id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.384 Rolnummer: A. 134496/IX-3743 Zaak: Arrest 189384 - Varia (justitie) - 12/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-06 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 13:09 Fiche Arrest nr 189.384 van 12 januari 2009 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.384 van 12 januari 2009 in de zaak A. 134.496/IX-
- In zake : Bart VERBRUGGEN, die woonplaats kiest bij advocaat R. SCHROEYERS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Lange Nieuwstraat 47 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat P. PEETERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Bart VERBRUGGEN op 21 maart 2003 heeft ingediend om een cassatieberoep in te stellen tegen de beslissing van 21 januari 2003 van de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, waarbij zijn verzoek om een hoofdhulp ontvankelijk, doch ongegrond wordt verklaard; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VAN DER ELSTRAETEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 19 augustus 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; IX-3743-1/14 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. VANDAELE die, loco advocaat P. PEETERS, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. VAN DER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Gegevens van de zaak 1.
- Op 29 juli 1996 wordt de verzoeker tijdens de uitoefening van zijn functie als veiligheidsagent van de firma Baron Security, het slachtoffer van opzettelijke slagen en verwondingen die door R.S. en R.A. worden toegebracht. Op het ogenblik van de feiten waren de daders minderjarig. Door een opgelopen letsel aan de linkerschouder is de verzoeker arbeidsongeschikt van 30 juli tot 15 december
- Dr. N., medisch adviseur van Royale Belge, arbeidsongevallenverzekeraar van Baron Security, bepaalt de blijvende arbeidsongeschiktheid vanaf 16 december 1996 op 2 %. Ten gevolge van de feiten verliest de verzoeker ook zijn werk bij Baron Security. 1.
- Bij vonnis van 7 januari 1998 van de Jeugdrechtbank te Brussel wordt R.A. geplaatst onder het toezicht van de bevoegde sociale dienst, die moet waken over de naleving van de door de rechtbank gestelde voorwaarden. Op burgerlijk gebied worden de dader en zijn ouders solidair veroordeeld tot betaling van een provisioneel bedrag van 10.000 frank aan de verzoeker. Tevens wordt een geneesheer als deskundige aangesteld, om de lichamelijke schade van de verzoeker te onderzoeken. 1.
- Bij vonnis van 5 november 1998 legt de Jeugdrechtbank te Brussel aan R.S. een berisping op. Op burgerlijk gebied worden hij en zijn ouders solidair veroordeeld tot betaling van een provisioneel bedrag van 10.000 frank aan de verzoeker. Ook in deze zaak wordt een geneesheer als deskundige aangesteld. IX-3743-2/14 1.
- Op 24 mei 2000 vraagt de verzoeker de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden (hierna: de Commissie) om toekenning, wegens de schade opgelopen op 29 juli 1996, van een noodhulp van 250.000 frank (hetzij 6.197,24 euro) en een provisionele hoofdhulp van 700.000 frank (hetzij 17.352,55 euro). Deze aanvraag wordt een eerste maal door de Commissie behandeld op de zitting van 12 juni
- De Commissie neemt op 21 augustus 2001 een tussenbeslissing, waarvan het dispositief luidt als volgt: “Verklaart het verzoek tot toekenning van een noodhulp ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het verzoek tot het bekomen van een hoofdhulp ontvankelijk en beveelt, vooraleer ten gronde te oordelen, een medisch deskundigenonderzoek en gelast met dit onderzoek de Gerechtelijk-geneeskundige Dienst, aan dewelke opdracht wordt gegeven, met inachtneming van de bepalingen van artikel 17 van het K.B. van 18 december 1986 en van artikel 979 van het Gerechtelijk Wetboek, - kennis te nemen van het dossier; - de heer VERBRUGGEN Bart, geboren op [...] 1962, wonende te [...], medisch te onderzoeken; - de letsels te beschrijven die hij heeft opgelopen ten gevolge van de op 29 juli 1996 op hem gepleegde gewelddaden; - de aard, de graad en de duur (periode) te bepalen van de invaliditeit die eventueel uit die letsels voortvloeit, tijdelijk of definitief, en te bepalen indien het slachtoffer nog verdere medische zorgen dient te ontvangen; - de economische arbeidsongeschiktheid te bepalen indien ze vastgesteld wordt; - van al deze bevindingen een schriftelijk en gemotiveerd verslag op te stellen en dit neer te leggen op het secretariaat van de Commissie binnen de vier maanden na de kennisgeving van de opdracht; - de verslaggever, via het secretariaat, op de hoogte te houden van het verloop van de verrichtingen van het deskundigenonderzoek.” Deze tussenbeslissing steunt onder meer op de volgende redenen: “Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd. Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan. De kansen op verhaal tegenover de daders zijn nagenoeg onbestaande. Ter zitting verklaarde de raadsman van verzoeker dat de aan de Commissie gevraagde noodhulp onder meer dient om de kosten te betalen die verband houden met de uitvoering van de bovenvermelde vonnissen tegen de (ouders van de) daders. Terzake wenst de Commissie er evenwel op te wijzen dat deze kosten kunnen vergoed worden in het kader van de procedure inzake kosteloze rechtspleging. Aangezien dat laatste een recht betreft, behoort het verzoeker vooreerst een verzoek te richten tot het Bureau voor Rechtsbijstand van de bevoegde rechtbank. In die omstandigheden dient het verzoek tot noodhulp als ongegrond te worden afgewezen. Wat de aanvraag tot hoofdhulp betreft, gaat de Commissie in op het door de raadsman ter zitting geformuleerd verzoek om de heer Bart VERBRUGGEN IX-3743-3/14 te onderwerpen aan een deskundig onderzoek door de Gerechtelijk-geneeskun- dige Dienst.” In zijn verslag van 13 december 2001 raamt de Gerechtelijk- Geneeskundige Dienst de blijvende invaliditeit, vanaf 16 december 1996, wegens “subluxatie AC Li” en “commotio cerebri” op 2 %. De periode van tijdelijke werkonbekwaamheid wordt bepaald van 29 juli 1996 tot 15 december
- De zaak wordt door de Commissie opnieuw behandeld op de zitting van 12 november
- Op 21 januari 2003 neemt de Commissie de thans bestreden beslissing, waarbij het verzoek tot het verkrijgen van een hoofdhulp ontvankelijk, doch ongegrond wordt verklaard. Deze beslissing steunt op de volgende redenen: “Het stelsel ingevoerd door de wet van 1 augustus 1985 is onder meer gebaseerd op de subsidiariteit zodat een verzoeker in beginsel eerst de gewone middelen moet uitputten om een vergoeding voor zijn nadeel te bekomen; dit beginsel wordt verwoord in artikel 31 § 1, 1/. In de laatste memorie van antwoord van 20 maart 2002 verklaart de raadsman van verzoeker dat er een woning is op naam van de dader R.A. (lees: op naam van de ouders van de dader R.A.) waar een hypotheek, en derhalve een voorrecht, op rust. Uit de elementen van het dossier en uit de mondelinge toelichting verstrekt ter zitting blijkt evenwel dat dit onroerend goed enerzijds een niet onbelangrijke geldelijke waarde zou bezitten en dat anderzijds de erop rustende hypotheek grotendeels zou [afgelost] zijn. De Commissie is dan ook van oordeel dat er een zeer reëel vooruitzicht is dat verzoeker, mits het op passende wijze uitoefenen van zijn rechten ten overstaan van de dader, zijn schade zoals begroot door de rechter, op de dader kan verhalen; de Commissie stelt dan ook vast dat thans het ingediende verzoek ongegrond is.” De beslissing van 21 januari 2003 vormt het voorwerp van het voorliggende cassatieberoep. Ten gronde 2.
- De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit “onwettig- heid ten aanzien van de motieven, inbreuk op de motiveringsverplichting, machtsoverschrijding en schending van het gezag van gewijsde van de beslissing van 21 augustus 2001 van de Commissie”. IX-3743-4/14 Hij voert aan dat het subsidiariteitsbeginsel, zoals omschreven in artikel 31, § 1, l/, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, een ontvankelijkheidsvoorwaarde is, die vervuld moet worden op het ogenblik van het indienen van een verzoekschrift. Wanneer geoordeeld wordt dat deze ontvankelijkheidsvoorwaarde vervuld is, moet de Commissie enkel nog naar billijkheid bepalen in hoeverre de hulp gegrond is en het bedrag ervan begroten. De verzoeker voert aan dat de Commissie te dezen op 21 augustus 2001 een tussenbeslissing heeft genomen waarbij de vraag om hoofdhulp ontvankelijk is verklaard. Onder verwijzing naar die tussenbeslissing, waarin wordt gesteld dat “aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan” en dat “de kansen op verhaal tegen de daders [...] nagenoeg onbestaande [zijn]”, stelt de verzoeker dat duidelijk blijkt dat de Commissie de ontvankelijkheidsvoorwaarde van artikel 31, § 1, l/, als vervuld heeft beschouwd. Door in de bestreden beslissing te stellen dat er een “zeer reëel vooruitzicht” op uitvoering zou bestaan, schendt de Commissie het gezag en de kracht van gewijsde van haar beslissing van 21 augustus 2001 en heeft zij haar beslissing verkeerd gemotiveerd. 2.
- De verwerende partij werpt op dat het middel niet ontvankelijk is omdat de verzoeker geen belang heeft bij het inroepen ervan. In haar eerste beslissing oordeelde de Commissie immers slechts op basis van de informatie waarover ze toen beschikte dat de kansen op verhaal tegen de daders nagenoeg onbestaande waren, terwijl ze in haar eindbeslissing ook op basis van later verkregen inlichtingen oordeelt dat er een zeer reëel vooruitzicht op een verhaal op de daders is. Ongeacht de kwalificatie van de subsidiariteitsvoorwaarde, was de Commissie genoodzaakt om verzoekers vraag tot hulp af te wijzen. Voorts voert de verwerende partij aan dat het middel steunt op een verkeerde lezing van de uitspraak van 21 augustus 2001 en van artikel 31, § 1, l/, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen. Zij meent dat de subsidiariteitsvoorwaarde een voorwaarde is om een billijke hoofdhulp te kunnen toekennen en dus niet louter een ontvankelijkheidsvoorwaarde voor de aanvraag. Uit de beslissing van de Commissie van 21 augustus 2001 blijkt overigens niet dat de Commissie de subsidiariteitsvoorwaarde als een ontvankelijkheidsvoorwaarde kwalificeert. De verwerende partij merkt voorts op dat de zienswijze van de verzoeker sinds de wet van 26 maart 2003 niet langer volgehouden kan worden aangezien de subsidiariteitsvoorwaarde thans is ingeschreven in een nieuw artikel 31bis, dat bepaalt onder welke voorwaarden de IX-3743-5/14 hulp wordt toegekend. Daaruit blijkt duidelijk dat het niet gaat om een ontvankelijkheidsvoorwaarde, maar om een voorwaarde inzake de gegrondheid. 2.
- De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat niet naar de nieuwe wet verwezen kan worden, aangezien de beslissing niet genomen is en de procedure niet gevoerd werd onder het stelsel van deze nieuwe wet. Hij meent dat de wetswijziging er juist op wijst dat de subsidiariteitsvoorwaarde voorheen als een ontvankelijkheidsvoorwaarde werd beschouwd. Hij besluit dan ook dat na de tussenbeslissing waarin de vraag tot hulp ontvankelijk werd verklaard, bij de eindbeslissing niet meer de vraag gesteld moest worden of de aanvraag ontvankelijk was. Een onderzoek naar de subsidiariteit en de kansen op verhaal tegen de daders was niet meer aan de orde. Enkel moest nog aan de hand van het expertiseverslag worden nagegaan in hoeverre de verzoeker schade had geleden. 2.4.
- De subsidiariteitsvoorwaarde werd ten tijde van de bestreden beslissing verwoord in artikel 31, § 1, 1/, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen. Die bepaling luidt als volgt: “§
- Wie ernstig lichamelijk letsel of nadeel voor zijn gezondheid heeft ondervonden als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad in België gepleegd, kan een hulp aanvragen en wel onder de volgende voorwaarden: 1/. het nadeel lijkt niet voldoende en op daadwerkelijke wijze door andere middelen te kunnen worden hersteld zoals door betaling van schadevergoeding door de dader of door betaling van ieder bedrag met betrekking tot de schade door een stelsel van maatschappelijke zekerheid of van schadeloosstelling ten gevolge van arbeidsongevallen of beroepsziekten, dan wel van een private verzekering; ( ... ).” 2.4.
- De verzoeker heeft er alleszins belang bij voor recht te horen zeggen dat de Commissie in haar tussenbeslissing van 21 augustus 2001 al definitief uitspraak heeft gedaan over het vervuld zijn van de subsidiariteitsvoorwaarde en dat zijn verzoek tot het verkrijgen van een hulp later op die grond niet meer kon worden afgewezen. De exceptie, afgeleid uit het gebrek aan belang bij het middel, kan niet worden aangenomen. 2.4.
- Volgens het middel heeft de Commissie, door zich in de bestreden beslissing opnieuw uit te spreken over de subsidiariteitsvoorwaarde, het gezag en de IX-3743-6/14 kracht van het gewijsde verbonden aan haar beslissing van 21 augustus 2001 geschonden. Er moet evenwel opgemerkt worden dat een grief die steunt op het feit dat een rechter uitspraak doet over een geschilpunt dat niet meer bij hem aanhangig is omdat hij daarover vroeger in dezelfde zaak en tussen dezelfde partijen een eindbeslissing heeft gewezen, vreemd is aan de miskenning van het gezag of de kracht van gewijsde van de eerder genomen beslissing. In zoverre de schending van het gezag en de kracht van gewijsde van de beslissing van 21 augustus 2001 wordt aangevoerd, is het middel dan ook onontvankelijk. In zoverre in het middel machtsoverschrijding wordt aangevoerd, begrijpt de Raad van State het middel zo dat aan de bestreden beslissing wordt verweten dat ze zich opnieuw uitspreekt over de subsidiariteitsvoorwaarde, alhoewel de rechtsmacht van de Commissie over dat geschilpunt uitgeput was. In zoverre is het middel ontvankelijk. In zoverre in het middel wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing is aangetast door een onwettigheid ten aanzien van de motieven en een inbreuk op de motiveringsverplichting, voegt het in feite niets toe aan de genoemde grief in verband met de machtsoverschrijding. De Raad van State zal deze grief dan ook samen met die in verband met de machtsoverschrijding onderzoeken. 2.4.
- Als een rechter zijn rechtsmacht over een geschilpunt heeft uitgeput, mag hij in het verdere verloop van de procedure over dat geschilpunt niet opnieuw uitspraak doen. Te dezen blijkt uit de memorie van antwoord van de verwerende partij voor de Commissie, ingediend op 10 januari 2001, dat de genoemde partij opwierp dat de verzoeker geen enkel stuk voorbracht waaruit de insolvabiliteit van de daders en de burgerlijk aansprakelijke partijen bleek, en dat hij ook geen enkel bewijs van begin van uitvoering voorlegde. In zijn memorie van wederantwoord voor de Commissie, ingediend op 7 februari 2001, antwoordde de verzoeker dat hij aan een gerechtsdeurwaarder opdracht had gegeven om na te gaan of de daders en de burgerlijk aansprakelijke partijen solvabel waren en of er mogelijkheden waren om tegen hen uitvoeringsmaatregelen te treffen. In zijn laatste memorie, ingediend op 26 april 2001, verwees de verzoeker naar de brief van zijn gerechtsdeurwaarder van 17 april 2001, waaruit bleek dat deze nog bezig was met het gevraagde onderzoek. IX-3743-7/14 Aldus blijkt dat de subsidiariteitsvoorwaarde een geschilpunt was dat door de verwerende partij uitdrukkelijk was opgeworpen en waarover de Commissie zich diende uit te spreken. In haar beslissing van 21 augustus 2001 oordeelde de Commissie dat “aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan” en dat “de kansen op verhaal tegenover de daders [...] nagenoeg onbestaande [zijn]”. Het middel doet de vraag rijzen of de Commissie haar rechtsmacht over het geschilpunt in verband met de subsidiariteitsvoorwaarde aldus heeft uitgeput, dan wel of zij over dat geschilpunt later nog een beslissing kon nemen. In de genoemde beslissing lijkt de Commissie ervan uit te gaan dat de subsidiariteitsvoorwaarde geen ontvankelijkheidsvoorwaarde is, maar een voorwaarde die met de gegrondheid van het verzoek te maken heeft. Zij stelt immers eerst vast dat het bij haar ingediende verzoekschrift regelmatig is naar de vorm en dat het tijdig werd ingediend, en beslist meer in het algemeen dat aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden is voldaan. Nadat die beslissing is genomen, stelt zij voorts vast dat de kansen op verhaal tegenover de daders nagenoeg onbestaande zijn. De vraag of de Commissie de subsidiariteitsvoorwaarde al dan niet als een ontvankelijkheidsvoorwaarde heeft beschouwd, en of de door haar gegeven kwalificatie in rechte correct is, behoeft evenwel geen antwoord. De vraag is immers enkel of de Commissie haar rechtsmacht in verband met het betrokken geschilpunt heeft uitgeput. De subsidiariteitsvoorwaarde, zoals omschreven in artikel 31, § 1, 1/, van de wet van 1 augustus 1985, houdt in dat het door de verzoeker geleden nadeel niet voldoende en op daadwerkelijke wijze door andere middelen lijkt te kunnen worden hersteld. Dit is geen voorwaarde waarvan het al dan niet vervuld zijn voor eens en voor altijd kan worden vastgesteld, aangezien onder meer de solvabiliteit van de dader kan evolueren. Het gaat dan ook veeleer om een voorwaarde waarvan de rechter slechts kan vaststellen dat ze op een bepaald ogenblik al dan niet is vervuld. Hieruit volgt dat de Commissie zich ervan dient te vergewissen dat de voorwaarde vervuld is op het ogenblik dat zij zich definitief over het verzoek uitspreekt. Meteen volgt hieruit dat de Commissie in haar beslissing van 21 augustus 2001 geen definitieve uitspraak kon doen over de subsidiariteitsvoorwaarde. Beide partijen hebben het in de procedure voor de IX-3743-8/14 Commissie ook zo begrepen. In haar laatste memorie, ingediend op 18 februari 2002, wierp de verwerende partij op dat de door de verzoeker aangevoerde schade grotendeels gedekt werd door de verzekering tegen arbeidsongevallen, en nodigde zij de Commissie uit om te informeren of uitvoeringsmaatregelen waren genomen lastens de daders en de burgerlijk aansprakelijke partijen. In zijn laatste memorie, ingediend op 20 maart 2002, ging de verzoeker vervolgens in op de mogelijkheid om uitvoeringsmaatregelen te nemen lastens de personen die burgerlijk aansprakelijk waren voor R.A. en op de mate waarin de verzekering inzake arbeidsongevallen de schade dekte. In een nota, ingediend op 8 november 2002, herhaalde de verzoeker ten slotte dat hij het bewijs leverde dat het door hem geleden nadeel niet voldoende en op daadwerkelijke wijze door andere middelen leek te kunnen worden hersteld. Nu de Commissie op 21 augustus 2001 geen definitieve uitspraak heeft kunnen doen over de vraag of de subsidiariteitsvoorwaarde vervuld was, heeft zij haar rechtsmacht inzake dat geschilpunt ook niet uitgeput. Door in de bestreden beslissing van 21 januari 2003 te oordelen “dat er een zeer reëel vooruitzicht is dat verzoeker, mits het op passende wijze uitoefenen van zijn rechten ten overstaan van de dader, zijn schade, zoals begroot door de rechter, op de dader kan verhalen”, en door dienvolgens te concluderen “dat thans het ingediende verzoek ongegrond is”, heeft de Commissie haar macht dan ook niet overschreden. In zoverre kan het middel niet aangenomen worden. 3.
- De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit “de schending van artikel 31, § 1, l/, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, machtsoverschrijding en schending van de motiveringsverplichting”. De verzoeker voert aan dat het beginsel van subsidiariteit, bedoeld in artikel 31, § 1, 1/, van de wet van 1 augustus 1985, niet op een absolute wijze mag worden toegepast. De ratio legis van de wet is niet dat van de benadeelde wordt vereist dat eerst dure en langdurige procedures of expertises (op burgerlijk vlak) worden afgewerkt, alvorens hij een verzoekschrift tot de commissie kan richten. Het is integendeel voldoende dat een verzoeker elementen aanvoert waaruit op aannemelijke wijze blijkt dat de invordering bij de dader te onzeker, buitensporig duur of te langdurig in functie van het te verwachten resultaat zou zijn, met andere woorden dat de kansen op een geslaagde en daadwerkelijke invordering quasi onbestaande zijn. Volgens de verzoeker interpreteert de Commissie het beginsel van IX-3743-9/14 subsidiariteit te eng en zelfs contra legem, waar zij in de bestreden beslissing overweegt dat “een verzoeker in beginsel eerst de gewone middelen moet uitputten om een vergoeding voor zijn nadeel te bekomen”. Volgens de verzoeker wordt hiermee impliciet een bewijs van onmogelijkheid van tenuitvoerlegging gevraagd. 3.
- De verwerende partij antwoordt, onder verwijzing naar artikel 31, §1, 1/, van de wet van 1 augustus 1985, dat een tegemoetkoming enkel gevraagd kan worden indien het ondergane nadeel niet voldoende en op daadwerkelijke wijze door andere middelen lijkt te kunnen worden hersteld. Uit die bepaling blijkt, aldus de verwerende partij, dat het stelsel van hulp van de Staat aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden subsidiair is ten opzichte van andere mogelijkheden van vergoeding. Het is aan de aanvrager van hulp om elementen aan te voeren waaruit op aannemelijke wijze blijkt dat de invordering bij de dader te onzeker, buitensporig duur of te langdurig in functie van het te verwachten resultaat zou zijn, met andere woorden dat de kansen op een geslaagde en daadwerkelijke invordering quasi onbestaande zijn. De verwerende partij is van mening dat de Commissie op een wettige wijze heeft kunnen oordelen dat op basis van het verzoekschrift, de stavingsstukken en de mondelinge toelichtingen de verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat de invordering bij de twee daders en de voor hen civielrechtelijk aansprakelijke personen te onzeker, buitensporig duur of te langdurig zou zijn. 3.
- Uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat de Commissie artikel 31, § 1, 1/, van de wet van 1 augustus 1985 interpreteert in die zin dat een verzoeker “in beginsel” eerst de gewone middelen moet uitputten. Anders dan de verzoeker aanvoert, gaat de Commissie er aldus niet van uit dat er een “absolute onmogelijkheid” moet zijn om de vergoeding op de daders en de voor hen burgerlijk aansprakelijke partijen te verhalen. Vervolgens gaat de Commissie na of de subsidiariteitsvoorwaarde te dezen vervuld is. Zij stelt vast dat er een woning is op naam van de dader R.A., dat daarop weliswaar een hypotheek rust, maar dat “dit onroerend goed enerzijds een niet onbelangrijke geldelijke waarde zou bezitten en dat anderzijds de erop rustende hypotheek grotendeels zou [afgelost] zijn”. Daaruit leidt de Commissie dan af “dat er een zeer reëel vooruitzicht is dat verzoeker, mits het op passende wijze uitoefenen van zijn rechten ten overstaan van de dader, zijn schade zoals begroot door de rechter, op de dader kan verhalen”. Aldus geeft de Commissie aan dat er naar haar IX-3743-10/14 oordeel redelijke kansen zijn op een tenuitvoerlegging van de door de rechter in de zaak van R.A. uitgesproken veroordeling tot vergoeding van de schade, of met andere woorden dat de schade op voldoende en daadwerkelijke wijze lijkt te kunnen worden hersteld door ze op één van de daders te verhalen. Anders dan de verzoeker aanvoert, gaat de Commissie niet zo ver om van de verzoeker het bewijs te vergen van de “absolute onmogelijkheid” van tenuitvoerlegging van de vonnissen die te zijnen gunste zijn uitgesproken. Het middel, dat uitgaat van een verkeerde lezing van de bestreden beslissing, mist feitelijke grondslag. 4.
- De verzoeker roept een derde middel in, afgeleid uit de schending van artikel 31, § 1, l/, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, machtsoverschrijding en schending van de motiveringsverplichting. Het middel is in de eerste plaats gericht tegen de overweging dat uit de elementen van het dossier en uit de mondelinge toelichting ter zitting blijkt, enerzijds, dat het onroerend goed van de dader R.A. een niet onbelangrijke waarde zou bezitten, en anderzijds, dat de erop rustende hypotheek grotendeels afgelost zou zijn, waaruit de Commissie besluit dat er een zeer reëel vooruitzicht is dat de verzoeker zijn schade op de dader zou kunnen verhalen. Volgens de verzoeker kan deze gevolgtrekking niet gemaakt worden uit het dossier en evenmin uit de mondelinge toelichting. Voorts voert de verzoeker aan dat de Commissie door deze foutieve gevolgtrekking haar verkeerde interpretatie herhaalt van het beginsel van de subsidiariteit in artikel 31, § 1, 1/, van de wet van 1 augustus
- De Commissie eist immers, aldus de verzoeker, dat hij een dure en tijdrovende procedure van uitvoering zou starten terwijl hij er niet zeker van kan zijn dat deze hem effectief tot enig voordeel zou strekken, gezien de reeds bestaande en eventuele voorrechten op het onroerend goed. 4.
- De verwerende partij antwoordt dat het middel niet ontvankelijk is aangezien de Raad van State ten aanzien van de Commissie als administratieve cassatierechter optreedt, waarbij hij enkel in rechte en niet in feite oordeelt. De door de Commissie vastgestelde feiten moeten dan ook voor bewezen worden gehouden. IX-3743-11/14 Voor het overige verwijst de verwerende partij naar haar bespreking van het tweede middel. 4.
- In zijn memorie van wederantwoord betwist de verzoeker dat de Raad van State te dezen enkel als cassatierechter optreedt. Hij stelt dat tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 1 augustus 1985 verduidelijkt werd dat de Raad van State een zeer ruime onderzoeksbevoegdheid heeft en dat beroep kan worden ingesteld “met volledige rechtspleging”, hetgeen betekent dat de Raad van State de feitelijke gegevens, zoals beoordeeld door de Commissie, opnieuw kan bekijken en kan beoordelen. 4.4.
- In zoverre het middel aan de bestreden beslissing verwijt dat ze steunt op een verkeerde interpretatie van het beginsel van de subsidiariteit, valt het samen met het tweede middel. In zoverre kan dan ook verwezen worden naar het onderzoek van dat middel. 4.4.
- In zoverre wordt aangevoerd dat de gegevens van de zaak verkeerd zijn beoordeeld, nodigt het middel de Raad van State uit om feiten te onderzoeken. De verwerende partij betwist evenwel dat de Raad van State daarvoor bevoegd zou zijn. Luidens artikel 34, § 5, tweede lid, van de wet van 1 augustus 1985, zoals die bepaling van kracht was op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, “kunnen de verzoeker en de Minister van Justitie hoger beroep instellen bij de Raad van State overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State”. De uitdrukking “hoger beroep” kan de indruk wekken dat aan de Raad van State een bevoegdheid in volle rechtsmacht is verleend. De Franse tekst daarentegen geeft geen aanleiding tot een zodanige indruk, nu daarin sprake is van een “recours” (beroep) en niet van een “appel” (hoger beroep). Bovendien blijkt uit de bespreking van het desbetreffende wetsontwerp in de Senaatscommissie voor de Justitie dat “de Minister [ ... ] het ermee eens [was] dat er geen volwaardig beroep bij de Raad van State dient te worden ingesteld doch dat de tussenkomst van de Raad van State zich kan beperken om uitspraak te doen over beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of aanwendingen [lees: afwending] van macht. Daarom [werden] aan het tweede lid [van artikel 34, IX-3743-12/14 § 5] de volgende woorden toegevoegd : ‘overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State’” (Parl.St., Senaat, 1984-85, nr. 873- 2/1/, p. 34). Uit de Franse tekst van artikel 34, § 5, tweede lid, van de wet van 1 augustus 1985, uit de verwijzing in die bepaling naar artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 1 augustus 1985 blijkt aldus dat de bevoegdheid van de Raad van State beperkt is tot die van een cassatierechter. Als administratieve cassatierechter oordeelt de Raad van State niet in feite, doch enkel in rechte. Luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State treedt hij daarbij niet in de beoordeling van de zaken zelf. Hij mag zijn oordeel omtrent de feitelijke toedracht van de zaak derhalve niet in de plaats stellen van de beoordeling van de Commissie. Uit het voorgaande volgt dat de Raad van State niet zelf kan nagaan of er al dan niet een zeer reëel vooruitzicht bestaat dat de verzoeker zijn schade kan verhalen. De Raad van State kan evenmin nagaan of de bestreden beslissing al dan niet erop neerkomt dat de verzoeker dure en tijdrovende uitvoeringsprocedures moet starten terwijl hij niet zeker is van de uitkomst ervan. In zoverre is het middel, dat de Raad van State ertoe zou verplichten feiten te onderzoeken, hetgeen buiten zijn bevoegdheid valt, dan ook onontvankelijk. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. IX-3743-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 12 januari 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3743-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.384 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.