dat de h. SWEVERS samen met de h. S. lid was van de werkgroep ‘Administratieve Organisatie’ die werd opgericht voor de voorbereiding van de herstructurering van de fiscale besturen, waar zij de meeste steun hebben verleend aan de h. V., die deze werkgroep voorzat. Een lid verklaart zich niet te verzetten tegen het voorstel, maar zal zich - gelet op het vroeger ingenomen standpunt met betrekking tot het dossier ‘Auteurs’ - onthouden. De Raad gaat vervolgens over tot de geheime stemming en stelt, met 11 stemmen voor en 4 onthoudingen, de benoeming voor tot auditeur-generaal van financiën van de h. SWEVERS, directeur. Met uitzondering van de hh. C., V., V.S., H., Si. en Su., voornoemd, rangschikt de voorgestelde kandidaat zich aan het hoofd van de optredende kandidaten. Rekening houdende met de geschiktheden vereist voor de uitoefening van het te begeven ambt, evenals met het belang van de dienst, wordt hij niet voorbijgestreefd door de na hem gerangschikte kandidaten.” Uit de notulen blijkt niet dat er op die vergadering nog enige aandacht werd besteed aan de kandidatuur van de verzoekster. 1.
  14. Het benoemingsvoorstel wordt op 2 juni 1998 meegedeeld aan de kandidaten. 1.
  15. Op 9 juni 1998 tekent de verzoekster bezwaar aan tegen dat benoemingsvoorstel. Zij voert aan dat bij deze voordracht geen rekening werd gehouden met de wet van 20 juli 1980 ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid, zoals deze werd gewijzigd door de wet van 17 juli
  16. Volgens haar moet ingevolge die wet één van de drie Nederlandstalige betrekkingen van auditeur- generaal van financiën bij de centrale administratie van de AOIF, betrekkingen die IX-1883-7/24 automatisch zitting geven in het College van dienstchefs, toekomen aan een kandidaat van het vrouwelijk geslacht. Zij stelt verder dat zij uit de gesprekken die zij met haar directeur-generaal heeft gehad, meent te kunnen afleiden dat de werkelijke reden waarom zij niet wordt voorgedragen te vinden is in het feit dat zij indertijd door berichten in de pers in opspraak is gebracht in verband met het dossier “auteurs”, wat ook heeft geleid tot een tijdelijke schorsing en een overplaatsing. Deze berichten zouden het vertrouwen van het publiek in de administratie ernstig hebben geschaad. Zij betoogt dat niet zij daarvoor verantwoordelijk is, maar veeleer de personen die onterechte beschuldigingen over haar in de pers hebben verspreid. Zij stelt verder de vraag waarom, indien er indertijd redenen waren om de kandidatuur van Paul SWEVERS niet in aanmerking te nemen, deze nu voor hem niet meer zouden bestaan, terwijl er met haar kandidatuur andermaal geen rekening wordt gehouden. Zij verzekert de leden van de directieraad dat zij steeds een integer ambtenaar is geweest en vestigt er de aandacht op dat haar onmiddellijke chef van oordeel is dat zij haar directie met bekwame hand leidt. Ten slotte vraagt zij om door de directieraad te worden gehoord. 1.
  17. Op 3 juli 1998 wordt de verzoekster door de directieraad gehoord. De verzoekster komt vooreerst uitgebreid terug op het feit dat zij in de pers in opspraak werd gebracht in het kader van het dossier “auteurs”. Zij stelt dat zij zelf nooit “auteur” is geweest, in tegenstelling tot Paul SWEVERS, die zij evenwel van niets wil beschuldigen. Zij stelt verder dat de beoordeling van haar hiërarchische meerdere dat zij haar nieuwe directie met bekwame hand leidt aantoont hoe zij zich in moeilijke omstandigheden heeft aangepast nadat zij van dienst werd veranderd. Ook meent zij dat het oordeel dat de secretaris-generaal tijdens de vergadering van de directieraad van 10 oktober 1997 over haar kandidatuur uitbracht, namelijk dat zij door de wijze waarop zij haar motivering uiteenzette bewezen had niet te beschikken over de bekwaamheid om te worden benoemd in een graad van rang 15, een zeer arbitraire beslissing is. Zij verklaart dat iedereen die met haar heeft samengewerkt kan bevestigen dat zij steeds haar best heeft gedaan, maar dat zij heeft moeten vaststellen dat vrouwen meer moeten aantonen wat ze kunnen dan mannen. Zij geeft dan een overzicht van haar loopbaan om aan te tonen dat zij vanaf het begin zeer gemotiveerd was. Zij weerlegt ook de redenen die in september 1997 werden aangehaald om haar niet voor te stellen, namelijk dat zij achterstand had bij de IX-1883-8/24 afhandeling van haar dossiers. Zij zet uiteen dat niet zij aan de basis lag van die achterstand maar wel het feit dat, terwijl het werkvolume aanzienlijk was toegenomen, er gedurende jaren een gebrek was aan bekwaam personeel en iedere uitbreiding van het personeelsbestand werd geweigerd. Om haar managerscapaciteiten te bewijzen verwijst zij naar het door haar met succes afgehandelde zeer belangrijke APA-dossier waaraan zij veel tijd heeft moeten besteden met als gevolg dat enkele kleinere dossiers zijn blijven liggen. Ten slotte verwijst zij nog naar de brief van de secretaris-generaal van 11 maart 1998 waarin deze zijn wil te kennen geeft om meer ruimte te geven aan vrouwen tot in de hoogste beslissingsniveaus. Er ontspint zich dan over verzoeksters kandidatuur een debat dat in de notulen wordt weergegeven als volgt: “De Voorzitter zegt aan Mevr. XXXX dat hij persoonlijk veel begrip opbrengt voor haar toestand. Hij vraagt of er leden zijn die vragen wensen te stellen. Een lid vraagt zich af of er feiten zijn die door Mevr.XXXX werden gepleegd die foutief of strafbaar zijn, dan wel of het alleen maar gaat om loze beschuldigingen. Daar geen enkel lid haar een vraag wenst te stellen, trekt Mevr. XXXX zich terug om 9u.
  18. De h. T. verklaart dat Mevr. XXXX op het vlak van taxatie zeker bekwaamheden bezit. In verband met de gebeurtenissen die zich hebben afgespeeld begin 1997, herinnert de h. T. eraan dat na de huiszoekingen het niet onmiddellijk duidelijk was in hoeverre Mevr. XXXX betrokken was in de zaak D. De schorsing van Mevr. XXXX werd zeer snel opgeheven nadat de gerechtelijke overheden hadden laten verstaan dat de feiten die in hoofde van betrokkene werden vastgesteld geen aanleiding zouden geven tot strafrechtelijke vervolgingen, doch zich eerder op het deontologische vlak situeerden. Aangezien het niet aangewezen was haar te laten terugkeren naar haar vorige dienst, werd zij aangewezen voor de nieuwe dienst Wetgeving. Zij is er dus in moeilijke omstandigheden moeten starten, en presteert daar nu sedert ongeveer 1 jaar op een aanvaardbare manier. Gelet op de omstandigheden van het moment verlopen de contacten met Mevr. XXXX op een moeizame manier. Zij is niet altijd tot medewerking bereid en ziet vooral de fouten die aan anderen worden verweten. Nadat de h. T. op verzoek van Mevr. XXXX een onderhoud tussen haar en de h. L. had geregeld, zou zij het verloop van dit onderhoud op band hebben opgenomen. Hiervan zijn wel geen bewijzen, doch de h. D.G. merkt op hij uitdrukkelijk de vraag heeft gesteld aan betrokkene en dat zij in elk geval niet ontkend heeft. Tot slot zegt de h. T. dat Mevr. XXXX beschikt over een uitstekende kennis op het vlak van de vennootschapsbelasting en van de internationale overeenkomsten, doch dat zij voor wat betreft het leiden van een dienst nog inspanningen dient te leveren, zodat zij op dit ogenblik nog niet in aanmerking komt voor een betrekking van rang
  19. IX-1883-9/24 De h. T. wenst nog te vermelden dat hij vlak vóór het overlijden van de h. D. nog gevraagd had het gerechtelijk dossier opnieuw te mogen inkijken, met de bedoeling na te gaan of er redenen waren om een tuchtdossier te openen. Dit probleem is nu niet meer aan de orde, maar het fiscaal onderzoek wordt in elk geval voortgezet. Een lid stelt vast dat Mevr. XXXX bepaalde feiten worden verweten. Anderzijds is het positief dat haar wel bepaalde bekwaamheden worden toegewezen. Indien zij haar dienst slecht heeft geleid dan zou dit zijn omdat zij veel zelf doet. Een ander lid verwijst naar het feit dat Mevr. XXXX vroeger reeds werd voorbijgestreefd omwille van een gebrek aan leiderschapscapaciteiten. De vraag stelt zich nu of Mevr. XXXX, zonder rekening te houden met de recente gebeurtenissen rond haar persoon, al dan niet kan worden voorgesteld voor een betrekking van auditeur-generaal van financiën. De hh. T. en De. menen dat Mevr. XXXX op dit ogenblik nog niet over de vereiste bekwaamheden beschikt. De h. D.G. voegt daaraan toe dat ook reeds vroeger sommige ambtenaren probeerden weg te vluchten uit de dienst die door betrokkene werd geleid, wat duidelijk aantoont dat zij problemen heeft om leiding te geven aan een ploeg. Daarom is het ook niet uitgesloten dat Mevr. XXXX later in aanmerking zou kunnen komen voor een bevordering in de schaal 13S2 in een functie waar niet noodzakelijk leiderschapscapaciteiten vereist zijn. Enkele leden dringen erop aan Mevr. XXXX duidelijk in te lichten omtrent de redenen waarom zij niet wordt voorgesteld. De Voorzitter vreest dat Mevr. XXXX daar nu geen begrip zal voor opbrengen, maar oordeelt eveneens dat moet getracht worden de boodschap zo goed mogelijk over te brengen. De h. D.G. benadrukt tenslotte dat Mevr. XXXX in dit geval niet wordt voorbijgestreefd aangezien zij zich rangschikt na de h. SWEVERS. Overigens heeft de Directieraad geen enkele rechtsgrond om voorrang te geven aan vrouwelijke kandidaten.” De directieraad beslist dan bij geheime stemming met twaalf stemmen voor en drie onthoudingen het bezwaarschrift van de verzoekster zonder enig gevolg in het dossier op te bergen. 1.
  20. Bij brief van 18 september 1998 wordt het advies van de directieraad samen met het benoemingsdossier overgemaakt aan de minister. 1.
  21. Bij koninklijk besluit van 10 januari 1999 wordt Paul SWEVERS bevorderd tot auditeur-generaal van financiën bij de AOIF. Dit besluit, dat bij uittreksel wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 april 1999, is het tweede bestreden besluit. IX-1883-10/24
  22. Bij koninklijk besluit van 4 april 2003 wordt de verzoekster, met ingang van 1 juni 2002, benoemd tot auditeur-generaal bij de Administratie van fiscale zaken. Verzoek tot samenvoeging met de zaak A. 77.881/V-
  23. 3.
  24. In haar memorie van wederantwoord vraagt de verzoekster dat het onderhavig beroep behandeld zou worden samen met het beroep dat zij op 16 maart 1998 heeft ingediend, gekend onder het nummer A. 77.881/V-1521, tegen de benoemingen van de heren P.D., E.B. en J.G., omdat dezelfde voorbereidende handelingen aan de basis liggen van al deze benoemingen. 3.
  25. De Raad van State heeft inmiddels, met zijn arrest nr. 124.750 van 28 oktober 2003, reeds uitspraak gedaan in de zaak A. 77.881/V-
  26. Bijgevolg is het verzoek tot samenvoeging zonder voorwerp geworden. Ontvankelijkheid van het beroep 4.
  27. De verwerende partij werpt een eerste exceptie van onontvankelijkheid op, afgeleid uit het feit dat er onvoldoende samenhang bestaat om de twee bestreden benoemingen op een ontvankelijke wijze met één enkel verzoekschrift te kunnen bestrijden. Zij meent dat het beroep slechts ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen het eerste aangevochten besluit, zijnde de benoeming van Marc DE GEYNDT. In zoverre het beroep gericht is tegen de benoeming van Paul SWEVERS, is het daarentegen onontvankelijk. 4.
  28. In haar memorie van wederantwoord repliceert de verzoekster dat er wel voldoende samenhang is omdat aan de basis van de twee benoemingen dezelfde eerste voorbereidende handelingen van de directieraad van 12 september en 10 oktober 1997 liggen en de beide benoemingen het voorwerp hebben uitgemaakt van één globaal onderzoek door de directieraad tijdens de zitting van 12 september
  29. 4.
  30. De verzoekster bestrijdt in één enkel verzoekschrift twee verschillende bevorderingen tot auditeur-generaal van financiën, namelijk die van Marc DE GEYNDT bij de Administratie van de BBI en die van Paul SWEVERS bij de AOIF. IX-1883-11/24 4.3.
  31. Verscheidene vorderingen kunnen slechts ontvankelijk met één enkel verzoekschrift aanhangig worden gemaakt indien de wezenlijke elementen ervan zozeer samenhangen dat het aangewezen lijkt, onder meer in het belang van het onderzoek of ter voorkoming van tegenspraak tussen rechterlijke beslissingen, die rechtsvorderingen als één zaak te behandelen en er in één arrest uitspraak over te doen, of nog indien het als waarschijnlijk voorkomt dat de vaststellingen gedaan of de beslissingen genomen met betrekking tot één vordering een weerslag zullen hebben op de uitkomst van de andere. Indien de vorderingen niet voldoende samenhangen wordt alleen de belangrijkste of, bij gelijk te achten belang, de eerst in het verzoekschrift vernoemde vordering, geacht regelmatig te zijn ingesteld. Wanneer met name verscheidene benoemingen met één en hetzelfde verzoekschrift worden bestreden, is er slechts voldoende samenhang tussen die benoemingen indien zij zijn gebeurd op basis van eenzelfde benoemingsprocedure of indien de procedures volledig gelijktijdig zijn verlopen en het onderzoek van de beroepen geen afzonderlijke behandeling noch afzonderlijke debatten vereist. 4.3.
  32. In casu zijn de bestreden benoemingen verricht bij afzonderlijke fiscale besturen. Voor de Administratie van de BBI en de AOIF waren er afzonderlijke profielen opgegeven. De procedures werden gestart door afzonderlijke vacantverklaringen, weliswaar van dezelfde datum. De procedures zijn niet volledig gelijktijdig verlopen, dit is enkel het geval voor het eerste onderzoek door de directieraad op 12 september
  33. Nadien echter zijn de twee procedures los van elkaar verlopen en wel in die mate dat de vergelijking tussen de verzoekster en Marc De GEYNDT enerzijds en Paul SWEVERS anderzijds verder op afzonderlijke vergaderingen en op grond van afzonderlijke bezwaarschriften is verlopen met eigen motiveringen, zelfs voor de redenen waarom de verzoekster niet werd voorgesteld voor de betrekking. De afwerking van de procedures is dermate uit elkaar verlopen dat de benoeming van Marc DE GEYNDT reeds gebeurde op 19 augustus 1998, terwijl deze van Paul SWEVERS pas op 20 januari 1999 kon gebeuren. Tevens is het zo dat de bestreden benoemingen losstaan van elkaar: het resultaat van het beroep tegen de benoeming van Marc DE GEYNDT is niet bepalend voor dat van het beroep gericht tegen de benoeming van Paul SWEVERS, daar de vernietiging van een benoeming in de ene administratie zonder invloed is op deze in de andere. IX-1883-12/24 Bijgevolg is het beroep slechts ontvankelijk voor zover het gericht is tegen het eerste bestreden besluit, namelijk dat waarbij Marc DE GEYNDT benoemd wordt tot auditeur-generaal van financiën bij de Administratie van de BBI. In zoverre het beroep gericht is tegen de benoeming van Paul SWEVERS, is het daarentegen onontvankelijk. 4.3.
  34. De eerste exceptie is gegrond. 5.
  35. De verwerende partij werpt een tweede exceptie van onontvankelijkheid op, afgeleid uit het feit dat de voorbereidende handelingen van de directieraad bij de benoeming van Marc DE GEYNDT tot auditeur-generaal van financiën niet bindend zijn voor de benoemende overheid en als dusdanig dan ook niet vatbaar zijn voor vernietiging. In zoverre het beroep tegen die voorbereidende handelingen is gericht, is het onontvankelijk. 5.
  36. Artikel 26, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel, zoals die bepaling van toepassing was op het ogenblik van het bestreden besluit, bepaalt dat in de gevallen waarin de directieraad een met redenen omkleed advies moet geven, hij maximum vijf kandidaten per vacante betrekking kan voorstellen. Artikel 27bis van dat besluit bepaalt in zijn eerste lid dat in niveau 1 voorrang wordt gegeven aan diegene van de kandidaten die eenparig door de directieraad is voorgedragen en in zijn tweede lid, dat indien de minister meent niet te kunnen instemmen met het eenparige voorstel van de directieraad en hij een ander van de vijf kandidaten voordraagt, hij zijn voorstel behoorlijk moet motiveren. Die bepalingen moeten zo worden begrepen dat de minister gebonden is door het voorstel van de directieraad, in die zin dat hij geen kandidaat kan voordragen die niet door de directieraad werd voorgesteld. Dat heeft dan tot gevolg dat, als een kandidaat niet wordt voorgesteld door de directieraad, hij niet meer kan worden benoemd binnen het raam van de aan gang zijnde benoemingsprocedure. Aldus benadeelt de weigering om een kandidaat voor te stellen de betrokkene onmiddellijk, zodat die handeling in zijnen hoofde wel een voor vernietiging vatbare handeling is. Het feit dat het daarbij nog om een voorbereidende handeling zou gaan, voorbereidend dan op de eindbeslissing die de benoeming is, doet aan deze conclusie geen afbreuk, nu ook een voorbereidende handeling reeds een echte voorbeslissing kan zijn. IX-1883-13/24 5.
  37. De beslissing van de directieraad om de verzoekster niet voor te dragen benadeelt de verzoekster meteen en is als dusdanig in haren hoofde een voor vernietiging vatbare handeling. In zoverre faalt de exceptie naar recht. De voordracht van Marc DE GEYNDT is daarentegen een louter voorbereidende handeling, die niet bindend is voor de benoemende overheid en die op zichtzelf geen definitieve rechtsgevolgen heeft. De minister zou immers kunnen weigeren een door de directieraad voorgedragen kandidaat voor benoeming aan de Koning voor te dragen. Als zodanig is de voordracht door de directieraad dan ook geen voor vernietiging vatbare handeling. Weliswaar kan een niet-benoemde kandidaat de onregelmatigheid van een voorbereidende handeling aanvoeren ter ondersteuning van een beroep tot nietigverklaring van de benoemingen die erop zijn gevolgd, maar dit neemt niet weg dat het beroep tegen de voorbereidende handeling zelf niet ontvankelijk is. In zoverre is de tweede exceptie gegrond. Ten gronde 6.
  38. In een eerste middel, eerste onderdeel, voert de verzoekster de schending aan van het beginsel van de zorgvuldige besluitvorming. Volgens de verzoekster heeft geen ernstige en objectieve vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten plaatsgehad en is er duidelijk sprake van vooringenomenheid van de directieraad ten aanzien van de in aanmerking genomen kandidaten. Dat er geen ernstige vergelijking van de titels en de verdiensten van de kandidaten heeft plaatsgevonden blijkt, volgens de verzoekster, uit de volgende elementen: 1) De directieraad heeft als leidraad voor zijn onderzoek de bevindingen van het College van dienstchefs genomen, welke niet in een afzonderlijke nota aan de directieraad werden toegezonden. De directieraad heeft deze bevindingen zonder veel commentaar overgenomen, terwijl niet blijkt dat de vergelijking van de titels en de verdiensten door dit college effectief werd uitgevoerd. 2) Op de zitting van de directieraad van 12 september 1997 heeft geen vergelijking plaatsgevonden. Wat betreft de in aanmerking genomen kandidaten wordt enkel, zonder enige motivering, vermeld dat zij beantwoorden aan het profiel vereist voor de betrekking. Met betrekking tot de verzoekster beperkt het advies zich ertoe enkel negatieve elementen naar voor te brengen die niet worden IX-1883-14/24 gemotiveerd, om hieruit af te leiden dat zij thans in onvoldoende mate zou beantwoorden aan het profiel dat voor een auditeur-generaal wordt vooropgesteld. 3) De directieraad heeft de benoemende overheid onvoldoende ingelicht aangaande haar verdiensten. Zo werd haar de beoordeling “zeer goed” toegekend, heeft zij verschillende bijzondere inschrijvingen op haar persoonlijke fiche en kan zij felicitaties van de minister voorleggen. Er kan dus niet worden gesteld dat zij geen voldoening schonk. 4) Na het verhoor van de verzoekster op 10 oktober 1997 besluit de directieraad dat zij niet over de bekwaamheden beschikt om te worden benoemd in een ambt van rang 15, zulks in tegenstelling tot het proces-verbaal van de zitting van 12 september 1997 waarin staat dat zij “thans in onvoldoende mate” beantwoordt aan het vereiste profiel. Deze strengere beoordeling vindt volgens de verzoekster haar oorzaak in het feit dat verschillende leden van de directieraad niet meer op een objectieve wijze over haar konden oordelen omdat haar levenspartner tegen hen klacht had ingediend bij het parket en zij dus rechter en partij waren. 5) De door de verzoekster ingediende bezwaarschriften worden in het dossier opgeborgen zonder dat de door haar aangehaalde argumenten worden weerlegd. Eén lid heeft op de zitting van 10 oktober 1997 wel toegegeven dat zij een degelijke technische kennis bezit. Het verslag van de zitting van 10 oktober 1997, waarop zij zich niet mocht laten bijstaan door een raadsman, is bovendien geen correcte weergave van haar motivering. 6) De directieraad heeft op de zitting van 12 september 1997 zoveel kandidaturen behandeld en zoveel kandidaten beoordeeld dat dit niet op een behoorlijke wijze kan zijn gebeurd. 7) De vergelijking van de titels dient bovendien objectief te zijn, hetgeen ondermeer impliceert dat aan sommige kandidaten niet meer welwillendheid mag worden betoond dan aan anderen. Dat er sprake was van een bepaalde vooringenomenheid blijkt ondermeer uit het feit dat Marc DE GEYNDT werd voorgedragen niettegenstaande hij niet voldeed aan de wettelijke vereisten om te worden voorgedragen, namelijk de vereiste graadanciënniteit volgens het organiek reglement. Een gebrek aan objectiviteit blijkt bovendien uit de bekendmaking van de vacante betrekkingen. De profielbeschrijvingen zijn als het ware op maat geschreven van de benoemden. In dit kader verwijst de verzoekster naar de benoemingen van P.D. en J.G. 8) De door de directieraad gehanteerde rangschikking is niet duidelijk. Alle kandidaten werden door elkaar gerangschikt ongeacht van welke administratie zij afkomstig waren en ongeacht tot welke taalrol zij behoorden, en dit in strijd IX-1883-15/24 met hetgeen vermeld was in de bekendmakingen van de vacante betrekkingen. De verzoekster betwist dan ook haar plaats in de rangschikking en stelt dat zij niet op de 27ste maar op de 7de plaats dient gerangschikt te worden. Het enige voorhanden zijnde objectief meetbaar criterium, de graadanciënniteit, werd ter zijde geschoven zonder dat werd aangegeven waarom. Uit het voorgaande blijkt volgens de verzoekster dat het advies dat door de directieraad werd uitgebracht en dat tot doel heeft de benoemende overheid op juiste en afdoende wijze te informeren over de titels en verdiensten van de verschillende kandidaten, onwettig is en het redelijkheidsbeginsel schendt. De bestreden beslissingen, die dit advies overnemen of hierop gesteund zijn, zijn bijgevolg aangetast door dezelfde onwettigheid. 6.
  39. De verwerende partij antwoordt hierop in haar memorie van antwoord als volgt: 1) De directieraad heeft zich laten voorlichten door het College van dienstchefs, hetgeen in overeenstemming is met de beslissing van 20 november 1959 van de directieraad waarbij bepaald wordt dat het bestuurshoofd persoonlijk de benoemingsvoorstellen uitbrengt indien het gaat om benoemingen bij de centrale administraties. De bestuurschef kan hiertoe het College van de betrokken administratie raadplegen maar is daartoe niet verplicht. Indien het College wordt geraadpleegd is diens advies niet bindend. De verzoekster is niet in haar belangen geschaad door het feit dat er gebruik werd gemaakt van een advies van het College van dienstchefs. Alle stukken werden meegedeeld aan de leden van de directieraad zodat dezen met kennis van zaken konden oordelen. 2) Uit de processen-verbaal van de zittingen van de directieraad blijkt dat verzoeksters kandidatuur werd onderzocht en vergeleken met deze van Marc DE GEYNDT en Paul SWEVERS en dat de argumenten die zij schriftelijk en mondeling naar voren bracht werden beoordeeld. 3) Zowel op 27 april 1998 (voor de benoeming van Marc DE GEYNDT) als op 18 september 1998 (voor de benoeming van Paul SWEVERS) werd aan de minister een volledig dossier toegestuurd. In dat dossier bevinden zich geen stukken aangaande de beoordeling van verzoekster aangezien zij als directeur niet meer aan beoordeling onderworpen was. 4) Uit de processen-verbaal van de zittingen van 12 september en 10 oktober 1997 blijkt niet dat verzoeksters beoordeling zou afglijden van “thans in onvoldoende mate” naar een “niet meer” beantwoorden aan het vereiste profiel. Het beweerde IX-1883-16/24 gebrek aan objectiviteit van drie leden van de directieraad wordt niet gestaafd door het dossier. 5) Verzoeksters bezwaarschriften werden wel degelijk uitvoerig behandeld. De verzoekster werd gehoord en de directieraad heeft over haar argumenten geoordeeld. Haar bezwaarschriften werden dus niet zonder meer geklasseerd. Zij maakt ook niet duidelijk waarom de argumenten die zij op de zitting van 10 oktober 1997 mondeling heeft toegelicht niet correct zouden kunnen weergegeven worden in een beknopt verslag. 6) Het enkele feit dat de directieraad op 12 september 1997 een groot aantal benoemingsvoorstellen heeft gedaan impliceert niet dat de thans bestreden beslissingen op een onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. De directieraad heeft meerdere keren vergaderd alvorens zijn voorstellen uit te brengen. 7) Het argument dat Marc DE GEYNDT op 1 augustus 1997 niet beschikte over de vereiste graadanciënniteit van één jaar gaat niet op. De verwerende partij verwijst hiervoor naar artikel 25bis van het organiek reglement en stelt dat dit enkel kan toegepast worden in geval gepostuleerd wordt in de administratie van oorsprong, hetgeen bij Marc DE GEYNDT niet het geval was. Van een wijziging van het organiek reglement is er bovendien geen sprake. Uit de profielbeschrijving van de vacatures blijkt voorts geenszins dat de vacante betrekkingen bij voorkeur zouden worden toegekend aan de nu benoemde kandidaten. Die bewering wordt trouwens tegengesproken door het feit van het nader onderzoek van hun kandidaturen. 8) De verzoekster heeft een geringere graadanciënniteit dan Paul SWEVERS en een grotere dan Marc DE GEYNDT. De graadanciënniteit is evenwel niet doorslaggevend bij een bevordering naar keuze. De opmerkingen van de verzoekster in verband met haar plaats in de rangschikking zijn niet relevant aangezien zij daardoor geenszins is geschaad. 6.
  40. In haar memorie van wederantwoord argumenteert de verzoekster uitgebreid waarom er volgens haar geen correcte vergelijking is gebeurd tussen haar kandidatuur en die van de andere kandidaten. Zij brengt daarbij een aantal bijkomende argumenten aan die zij als dusdanig niet heeft laten gelden in haar verzoekschrift. Zo stelt zij dat de verwerende partij bij het onderzoek van de kandidaturen niet steeds dezelfde criteria heeft gehanteerd: voor Paul SWEVERS geldt zijn prestatie in een bepaald dossier als een aanbeveling terwijl er over haar gezegd wordt dat het niet is omdat men dossiers kan doen dat men in aanmerking komt voor een betrekking van auditeur-generaal van financiën. Verder stelt zij dat zij wel degelijk in haar belangen is geschaad door het feit dat gebruik werd gemaakt IX-1883-17/24 van het advies van het College van dienstchefs van de Algemene Administratie van de belastingen waarin een aantal mensen zitten die omwille van de klachten die door haar levenspartner tegen hen waren neergelegd de verzoekster niet gunstig gezind waren. Juist daardoor is zij niet benoemd, mist zij dus weddeverhoging en lijdt zij morele schade. In verband met het vierde argument antwoordt de verzoekster dat de bewoordingen van de directieraad duidelijk zijn. Ter staving van haar bewering dat verschillende leden van de directieraad wegens de tegen hen ingediende klachten niet meer objectief konden oordelen over de verzoekster legt zij een kopie van die klachten neer. In verband met het vijfde argument stelt de verzoekster dat de hoorzitting bestond uit een monoloog van harentwege voor de leden van de directieraad waarvan sommigen hun desinteresse duidelijk lieten blijken en niemand nog een vraag stelde. Het was louter tijdverlies en het is gebruikelijk dat er niet wordt teruggekomen op vroegere voorstellen. Indien haar bezwaren niet zonder meer geklasseerd werden dan komt het daarop uiteindelijk wel neer. In verband met het zesde argument schrijft de verzoekster dat de bijkomende zittingen van de directieraad enkel tot doel hadden de benoeming van Marc DE GEYNDT en Paul SWEVERS beter te motiveren. In verband met het argument dat Marc DE GEYNDT niet voldeed aan de voorwaarden, verwijst de verzoekster bijkomend naar het proces-verbaal nr. 1179 van de vergadering van de directieraad van 30 januari 1998 waarin vermeld staat: “om alle twijfel weg te nemen zal dit principe worden bevestigd in de eerstvolgende wijziging van het Organiek reglement”. 6.4.1.
  41. Ter beoordeling van de in het onderdeel ontwikkelde grief moet eerst worden nagegaan of Marc DE GEYNDT al dan niet aan de statutaire voorwaarden voor een bevordering tot auditeur-generaal van financiën voldeed. Volgens de verzoekster was dat niet het geval omdat hij niet de vereiste graadanciënniteit had. Zij voert aan dat een graadanciënniteit van één jaar vereist was op 1 augustus
  42. Marc DE GEYNDT werd op 1 september 1973 benoemd tot auditeur bij de Administratie van fiscale zaken. Volgens artikel 25bis, §1, van het organiek reglement mag er bij benoemingen geen rekening worden gehouden met de benoemingen bij onder meer de Administratie van fiscale zaken. De ambtenaren IX-1883-18/24 van die administratie nemen aan de benoemingsbewegingen deel met de graad waarmee ze zouden zijn bekleed bij ontstentenis van benoeming in die administratie. De verzoekster luidt hieruit af dat voor Marc DE GEYNDT zijn ranginneming bij het Hoofdbestuur van de directe belastingen tot de graad van auditeur in aanmerking moet worden genomen, zijnde 1 oktober
  43. De verwerende partij brengt daartegen in dat volgens artikel 25bis van het organiek reglement de graadanciënniteit verworven door ambtenaren bij de Administratie van fiscale zaken enkel dient geneutraliseerd te worden wanneer zij postuleren voor een betrekking in hun administratie van oorsprong, in casu voor Marc DE GEYNDT de Administratie der directe belastingen. Vermits het een benoeming betrof bij de Administratie van de BBI, moest geen neutralisatie worden toegepast. Artikel 25bis, §§1 en 2, van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 houdende het organiek reglement van het Ministerie van Financiën luidt als volgt: “§
  44. Dit artikel is van toepassing op het personeel van de volgende diensten : 1/ het kabinet van de Administrateur-generaal van de belastingen; 2/ de Administratie van fiscale zaken; 3/ de centrale diensten van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie. §
  45. De ambtenaren van de diensten bedoeld in § 1, benoemd in de betrekkingen van directeur en van auditeur-generaal van financiën behouden, in hun administratie van oorsprong, hun aanspraken op verhoging in graad, verandering van graad, op verhoging in weddenschaal en op de terugkeer in een betrekking van hun graad. De titels tot benoeming, wat betreft de voorwaarden inzake graad, anciënniteit of rangschikking van de ambtenaren benoemd in de in § 1 bedoelde diensten en bij de Dienst van de fiscale coördinatie, worden vastgesteld in functie van de graden die na hun benoeming bij deze diensten werden of konden worden toegekend aan de ambtenaren van hun administratie van oorsprong en die na hen gerangschikt zijn of zouden gerangschikt zijn indien allen bij deze administratie waren gebleven. De benoemingen bekomen in de diensten bedoeld in § 1 en bij de Dienst van de fiscale coördinatie worden voor de toepassing van vorig lid buiten beschouwing gelaten. De ambtenaren nemen deel aan de benoemingsbewegingen rekening houdende met de graad waarmee zij zouden bekleed zijn bij ontstentenis van benoeming in genoemde diensten. De terugkeer van de ambtenaar in een betrekking van zijn graad maakt het voorwerp uit van een door Ons genomen besluit.” IX-1883-19/24 Uit de termen van §2 blijkt dat de regeling die erin opgenomen is betrekking heeft op de toestand van de betrokkenen wanneer zij postuleren voor een benoeming in hun administratie van oorsprong. Er wordt vooreerst bepaald dat zij in hun administratie van oorsprong hun aanspraken op verhoging in graad behouden. De overige regels van §2, die één geheel vormen, zijn de verdere uitwerking van die regel. Zij bepalen hoe de graad, de graadanciënniteit en de rangschikking moet worden vastgesteld indien de betrokkenen die aanspraken laten gelden. De verwerende partij stelt dus terecht dat de in artikel 25bis opgenomen regels alleen betrekking hebben op de situatie waarbij de ambtenaren benoemd in onder meer de Administratie van fiscale zaken, een betrekking zouden postuleren in hun administratie van oorsprong. In casu was dat niet het geval voor Marc DE GEYNDT die, afkomstig van de Administratie der directe belastingen, postuleerde voor een benoeming bij de Administratie van de BBI. Zoals blijkt uit artikel 1 van het organiek reglement zijn de Administratie van de directe belastingen en de Administratie van de BBI afzonderlijke administraties. Het besluit is dus dat uit het door de verzoekster ingeroepen artikel 25bis niet volgt dat Marc DE GEYNDT niet aan de benoemingsvoorwaarden voldeed. Het feit dat zijn kandidatuur in aanmerking werd genomen levert dan ook geen aanwijzing op van een positieve vooringenomenheid, wat hem betreft. 6.4.1.
  46. Het is onduidelijk waaruit de verzoekster afleidt dat zij in de rangschikking de zevenentwintigste plaats zou hebben toegewezen gekregen. In het administratief dossier zijn alleen rangschikkingslijsten terug te vinden van de kandidaten per administratie waar betrekkingen vacant werden verklaard. Zo werd er een lijst opgemaakt van al de kandidaten die postuleerden voor de betrekking die vacant was verklaard bij de Administratie van de BBI. Op die lijst werden de kandidaten gerangschikt per administratie van herkomst, volgens anciënniteit. Er valt niet in te zien hoe daaruit kan worden afgeleid dat de kandidaturen niet naar behoren met elkaar zijn vergeleken, nu de verwerende partij juist minder aandacht lijkt te besteden aan de anciënniteit dan wel aan het beantwoorden aan het profiel. 6.4.
  47. De verzoekster voert in het eerste onderdeel van het eerste middel in wezen aan dat de directieraad geen behoorlijke vergelijking heeft gemaakt van haar titels en verdiensten met deze van de andere kandidaten. Vermits de verzoekster met het onderhavige beroep alleen de benoeming van Marc DE GEYNDT op IX-1883-20/24 ontvankelijke wijze bestrijdt moet de in het onderdeel ontwikkelde grief alleen onderzocht worden ten opzichte van deze kandidaat. 6.4.
  48. De verzoekster werd niet voorgedragen omdat zij volgens de directieraad niet voldoende beantwoordde aan het profiel. Een profiel bevat capaciteiten en vaardigheden waaraan degene die de te bezetten functie uitoefent zou moeten beantwoorden. Uiteraard geeft een dergelijk profiel een beschrijving van de ideale kandidaat. Het is niet omdat een kandidaat sommige van de in het profiel opgenomen vaardigheden en capaciteiten niet of slechts in mindere mate zou bezitten dat hij geen goede keuze zou zijn. Wel is het zo dat een dergelijk profiel de criteria voor het onderzoek en de vergelijking van de kandidaten aangeeft. Meer bepaald geeft een profiel de elementen aan die bij de verschillende kandidaten zullen worden bekeken en op basis waarvan ze zullen worden vergeleken, al sluit het bestaan van een profiel niet uit dat de benoemende overheid daarnaast ook andere criteria kan hanteren. De vergelijking van de kandidaten bestaat er juist in hun titels en verdiensten op grond van die criteria te beoordelen en met elkaar te vergelijken en concreet aan te geven waarom een kandidaat al dan niet beantwoordt aan het profiel. Die vergelijking leidt dan tot de conclusie dat iemand wel of niet of in mindere of meerdere mate aan het profiel beantwoordt. Wat niet kan, is dat de directieraad zich in zijn advies beperkt tot die conclusie. Opdat de Raad van State zou kunnen nagaan of die vergelijking effectief is gebeurd en of ze op een degelijke manier is gebeurd, moet die vergelijking zelf worden beschreven in het advies van de directieraad. 6.4.
  49. Over de verzoekster werd in het advies van 12 september 1997 geoordeeld dat zij in onvoldoende mate voldeed aan het vereiste profiel, omdat “in het verleden herhaaldelijk [werd] vastgesteld dat zij een groot aantal dossiers onnodig in haar bezit hield, zodat haar moest worden opgelegd maandelijks verslag uit te brengen nopens de dossiers die niet binnen een redelijke termijn werden afgehandeld. Er moesten bovendien maatregelen worden getroffen om de in haar werkzaamheden ontstane achterstand weg te werken”. In haar bezwaarschrift tegen die beoordeling bracht de verzoekster in dat de redenen van deze achterstand gelegen waren in het feit dat haar dienst onderbemand was en dat zij veel tijd had moeten besteden aan één enkel dossier. Ter weerlegging van dat bezwaar merkt de directieraad op, in zijn advies van 10 oktober 1997, dat de verzoekster weliswaar IX-1883-21/24 over een degelijke technische kennis beschikt en succes heeft geboekt in een belangrijk dossier, “maar dat men niet zoekt naar mensen die dossiers kunnen doen, maar wel naar mensen die bekwaam zijn voor de functie van auditeur-generaal”. Dit antwoord is niet pertinent. De verzoekster trachtte aan te tonen dat de reden waarom haar kandidatuur werd afgewezen, namelijk dat ze te veel dossiers te lang bijhield, eigenlijk te wijten was aan elementen waarvoor zij niet verantwoordelijk was (een personeelstekort en een uitzonderlijk tijdrovend dossier), maar daarop antwoordt de directieraad niet. Hij zegt ook niet dat haar argumenten onjuist waren. Hij zegt alleen dat het feit dat dossiers goed worden afgehandeld, niet bewijst dat de betrokkene over de kwaliteiten beschikt om de functie van auditeur-generaal te kunnen uitoefenen. Welke kwaliteiten de verzoekster dan niet of onvoldoende bezit wordt niet duidelijk aangegeven, zeker niet in het licht van het profiel. Wat betreft de kandidatuur van Marc DE GEYNDT, deze wordt door de directieraad evenmin onderzocht in het licht van het profiel. Van deze kandidaat wordt alleen maar gezegd dat hij in aanmerking komt voor de betrekking bij de BBI, zonder dat dit op enigerlei manier concreet wordt gemaakt. Er wordt van hem zelfs niet gezegd dat hij aan het profiel beantwoordt. De Raad van State moet op grond van de stukken van het dossier dan ook tot de conclusie komen dat niet blijkt dat de kandidaturen van de verzoekster en Marc DE GEYNDT op een behoorlijke manier werden vergeleken. Het eerste onderdeel van het eerste middel is gegrond. Verzoek tot anonimisering
  50. Ter zitting vraagt de verzoekster de anonimisering van het arrest, bij de publicatie ervan. Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet- toelaatbaarheid van de Raad van State kan iedere partij bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig wordt gemaakt op elk moment van de rechtspleging en totdat de debatten gesloten zijn, eisen dat bij de publicatie van het arrest of de IX-1883-22/24 beschikking de identiteit van de natuurlijke personen niet zou worden bekendgemaakt. Te dezen verzet niets zich tegen het inwilligen van verzoeksters vraag. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  51. Vernietigd wordt het koninklijk besluit van 19 augustus 1998 waarbij Marc DE GEYNDT wordt benoemd tot auditeur-generaal van financiën bij de centrale diensten van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie. Artikel
  52. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
  53. Dit arrest zal bekendgemaakt worden op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  54. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Artikel
  55. Bij de publicatie van dit arrest wordt de identiteit van de verzoekster niet bekendgemaakt. IX-1883-23/24 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 12 januari 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1883-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.382 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.82.797 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.