← België

Arrest 189389 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 12/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.389 Rolnummer: A. 67979/X-10107 Zaak: Arrest 189389 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 12/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-26 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 13:10 Fiche Arrest nr 189.389 van 12 januari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.389 van 12 januari 2009 in de zaak A. 67.979/X-10.107. In zake : 1. Cécile IWEINS D’EECKHOUTTE, 2. Didier de KERCKHOVE D’EXAERDE, 3. Thierry de KERCKHOVE D’EXAERDE, 4. Marie-Sabine de KERCKHOVE D’EXAERDE, 5. Vinciane de KERCKHOVE D’EXAERDE, 6. Olga de KERCKHOVE D’EXAERDE, 7. Cathleen de KERCKHOVE D’EXAERDE, 8. Adrien IWEINS D’EECKHOUTTE, 9. Anne IWEINS D’EECKHOUTTE, 10. Xavier IWEINS D’EECKHOUTTE, 11. Eliane IWEINS D’EECKHOUTTE, 12. Gabrielle IWEINS D’EECKHOUTTE, 13. Yolande IWEINS D’EECKHOUTTE, 14. Muriel IWEINS D’EECKHOUTTE, 15. Sybille IWEINS D’EECKHOUTTE, Rechtsgeding hervat door: 1. Karel VAN DE VELDE, 2. Miriam COESSENS, die woonplaats kiezen bij advocaat L. KOOLS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Van Benedenlaan 15 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Cécile IWEINS D’EECKHOUTTE, Didier de KERCKHOVE D’EXAERDE, Thierry de KERCKHOVE D’EXAERDE, Marie-Sabine de KERCKHOVE D’EXAERDE, Vinciane de KERCKHOVE D’EXAERDE, Olga de KERCKHOVE D’EXAERDE, Cathleen de KERCKHOVE D’EXAERDE, Adrien IWEINS D’EECKHOUTTE, Anne IWEINS D’EECKHOUTTE, Xavier IWEINS D’EECKHOUTTE, Eliane IWEINS D’EECKHOUTTE, Gabrielle IWEINS D’EECKHOUTTE, Yolande IWEINS D’EECKHOUTTE, Muriel IWEINS D’EECKHOUTTE en Sybille IWEINS D’EECKHOUTTE op 8 maart 1996 hebben ingediend om de nietigverklaring te X-10.107-1/12 vorderen van het besluit van 22 december 1995 van de Vlaamse minister van Openbare werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, waarbij een namens hen ingesteld administratief beroep wordt verworpen en de vergunning wordt geweigerd voor het verkavelen van een grond gelegen aan de Borstekouter te Roborst-Zwalm, op percelen kadastraal bekend onder sectie A, nrs. 279/a en 302/b; Gelet op het arrest nr. 183.749 van 3 juni 2008 waarbij de debatten worden heropend, aan Karel VAN DE VELDE en Miriam COESSENS een eenmalige termijn wordt verleend om een verzoek tot gedinghervatting in te dienen, en waarbij wordt bepaald dat de zaak opnieuw zal worden opgeroepen op de terechtzitting van 27 juni 2008; Gezien het verzoekschrift van 24 juni 2008 waarbij Karel VAN DE VELDE en Miriam COESSENS verklaren het geding te hervatten; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. LAKHAL, die verschijnt voor de gedinghervattende partijen, en van advocaat W. LAMMENS, die loco advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. De verzoekende partijen waren eigenaar van de betrokken percelen gelegen aan de Borstekouter te Roborst-Zwalm, kadastraal bekend onder sectie A, nrs. 279/a (deel) en 302/b. Deze percelen zijn, volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 vastgestelde gewestplan Oudenaarde, gelegen in een woongebied met landelijk karakter. X-10.107-2/12 1.2. Op 20 december 1993 dienen de verzoekende partijen een verkavelingsaanvraag in bij het college van burgemeester en schepenen te Zwalm. De aanvraag strekt ertoe de betrokken percelen in te delen in drie kavels, waarvan de loten nrs. 1 en 2 aan de straatzijde bestemd zijn voor twee gekoppelde ééngezinswoningen “met mogelijkheid van samenvoeging” en op het dieper gelegen lot nr. 3 het “aanpassen van bestaand waterbekken tot een natuurlijke vijver” voorzien is. In zitting van 3 januari 1994 adviseert het college van burgemeester en schepenen de aanvraag ongunstig, onder meer op basis van volgende overwegingen: “Overwegende dat de aanvraag het verkavelen beoogt van een perceel in twee bouwpercelen voor halfopen bebouwing waarop momenteel waterkersgrachten aangelegd zijn; dat deze waterkersgrachten reeds sinds mensenheugenis op dit perceel in uitbating zijn. Overwegende dat de percelen gelegen zijn op minder dan 100m van de St Denijskerk van Roborst die bij besluit van 13.07.1945 geklasseerd werd als monument. Overwegende dat de kweek van waterkers een zeer typische activiteit is die in Roborst wordt beoefend; dat op alle stafkaarten van het Militair Geografisch Instituut deze waterkersbeken of grachten vermeld zijn en dat alle toeristische folders die over de streek en de gemeente reeds verschenen, de waterkersbeken of grachten als merkwaardig aangeven of vermelden. Overwegende dat het uitzicht op de bestaande waterkersbeken het typische en het karaktervolle van de toegang tot het dorpsplein accentueren en kenmerken een dorpsplein dat pas onlangs werd gerestaureerd en heraangelegd in het kader van dorpsrenovatie. Overwegende dat de watervoorziening van de grachten verzekerd is door een bron (gelegen in de Fonteinstraat -ongeveer 100m hoger dan de betrokken percelen), dat deze bron een groot debiet heeft en instaat voor de watervoorziening van het op het dorpsplein gesitueerde kasteel en de vijvers in het meegaande park en dat het teveel aan water enkel via de waterkersbeken kan afgevoerd worden naar de waterlopen zodat bij het supprimeren van deze laatste gevaar bestaat voor zware moeilijkheden bij de normale waterafvoer”. Op 11 februari 1994 sluit de gemachtigde ambtenaar zich aan bij het negatief advies van de gemeente stellende dat “het niet wenselijk (

  1. is)het betreffende perceel te laten bebouwen”. Ook het Bestuur voor Monumenten en Landschappen brengt op 28 februari 1994 een negatief advies uit “gelet op het typische karakter van de waterkersbeken en hun belang binnen de dorpskom van Roborst”. Bij besluit van 28 februari 1994 wordt de vergunning door het college van burgemeester en schepenen geweigerd met verwijzing naar bovenvermelde negatieve adviezen. X-10.107-3/12 1.3. Tegen deze weigeringsbeslissing wordt in naam van de verzoekende partijen administratief beroep aangetekend bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 8 april 1994. Ook de bestendige deputatie weigert de gevraagde vergunning bij besluit van 9 juni 1994, waarin eerst de plaatselijke toestand en de voorafgaande adviezen op uitvoerige wijze worden weergegeven, om uiteindelijk tot het volgende besluit te komen: “Overwegende dat de uitgebrachte adviezen ertoe strekken om de bestaande waterkersbeken die samen met de geklasseerde St. Denijskerk en het dorpsplein het typische uitzicht vormen van Roborst te behouden; dat bij het toelaten van bebouwing op de betreffende percelen het typisch en uniek zicht op de geklasseerde kerk en de unieke aanleg van de waterkerskweek voor altijd zal verloren gaan; dat om deze reden de adviezen van het Schepencollege en van het Bestuur Monumenten en Landschappen kunnen worden bijgetreden”. 1.4. Bij aangetekend schrijven van 11 juli 1994 wordt in naam van de verzoekende partijen administratief beroep aangetekend bij de bevoegde Vlaamse minister. Bij bestreden ministerieel besluit van 22 december 1995 wordt dit beroep verworpen. Het besluit bevat onder meer de volgende overwegingen : “Overwegende dat de aanvraag de verkaveling beoogt van 3 loten, zijnde lot 1 en 2 bestemd voor het oprichten van een halfopen bebouwing en een achtergelegen lot 3 dat volgens de stedebouwkundige voorschriften bestemd is voor het inrichten van een vijver voor doorstromend natuurlijk grondwater, afkomstig van een hogergelegen bron; dat het perceel nr. 302b thans wordt uitgebaat als waterkersbedrijf met de zeer specifieke daaraan verbonden inrichting, namelijk de aanleg met hoogteverschil van 4 naast elkaar gelegen bakken, tot op 50 m diepte vanaf de buurtweg nr. 2, waar het verse bronwater naartoe wordt geleid; dat de perceelsbreedte van het totale perceel aan de straatkant 29,50 m bedraagt; dat de bouwlijn gelegen is op 15 m afstand van de as van de voorliggende weg; dat een bouwdiepte wordt voorzien van maximum 20 m; dat de afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen 4 m bedraagt; dat na 50 m diepte er een hoogteverschil is in perceel nr. 302 b van ± 3 m, zodat ook op het lot 3 vier kweekbakken voor waterkers werden gebouwd met een zeer specifieke aanleg; dat het perceel nr. 279 a weiland is; dat tussen de kwestieuze percelen een afwateringsgracht is gelegen en dat vanaf deze gracht het weiland op perceel nr. 279 a sterk stijgt naar de Fonteinstraat toe; dat het hoogteverschil tussen de linker en rechter perceelsgrens van lot 1 en 2 ± 1,0 m bedraagt om watertoevoer naar de verschillende waterkers-kweekbedden te kunnen verwezenlijken; dat links van lot 1 en 2 weiland is gelegen dat zeer sterk stijgt naar het ± 3 m hoger gelegen kerkgebouw, geklasseerd bij koninklijk besluit dd. 13 juli 1945; dat de aangelegen buurtweg nr. 2 ter hoogte van kwestieuze percelen voorzien is van een rijwegverharding in koolwaterstofbeton van 5 m breedte met ernaast een onverharde zoomweg van ± 2 m breedte; dat de Borstekouter voorzien is van elektriciteit, riolering en waterleiding; X-10.107-4/12 Overwegende dat het perceel volgens het bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 vastgesteld gewestplan Oudenaarde zich situeert in een woongebied met landelijk karakter; dat, luidens artikel 6 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, de woongebieden met landelijk karakter bestemd zijn voor woningbouw in het algemeen en tevens voor landbouwbedrijven; dat, ook wanneer geen strijdigheid bestaat met de op het betrokken gewestplan aangeduide bestemming, het de taak van de daartoe bevoegde overheid blijft te waken over een degelijke ruimtelijke ordening van het gebied; Overwegende dat appellant tot staving van het beroep argumenteert dat de gronden in kwestie niet meer uitgebaat worden, gezien de ziekte bij de waterkers, waardoor het terrein is verwilderd; dat voor gronden gelegen binnen het zicht van een dorpskern getroffen door een klasseringsbesluit, maar die zelf geen deel uitmaken van dit klasseringsbesluit, dit niet automatisch kan leiden tot een verkavelingsweigering; dat de op het verkavelingsvoorstel geformuleerde verdeling één stedebouwkundig geheel zal vormen met het geklasseerde dorpsgezicht, met een volkomen normale houding tussen bebouwde oppervlakte en de overblijvende waterpartij; dat zal akkoord gegaan worden met bepaalde stedebouwkundige beperkingen inzake de aan te wenden wijze van oprichting der gebouwen; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen in zitting van 3 januari 1994 de verkavelingsaanvraag ongunstig adviseerde om volgende redenen : (...) Overwegende dat de percelen gelegen zijn minder van 100 m van de St. Denijskerk van Roborst die bij besluit van 13 juli 1995 geklasseerd werd als monument; dat door het Bestuur Monumenten en Landschappen op 28 februari 1994 ongunstig advies werd uitgebracht om volgende reden : ‘Gelet op het typische karakter van de waterkersbeken en hun belang binnen de dorpskom van Roborst dienen zij maximaal behouden te blijven’; Overwegende dat, zolang de ordening van het gebied nog niet nauwkeurig is vastgelegd door middel van een bijzonder plan van aanleg, de aanleg, in toepassing van artikel 45 van de gewijzigde stedebouwwet, aan de appreciatiebevoegdheid van de vergunningverlenende overheid, in casu de bij toepassing van artikel 55, §2 van de stedebouwwet in naam van de Vlaamse regering in hoger beroep uitspraak doende Vlaamse minister, wordt overgelaten, mits inachtname van onder meer de gewestplannen en bovenvermeld koninklijk besluit van 28 december 1972; Overwegende dat voor het bouwperceel geen behoorlijk vergunde verkaveling noch een bijzonder plan van aanleg van kracht is; dat derhalve de beoordeling van de stedenbouwkundige aanleg ter plaatse behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid die hierbij de gangbare normen inzake een verantwoorde ruimtelijke uitbouw der omgeving hanteert; dat bij de beoordeling van dit bouwontwerp rekening dient gehouden met de aard en het karakter van de onmiddellijke omgeving; dat bij plaatsbezoek vastgesteld werd dat het hier een typisch landschap betreft en de openheid van de omgeving, met zicht op de geklasseerde kerk, nog gevrijwaard is; dat de kweek van waterkers een zeer typische activiteit is die in Roborst wordt beoefend; dat op alle stafkaarten van het Militair Geografisch Instituut deze waterkersbeken of grachten vermeld zijn en dat alle toeristische folders die over de streek en de gemeente reeds verschenen, de waterkersbeken of grachten als merkwaardig aangeven of vermelden; dat het uitzicht op de bestaande waterkersbeken het typische en het karaktervolle van de toegang tot het dorpsplein accentueren en een dorpsplein kenmerken dat pas onlangs werd X-10.107-5/12 gerestaureerd en heraangelegd in het kader van de dorpsrenovatie; dat de watervoorziening van de grachten verzekerd is door een bron (gelegen in de Fonteinstraat - ongeveer 100m hoger dan de betrokken percelen), dat deze bron een groot debiet heeft en instaat voor de watervoorziening van het op het dorpsplein gesitueerde kasteel en de vijvers in het meegaande park en dat het teveel aan water enkel via de waterkersbeken kan afgevoerd worden naar de waterlopen zodat bij het supprimeren van deze laatste gevaar bestaat voor zware moeilijkheden bij de normale waterafvoer; dat residentiële nieuwbouw de te vrijwaren openheid van de omgeving zou schaden en een goed ruimtelijk beleid in het gedrang zou brengen; dat het standpunt van het college van burgemeester en schepenen hierin kan bijgetreden worden; dat, rekening houdend met alle bovengenoemde gegevens, dient gesteld dat het ontwerp de goede aanleg van de plaats in het gedrang brengt en stedebouwkundig niet kan aanvaard worden; dat het beroep van de particulier dient verworpen”. 2. Gedinghervatting 2.1. De gronden van de verzoekende partijen waarop de bestreden beslissing betrekking heeft, werden hangende het geding door die partijen verkocht aan Karel VAN DE VELDE en Miriam COESSENS, bij notariële akte verleden op 26 april 2002. 2.2. Met een verzoekschrift van 24 juni 2008 vragen Karel VAN DE VELDE en Miriam COESSENS om in hun hoedanigheid van nieuwe eigenaars van het betrokken onroerend goed het geding te mogen hervatten. 2.3. Artikel 55 van het algemeen procedurereglement schrijft voor dat er grond is tot hervatting van het rechtsgeding wanneer een der partijen overlijdt. Zoals de Raad van State in algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak ook reeds wees bij arrest nr. 183.477 van 27 mei 2008 inzake de n.v. Luminvest en de n.v. Eesterblok wijst artikel 58 van het algemeen procedurereglement uit dat er ook nog in andere, niet nader genoemde gevallen aanleiding tot de hervatting van het rechtsgeding kan zijn. Tussen het annulatieberoep dat de oorspronkelijk verzoekende partijen hebben ingesteld en het betrokken onroerend goed bestaat onmiskenbaar een nauw verband. Dat verband bestaat erin dat het belang van de oorspronkelijk verzoekende partijen afhankelijk is van hun hoedanigheid van eigenaars van de betrokken percelen. Verliezen de oorspronkelijk verzoekende partijen die hoedanigheid, dan verliezen zij tevens hun belang bij het annulatieberoep. Evenzeer heeft de voormelde nauwe band tussen het betrokken onroerend goed en het annulatieberoep tot gevolg dat de rechtsopvolgers van de X-10.107-6/12 oorspronkelijk verzoekende partijen, tezamen met de hoedanigheid van eigenaars van het gebouw, ook het vermogen verwerven om het betrokken annulatieberoep voort te zetten. Vermits in casu niet wordt betwist dat Karel VAN DE VELDE en Miriam COESSENS de nieuwe eigenaars zijn van de betrokken percelen, is hun verzoek tot gedinghervatting ontvankelijk. 3. Ontvankelijkheid van het beroep 3.1. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord de volgende exceptie van onontvankelijkheid op: “Lezing van de uiteenzetting betreffende middelen van de verzoekende partij in het inleidend verzoekschrift, laat niet toe om op precieze wijze de middelen te achterhalen: er wordt niet aangevoerd welke bepalingen door de bestreden beslissing zouden zijn geschonden, en er wordt bijgevolg nog minder aangetoond hoe aan die bepalingen zou zijn tekortgekomen. In die mate zijn de middelen van de verzoekende partij gezien het bepaalde in artikel 2, §1, 2/ van het procedurereglement (de vereiste van een uiteenzetting van de middelen), onontvankelijk, te meer omdat dergelijke uiteenzetting in het inleidend verzoekschrift het contradictoir debat verhindert. Het annulatieberoep is derhalve onontvankelijk. Het enige middel dat kan gedetecteerd worden is mogelijkerwijs de schending van de materiële motiveringsverplichting zoals uitgedrukt in o.m. de Uitdrukkelijke Motiveringswet omdat - de feitelijke motieven van de bestreden beslissing ‘willekeurig’ zijn aangezien de bestreden beslissing volgens de verzoekende partij onrechtstreeks tot gevolg heeft dat de kwestieuze bouwpercelen ‘geklasseerd’ worden terwijl een voorlopig klasseringsbesluit van 11.04.1994 deze percelen niet heeft opgenomen; - de bestreden beslissing een grief van de verzoekende partij in de bestreden beslissing niet beantwoord zou hebben”. 3.2. Onder middel in de zin van het toentertijd toepasselijke artikel 2, §1, 2/ van het procedurereglement moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling werd geschonden. Opdat een middel ontvankelijk zou zijn, is het nodig maar voldoende de beweerde onregelmatigheid van het besluit summier doch duidelijk aan te geven. De verzoekende partijen werpen terecht op dat zij wel degelijk een aantal vernietigingsgronden duidelijk hebben opgesomd in hun verzoekschrift. Tevens dient vastgesteld te worden dat de verwerende partij er in geslaagd is om de middelen vrij omstandig te beantwoorden. Hieruit blijkt dat de verwerende partij in haar rechten van verweer niet werd geschaad. De verwerende X-10.107-7/12 partij kan dan ook niet gevolgd worden waar zij stelt dat “dergelijke uiteenzetting in het inleidend verzoekschrift het contradictoir karakter verhindert”. De exceptie wordt verworpen. 4. Gegrondheid van het beroep 4.1. Het enig middel In hun verzoekschrift ontwikkelen de verzoekende partijen het volgende betoog: “A. - Aangezien -indien kan bijgetreden worden dat, behoudens het bestaan van een verkavelings- of bouwvergunning, art. 55 § 2 van de wet van 29 maart 1962 toepasselijk is en men binnen een woongebied niet eender wat of hoe kan bouwen- zulks er echter niet toe leiden kan dat binnen een bepaalde vorm van woonzone, zoals in casu ‘landelijke woonzone’ een volledig verbod op verkaveling en bouwen kan gelegd worden; Dat hierbij dient gewezen op het feit dat verzoekers zich in elk stadium van de procedure bereid verklaard hebben zich te schikken naar elke stedebouw- kundige verplichting of beperking qua bouwwijze of volume; Dat het bepaalde van art. 55 § 2 van de wet van 29 maart 1962 echter er wettelijk niet toe leiden kan dat -binnen een als vorm van woonzone geklasseerd gebied- volstrekte bouw- of verkavelingsverbod wordt opgelegd; B. - Aangezien -waar Uw Raad bij konstante rechtspraak het principe aanvaardt dat een klassering binnen de wet van 7 augustus 1931 op Monumenten en Landschappen geen afbreuk mag doen aan stedebouwkundige bepalingen die het gevolg zijn van Gewest- of aanlegplannen (...)- het ‘a fortiori’ ondenkbaar is dat -totaal buiten de toepassing van de wetgeving op Monumenten en Landschapen en niettegenstaande een recent besluit in dat verband, waarbij de betrokken percelen ongemoeid gelaten werden- willekeurig een verkavelings en/of bouwtoelating zou geweigerd worden, die hetzelfde effekt als een wettelijke rangschikking zou sorteren;
  2. a)in dat verband wensen verzoekers te verwijzen naar de bepalingen van art. 1 van het lste Protokol bij de Europese Conventie van Mensenrechten en naar de rechtspraak van het Europees Hof (...);
  3. b)tevens wensen verzoekers dat Uw Raad aan het Arbitragehof de prejudiciële vraag zou voorleggen, die als volgt geformuleerd wordt : ‘schenden de wet dd. 7 augustus 1931 op Monumenten en Landschappen ‘a fortiori’ art. 55 § 2 van de wet van 29 maart 1962 voorzover het kan worden aangewend om een volstrekt verkavelings- of bouwverbod uit te vaardigen, arts. 10 en 11 van de Grondwet, dan dat de wet dd. 29 maart 1962 op Ruimtelijke Ordening en Stedebouw, zoals gewijzigd bij de wet van 22 december 1970 en uitgewerkt bij het Koninklijk Besluit dd. 28 december 1972, een mogelijkheid tot vergoeding voorzien voor de eigenaar wiens eigendom ingevolge een Gewest- of aanlegplan ophoudt voor bebouwing in aanmerking te komen bij toepassing van art. 37 van de wet van 29 maart 1962, dan dat zulks - bij toepassing van het lste lid van voorzegd art. 37 - bij rangschikking binnen de wet van 7 augustus 1931 en in ordonnantie van 4 maart 1993 op Monumenten en Landschappen niet mogelijk zou zijn, a fortiori wanneer bij toepassing X-10.107-8/12 van art. 55 § 2 zulks louter willekeurig kan geschieden, zelfs bij gunstige klassering in het Gewest- of aanlegplan’; C. - Aangezien verzoekers bovendien stellen dat niet overeen te brengen is met de normen van zorgvuldig bestuur dat zowel de Bestendige Deputatie van Oost-Vlaanderen, als de Gemeenschapsminister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening nog op respektievelijk 9 juni 1994 en 22 december 1995 de aangevochten beslissing treffen, waarbij verkavelingstoelating volstrekt geweigerd wordt, dan wanneer bij Ministerieel Besluit dd. 11 januari 1994, houdende een uitgebreide klassering van het dorpsgezicht Roborst als landschap, de beoogde percelen buiten beschouwing worden gelaten; Dat het onaanvaardbaar is dat -naast de sinds 1931 wettelijk voorziene klasseringsprocedure als landschap en/of monument- nog een louter feitelijke, parallelle en quasi occulte procedure zou gehanteerd worden, die hetzelfde effekt zou sorteren, zonder dezelfde waarborgen te bieden; Dat deze werkwijze slechts tot onzekerheid en tegenstrijdigheid kan leiden, zoals het bestaan op dit moment van twee Ministeriele Besluiten waarbij het ene de betrokken percelen niet klasseert (11 januari 1994) het andere onrechtstreeks wél (22 december 1995); D. - Aangezien op deze tegenstrijdigheid reeds gewezen werd in het verhaalschrift dd. 8 april 1994 voor de Bestendige Deputatie, doch dat hierop noch door de Bestendige Deputatie, noch door de Gemeenschapsminister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening geantwoord werd; Dat derwijze nogmaals de zorgvuldigheidsnorm werd geschonden (...); Dat bovendien te kort gekomen werd aan de motiveringsverplichting voortvloeiende uit de wet van 29 juli 1991, en het decreet dd. 23 oktober 1991 - nu een niet onbelangrijk middel van verzoekers niet beantwoord werd, waardoor te kort gekomen werd aan het wettelijke vereiste dat de motivering van de beslissing ‘afdoende’ moet zijn”. 4.2. Beoordeling van het middel 4.2.1. De betrokken percelen zijn volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 vastgestelde gewestplan Oudenaarde gelegen in woongebied met landelijk karakter. Ze zijn niet gelegen binnen het gebied van een door de Koning -thans de Vlaamse regering- goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. In dat geval is het de taak van de vergunningverlenende overheid geval per geval te onderzoeken of de aanvraag beantwoordt aan de eisen van de goede plaatselijke ordening. De vergunningverlenende overheid dient daarbij, bij gebreke aan bijzondere voorschriften, hetzij van een bijzonder plan van aanleg, hetzij van een verkavelingsvergunning, in de eerste plaats uit te gaan van de bestaande toestand. Het toentertijd geldende artikel 55, §3, eerste lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, bepaalt dat “de beslissingen van de bestendige deputatie en van de koning (...) met redenen (worden) omkleed”. De opgelegde motiveringsverplichting X-10.107-9/12 houdt in dat in het besluit zelf de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn. Uit een en ander volgt dat de vergunningverlenende overheid in de beslissing over de verkavelingsaanvraag zelf de concrete gegevens dient te vermelden waarop zij zich heeft gesteund om tot het besluit te komen dat de verkavelingsaanvraag -zoals te dezen- niet beantwoordt aan de eisen van een goede plaatselijke ordening, en dat de Raad van State, in de uitoefening van zijn wettigheidscontrole, enkel rekening kan houden met de feiten en de beoordeling ervan die in het bestreden besluit zelf zijn vermeld. Het komt de Raad van State niet toe zijn beoordeling van de eisen van een goede plaatselijke ordening in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. De Raad van State heeft echter wel tot opdracht aan de hand van de concrete gegevens van de zaak na te gaan of de overheid de feiten waarop haar beoordeling steunt correct heeft vastgesteld en of zij op grond van die feiten in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de te vergunnen verkaveling de eisen van een goede plaatselijke ordening niet in het gedrang brengt. 4.2.2. De verwerende partij wijst er terecht op dat het middel ten onrechte stelt dat het bestreden besluit “een volledig verbod op verkaveling en bouwen” legt. Dit besluit komt, na een toetsing -die ondermeer vereist wordt door artikel 19 van het inrichtingsbesluit van 28 december 1972- van de aanvraag aan de concrete plaatselijke gesteldheid (zie ter zake de hoger onder punt 1.4 geciteerde motivering), tot de conclusie dat op het betrokken perceel “residentiële nieuwbouw” de openheid van de omgeving zou schaden. Door voor een welbepaald perceel tot een dergelijke conclusie te komen, wordt geenszins een “volstrekt verkavelings- of bouwverbod” ingesteld. Het middel gaat er aan voorbij dat een woongebied met landelijk karakter geenszins alleen bestemd is voor residentiële nieuwbouw. 4.2.3. Het loutere feit dat bij de bescherming van het bedoelde dorpsgezicht te Roborst de kwestieuze percelen buiten beschouwing werden gelaten en niet met toepassing van de desbetreffende regelgeving werden beschermd, impliceert geenszins dat met de openheid van het betrokken landschap helemaal geen rekening moet worden gehouden bij de verplichte toetsing van de aanvraag aan de vereisten van een goede plaatselijke ordening. Bijgevolg zijn hierdoor ook niet “de normen van zorgvuldig bestuur” geschonden, wel integendeel, en is er ook geen sprake van enige “quasi occulte procedure”. X-10.107-10/12 4.2.4. Het feit dat een “klassering binnen de wet van 7 augustus 1931 op monumenten en landschappen” geen afbreuk mag doen aan de verordenende bepalingen van de plannen van aanleg doet niet ter zake, vermits het bestreden besluit geen dergelijke klassering inhoudt, of impliceert, doch, zoals hierboven gesteld, het resultaat is van een beoordeling van de goede plaatselijke aanleg. Gelet op de verschillende finaliteit van een beschermings- procedure en de behandeling van een verkavelingsaanvraag, kan ook niet tot enige “onzekerheid” of “tegenstrijdigheid” tussen beide soorten akten worden besloten. Aangezien, het weze herhaald, in casu geen “volstrekt verkavelings- of bouwverbod” wordt “uitgevaardigd”, en evenmin van “willekeur” kan worden gewaagd, is de premisse waarop de gesuggereerde prejudiciële vraag is gestoeld, foutief, en is het stellen van de vraag dan ook niet dienstig voor de oplossing van de zaak. Om dezelfde reden valt ook niet in te zien in welk opzicht “de bepalingen van artikel 1 van het eerste protocol bij de Europese conventie van mensenrechten” zouden zijn miskend. 4.2.5. Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt dat de verwerende partij geoordeeld heeft dat de gevraagde vergunning moest worden geweigerd omwille van de onverenigbaarheid ervan met de goede plaatselijke aanleg. Aldus is het door de verzoekende partijen bedoelde beroepsargument, dat trouwens ook expliciet in de aanhef van het bestreden besluit wordt vermeld, beantwoord en weerlegd. Er blijkt immers duidelijk uit dat de verwerende partij van oordeel was dat het feit dat het bedoelde perceel niet werd beschermd haar er niet van ontsloeg de aanvraag te toetsen aan die aanleg en de gesteldheid van de omgeving. 4.2.6. Bij dit alles komt nog dat het enig middel er totaal aan voorbijgaat dat het bestreden besluit nog een ander weigeringsmotief vindt in “het gevaar voor zware moeilijkheden bij de normale waterafvoer”. In het middel wordt tegen dit motief geen enkele kritiek geformuleerd. 4.2.7. Het enig middel is niet gegrond. X-10.107-11/12 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 1487,40 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor één vijftiende Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf januari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.107-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.389 Gerelateerde publicatie(
  4. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.749 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.