← België

Arrest 189385 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 12/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.385 Rolnummer: A. 128225/IX-3535 Zaak: Arrest 189385 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 12/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-22 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 13:09 Fiche Arrest nr 189.385 van 12 januari 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.385 van 12 januari 2009 in de zaak A. 128.225/IX-

  1. In zake : Eddy DHONT, die woonplaats kiest bij advocaten W. VAN DER GUCHT en F. DIEU, kantoor houdende te Gent, Sint-Denijslaan 201 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Eddy DHONT op 18 oktober 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van: “
  3. Het Koninklijk Besluit nr. 871 van 2 augustus 2002 tot toewijzing van de betrekking van auditeur van de gedeconcentreerde post Gent bij de dienst inspectie van de federale politie en van de lokale politie aan de heer hoofd- commissaris Frank DE BROCK.
  4. Het Koninklijk Besluit nr. 875 van 2 augustus 2002 tot toewijzing van de betrekking van diensthoofd bij de dienst inspectie van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie aan de heer hoofdcommissaris François ADAM.
  5. Het Koninklijk Besluit nr. 876 van 2 augustus 2002 tot toewijzing van de betrekking van diensthoofd van de dienst statuten van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie aan de heer hoofdcommissaris Alain SCHOTTEY.
  6. Het Koninklijk Besluit nr. 877 van 2 augustus 2002 tot toewijzing van de betrekking van kabinetschef bij de dienst inspectie van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie aan mevrouw de hoofdcommissaris Kristina BONNEZ.
  7. Het Koninklijk Besluit nr. 878 van 2 augustus 2002 tot toewijzing van de betrekking van diensthoofd van de dienst individuele onderzoeken van de algemene inspectie van de federale en van de lokale politie aan de heer hoofdcommissaris Beni VAN GUCHT.
  8. De beslissing van ongekende datum waarbij verzoekers kandidatuur voor de betrekkingen van auditeur van de gedeconcentreerde post Gent, van diensthoofd van de dienst inspectie, van diensthoofd van de dienst statuten en van kabinetschef van de dienst inspectie bij de algemene inspectie van de federale en van de lokale politie, onontvankelijk werd verklaard”; IX-3535-1/24 Gelet op het arrest nr. 117.416 van 24 maart 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 30 april 2003 door de verzoeker; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de beschikking van 26 juni 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 1 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DIEU, die verschijnt voor de verzoeker, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidende advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, IX-3535-2/24 OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
  9. Bij koninklijk besluit van 11 juli 2000 wordt de verzoeker, die op dat ogenblik gerechtelijk commissaris is bij het parket van eerste aanleg te Antwerpen, met uitwerking op 1 januari 1998 bevorderd tot gerechtelijk afdelings- commissaris bij dit parket. 1.
  10. In het Belgisch Staatsblad van 31 maart 2001 wordt het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna: het RPPol) bekendgemaakt. 1.
  11. Bij koninklijk besluit van 25 juni 2001 wordt de verzoeker, met toepassing van artikel XII.II.1, tweede lid, van het RPPol, met ingang van 1 april 2002 aangewezen voor de nieuwe graad van “commissaris van politie” in het officierskader van de federale politie en van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie. Aan de verzoeker wordt de nieuwe loonschaal O4 toegekend. 1.
  12. In het Belgisch Staatsblad van 18 augustus 2001 wordt het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de werking en het personeel van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie (hierna: het koninklijk besluit van 20 juli 2001) bekendgemaakt. 1.
  13. Op 6 september 2001 richt de directeur-generaal van de algemene directie personeel van de federale politie een oproep tot de kandidaten voor een aantal betrekkingen bij het operationeel kader en het administratief en logistiek kader van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie. Onder een punt 8, b, vermeldt de oproep: “Rekening houdende met het feit dat het koninklijk besluit betreffende de algemene inspectie van 20-07-2001 bij wijze van overgang in een selectie- procedure voorziet die afwijkt van de voorschriften met betrekking tot de mobiliteit (Art 128 van de wet van 07-12-1998 [...]), zijn Art VI.II.8 tot 68, XII.VI.8 en 9 en XII.VII, 24 en 25 van het KB RPPol niet van toepassing voor de oproep tot kandidaatstelling voor de algemene inspectie.” IX-3535-3/24 1.
  14. De verzoeker stelt zich op 24 september 2001 kandidaat voor de volgende vier betrekkingen, in dalende orde van voorkeur :

(1)kabinetschef bij de algemene dienst,
(2)diensthoofd bij de dienst inspectie,
(3)diensthoofd bij de dienst statuten en
(4)auditeur bij de gedeconcentreerde post Gent. Het betreft vier functies waarvoor, luidens de vacantverklaring van 6 september 2001, de graad van hoofdcommissaris vereist is. 1.
  1. Op 1 oktober 2001 zendt de functionele chef van de verzoeker het dossier betreffende de kandidaatstellingen van de verzoeker naar de directeur- generaal van de algemene directie personeel. Hij vermeldt dat “de kandidaat- stellingen verbonden aan de graad van hoofdcommissaris van politie ingediend door [de verzoeker] [zijns] inziens reglementair en ontvankelijk [zijn]”. 1.
  2. Op 13 november 2001 meldt de inspecteur-generaal van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie aan de verzoeker dat zijn kandidatuur werd onderzocht door de tijdelijke adviescommissie, die daarvoor werd opgericht, en dat deze commissie van oordeel is dat zijn kandidatuur niet ontvankelijk is. Hij stelt dat, overeenkomstig punt 8, b, van de oproep, onder meer de personeelsleden die ingeschaald zijn in de loonschaal O4, niet kunnen meedingen naar betrekkingen die openstaan voor de hoofdcommissarissen van politie. 1.
  3. De verzoeker antwoordt in een brief van 14 november 2001 dat het oordeel van de tijdelijke adviescommissie foutief is, “ingevolge het feit dat het punt 8.b. van de oproep tot kandidaatstelling [...] ingaat tegen het artikel XII.VI.9 van het [RPPol]”. Hij laat gelden dat de huidige personeelsleden die zijn ingeschaald in de loonschaal O4 en die negen jaar kaderanciënniteit hebben, luidens het genoemde artikel van het RPPol, bij overgangsmaatregel, kunnen meedingen naar betrekkingen die openstaan voor de hoofdcommissarissen van politie en dat hijzelf aan de beide voorwaarden voldoet. De afwijking, waarin bij overgang in de selectieprocedure is voorzien door het koninklijk besluit van 20 juli 2001, heeft enkel betrekking op personeelsleden die deel uitmaakten van een inspectiedienst van de gewezen rijkswacht, de gerechtelijke politie of de gemeentepolitie en heft hoe dan ook de overgangsmaatregel van artikel XII.VI.9 van het RPPol niet op. De verzoeker dringt erop aan dat zijn dossier opnieuw aan de tijdelijke adviescommissie zou worden voorgelegd. IX-3535-4/24 1.
  4. De inspecteur-generaal van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie repliceert op 29 november 2001 dat de directeur- generaal van de algemene directie personeel het rechtens correct acht dat de toepassing van onder meer artikel XII.VI.9 van het RPPol wordt uitgesloten. 1.
  5. Met een brief van 13 december 2001 dringt de verzoeker er nogmaals op aan dat zijn statutaire rechten worden gerespecteerd en dat zijn kandidaatstellingen alsnog ontvankelijk worden verklaard. 1.
  6. Op 20 december 2001 richt de directeur-generaal van de algemene directie personeel van de federale politie een tweede oproep tot de kandidaten voor een aantal betrekkingen bij het operationeel kader en het administratief en logistiek kader van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie. Eén van die betrekkingen is deze van auditeur bij de gedeconcentreerde post Gent. 1.
  7. De verzoeker stelt zich op 11 januari 2002 voor de laatst- genoemde betrekking kandidaat. 1.
  8. Op 14 januari 2002 zendt de functionele chef van de verzoeker het dossier betreffende de kandidaatstelling van de verzoeker naar de directeur-generaal van de algemene directie personeel. Hij herhaalt dat “de kandidaatstellingen van [de verzoeker] verbonden aan de graad van hoofdcommissaris van politie volstrekt reglementair en ontvankelijk [zijn]”. 1.
  9. Met een brief van 2 april 2002 deelt de waarnemend kabinetschef van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie aan de verzoeker mede dat de inspecteur-generaal heeft moeten vaststellen dat verzoekers kandidaatstelling voor de betrekking van auditeur bij de gedeconcentreerde post Gent niet beantwoordt aan het vereiste dat de kandidaten bekleed moeten zijn met de graad van hoofdcommissaris. 1.
  10. In een brief van 16 mei 2002 aan de verzoeker zet de inspecteur- generaal van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie uiteen dat, voor zover er geen bijzondere statutaire regels van toepassing zijn, het statuut dat ter uitvoering van artikel 121 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (hierna: de WGP), is vastgesteld, onverkort van toepassing is op de politie- IX-3535-5/24 ambtenaren die deel uitmaken van de algemene inspectie, dat gelet op artikel 84 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 er gedurende een overgangstermijn van zes maanden een aparte regeling van kracht was ter vervanging van de regelgeving inzake de mobiliteit en dat om die reden niet kan worden afgeweken van de algemene en administratieve voorwaarden, vermeld in de oproep tot kandidaatstelling, en dat de kandidaten voor de door de verzoeker aangevraagde bediening bekleed dienen te zijn met de graad van hoofdcommissaris, dewelke de verzoeker niet bezit. 1.
  11. Op 2 augustus 2002 worden dan de koninklijke besluiten genomen, die het voorwerp uitmaken van het voorliggende beroep tot nietigverklaring: - de betrekking van auditeur van de gedeconcentreerde post Gent bij de dienst inspectie van de federale politie en van de lokale politie wordt toegewezen aan hoofdcommissaris Frank De Brock. Dit koninklijk besluit heeft uitwerking op 1 april
  12. - de betrekking van diensthoofd bij de dienst inspectie van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie wordt toegewezen aan hoofd- commissaris François Adam. Dit koninklijk besluit heeft uitwerking op 1 september
  13. - de betrekking van diensthoofd van de dienst statuten van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie wordt toegewezen aan hoofd- commissaris Alain Schottey. Dit koninklijk besluit heeft uitwerking op 1 juni
  14. - de betrekking van kabinetschef bij de algemene dienst van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie wordt toegewezen aan hoofd- commissaris Kristina Bonnez. Dit koninklijk besluit heeft uitwerking op 1 februari
  15. - de betrekking van diensthoofd van de dienst individuele onderzoeken van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie wordt toegewezen aan hoofdcommissaris Beni Van Gucht. Dit koninklijk besluit heeft uitwerking op 1 februari
  16. Verzoeker bestrijdt ook “de beslissing van ongekende datum waarbij [zijn] kandidatuur voor de [voormelde] betrekkingen [...] onontvankelijk werd verklaard”. IX-3535-6/24 1.
  17. De bestreden koninklijke besluiten zijn bekendgemaakt in het Bulletin van het Personeel van 21 augustus
  18. Ontvankelijkheid 2.1.
  19. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord vooreerst een exceptie op betreffende het belang van de verzoeker bij de nietigverklaring van het koninklijk besluit nr. 878 van 2 augustus 2002 tot toewijzing van de betrekking van diensthoofd van de dienst individuele onderzoeken van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie aan hoofdcommissaris Beni Van Gucht. Zij betoogt dat de verzoeker niet over het rechtens vereiste belang beschikt, aangezien hij zich geen kandidaat heeft gesteld voor deze betrekking. Zij voegt eraan toe dat wanneer het de bedoeling van de verzoeker was om zijn rechten te vrijwaren, wat betreft de proportionele verdeling van de toe te wijzen betrekkingen overeenkomstig artikel 83 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001, hij alle toewijzingsbeslissingen had moeten aanvechten en niet alleen die van zijn vroegere collega van de gerechtelijke politie. 2.1.
  20. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat luidens de artikelen 58 en 83 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 bij de toewijzing van de betrekkingen bij de algemene inspectie een evenredige verdeling dient te worden nagestreefd tussen de personeelsleden afkomstig van de federale politie en deze afkomstig van de lokale politie. Beni Van Gucht was lid van de gerechtelijke politie en dat gegeven werd in rekening gebracht bij de evenredige verdeling van de betrekkingen. Indien hij de aanwijzing van Beni van Gucht niet mede zou bestrijden, dan zou dat in het geval van een vernietiging van de andere aanwijzingen ertoe kunnen leiden dat hij, ditmaal, als beste kandidaat wordt gerangschikt, maar zijn kandidaatstelling toch niet in aanmerking wordt genomen, omwille van de toepassing van de evenredigheidsregel. Vermits voor de toewijzing van de betrekkingen van het niveau waarvoor de verzoeker zich kandidaat heeft gesteld, Beni Van Gucht als enig voormalig lid van de gerechtelijke politie in aanmerking is genomen, heeft het voor de vrijwaring van verzoekers rechten wat de evenredige verdeling van de betrekkingen betreft, slechts zin de aanwijzing van Beni Van Gucht aan te vechten. In zijn laatste memorie beklemtoont de verzoeker nog dat hij op het ogenblik van zijn kandidaatstelling geen kennis kon hebben van de andere IX-3535-7/24 kandidaten en in het bijzonder van het feit dat een voormalig lid van de gerechtelijke politie zou worden aangesteld in één van de functies van het niveau waarvoor hij zelf kandidaat was, zodat hij niet kon weten dat hij, om zijn kansen op een aanstelling in één van de door hem beoogde betrekkingen te vrijwaren, zich kandidaat diende te stellen voor de betrekking van diensthoofd van de dienst individuele onderzoeken. 2.1.
  21. Het wordt niet betwist dat de verzoeker zich geen kandidaat heeft gesteld voor de betrekking van diensthoofd van de dienst individuele onderzoeken van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie. Het directe belang van een verzoeker die een aanstelling, benoeming of aanwijzing met een beroep tot nietigverklaring bestrijdt, kan er alleen in bestaan dat hij door die vernietiging een nieuwe kans verkrijgt om zelf in de desbetreffende betrekking te worden aangesteld, benoemd of aangewezen. Een verzoeker die zich geen kandidaat heeft gesteld voor een dergelijke aanstelling, benoeming of aanwijzing, kan die kans hoe dan ook niet meer verkrijgen. Hij heeft dan ook niet het rechtens vereiste directe belang bij zijn beroep. De omstandigheid dat de verzoeker door een vernietiging van de aanwijzing van Beni Van Gucht, gelet op de evenredige verdeling van de betrekkingen overeenkomstig artikel 83 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001, zijn positie als kandidaat zou kunnen verbeteren voor een toewijzing van één van de betrekkingen waarvoor hij zich wel kandidaat heeft gesteld, volstaat niet om te kunnen aannemen dat de verzoeker een rechtstreeks en een zeker belang heeft bij die vernietiging. De eerste door de verwerende partij opgeworpen exceptie is gegrond. 2.2.
  22. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord voorts op dat het voorliggende beroep laattijdig is ingediend, voor zover het strekt tot de nietigverklaring van de beslissing om verzoekers kandidaatstellingen voor de betrekkingen van auditeur van de gedeconcentreerde post Gent, diensthoofd van de dienst inspectie, diensthoofd van de dienst statuten en kabinetschef van de algemene dienst van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie onontvankelijk te verklaren. IX-3535-8/24 Zij zet in essentie uiteen dat de inspecteur-generaal van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie de verzoeker met een brief van 13 november 2001 in kennis heeft gesteld van de onontvankelijkheid van zijn eerste kandidaatstellingen. Het feit dat de verzoeker op 14 november 2001 daarop heeft gerepliceerd, bewijst dat hij op die datum kennis had van de genomen beslissing. De verzoeker kon dan ook ten laatste op 14 januari 2002 een beroep tot nietigverklaring tegen die beslissing indienen. De repliek van de verzoeker bij brieven van 14 november 2001 en 13 december 2001 kaderde in een willig beroep, dat niet verplicht was en waaraan de verwerende partij geen gevolg diende te geven. Wat zijn tweede kandidaatstelling betreft, werd de verzoeker met een brief van 2 april 2002 ervan in kennis gesteld dat hij niet beantwoordde aan de gestelde voorwaarden en zijn kandidaatstelling niet in overweging kon worden genomen. Het feit dat hij op 26 april 2002 daarop heeft gereageerd, bewijst dat hij uiterlijk op die datum kennis had van die beslissing. Bijgevolg kon hij ten laatste op 25 juni 2002 een beroep tot nietigverklaring tegen die beslissing indienen. Met een brief van 16 mei 2002 werd de verzoeker overigens definitief in kennis gesteld van het standpunt van het bestuur, met betrekking tot al zijn kandidaatstellingen, dat hij niet voldeed aan de voorwaarde van het bezit van de graad van hoofdcommissaris van politie, zodat het voorliggende beroep tot nietigverklaring dat op 18 oktober 2002 werd ingediend, hoe dan ook laattijdig is. 2.2.
  23. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord terecht dat de beslissing waarbij de kandidaatstelling van een personeelslid voor verscheidene betrekkingen bij de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie onontvankelijk wordt verklaard, een beslissing is die op een individuele wijze aan de betrokkene ter kennis moet worden gebracht en dat overeenkomstig artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State in dat geval de verjaringstermijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring tegen die beslissing slechts een aanvang neemt op voorwaarde dat de betekening door de administratieve overheid van die beslissing het bestaan vermeldt van de beroepsmogelijkheid en van de daarbij in acht te nemen termijn en vormvoorschriften. De verwerende partij heeft noch in haar brieven van 13 novem- ber 2001 en 2 april 2002, noch in enig later schrijven aan de verzoeker met betrekking tot de onontvankelijkheid van diens kandidaatstellingen melding gemaakt van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State en de daarbij in acht te nemen beroepstermijn en vormvoorschriften. De termijn om beroep in te stellen tegen de bestreden beslissing is dan ook niet beginnen lopen. IX-3535-9/24 De tweede door de verwerende partij opgeworpen exceptie kan niet worden aangenomen. 2.3.
  24. De verwerende partij werpt nog een exceptie op, afgeleid uit het gebrek aan belang van de verzoeker bij de nietigverklaring van de beslissing waarbij zijn kandidaatstellingen voor de betrekkingen van auditeur van de gedecon- centreerde post Gent, diensthoofd van de dienst inspectie, diensthoofd van de dienst statuten en kabinetschef van de algemene dienst van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, onontvankelijk worden verklaard. Zij laat gelden dat de nietigverklaring van die beslissing de verzoeker geen voordeel kan opleveren. Zij argumenteert dat de oproep tot de kandidaten, waarbij de benoemingsvoorwaarden zijn bepaald, een voorbereidende handeling van de benoemingen is, maar toch kan worden aangevochten door de kandidaten die niet aan die voorwaarden voldoen of wier benoemingskansen erdoor worden beperkt. Ten aanzien van de verzoeker is de oproep definitief geworden, vermits hij die niet bij de Raad van State heeft bestreden en de termijn om dat alsnog te doen is verstreken. De verzoeker heeft er dan ook geen belang meer bij de onwettigheid van die oproep aan te voeren. Bovendien beschikt het bestuur bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van verzoekers kandidaatstellingen over een gebonden bevoegd- heid, wat betekent dat het na een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing opnieuw slechts de voorwaarden vastgesteld bij de oproep tot de kandidaten zal kunnen toepassen en andermaal zal moeten besluiten dat de verzoeker niet aan die voorwaarden voldoet. 2.3.
  25. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat de oproep tot de kandidaten en de beslissing waarbij zijn kandidaatstellingen onontvankelijk werden verklaard, samen met de benoemingsbesluiten, een complexe administratieve rechtshandeling vormen en dat hij, aangezien hij de benoemings- besluiten op een ontvankelijke wijze bestrijdt, er belang bij heeft een onwettigheid aan te voeren met betrekking tot de oproep tot de kandidaten, die ertoe zou kunnen leiden dat de verwerende partij de benoemingsprocedure en dus ook de oproep tot de kandidaten moet overdoen, rekening houdend met de vastgestelde onwettigheid. 2.3.
  26. Wanneer het resultaat van een complexe rechtshandeling voor de Raad van State wordt bestreden, dan kan de vernietiging daarvan worden uitgesproken op grond van de onregelmatigheid van één van de voorbereidende handelingen, ook al is die handeling een voorbeslissing en zou ze afzonderlijk met IX-3535-10/24 een beroep tot nietigverklaring kunnen worden bestreden, maar is de termijn daarvoor inmiddels verstreken. Zo kunnen te dezen de koninklijke besluiten tot toewijzing van de betrekkingen waarvoor de verzoeker zich kandidaat heeft gesteld, maar ook de beslissing om verzoekers kandidaatstellingen onontvankelijk te verklaren, worden vernietigd op grond van de onregelmatigheid van de oproepen tot de kandidaten van 6 september 2001 en 20 december
  27. Het loutere feit dat de verzoeker deze oproepen niet met een beroep tot nietigverklaring heeft bestreden, staat een dergelijke vernietiging niet in de weg. Wanneer uit het onderzoek van de middelen zou blijken dat de voorwaarden bepaald in de oproep tot de kandidaten onwettig zijn en de kandidaatstellingen van de verzoeker ten onrechte werden geweerd, dan zal deze vastgestelde onwettigheid leiden tot de nietigverklaring van de ontvankelijk bestreden toewijzingsbesluiten én van de beslissing waarbij verzoekers kandidaat- stellingen onontvankelijk werden verklaard en zal de verwerende partij, met het oog op het rechtsherstel na het vernietigingsarrest, de kandidaatstellingen van de verzoeker opnieuw moeten onderzoeken, rekening houdend met het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest en in het bijzonder met de in het arrest gegrond bevonden vernietigingsgrond. De omstandigheid dat de verzoeker de oproep tot de kandidaten niet heeft bestreden, ontneemt hem derhalve niet het rechtens vereiste belang bij zijn beroep tegen de beslissing waarbij zijn kandidaatstellingen onontvankelijk werden verklaard. De derde door de verwerende partij opgeworpen exceptie kan evenmin worden aangenomen. 2.4.
  28. De verwerende partij werpt ten slotte op dat het voorliggende beroep niet ontvankelijk is, voor zover het strekt tot de nietigverklaring van de koninklijke besluiten tot toewijzing van de betrekkingen waarvoor ook de verzoeker kandidaat was, omdat de door de verzoeker aangevoerde middelen uitsluitend de beslissing betreffen waarbij zijn kandidaatstellingen onontvankelijk werden verklaard, maar niet uiteenzetten welke rechtsregels door de voormelde koninklijke besluiten zouden zijn geschonden en hoe die schending zich zou hebben voorgedaan. 2.4.
  29. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat de beslissing waarbij zijn kandidaatstellingen onontvankelijk werden verklaard, IX-3535-11/24 samen met de benoemingsbesluiten, een complexe administratieve rechtshandeling vormen en dat hij bijgevolg op een ontvankelijke wijze middelen kan aanvoeren die betrekking hebben op handelingen ter voorbereiding van die besluiten. 2.4.
  30. Wanneer uit het onderzoek van de middelen zou blijken dat verzoekers kandidaatstellingen voor de vier door hem geambieerde betrekkingen ten onrechte onontvankelijk werden verklaard, dan tast die vaststelling noodzakelijk de regelmatigheid aan van de koninklijke besluiten tot toewijzing van de desbetreffende betrekkingen. De vierde door de verwerende partij opgeworpen exceptie kan evenmin worden aangenomen. Grond van de zaak 3.1.
  31. De verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van artikel XII.VI.9 van het RPPol, luidens hetwelk onder meer de actuele personeelsleden die overeenkomstig de artikelen XII.II.25 tot en met XII.II.30 worden ingeschaald in de loonschaal O4 en die negen jaar kaderanciënniteit hebben, kunnen meedingen naar betrekkingen die openstaan voor de hoofdcommissarissen van politie. De verzoeker laat gelden dat hij aan die voorwaarden voldoet en dat zijn kandidaatstellingen derhalve ten onrechte niet ontvankelijk werden verklaard. Volgens de verzoeker heeft de verwerende partij ten onrechte in de oproep tot de kandidaten vermeld dat het koninklijk besluit van 20 juli 2001 bij wijze van overgang in een selectieprocedure voorziet die afwijkt van de voorschriften met betrekking tot de mobiliteit, waardoor onder meer genoemd artikel XII.VI.9 van het RPPol niet van toepassing zou zijn. De afwijkende regeling van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 heeft immers uitsluitend betrekking op de personeelsleden die deel uitmaakten van een inspectiedienst van de gewezen rijkswacht, gerechtelijke politie of gemeentelijke politie, maar de verzoeker behoorde daar niet toe. Die regeling heft bovendien artikel XII.VI.9 van het RPPol niet op. Het standpunt van de verwerende partij dat het koninklijk besluit van 20 juli 2001 een lex specialis is en een lex posterior ten aanzien van het RPPol kan, aldus de verzoeker, niet worden aangenomen, vermits de beide regelingen een verschillend personeel toepassingsgebied evenals een verschillende finaliteit hebben en uitvoering geven aan verschillende bepalingen van de WGP. De verzoeker wijst IX-3535-12/24 op artikel 70 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001, naar luid waarvan de statutaire personeelsleden hun statuut behouden, wat betekent dat de rechtspositie van de personeelsleden die zich kandidaat stellen voor een betrekking bij de algemene inspectie integraal wordt geregeld door het RPPol. Hij benadrukt ten slotte dat artikel 131 van de programmawet van 30 december 2001 deel XII van het RPPol heeft bekrachtigd en dat artikel 129 van de wet van 26 april 2002 betreffende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten, deel XII van het RPPol met ingang van 1 april 2001 retroactief in werking heeft gesteld. 3.1.
  32. De verwerende partij antwoordt dat hoofdstuk II van titel VII van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 voor de toewijzing van de betrekkingen bij de algemene inspectie binnen de zes maanden na de bekendmaking van dat besluit, voorziet in een selectieprocedure sui generis, die losstaat van deel XII van het RPPol en afwijkt van de regels en de waarborgen die eigen zijn aan de selectieprocedure voor betrekkingen die openstaan voor hoofdcommissarissen. Zij verwijst naar het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 20 juli 2001, waarin wordt gesteld dat “titel VII, benevens de opheffingsbepalingen, de overgangsbepalingen [bevat] die, gedurende zes maanden, de afwijking toelaten van bepaalde nevenvoorwaarden van selectie en toelating voor de algemene inspectie”. Zij handhaaft haar standpunt dat het koninklijk besluit van 20 juli 2001 ten aanzien van het RPPol moet worden beschouwd als een lex specialis en een lex posterior en dat bovendien de regels van het RPPol met betrekking tot de mobiliteit, ten tijde van de oproep tot de kandidaten, nog niet uitvoerbaar en dus niet van toepassing waren. Zij betwist het argument van de verzoeker dat de selectieprocedure van de overgangs- regeling van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 enkel betrekking heeft op de personeelsleden van een inspectiedienst van de voormalige rijkswacht, gerechtelijke politie of gemeentepolitie en zij wijst erop dat artikel 84 van het genoemde koninklijk besluit de afwijkende selectieprocedure zonder onderscheid oplegt aan alle kandidaten voor een betrekking bij de algemene inspectie, zodat die procedure de toepassing van artikel XII.VI.9 van het RPPol volledig uitsluit. Het door de verzoeker ingeroepen artikel 70 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 is volgens haar niet dienstig, vermits het betrekking heeft op de effectieve leden van de algemene inspectie en de verzoeker slechts kandidaat was voor een betrekking bij de algemene inspectie. Ten slotte laat zij gelden dat de wettelijke bekrachtiging van deel XII van het RPPol en de retroactieve uitwerking daarvan met ingang van 1 april 2001 niet relevant is. IX-3535-13/24 3.1.
  33. De verzoeker betwist in zijn laatste memorie het standpunt van de auditeur-verslaggever dat artikel XII.VI.9 van het RPPol een overgangsbepaling is met betrekking tot deel VI van het RPPol, dat hoofdstuk II van titel II van deel VI van het RPPol de mobiliteit regelt zoals bedoeld in artikel 128 WGP, en dat die mobiliteit geen betrekking heeft op de algemene inspectie van de federale en van de lokale politie, maar enkel geldt binnen de federale politie, tussen de verschillende lokale politiediensten en tussen de lokale politie en de federale politie, zodat artikel XII.VI.9 van het RPPol niet van toepassing is op vacante betrekkingen bij de algemene inspectie. Volgens de verzoeker heeft de verwerende partij zelf nooit blijk ervan gegeven dat zij van oordeel was dat artikel XII.VI.9 van het RPPol niet geldt voor vacante betrekkingen bij de algemene inspectie, maar enkel voor vacante betrekkingen bij de lokale en de federale politie. Het tegendeel blijkt uit het feit dat de verwerende partij het koninklijk besluit van 20 juli 2001 als een lex specialis en een lex posterior beschouwt ten aanzien van het RPPol en uit het feit dat zij in de oproep tot de kandidaten uitdrukkelijk heeft bepaald dat onder meer artikel XII.VI.9 van het RPPol niet van toepassing was voor de betrekkingen bij de algemene inspectie, aangezien het koninklijk besluit van 20 juli 2001 bij overgangsregeling in een selectieprocedure voorzag die afweek van de voorschriften met betrekking tot de mobiliteit. De vermelding dat van artikel XII.VI.9 van het RPPol bij overgangsregeling werd afgeweken, geeft volgens de verzoeker het standpunt van de verwerende partij weer dat de genoemde en andere bepalingen van het RRPol inzake de mobiliteit in beginsel wel degelijk van toepassing zijn op vacante betrekkingen bij de algemene inspectie en ze slechts tijdelijk, bij wijze van overgang, niet van toepassing waren als gevolg van de afwijkende selectieprocedure voorgeschreven door het koninklijk besluit van 20 juli
  34. Voorts betwist de verzoeker het standpunt van de auditeur- verslaggever dat het statuut van het politiepersoneel niet zou gelden voor de personeelsleden van de algemene inspectie, aangezien deze aangelegenheid wordt behandeld in een afzonderlijke titel van de WGP. Volgens de verzoeker zou de redenering van de auditeur-verslaggever leiden tot het foutieve besluit dat ook de “Gemeenschappelijke bepalingen”, die evenzeer in een afzonderlijke titel worden behandeld, niet van toepassing zouden zijn op de federale en de lokale politie. Uit de inhoud, de structuur en de geest van de WGP blijkt dat deze wet geldt voor alle politieambtenaren. De verzoeker wijst op artikel 149 van de WGP, waarin onder meer wordt gesteld dat de personeelsleden van de algemene inspectie in voorkomend geval worden aangeworven “overeenkomstig de mobiliteitsregeling”. IX-3535-14/24 De verzoeker betoogt dat uit deze wetsbepaling blijkt dat de algemene inspectie is samengesteld uit ambtenaren van de federale en de lokale politie en dat het statuut van de personeelsleden van de federale en de lokale politie, met inbegrip van de mobiliteitsregeling en de overgangsbepalingen van het RPPol, van toepassing is op de personeelsleden van de algemene inspectie, met dien verstande dat de onafhankelijkheid van de algemene inspectie ten aanzien van de politiediensten wordt gewaarborgd. Hetzelfde blijkt volgens de verzoeker uit artikel 70 van het koninklijk besluit van 20 juli
  35. Het tegenovergestelde aannemen zou impliceren dat de personeelsleden van de algemene inspectie slechts een statuut hebben waarin een aantal deelaspecten worden geregeld. 3.1.
  36. De verwerende partij stelt in haar laatste memorie dat de Koning krachtens artikel 149 van de WGP bijzondere regels kan vaststellen met betrekking tot het statuut van de politieambtenaren die deel uitmaken van de algemene inspectie, zodanig dat de onafhankelijkheid van deze inspectie tegenover de politiediensten wordt gewaarborgd. Dergelijke bijzondere regels zijn opgenomen in het koninklijk besluit van 20 juli
  37. Uit artikel 70 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 blijkt echter dat de statutaire personeelsleden van de algemene inspectie hun statuut, vastgesteld in onder meer het RPPol, met inbegrip van de mobiliteitsregeling, behouden ter omkadering van de bijzondere regels van datzelfde koninklijk besluit. De verwerende partij meent dan ook dat de mobiliteitsregeling en de overgangsbepalingen van het RPPol van toepassing zijn op de algemene inspectie, behalve gedurende de periode van zes maanden tijdens dewelke de overgangsregeling sui generis van artikel 84 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 van toepassing is. 3.1.5.
  38. Luidens artikel 2 van de WGP wordt in deze wet onder “de politiediensten” verstaan de federale politie en de korpsen van de lokale politie en onder “de algemene inspectie” de algemene inspectie van de federale en van de lokale politie. Luidens artikel 3 van de WGP worden de politiediensten georganiseerd en gestructureerd op twee niveaus: het federale niveau en het lokale niveau, die samen de geïntegreerde politiezorg verzekeren. Luidens artikel 144 van de WGP heeft de algemene inspectie betrekking op de werking van de federale politie en van de lokale politie. De lokale politie, de federale politie, de gemeenschappelijke aspecten met betrekking tot de politiediensten en de politieambtenaren en de algemene inspectie werden in de WGP, zoals van IX-3535-15/24 toepassing op het ogenblik van de bestreden beslissingen, elk behandeld onder een afzonderlijke titel. Artikel 128 van de WGP bepaalt dat het statuut van de politieambtenaren hun de waarborg verleent van de mobiliteit in de federale politie, tussen de lokale politiediensten en tussen de lokale en de federale politie. Artikel I.I.1.15/, van het RPPol definieert de mobiliteit als elke verandering van betrekking uitgevoerd krachtens artikel 128 van de WGP. In deel VI, titel II, hoofdstuk II, van het RPPol (artikelen VI.II.8 tot VI.II.68) wordt de regeling van de mobiliteit nader uitgewerkt. Al deze bepalingen hebben duidelijk betrekking op de verandering van betrekking binnen de federale politie, op de overgang van een lokaal politiekorps naar de federale politie of naar een ander lokaal politiekorps en op de overgang van de federale politie naar een lokaal politiekorps. Gelet op de specifieke inhoud die het begrip “mobiliteit” aldus heeft gekregen, kan daaronder niet worden begrepen de overgang van een politieambtenaar van de federale politie naar de algemene inspectie, die immers een van de federale politie en van de lokale politie onderscheiden instantie is. Artikel XII.VI.9 van het RPPol, dat ten tijde van verzoekers kandidaatstelling een overgangsregeling inhield met betrekking tot deel VI van het RPPol, luidde als volgt: “De actuele personeelsleden die overeenkomstig de artikelen VII.II.25 tot en met XII.II.30 worden ingeschaald in de loonschalen O2, O2ir, O3, O3ir, O4, O4ir, O4bis en O4 bisir en die negen jaar kaderanciënniteit of, zo zij op de datum van inwerkingtreding van dit besluit houder zijn van een in België erkend diploma of studiegetuigschrift dat ten minste gelijkwaardig is met die welke in aanmerking worden genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau 1 bij de Rijksbesturen, vijf jaar kaderanciënniteit tellen op de laatste datum bedoeld in artikel VI.II.15, 4/, kunnen meedingen naar betrekkingen die openstaan voor de hoofdcommissarissen van politie.” Deze bepaling week af van artikel VI.II.10, 2/, van het RPPol, luidens hetwelk “voor de mobiliteit in de federale politie, tussen de verschillende lokale politiekorpsen en tussen de laatstgenoemde politiekorpsen en de federale politie” uitsluitend het personeelslid in aanmerking komt dat met één van de graden bekleed is en, in voorkomend geval, houder is van een brevet, die als toekenningsvoorwaarden voor de vacante betrekking gelden, in die zin dat de voormelde bepaling aan de daarin bedoelde personeelsleden toeliet mee te dingen naar een benoeming in een vacante betrekking, zonder dat zij voldeden aan de IX-3535-16/24 voorwaarde titularis te zijn van de graad van hoofdcommissaris van politie die als toekenningsvoorwaarde voor die betrekking gesteld was. Uit wat voorafgaat kan worden afgeleid dat artikel XII.VI.9 van het RPPol niet van toepassing is op de overgang van politieambtenaren van de federale politie naar de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie. 3.1.5.
  39. De regeling met betrekking tot de selectie van de kandidaten voor de algemene inspectie is vervat in het koninklijk besluit van 20 juli
  40. Dit besluit legt krachtens de artikelen 149, tweede lid, en 257ter van de WGP de regels vast met betrekking tot de algemene inspectie, die haar onafhankelijkheid moeten waarborgen ten aanzien van de politiediensten. De hoofdstukken II en III van titel VI van dit koninklijk besluit regelen de selectie en de aanwijzing van de personeelsleden van de algemene inspectie. Hoofdstuk II van titel VII voorziet in overgangsbepalingen, waaronder artikel 84, dat ten tijde van verzoekers kandidaatstellingen, voor een periode van zes maanden een afwijkende selectieprocedure invoerde. Zoals eerder gesteld, is de mobiliteitsregeling overeenkomstig het RPPol te dezen niet van toepassing. De omstandigheid dat de verwerende partij in haar oproep tot de kandidaten zou hebben laten uitschijnen dat die mobiliteitsregeling in beginsel wel degelijk van toepassing is op de overgang van de federale politie naar de algemene inspectie, maar hiervan werd afgeweken met toepassing van artikel 84 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001, en dat de verwerende partij in die zienswijze volhardt voor de Raad van State, doet hieraan geen afbreuk. Artikel 149, eerste lid, van de WGP, zoals gewijzigd door de wet van 2 april 2001 tot wijziging van de wet op het politieambt, de WGP en tot wijziging van overige wetten inzake de indeplaatsstelling van de nieuwe politiestructuren (hierna: de wet van 2 april 2001), bepaalt: “De algemene inspectie staat onder leiding van de inspecteur-generaal en is samengesteld uit politieambtenaren van de federale politie en van de lokale politie. Zij kunnen zich laten bijstaan door administratief personeel en deskundigen. In voorkomend geval worden zij aangeworven overeenkomstig de mobiliteitsregeling”. Luidens artikel 70 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 behouden de statutaire personeelsleden van de algemene inspectie hun statuut, zoals vastgelegd in toepassing van artikel 121 van de WGP (bedoeld wordt zoals onder meer vastgelegd in het RPPol). IX-3535-17/24 Bijgevolg zijn de bepalingen van het RPPol weliswaar van toepassing op de statutaire personeelsleden van de algemene inspectie, die steeds tot de federale of tot de lokale politie blijven behoren, maar deel VI, titel II, hoofdstuk II, dat de mobiliteit betreft, heeft, zoals eerder uiteengezet, geen betrekking op de overgang van politieambtenaren van de federale politie naar de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie. Waar luidens artikel 149, eerste lid, van de WGP de politieambtenaren van de algemene inspectie zich kunnen laten bijstaan door administratief personeel en door deskundigen en zij in voorkomend geval worden aangeworven overeenkomstig de mobiliteitsregeling, blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 2 april 2001 dat die laatste zinsnede werd toegevoegd om te preciseren “dat de leden van het bestuurlijk personeel en experten bedoeld in artikel 149, 1ste lid, [...] desgevallend aangeworven kunnen worden overeenkomstig de mobiliteitsregeling” (memorie van toelichting, Parl. St., Kamer, 2000-01, nr. 50-1126/1, p. 11). Geen enkele bepaling voorziet echter in die mogelijkheid voor de aanwerving van politieambtenaren voor het operationeel kader van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie. 3.1.5.
  41. Gelet op wat voorafgaat, moet worden besloten dat artikel XII.VI.9 van het RPPol niet van toepassing is op verzoekers kandidaatstellingen voor de door hem geambieerde betrekkingen bij de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie. Het eerste middel is niet gegrond. 3.2.
  42. De verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van de artikelen XII.VII.25 en XII.VII.26 van het RPPol. Het eerstgenoemde artikel bepaalt dat de benoemende overheid de personeelsleden die overeenkomstig artikel XII.VI.9 van het RPPol zijn aangewezen voor een betrekking van hoger officier, voor de duur van hun aanwijzing aanstelt in de graad van hoofdcommissaris. Het laatstgenoemde artikel bepaalt dat bij de eerste toewijzing van ambten die een gezagsuitoefening inhouden, andere dan de mandaten, een proportionele verdeling van die ambten wordt gewaarborgd tussen de gewezen leden van de rijkswacht, de gemeentepolitie en de gerechtelijke politie in functie van hun respectieve inbreng in de opgerichte diensten en dat de benoemende overheid in voorkomend geval de betrokken personeelsleden daartoe aanstelt in de hogere graad. De verzoeker betoogt dat hij werd voorgedragen voor de aanwijzing in de functie van adviseur van de directeur van de directie Beleid, Beheer en Ontwikkeling van de algemene directie IX-3535-18/24 van de gerechtelijke politie en voor de daaruit volgende aanstelling tot politiecommissaris, waardoor hij met zekerheid met terugwerkende kracht tot 1 januari 2001 bekleed zal worden met de graad van hoofdcommissaris. Hij leidt daaruit af dat de verwerende partij zijn kandidaatstellingen ten onrechte niet in overweging heeft genomen op grond dat hij niet bekleed was met de graad van hoofdcommissaris. 3.2.
  43. De verwerende partij antwoordt dat zij bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de kandidaatstellingen van de verzoeker geen rekening kon houden met een beslissing die pas later werd genomen. Zelfs indien die beslissing al genomen geweest zou zijn vóór verzoekers kandidaatstellingen, dan nog zou dit geen afbreuk doen aan het feit dat de selectieprocedure sui generis van artikel 84 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 de toepassing van artikel XII.VI.9 van het RPPol ten aanzien van de verzoeker uitsluit. Bovendien werd de verzoeker niet op grond van artikel XII.VII.25 van het RPPol aangesteld in de graad van hoofdcommissaris, maar wel op grond van artikel XII.VII.26 van het RPPol. Zelfs indien de verzoeker op grond van artikel XII.VII.25 van het RPPol aangesteld geweest zou zijn vóór zijn kandidaatstellingen voor de betrekkingen bij de algemene inspectie, dan nog zou hij niet met de vereiste graad bekleed geweest zijn om voor die betrekkingen in aanmerking te kunnen worden genomen, vermits die aanstelling dan slechts zou gelden voor de duur van zijn aanwijzing in de betrokken functie. Nu de verzoeker met toepassing van artikel XII.VII.26 van het RPPol in de graad van hoofdcommissaris werd aangesteld, kan hij zich op die aanstelling slechts beroepen voor zover hij deel blijft uitmaken van de gerechtelijke zuil. 3.2.
  44. In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat zijn retroactieve aanstelling in de graad van hoofdcommissaris met uitwerking op 1 april 2001 geen juridische fictie is die op het ogenblik van het onderzoek van de kandidaatstellingen voor de betrekkingen bij de algemene inspectie nog niet bekend was, aangezien het op dat ogenblik reeds een vaststaand feit was dat hij ingevolge de toepassing van het nieuwe personeelsstatuut en in het bijzonder van artikel XII.VII.26 van het RPPol met terugwerkende kracht met de voornoemde graad zou worden bekleed en hij de bijbehorende weddeschaal en prerogatieven zou genieten. De verwerende partij heeft bij haar onderzoek van de kandidaatstellingen ten onrechte hiermee geen rekening gehouden en heeft de verzoeker, door onbehoorlijk bestuur, pas later en met terugwerkende kracht effectief met de graad van hoofdcommissaris bekleed. IX-3535-19/24 3.2.4.
  45. Artikel XII.VII.25 van het RPPol, vervangen bij wet van 3 juli 2005 met uitwerking op 1 april 2001, luidt als volgt: “De benoemende overheid stelt de personeelsleden die overeenkomstig de artikelen XII.VI.9, XII.VI.9bis en XII.VII.27bis, zijn aangewezen voor een betrekking van hoger officier, aan in de graad van hoofdcommissaris van politie voor de duur van hun aanwijzing. Voor het overige wordt het statuut van de in het eerste lid bedoelde personeelsleden bepaald overeenkomstig hun inschaling als niet hoger officier.” Artikel XII.VII.26 van het RPPol luidt als volgt: “Onverminderd artikel 248, vierde lid, van de wet en artikel 28 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, wordt, bij de eerste toewijzing van de ambten die een gezagspositie inhouden, andere dan de mandaten, in functie van hun respectieve inbreng in de opgerichte diensten, een proportionele verdeling van die ambten gewaarborgd tussen de gewezen leden van de rijkswacht, de gemeentepolitie en de gerechtelijke politie. In voorkomend geval stelt de benoemende overheid de betrokken personeelsleden daartoe aan in de hogere graad. De selectie van de in het tweede lid bedoelde personeelsleden geschiedt op grond van de laatste evaluatie van de kandidaten vastgelegd vóór 21 april
  46. Voor het overige wordt het statuut van de in het tweede lid bedoelde personeelsleden bepaald overeenkomstig hun inschaling.” Bij koninklijk besluit van 18 februari 2003 houdende de aanstelling in de hogere graad van bepaalde personeelsleden van het operationeel kader van de federale politie (hierna: het koninklijk besluit van 18 februari 2003) werd de verzoeker met toepassing van artikel XII.VII.26 van het RPPol, met uitwerking op 1 april 2001 aangesteld in de graad van hoofdcommissaris van politie in de algemene directie gerechtelijke politie. Vermits de verzoeker niet werd aangewezen voor een betrekking van hoger officier overeenkomstig de artikelen XII.VI.9, XII.VI.9bis of XII.VII.27bis van het RPPol, kunnen de bestreden beslissingen artikel XII.VII.25 van het RPPol niet schenden. Op het ogenblik van het onderzoek van verzoekers kandidaatstellingen voor de door hem beoogde betrekkingen bij de algemene inspectie en zelfs op het ogenblik dat de bestreden beslissingen werden genomen, was er met betrekking tot de verzoeker nog geen koninklijk besluit genomen ter uitvoering van artikel XII.VII.26 van het RPPol. Op dat ogenblik stond het evenmin vast dat een dergelijk koninklijk besluit zou worden genomen, aangezien IX-3535-20/24 overeenkomstig artikel 3, tweede lid, van het ministerieel besluit van 16 januari 2001 tot uitvoering van artikel 12 van het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden en de modaliteiten van de eerste aanstelling tot bepaalde betrekkingen van de federale politie en van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, de commissaris-generaal de lijst van de aanwijzingen in de algemene directie gerechtelijke politie en de gedeconcentreerde gerechtelijke diensten ter gezamenlijke goedkeuring voorlegt aan de minister van Justitie en de minister van Binnenlandse Zaken en uit de aanhef van het koninklijk besluit van 18 februari 2003 blijkt dat de voornoemde ministers die lijst pas op 19 december 2002 hebben goedgekeurd. Aldus kon de verwerende partij bij het onderzoek van de kandidaatstellingen van de verzoeker bezwaarlijk rekening houden met een beslissing die eventueel in de toekomst tot stand zou kunnen komen. Weliswaar heeft het koninklijk besluit van 18 februari 2003 uitwerking vanaf 1 april 2001, maar de juridische fictie van de terugwerkende kracht van verzoekers aanstelling in de graad van hoofdcommissaris van politie ingevolge de eerste toewijzing van een ambt dat een gezagsuitoefening inhoudt -aanstelling die de verzoeker geen ander voordeel biedt, vermits zijn statuut voor het overige wordt bepaald overeenkomstig zijn inschaling als niet- hoger officier- kan geen gevolgen hebben voor beslissingen die, op het ogenblik dat zij werden genomen, rechtsgeldig waren. 3.2.4.
  47. Het tweede middel is evenmin gegrond. 3.2.4.
  48. De door de verzoeker aangevoerde grief dat de verwerende partij blijk heeft gegeven van onbehoorlijk bestuur, doordat zij hem pas op 18 februari 2003 met terugwerkende kracht effectief met de graad van hoofdcommissaris van politie heeft bekleed, is een nieuw middel dat niet voor het eerst in de laatste memorie kan worden aangevoerd. 3.3.
  49. In een derde middel, voor het eerst aangevoerd in zijn memorie van wederantwoord, stelt de verzoeker dat artikel XII.II.25 van het RPPol, overeenkomstig hetwelk hij werd ingeschaald in het lagere officierskader en bekleed met de graad van commissaris, door het arrest nr. 102/2003 van 22 juli 2003 van het Grondwettelijk Hof werd vernietigd, in zoverre het de voormalige afdelingscommissarissen 1C van de gerechtelijke politie, waaronder hijzelf, integreerde in de graad van commissaris van politie. Hij wijst erop dat het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat de voormalige gerechtelijke IX-3535-21/24 afdelingscommissarissen 1C in het hogere officierskader moeten worden geïntegreerd en met de graad van hoofdcommissaris van politie moeten worden bekleed, zodat zij de functies verbonden aan hun graad van hoger officier kunnen uitoefenen en niet op dezelfde wijze worden behandeld als de lagere officieren bij de voormalige gerechtelijke politie, meer bepaald de afdelingscommissarissen 1B. De verzoeker meent dat hij, gelet op dit arrest, bij het onderzoek van de ontvankelijkheid van zijn kandidaatstellingen moest worden beschouwd als bekleed met de graad van hoofdcommissaris van politie. Nu dat niet zo is gebeurd, is volgens de verzoeker niet alleen het voormelde arrest van het Grondwettelijk Hof geschonden, maar ook het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel op zich. 3.3.
  50. In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat de ingevolge het arrest nr. 102/2003 van het Grondwettelijk Hof uitgevaardigde wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten (hierna: de wet van 3 juli 2005), overeenkomstig dewelke hij met ingang van 1 april 2001 niet werd ingeschaald in de graad van hoofdcommissaris van politie, maar in de nieuwe graad van commissaris van politie eerste klasse, een artikel 18 bevat dat in het RPPol een artikel XII.VI.9bis heeft ingevoegd, luidens hetwelk de personeelsleden die worden ingeschaald in de graad van commissaris van politie eerste klasse, kunnen meedingen naar betrekkingen die openstaan voor hoofdcommissarissen van politie, zodat zijn kandidaatstellingen voor de door hem beoogde betrekkingen bij de algemene inspectie wel degelijk ontvankelijk waren. Hij benadrukt dat de verwerende partij, door zijn kandidaatstellingen voor de desbetreffende betrekkingen onontvankelijk te verklaren om de enkele reden dat hij niet bekleed was met de graad van hoofdcommissaris van politie, hem op een discriminerende wijze heeft gelijkgesteld met de lagere officieren van de voormalige gerechtelijke politie én hem op een discriminerende wijze heeft behandeld in vergelijking met de andere hogere officieren van de voormalige gerechtelijke politie of van één van de andere korpsen, die wél werden ingeschaald in de graad van hoofdcommissaris van politie en wier kandidaatstellingen wel ontvankelijk werden bevonden. 3.3.
  51. Artikel XII.II.25 van het RPPol luidt als volgt: “De actuele personeelsleden bedoeld in tabel D1, derde kolom, van bijlage 11, worden opgenomen in het officierskader en worden, naar gelang van het geval, benoemd of aangesteld in de overeenstemmende graad bedoeld in de eerste kolom van diezelfde tabel D1.” IX-3535-22/24 Blijkens die tabel D1 van bijlage 11 bij het RPPol werden de voormalige gerechtelijke afdelingscommissarissen 1C benoemd in de graad van commissaris van politie. Zoals de verzoeker terecht opmerkt, heeft het Grondwettelijk Hof met zijn arrest nr. 102/2003 van 22 juli 2003 artikel XII.II.25 van het RPPol vernietigd, in zoverre het de gerechtelijke afdelingscommissarissen 1C integreert in de graad van commissaris van politie. Dit vernietigingsarrest heeft echter op zich niet tot gevolg dat de verzoeker moet worden geacht met de graad van hoofdcommissaris te zijn bekleed. Integendeel, ingevolge het voormelde arrest van het Grondwettelijk Hof, is tabel D1 van bijlage 11 bij het RPPol gewijzigd bij artikel 11 van de wet van 3 juli 2005 in die zin dat de voormalige gerechtelijke afdelingscommissarissen worden aangesteld in de nieuwe graad van commissaris van politie eerste klasse. Overeenkomstig artikel 48, 2/, van de wet van 3 juli 2005 heeft die wijziging uitwerking met ingang van 1 april
  52. Luidens artikel 44 van de wet van 3 juli 2005, dat een artikel 135bis invoegt in de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten, worden de bedoelde commissarissen van politie eerste klasse in hiërarchische orde gerangschikt tussen de commissarissen van politie en de hoofdcommissarissen van politie. Bij koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende graad- en loonschaaltoewijzing aan bepaalde officieren van de federale politie en van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, is verzoeker met ingang van 1 april 2001 benoemd in de graad van commissaris van politie eerste klasse. Aldus zou ook op grond van de wetgeving die is aangenomen na het voormelde arrest van het Grondwettelijk Hof, de verwerende partij ertoe gehouden geweest zijn de kandidaatstellingen van de verzoeker voor de door hem beoogde betrekkingen bij de algemene inspectie onontvankelijk te verklaren, op grond dat hij niet bekleed was met de graad van hoofdcommissaris van politie en het door hem aangevoerde artikel XII.VI.9bis van het RPPol, luidens hetwelk de voormalige gerechtelijke afdelingscommissarissen die thans bekleed zijn met de graad van commissaris van politie eerste klasse kunnen meedingen naar betrekkingen die openstaan voor de hoofdcommissarissen van politie, niet van toepassing is op die kandidaatstellingen, om dezelfde redenen als die welke bij het onderzoek van het eerste middel werden uiteengezet met betrekking tot artikel XII.VI.9 van het RPPol. IX-3535-23/24 Het derde middel is evenmin gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  53. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  54. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 12 januari 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3535-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.385 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.117.416 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.