← België

Arrest 189409 - Monumenten en Landschappen - 12/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.409 Rolnummer: A. 153860/X-11991 Zaak: Arrest 189409 - Monumenten en Landschappen - 12/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-26 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 13:18 Fiche Arrest nr 189.409 van 12 januari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.409 van 12 januari 2009 in de zaak A. 153.860/X-11.991. In zake : de v.z.w. ZUSTERS VAN LIEFDE TE HEULE, die woonplaats kiest bij advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te 9000 GENT, Voskenslaan 301 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Gerard Davidstraat 46, bus 1. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. ZUSTERS VAN LIEFDE TE HEULE op 16 juli 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 30 april 2004 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken houdende bescherming als monument van een reeks dorpswoningen gelegen te Kortrijk (Heule), Koffiestraat 2, 4, 14, 16, 18 en 20 omwille van het algemeen belang gevormd door de historische en sociaal-culturele waarde; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 14 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; X-11.991-1/15 Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VERMEIRE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P.-J. STAELENS, die loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. FEITEN 1.1. In een motiveringsnota stelt het bestuur Monumenten en Landschappen onder meer voor een reeks van dorpswoningen gelegen in de Koffiestraat (de nummers 2, 4, 14, 16, 18 en 20) te Heule te beschermen als monument omwille van het algemeen belang gevormd door de architectuurhistorische en socio-culturele waarde. De verzoekende partij is eigenares van twee van de zes beschermde dorpswoningen. Meer bepaald van de woningen 14 en 18, respectievelijk aangekocht in het jaar 1964 en 1963. De verzoekende partij stelt dat het haar bedoeling is om de woningen op deze percelen af te breken teneinde op het perceel Koffiestraat 14 een nieuwe toegang te creëren naar de achterliggende school en op perceel Koffiestraat 18 bijkomende parkingmogelijkheden te voorzien. In de motiveringsnota worden deze twee dorpswoningen als volgt omschreven: “Koffiestraat nr. 14-16 Twee arbeidershuisjes, vermoedelijk opgetrokken in het eerste kwart van de 19de eeuw. Het volume staat reeds aangegeven op het primitieve kadasterplan van 1835. De woning is dan eigendom van P. Lamahieu, timmerman uit Heule. In 1893 verkoopt P. Malfait-Quartier het huis aan Pieter Derneester, vlaskoper uit Heule. Hoogst waarschijnlijk werd de woning ca. 1920 opgesplitst in twee wooneenheden, Beide woningen hebben een voortuintje. Nr. 14: Dubbelhuis van vier traveeën en één bouwlaag onder zadeldak bekleed met Vlaamse pannen. Verankerde baksteenbouw met donkerrood gekaleid parement. Met schijnvoegen gecementeerde en lichtgrijs geschilderde plint. Rechthoekige muuropeningen met vernieuwd schrijnwerk vermoedelijk uit de jaren 1920. Beluikte vensters met schuiframen. Bovenlichten met kleine X-11.991-2/15 roedeverdeling. Rechtervenster met uitgewerkte luiken. Fraai uitgewerkte paneeldeur met bovenlicht. Nr. 16: Dubbelhuis van vier traveeën en één bouwlaag. Verankerde baksteenbouw onder zadeldak bekleed met Vlaamse pannen. Aangepaste witgeschilderde lijstgevel op gecementeerde plint. Rechthoekige muuropeningen met vernieuwd schrijnwerk. Links klein keldervenster. Koffiestraat nr. 18 Typische dorpswoning opgetrokken in 1877, in opdracht van vlaskoper J.A. Vansteenkiste. Dubbelhuis van vijf traveeën en één bouwlaag onder pannen zadeldak (nieuwe pannen). Verankerde bakstenen lijstgevel geaccentueerd door bakstenen druiplijstje. Licht getoogde muuropeningen met vernieuwd schrijnwerk”. Het advies tot bescherming wordt als volgt geformuleerd: “Dient te worden beschermd als monument omwille van het algemeen belang gevormd door de historische en de socio-culturele waarde. De dorpswoningen gelegen Koffiestraat 2, 4, 14, 16, 18 en 20 te Kortrijk (Heule); gekend ten kadaster als Kortrijk (Heule), 8ste afdeling, sectie A, perceelnummers 652 T (deel), 652 S (deel), 650 /03 F (deel), 650 H (deel), 649 S (deel) en 649 T (deel). De historische waarde, in casu architectuurhistorische waarde, wordt als volgt omschreven: - Als zijnde een groep van dorpswoningen van één bouwlaag die het typische straatbeeld van de noordzijde van de Koffiestraat bepalen. - Als zijnde een gaaf bewaard geheel die een getuige is van de typische 19de- en vroeg 20ste-eeuwse dorpsbebouwing in Vlaanderen. - Als zijnde zes gaaf bewaarde huisjes die een staalkaart vormen van ‘architectura minor’ gedurende 100 jaar. - In het bijzonder voor nrs. 2, 4, 14 en 16 met typisch en zeldzaam geworden voortuintje. - In het bijzonder voor nrs. 2, 4, 14 en 20 omwille van het gaaf bewaarde schrijnwerk cf. de typische T- en schuiframen en luiken. De socio-culturele waarde wordt als volgt omschreven: - Als zijnde een groep van gaaf bewaarde arbeidershuisjes die een representatief voorbeeld vormen van de steeds toenemende bebouwing in de dorpskom vanaf de 19de eeuw, grotendeels te wijten aan de steeds toenemende bevolking ten gevolge van de industrialisering. - Als zijnde een groep van woningen die beschreven worden in Stijn Streuvels biografische boek ‘Heule’ en het belang dat hij hecht aan de aanwezigheid van die voortuintjes. 1.2. Op 4 september 2003 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken om onder meer de bovenvermelde reeks van dorpswoningen als monument op een ontwerp van lijst te plaatsen van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten. Een afschrift van dat voorlopig beschermingsbesluit wordt bij aangetekende brief van 19 september 2003 naar de verzoekende partij verzonden. X-11.991-3/15 1.3. Op 9 oktober 2003 dient de verzoekende partij een bezwaarschrift in. Zij stelt daarin dat haar twee dorpswoningen “zeer oud en niet meer in goede staat” zijn, door haar werden aangekocht om “zo de mogelijkheid tot uitbreiding (

  1. te)bieden” voor “onze scholen voor Lager en Kleuteronderwijs, Koffiestraat 8 en Steenstraat 12 en (...) onze Secundaire scholen” omdat “de nood bestaat om een afzonderlijke in- en uitgang te maken voor de auto’s en tegelijk een veilige afzonderlijke in- en uitgang voor de kinderen te voet of per fiets” en “het (...) aangewezen (
  2. is)om de parking wat uit te breiden in de omgeving van de scholen voor Basis- en Secundair Onderwijs”, en door de bescherming van deze woningen “de bestemming van algemeen nut (...) niet meer mogelijk zou zijn”. 1.4. Het bestuur Monumenten en Landschappen maakt op 26 november 2003 een verslag “bezwaarschriften en opmerkingen” op en bespreekt het bezwaar van verzoekende partij daarin als volgt: “De motiveringsnota duidt het belang van het behoud van het geheel van de rij woningen. Dat de woningen klein zijn is inherent aan de typologie van een arbeidershuisje. In feite zijn het zelfs ruime arbeiderswoningen. De woningen bevinden zich in een relatief goede staat. Voor zover geweten zijn de woningen tot op heden bewoond. Wat betreft de verkeerssituatie zal er gezocht moeten worden naar een andere oplossing dan het afbreken van beide woningen”. 1.5. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen brengt op 8 januari 2004 een gemotiveerd gunstig advies uit. 1.6. Met het bestreden besluit van 30 april 2004 beschermt de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken ondermeer “een reeks van dorpswoningen gelegen te Kortrijk (Heule), Koffiestraat 14, 16, 18, 2, 20 en 4” als monument wegens de historische, in casu architectuurhistorische, en de sociaal-culturele waarde die als volgt wordt omschreven: “De historische waarde, in casu architectuurhistorische waarde, wordt als volgt omschreven: - Als zijnde een groep van dorpswoningen van één bouwlaag die het typische straatbeeld van de noordzijde van de Koffiestraat bepalen. - Als zijnde een gaaf bewaard geheel die een getuige is van de typische 19de- en vroeg 20ste- eeuwse dorpsbebouwing in Vlaanderen. - Als zijnde zes gaaf bewaarde huisjes die een staalkaart vormen van ‘architectura minor’ gedurende 100 jaar. X-11.991-4/15 - In het bijzonder voor nrs. 2, 4, 14 en 16 met typisch en zeldzaam geworden voortuintje. - In het bijzonder voor nrs. 2, 4, 14 en 20 omwille van het gaaf bewaarde schrijnwerk cf. de typische T- en schuiframen en luiken. De sociaal-culturele waarde wordt als volgt omschreven: - Als zijnde een groep van gaaf bewaarde arbeidershuisjes die een representatief voorbeeld vormen van de steeds toenemende bebouwing in de dorpskom vanaf de 19de eeuw, grotendeels te wijten aan de steeds toenemende bevolking ten gevolge van de industrialisering, - Als zijnde een groep van woningen die beschreven worden in Stijn Streuvels biografische boek ‘Heule’ en het belang dat hij hecht aan de aanwezigheid van die voortuintjes”. 2. TEN GRONDE 2.1.1. Het eerste middel is genomen uit de schending van het bij het koninklijk besluit van 4 november 1977 vastgestelde gewestplan Kortrijk, artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: het inrichtingsbesluit), artikel 2, § 1 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet). De verzoekende partij betoogt dat haar woningen volgens het gewestplan in woongebied zonder culturele, historische en/of esthetische waarde zijn gelegen, en de bescherming, meer bepaald artikel 2 van het bestreden besluit van de “ruime bouw- en verbouwmogelijkheden” in zo’n gebied “de absolute uitzondering, of zelfs een utopie (heeft) gemaakt” waardoor het de bindende en verordenende kracht van het gewestplan schendt. In elk geval werd de motiveringswet geschonden omdat “noch in het besluit noch in de daaraan voorafgaande adviezen enig motief (
  3. is)gewijd aan de verhouding van het beschermingsbesluit tot het gewestplan Kortrijk”. In de memorie van wederantwoord stelt zij dat zij “een afzonderlijke uit- en inrit voor zwakke weggebruikers (fietsers en voetgangers - leerlingen)” wenst en dat “dergelijke voorziening (...) normaliter perfect inpasbaar (
  4. is)in een woongebied en ook verenigbaar met de onmiddellijke omgeving, vnl. schoolgebouwen en parkings, die trouwens als zone voor gemeenschapsvoorzieningen zijn ingekleurd” en “art. 20 van het K.B. 28 december 1972 zelfs toe(laat) om bouwwerken en gemeenschapsvoorzieningen op te richten ook buiten de daarvoor speciaal bestemde gebieden”. X-11.991-5/15 2.1.2. Om wettig te zijn moet een beschermingsbesluit, zoals iedere individuele overheidsbeslissing, kunnen worden ingepast in bestaande wetten en in bestaande, regelmatig vastgestelde hogere rechtsnormen, zijnde niet alleen de normen die de tot beschermen bevoegde overheid zelf heeft vastgesteld, maar ook de verordenende bepalingen die andere administratieve overheden tot stand hebben gebracht, als met name de voorschriften van definitief vastgestelde plannen van aanleg. Uit wat voorafgaat volgt niet dat de bescherming van een monument ipso facto in strijd is met de bestemming woongebied en dat in een gebied dat volgens het gewestplan bestemd is voor bewoning geen bescherming als monument of als dorps- of stadsgezicht mogelijk is. Van een onwettigheid van het beschermingsbesluit wegens schending van het gewestplan kan slechts sprake zijn wanneer bepaalde voorschriften van het beschermingsbesluit de verwezenlijking van de plannen van aanleg verhinderen. Op zich is het niet onwettig dat met toepassing van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna: het monumentendecreet) bijkomende bepalingen en verplichtingen worden opgelegd. 2.1.3. Luidens artikel 5.1.0 van het inrichtingsbesluit zijn woongebieden bestemd voor wonen alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen en voor agrarische bedrijven, voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving. Daarnaast bepaalt artikel 19, derde lid van het inrichtingsbesluit dat een vergunning, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan of ontwerp-gewestplan, slechts wordt afgegeven zo de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening. 2.1.4. Het feit dat de percelen van de verzoekende partij sedert de vaststelling van het gewestplan zijn gelegen in een woongebied heeft dus niet tot gevolg dat die percelen bestemd zijn voor de door de verzoekende partij gewenste functie en dat zij hoe dan ook deze werken kan doen of deze handelingen kan stellen. Te dezen omvat het bestreden beschermingsbesluit geen specifieke beperkingen of verbodsbepalingen. In artikel 2 worden zonder meer de X-11.991-6/15 beschikkingen van het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten van toepassing verklaard. De verzoekende partij toont niet aan dat deze beschikkingen de verwezenlijking van het gewestplan Kortrijk, meer bepaald de bestemming tot woongebied aldaar, zou verhinderen. 2.1.5. Aan de motiveringsverplichting is voldaan wanneer het besluit tot bescherming als monument, zoals te dezen, de redenen opgeeft die tot bescherming aanleiding geven. 2.1.6. Het middel is niet gegrond. 2.2.1. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 7 van het monumentendecreet, de artikelen 33 en 39 van de grondwet, en de artikelen 6 en 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. De verzoekende partij laat gelden dat het niet aan de minister maar aan de Vlaamse regering toekomt om monumenten te beschermen aangezien in het decreet “geen mogelijkheid voorzien (
  5. is)tot delegatie aan een lid van de regering” en een delegatie in een besluit van de Vlaamse regering, zoals te dezen het besluit van de Vlaamse regering van 10 juni 2003, niet mogelijk is omdat dit “immers neer(komt) op een wijziging van het decreet van 3 maart 1976 waartoe enkel het Vlaamse parlement bevoegd is”. Zij betoogt verder dat het beschermingsbesluit door de regering moest worden genomen omdat “zeer verscheidene bevoegdheidsdomeinen worden betreden”, waaronder de ruimtelijke ordening “gezien de wisselwerking met het gewestplan” en het onderwijs “gezien de noodwendigheden van de aanpalende schoolgemeenschap”. 2.2.2. Volgens artikel 68 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen regelt elke regering haar werkwijze. Artikel 69 bepaalt dat elke regering collegiaal beraadslaagt, onverminderd de door haar toegestane delegaties. Hieruit volgt dat de verdeling van de bevoegdheden in de schoot van de Vlaamse regering uitsluitend een zaak van die regering is. Het komt daarom niet aan de decreetgever toe een lid van de regering beslissingsbevoegdheid toe te kennen met betrekking tot door hem aangewezen materies. Het monumentendecreet doet dat ook niet en geeft, in artikel 5, § 1, en 7 aan de Vlaamse regering opdracht de ontwerpen van lijst van voor bescherming vatbare monumenten en stads- en dorpsgezichten, respectievelijk het besluit tot definitieve bescherming van de op de X-11.991-7/15 ontwerp van lijst voorkomende monumenten en stads- en dorpsgezichten vast te stellen. Voor wat de bestreden beslissing betreft, verleent de Vlaamse regering, onder uitdrukkelijke verwijzing naar voormelde artikelen 68 en 69, bij besluit van 10 juni 2003 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering aan Paul VAN GREMBERGEN, Vlaamse minister van van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken, delegatie voor het nemen van beslissingen voor de toepassing van onder meer de wetten en decreten inzake de monumenten. Het bestreden besluit is ook effectief door Paul VAN GREMBERGEN genomen. Het is niet door onbevoegdheid aangetast. De genoemde minister was bevoegd om het bestreden besluit te nemen, ook al zou het “raakvlakken” hebben met domeinen die tot de bevoegdheid van andere leden van de Vlaamse regering behoren. 2.2.3. Daarbij komt dat artikel 2 van het bestreden besluit bepaalt dat met het oog op de bescherming de beschikkingen van het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna: het onderhoudsbesluit), van toepassing zijn. Het onderhoudsbesluit bevat geen erfdienstbaarheden maar een geheel van onderhouds- en instandhoudingsverplichtingen. Die voorschriften in het onderhoudsbesluit zijn principieel van rechtswege van toepassing op de definitief beschermde monumenten. Artikel 1 van dit besluit, met als rechtsgrond artikel 5, §§ 3 en 4, en artikel 11, § 1, van het monumentendecreet, bepaalt immers dat dit besluit van toepassing is op onder meer de monumenten en de stads- en dorpsgezichten die met toepassing van het monumentendecreet definitief beschermd zijn, en dat de voorschriften van dit onderhoudsbesluit slechts van toepassing zijn voor zover zij niet afwijken van de specifieke voorschriften bepaald in het definitieve beschermingsbesluit. Dit besluit legt aldus verplichtingen op die gelden voor alle beschermde monumenten, zelfs indien deze niet uitdrukkelijk in het beschermingsbesluit zelf zijn vermeld. In het bestreden besluit werden geen specifieke voorschriften opgenomen. Bijgevolg vindt de door de verzoekende partij zogenoemde “miskenning van bevoegdheden” zijn grondslag in het onderhoudsbesluit dat door de Vlaamse regering werd genomen en derhalve niet in het bestreden besluit. Het middel is niet gegrond. X-11.991-8/15 2.3.1. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 3 en 7 van het monumentendecreet, “het legaliteitsbeginsel vervat in art. 33 (van
  6. de)Grondwet”, “een substantiële vormvereiste”, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, en uit artikel 159 van de grondwet. De verzoekende partij voert in een eerste onderdeel aan dat het besluit van de Vlaamse regering van 20 april 1994 betreffende de samenstelling, de organisatie, de bevoegdheden en de werking van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest onwettig is omdat de bevoegdheid om de samenstelling, de organisatie, de bevoegdheden en de werking van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (hierna: KCML) te regelen, toekomt aan de Koning en niet aan de Vlaamse regering krachtens artikel 3 van het monumentendecreet. Zij leidt daaruit af dat het te dezen verleende advies door een onregelmatig samengestelde en dus onbevoegde KCML werd verleend zodat het bestreden besluit werd genomen zonder het in artikel 7 van het monumentendecreet vereiste advies. In een tweede onderdeel betoogt de verzoekende partij dat de in de aanhef van het besluit van de Vlaamse regering van 20 april 1994 ingeroepen dringende noodzakelijkheid “niet afdoende en voldoende bijzonder en concreet gemotiveerd” is, “zeer algemeen en niet bijzonder omschreven” is, de aanpassing en actualisering van de algemene reglementering geen “reden van hoogdringendheid” is omdat “er reeds een zeer gelijkaardige reglementering bestond (...) en (...) de publicatie van deze beweerdelijke dringende aanpassing slechts 7 weken later, nl. op 14 juli 1994 in het B.S. plaatsvond”, “de aanpassingen gering zijn” ten opzichte van het opgeheven besluit van de Vlaamse regering van 7 januari 1992 betreffende de samenstelling, de organisatie, de bevoegdheden en de werking van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest, “er geen redenen (zijn) waarom dan niet art. 84 van de gecoördineerde wetten (op
  7. de)Raad van State kon worden toegepast en dus een snel en beperkt advies van de afdeling wetgeving (...) kon worden ingewonnen” en dat bijgevolg het besluit van de Vlaamse regering van 20 april 1994 onwettig is “wat ook het huidige besluit aantast”. 2.3.2. Artikel 3, derde lid van het monumentendecreet luidde ten tijde van het bestreden besluit als volgt: “De Koning bepaalt de bevoegdheid, de samenstelling en de werking van de Koninklijke Commissie”. X-11.991-9/15 Met ingang van 1 juli 2006 werd deze bepaling door het decreet van 10 maart 2006 vervangen door de volgende tekst: “§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling, de organisatie en de werking van de Koninklijke Commissie (...)”. Overeenkomstig het verticaliteitsbeginsel is de overheid die bevoegd is voor de regelgeving, behoudens andersluidende bepalingen, tevens belast met de tenuitvoerlegging en de toepassing ervan. Ingevolge artikel 6, § 1, I, 7/ van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen is de verwerende partij “wat de ruimtelijke ordening betreft” bevoegd voor “de monumenten en landschappen”. Krachtens artikel 20 van dezelfde bijzondere wet maakt de (Vlaamse) regering de verordeningen en neemt zij de besluiten die voor de uitvoering van de decreten nodig zijn, zonder ooit de decreten zelf te mogen schorsen of vrijstelling van hun uitvoering te mogen verlenen. De vaststelling dat bij een navolgende decreetswijziging de woorden “de Koning” werd vervangen door “ de Vlaamse regering” doet geen afbreuk aan het voorgaande. Bij gebreke van een andersluidende bepaling moet worden vastgesteld dat de Vlaamse regering op 20 april 1994 bevoegd was tot het nemen van het besluit betreffende de samenstelling, de organisatie, de bevoegdheden en de werking van de KCML in uitvoering van het toen geldende artikel 3 van het monumentendecreet. Het eerste middelonderdeel is ongegrond. 2.3.3. Artikel 3, § 1, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt wat volgt: “Buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid en de ontwerpen betreffende begrotingen, rekeningen, leningen, domeinverrichtingen en het legercontingent uitgezonderd, onderwerpen de Ministers (...), ieder wat hem betreft, aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving de tekst van alle voorontwerpen van wet, decreet, ordonnantie of van ontwerpen van reglementaire besluiten”. 2.3.4. Het is niet betwist dat het bij artikel 14, 1/ van het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 2004 betreffende de samenstelling, de organisatie, de bevoegdheden en de werking van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest, opgeheven besluit van de Vlaamse regering van 20 april 1994 betreffende de samenstelling, de organisatie, de bevoegdheden en de werking van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van X-11.991-10/15 het Vlaamse Gewest, een reglementair besluit is in de zin van de voormelde wettelijke bepaling. 2.3.5. Het komt de Raad van State niet toe zich in de plaats van de overheid te stellen om te oordelen of er al dan niet in casu hoogdringendheid was. De Raad van State is wel bevoegd om na te gaan of er een bijzondere motivering werd opgegeven ter verantwoording van de hoogdringendheid en of de opgegeven motieven voldoende ernstig, expliciet, exact en pertinent zijn. Artikel 3, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State verplicht de overheid weliswaar de redenen uiteen te zetten waarom zij zich op de dringende noodzakelijkheid beroept, maar niet de redenen waarom zij het besluit neemt. Uit die bijzondere motivering moet niet blijken waarom het niet meer mogelijk was een advies binnen ten hoogste drie dagen te vragen zoals dat geregeld was in het toen geldende artikel 84 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dat de organisatie van de afdeling wetgeving regelt en geen verplichting inhoudt om in bepaalde gevallen een spoedadvies te vragen. 2.3.6. Het besluit van de Vlaamse regering van 20 april 1994 verantwoordt de ingeroepen dringende noodzakelijkheid om de afdeling wetgeving van de Raad van State niet te moeten raadplegen als volgt: “Overwegende dat de goede werking van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest vereist dat sommige bepalingen van de algemene reglementering dringend worden aangepast en geactualiseerd”. 2.3.7. Voor het inroepen van de dringende noodzakelijkheid werd aldus een bijzondere motivering opgegeven. Deze redengeving vermeldt de omstandigheden eigen aan de zaak die de dringende noodzakelijkheid om geen advies van de afdeling wetgeving in te winnen rechtvaardigen, en is dus geen loutere stijlformule of puur formele motivering. Met de verzoekende partij wordt immers vastgesteld dat één van de aanpassingen van de algemene reglementering het voor het verlenen van een advies vereiste stemmenaantal van de aanwezige leden van de Commissie betreft. Het vereiste stemmenaantal wordt meer bepaald herleid van “een meerderheid van twee derden van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen” tot “een (gewone) meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen”. De Vlaamse regering is de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid niet te buiten gegaan toen X-11.991-11/15 zij oordeelde dat het besluit onder meer om die reden zo dringend was geworden dat er meer bepaald geen tijd meer was om nog het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State te vragen. Deze bijzondere redengeving wordt niet tegengesproken door de datum waarop het voor de Vlaamse regering bindende besluit in kwestie in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt dat tevens de datum is waarop het in werking is getreden, aangezien deze niet gelegen is in de noodzaak om dringend een aan de rechtsonderhorige tegenstelbare regeling tot stand te brengen. Het tweede middelonderdeel is niet gegrond. 2.4.1. Het vierde middel is genomen uit de schending van het evenredigheids- en redelijkheidsbeginsel, artikel 2, 2/ en 3/ van het monumenten- decreet, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en de materiële motiverings- verplichting. De verzoekende partij argumenteert dat in het bestreden besluit de “specifieke motivering in relatie tot de wettelijke vereiste dat het om het algemeen belang gaat, ontbreekt”, het motief van de historische waarde van deze groep van dorpswoningen dat zij “het typische straatbeeld van de noordzijde van de Koffiestraat bepalen” niet meer dan “een louter lokaal belang of waarde, nl. dit van de Koffiestraat” aantoont, het motief dat de reeks dorpswoningen “een getuige is van de typische 19de - en vroeg 20ste - eeuwse dorpsbebouwing in Vlaanderen” evenmin “verwijst naar een algemeen belang”, het motief dat de beschermde woningen “een staalkaart vormen van ‘architectura minor’ gedurende 100 jaar” onbegrijpelijk is, het motief dat verwijst naar het “typisch en zeldzaam geworden voortuintje” als zodanig “niet in aanmerking (kan) komen aangezien het voortuintje volgens het plan niet eens als monument is gerangschikt”, het motief dat verwijst naar de aanwezigheid van “de typische T- en schuiframen en luiken” in werkelijkheid “om wat verfraaiing en wat fantasie aan een deur en enkele vensterluikjes (gaat), zoals bij zoveel huizen nog het geval is”, het motief van de sociaal-culturele waarde als “een representatief voorbeeld (...) van de steeds toenemende bebouwing in de dorpskom vanaf de 19de eeuw” niet meer dan een “gewoon sociologisch verschijnsel over gans West-Europa (is), nl. de verstedelijking en de terugtocht van het platteland”, het motief dat verwijst naar de beschrijving door Stijn Streuvels in het boek ‘Heule’ het algemeen belang niet aantoont en die beschrijving ten andere niet terug te vinden is, “in het bestreden besluit geen enkele belangenafweging gebeurt qua (...) veiligheid en (...) welzijn van de kinderen en hun ouders, die nochtans tot twee keer toe onder de aandacht werd(
  8. en)gebracht van de overheid”, en “het bestreden besluit opteert voor een X-11.991-12/15 bescherming als monument in plaats van als dorps- of stadsgezicht terwijl een groepering van woningen met tuintjes (...) veeleer aanleiding kan geven tot bescherming als dorps- of stadsgezicht, dan als monument”. 2.4.2. In artikel 1 van het bestreden beschermingsbesluit wordt uitdrukkelijk gemotiveerd waarom de bescherming van de reeks dorpswoningen als monument door de overheid van algemeen belang wordt geacht. Zoals hierboven werd weergegeven, wordt de historische waarde van de reeks dorpswoningen uitdrukkelijk omschreven in het beschermingsbesluit. De juridische en feitelijke overwegingen die aan het beschermingsbesluit ten grondslag lagen, worden uitdrukkelijk vermeld in het besluit en de verzoekende partij kon met kennis van zaken uitmaken of zij al dan niet beroep ging instellen tegen het beschermingsbesluit. De wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen werd niet geschonden. 2.4.3. Krachtens het motiveringsbeginsel of de materiële motiveringsplicht moet elke administratieve beslissing berusten op rechtens aanvaardbare motieven met een voldoende feitelijke grondslag. De motieven moeten in beginsel steunen op feiten die met de werkelijkheid overeenstemmen. Als annulatierechter is de Raad van State belast met een wettigheidstoezicht. Het komt de Raad van State niet toe het feitenonderzoek in de behandelde zaak over te doen en in plaats van het bestuur te appreciëren of een goed wel als monument en/of stads- of dorpsgezicht beschermingswaard is. De Raad vermag wel na te gaan of de administratieve overheid rechtmatig tot haar voorstelling van de feiten is kunnen komen. Hij kan dus nagaan of de feiten die de overheid als uitgangspunt heeft genomen, vaststaan in het licht van de bewijselementen die beschikbaar waren. Te dezen vinden de motieven voor de historische waarde van de reeks dorpswoningen steun in de motiveringsnota van het bestuur Monumenten en Landschappen, dat zelf gebaseerd is op enkele historische publicaties waaronder deze van Stijn Streuvels waaraan wordt gerefereerd in de motieven zelf van het bestreden besluit. Deze historische gegevens zijn concreet en de verzoekende partij toont niet aan dat ze onjuist zouden zijn. De verzoekende partij beperkt zich in feite tot het louter in vraag stellen van het aan het beschermde monument toegeschreven algemeen belang en brengt derhalve geen afdoende elementen bij waaruit zou kunnen blijken dat het bestreden besluit kennelijk onredelijk zou zijn. X-11.991-13/15 De verplichting om een openbaar onderzoek te houden en het recht van de betrokkenen om bezwaren in te dienen, brengt voor de overheid de verplichting mee om de regelmatigheid en de gegrondheid van de aangevoerde bezwaren te onderzoeken, niet om deze noodzakelijkerwijze in te willigen. Uit het administratief dossier blijkt dat het bezwaar van de verzoekende partij dat tegen de voorgenomen bescherming werd ingediend, in het verslag van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen van 26 november 2003 werd onderzocht en beantwoord, meer bepaald dat “wat betreft de verkeerssituatie (
  9. er)zal (...) gezocht moeten worden naar een andere oplossing dan het afbreken van beide woningen”. Het middel is ongegrond. 2.5.1. Het vijfde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en van de (grond)wettelijke en decretale bepalingen aangehaald in het tweede en derde middel door het voormelde ministerieel besluit van 4 september 2003 waarbij onder meer de bovenvermelde reeks van dorpswoningen als monument op een ontwerp van lijst te plaatsen van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten. 2.5.2. Artikel 4, derde lid, van het algemeen procedurereglement schrijft voor dat een beroep tot nietigverklaring van een individuele administratieve rechtshandeling die dient te worden betekend, zoals het voornoemde voorlopig beschermingsbesluit van 4 september 2003, binnen een termijn van zestig dagen moet worden ingediend, op straffe van niet-ontvankelijkheid ratione temporis. Dat voorlopig beschermingsbesluit is een zelfstandige van het bestreden besluit losstaande bestuurshandeling, met eigen rechtsgevolgen, die onafhankelijk van elke vordering tegen de latere bescherming vatbaar is voor nietigverklaring door de Raad van State. Dat voorlopig beschermingsbesluit werd met een ter post aangetekende brief van 19 september 2003 aan de verzoekende partij toegezonden. De verzoekende partij heeft binnen de voormelde termijn geen annulatieberoep ingediend tegen dit voorlopg beschermingsbesluit. De verzoekende partij vermag thans niet in deze procedure de onwettigheid van dit besluit van 4 september 2003, met een individueel karakter, op te werpen. Het middel is onontvankelijk. X-11.991-14/15 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf januari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VANNIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.991-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.409 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.