← België

Arrest 189413 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 12/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.413 Rolnummer: A. 113376/X-10687 Zaak: Arrest 189413 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 12/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-30 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 13:19 Fiche Arrest nr 189.413 van 12 januari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.413 van 12 januari 2009 in de zaak A. 113.376/X-10.

  1. In zake : de n.v. DRAGETA, die woonplaats kiest bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat L. DEHAESE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Luikersteenweg
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. DRAGETA op 26 november 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2001 houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Limburgs Maasland op het grondgebied van de gemeenten Dilsen-Stokkem, Kinrooi, Lanaken, Maaseik en Maasmechelen, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 september 2001; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 4 mei 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 30 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 oktober 2008; X-10.687-1/13 Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. BOSQUET, die loco advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat L. TIJINI, die loco advocaat L. DEHAESE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. Feiten 1.
  4. De verzoekende partij is eigenaar van een aantal percelen gelegen te Dilsen-Stokkem en Maaseik, die zij heeft aangekocht teneinde daar in de toekomst de uitbating van zand- en grindwinning op te starten. Deze percelen zijn blijkens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 1 september 1980 vastgestelde gewestplan Limburgs Maasland gelegen, deels in agrarisch gebied met ecologische waarde (deel Dilsen-Stokkem) en deels in agrarisch gebied met landschappelijke waarde (deel Maaseik). 1.
  5. Op 28 april 2000 beslist de Vlaamse Regering tot de voorlopige vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Limburgs Maasland op het grondgebied van de gemeenten Dilsen-Stokkem, Kinrooi, Lanaken, Maaseik en Maasmechelen. De percelen van de verzoekende partij op het grondgebied van Dilsen-Stokkem krijgen ten dele de bestemming natuurgebied in plaats van agrarisch gebied met ecologisch belang. De percelen van de verzoekende partij op het grondgebied van Maaseik krijgen de bestemming agrarisch gebied met ecologisch belang in plaats van agrarisch gebied met landschappelijke waarde. Het ontwerpbesluit overweegt onder meer: “Overwegende dat de voorgestelde wijzigingen in nabestemmingen conform het ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen kaderen in de X-10.687-2/13 ontwikkelingsperspectieven voor de gewenste ruimtelijke structuur van de Maasvallei; dat met name in het kader van een grensoverschrijdende ontwikkelingsvisie de ecologische waarden worden versterkt, inpasbare vormen van recreatie en landbouw worden ontwikkeld en ondersteund en een ruimtelijke inkadering van de vastgelegde afbouw van de grindwinning wordt voorzien; dat tevens het nodige waterbergend vermogen in de vallei wordt gecreëerd; Overwegende dat op basis van de bepalingen van het grinddecreet in het kader van de besprekingen in het herstructureringscomité zich een acuut probleem stelt in verband met de herbestemming in relatie tot het Grensmaasproject; Overwegende dat omwille van de hoogdringendheid van realisatie zowel in het kader van het project Levende Grensmaas als van de grindherstructurering thans een gewestplanwijziging noodzakelijk wordt geacht voor landschapsherstel en natuurontwikkeling in de meest prioritaire deelgebieden; dat tevens wordt rekening gehouden met de recreatieve potenties van de zone Maaseik-Kinrooi; (...) Overwegende dat ter hoogte van Heppeneert het gebied binnen het winterbed van de Maas een meer specifieke ecologische invulling krijgt als agrarisch gebied met ecologisch belang in plaats van agrarisch gebied met landschappelijke waarde; dat langs de Maasoever over de volledige lengte vanaf Heppeneert tot Elerweert een brede strook als natuurgebied wordt aangeduid in plaats van agrarisch gebied met deels ecologische en deels landschappelijke waarden overeenkomstig de huidige natuurwaarden en de functie van het gebied als uiterwaarden volgens het project ‘Levende Grensmaas’; dat ter hoogte van de dijk het natuurgebied vervolledigd wordt langs de Diepbeek/Zanderbeek”. 1.
  6. Het ontwerp-gewestplan wordt onderworpen aan een openbaar onderzoek van 1 augustus 2000 tot en met 29 september
  7. 1.
  8. De verzoekende partij dient op 29 september 2000 een bezwaarschrift in. Zij beklaagt zich erover dat het volledig ontwerp-gewestplan niet ter inzage heeft gelegen. Met name de intentieverklaring voor een grensoverschrijdend overlegkader inzake structuur en inrichting van de Grensmaasvallei, het ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, de “bepalingen” van het grinddecreet, een grensoverschrijdende ontwikkelingsvisie, het Grensmaasproject, het project Levende Grensmaas, het B.P.A. “Uitbreiding mechelse heide zuid” van de gemeente Maasmechelen, blz. 188-196 en 248-258 van het MER “Zandontginning Mechelse Heide door SCR Sibelco” werden niet ter inzage gelegd. De verzoekende partij stelt dat haar bezwaarrechten daardoor werden geschonden. Voorts betoogt zij dat niet duidelijk is of het Herstructureringscomité overeenkomstig de bepalingen van het grinddecreet een structuurvisie heeft opgemaakt en of de Vlaamse regering een ecologische impactstudie en een studie ter bepaling van de grindreserves heeft opgemaakt. Wat betreft de wijziging van X-10.687-3/13 bestemming zelf roept de verzoekende partij in dat de voorgestelde bestemmingswijziging een verzwaring van bestemming inhoudt en doet zij voorstellen inzake wijziging van bestemming die een gefaseerde winning van zand en grind toelaten. 1.
  9. Op 13 september 2000 geeft de stad Dilsen-Stokkem een ongunstig advies over het ontwerp-gewestplan. 1.
  10. Op 5 maart 2001 brengt de Regionale Commissie advies uit. Onder “
  11. Algemene bemerkingen” stelt zij onder meer het volgende: “- de commissie is van oordeel dat het Grindherstructeringscomité (verder afgekort als GHC) te weinig betrokken is geweest bij deze wijziging van het gewestplan. Dit comité, opgericht bij Decreet van 14 juli 1993 tot oprichting van het Grindfonds en tot regeling van de grindwinning, heeft o.m. het opmaken van een structuurvisie als opdracht. Het zou dan ook logisch geweest zijn de gewestplanwijziging door te voeren zoals door het HSC voorgesteld. - procedure: - openbaar onderzoek : Het openbaar onderzoek werd door de Gouverneur gevoerd zoals voorgeschreven door het decreet op de ruimtelijke ordening. De documenten waarnaar verwezen werd in het besluit van 28 april 2000, zoals het MER ‘Zandontginning Mechelse Heide door SCR Sibelco’, de intentieverklaring voor het Grensmaasproject enz. werden niet ter inzage gelegd. Deze documenten zijn niet in het bezit van de Gouverneur en werden evenmin samen met het besluit en de plannen toegezonden met het oog op het openbaar onderzoek. Volgens de principes van een behoorlijk bestuur was het wenselijk geweest deze documenten bij het dossier te voegen”. Onder “
  12. Advies over de deelgebieden, volgens bijlagen” adviseert de commissie onder meer het volgende: “2.
  13. Bijlage 3 Heppeneert-Elerweert: binnen het gebied van de winterdijk wordt agrarisch gebied met ecologisch belang en natuurgebied voorzien. De commissie adviseert deze wijziging ongunstig. De omzetting naar EGEB betekent voor de landbouwers een onteigening zonder vergoeding. Er is immers geen concrete regeling voor het uitkeren van een schadevergoeding aan de landbouwers. Het normale gebruik van de landbouwgronden wordt verhinderd door de beperkingen die deze bestemmingen met zich brengen. De commissie dringt er daarom op aan de juiste volgorde te voorzien. Dit betekent: eerst de nodige gronden onteigenen en vergoeden en daarna de bestemmingen te wijzigen die nodig zijn voor de realisatie van het Grensmaasproject”. Onder “IV Bezwaarschriften” wordt het bezwaar van de verzoekende partij als bezwaar nr. 360 weergegeven en beoordeeld als volgt: X-10.687-4/13 X-10.687-5/13 “Advies: De argumenten in verband met het openbaar onderzoek worden bijgetreden. De vraag naar bijkomend ontginningsgebied te Elerweert wordt niet bijgetreden. (...) Argumentatie: in het huidige gewestplan is evenmin ontginningsgebied voorzien te Elerweert”. 1.
  14. Op 28 juni 2001 geeft de afdeling wetgeving van de Raad van State het advies 31.814/1 over een ontwerp van besluit van de Vlaamse regering tot de definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Limburgs Maasland op het grondgebied van de gemeenten Dilsen- Stokkem, Kinrooi, Lanaken, Maaseik en Maasmechelen. 1.
  15. Op 13 juli 2001 beslist de Vlaamse regering tot de definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Limburgs Maasland op het grondgebied van de gemeenten Dilsen-Stokkem, Kinrooi, Lanaken, Maaseik en Maasmechelen. De voorgestelde wijzigingen blijven behouden voor wat de percelen van de verzoekende partij betreft, namelijk van agrarisch gebied met ecologisch belang naar natuurgebied en van agrarisch gebied met landschappelijke waarde naar agrarisch gebied met ecologisch belang. Het bestreden besluit overweegt onder meer het volgende: “Overwegende dat de algemene principes en uitgangspunten in de motiveringen van het ontwerpplan, zoals ze vermeld staan in het voormelde besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2000 nog relevant zijn; (...) Overwegende dat in het gebied ten zuiden van Heppeneert/Elerweert, zoals weergegeven in bijlage 3, een beperking van de begrenzing van het ecologisch waardevol agrarisch gebied is doorgevoerd ten overstaan van het ontwerpplan, gebaseerd op de aanwezige natuurwaarden en recht doende aan het agrarisch akkergebruik; dat delen van het gebied vervallen en aldus de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied behouden, gelegen binnen het mogelijk overstromingsgebied van het winterbed; dat hiermede ten dele ingegaan wordt op het algemeen bezwarend advies van de regionale commissie, de adviezen en particuliere bezwaren inzake agrarisch grondgebruik; Overwegende dat voor het noordelijk gedeelte Heppeneert/Elerweert het advies van de regionale commissie niet kan worden ingewilligd; dat het behoud van de aangeduide natuurgebieden en agrarische gebieden met ecologisch belang voldoende verantwoord is op basis van aanwezige plaatselijk zéér hoge natuurwaarden en het behoud van en het herstel van het cultuurhistorisch uiterwaardenlandschap met tevens het behoud van de geomorfologische relicten; dat wat het ecologisch waardevol agrarisch gebied betreft, verder kan X-10.687-6/13 verwezen worden naar bovengenoemde algemene motivering inzake effecten op landbouwuitbatingen”.
  16. Ontvankelijkheid 2.
  17. De verwerende partij voert aan dat de verzoekende partij geen belang heeft bij de vernietiging. De verzoekende partij heeft de betrokken percelen weliswaar aangekocht met het oog op zand- en grindwinning, maar het bestreden besluit wijzigt de bestemming van die percelen van agrarisch gebied met ecologisch belang resp. landschappelijke waarde naar natuurgebied resp. agrarisch gebied met ecologisch belang. Er kan dus geen sprake zijn van een verzwaring van de bestemming in hoofde van de verzoekende partij, die de percelen louter om speculatieve redenen heeft verworven. Bovendien laat de verzoekende partij na om concrete gegevens aan te brengen met betrekking tot haar ontginningsplannen. 2.
  18. Aangezien het bestreden besluit een wijziging aanbrengt in de bestemming van de percelen waarvan de verzoekende partij de eigenaar is en zij zich door die wijziging gegriefd weet, beschikt zij over het rechtens vereiste belang om het bestreden besluit aan te vechten. Wel moet worden aangenomen dat het belang van de verzoekende partij bij de vernietiging beperkt blijft tot de percelen die door haar worden vermeld in het verzoekschrift en waarvan haar eigendomsrecht overigens niet wordt betwist door de verwerende partij. 2.
  19. De exceptie is niet gegrond.
  20. Ten gronde 3.1.
  21. In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 1 en 11, §§ 2 en 7 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), van de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het fair play-beginsel, alsook het ontbreken van de rechtens vereiste juridische grondslag. Zij betoogt in een eerste onderdeel dat het volledige gewestplan niet ter inzage lag bij elke betrokken gemeente, waardoor de verzoekende partij haar rechten niet volledig heeft kunnen uitoefenen. Door het ontbreken van bepaalde X-10.687-7/13 gedeelten van het ontwerp-gewestplan kon de verzoekende partij haar bezwaarrecht niet op volledige wijze uitoefenen. In een tweede onderdeel stelt de verzoekende partij dat het bestreden besluit zonder motivering afwijkt van het advies van de Regionale Commissie, in de mate dat de Commissie het standpunt bijtreedt van een aantal bezwaarindieners dat verscheidene documenten ter inzage moesten worden gelegd samen met het ontwerp-gewestplan. Door zonder motivering niet op dat onderdeel van het advies van de Regionale Commissie in te gaan, wijkt de Vlaamse Regering op ongemotiveerde en dus onwettige wijze af van het advies. In een derde onderdeel stelt de verzoekende partij dat geen rekening werd gehouden met haar bezwaarschrift. De Regionale Commissie heeft weliswaar negatief geadviseerd over de wijziging ter hoogte van Heppeneert-Elerweert, maar heeft daarbij enkel de belangen van de landbouwers betrokken. In de mate dat het bestreden besluit het advies van de Regionale Commissie niet heeft gevolgd, heeft het evenmin rekening gehouden, noch zich uitgesproken over het bezwaarschrift van de verzoekende partij, zoals blijkt uit de motivering. 3.1.
  22. Artikel 11, § 2, eerste lid van het gecoördineerde decreet bepaalt het volgende: “§
  23. Na de aankondiging wordt het ontwerp-gewestplan gedurende 60 dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis van elke bij het gewestplan betrokken gemeente. Het begin en het einde van deze termijn wordt in de aankondiging aangegeven”. Die bepaling moet zo worden geïnterpreteerd dat elk onderdeel dat formeel een onderdeel uitmaakt van het door de Vlaamse regering vastgestelde ontwerp-gewestplan, ter inzage moet worden gelegd. Uit deze bepaling kan evenwel niet worden afgeleid dat de werkzaamheden, voorbereidingen of studies die tot het ontwerp-gewestplan hebben geleid of waarvan het ontwerp-gewestplan het uiteindelijke resultaat is, eveneens ter inzage moeten worden gelegd. 3.1.
  24. Ook uit de in het middel aangehaalde beginselen van behoorlijk bestuur kan in dezen geen actieve verplichting worden afgeleid in hoofde van de overheid om de door de verzoekende partij aangehaalde documenten samen met de stukken die formeel behoren tot het ontwerp-gewestplan ter inzage te leggen. Het loutere feit dat in het ontwerp-gewestplan naar deze documenten wordt verwezen, X-10.687-8/13 kan niet worden beschouwd als een voldoende reden om aan te nemen dat ze op grond van de door de verzoekende partij aangehaalde beginselen ter inzage moeten worden gelegd in het kader van het openbaar onderzoek. 3.1.
  25. Het eerste middelonderdeel is niet gegrond. 3.1.
  26. Artikel 11, § 4 van het gecoördineerde decreet bepaalt het volgende: “§
  27. Zowel het ontwerpplan samen met de bezwaren en opmerkingen, als de adviezen van de gemeenteraad en bestendige deputatie worden voorgelegd aan de Regionale Commissie van Advies, die advies uitbrengt binnen een termijn van 120 dagen na het verstrijken van de termijn bedoeld in § 2”. Artikel 11, § 7, derde lid van het gecoördineerde decreet luidt als volgt: “Indien de Vlaamse regering afwijkt van het advies van de Regionale Commissie van Advies dient zij haar beslissing te motiveren”. Uit de gegevens van het dossier (punt 1.6 van het feitenrelaas) kan worden afgeleid dat de Regionale Commissie de bezwaren van de verzoekende partij deelde met betrekking tot de stukken waarnaar werd verwezen in het ontwerp-gewestplan, maar die niet ter inzage werden gelegd. De Vlaamse regering heeft dit bezwaar niet gevolgd, aangezien zij het openbaar onderzoek niet heeft overgedaan. Een dergelijke impliciete beslissing van de Vlaamse regering kan niet worden beschouwd als een afwijking van het advies in de zin van de voormelde decretale bepaling, aangezien deze beslissing geen betrekking heeft op de inhoud van het ontwerp-gewestplan, maar op de procedure die moest worden gevolgd voor de totstandkoming van het gewestplan. Voorts heeft de Regionale Commissie van Advies zich uitgesproken over de alternatieve bestemmingswijziging die door de verzoekende partij in haar bezwaarschrift werd voorgesteld. De Commissie stelde dienaangaande dat de vraag naar bijkomend ontginningsgebied te Elerweert niet kon worden bijgetreden omdat het vigerende gewestplan daar evenmin in ontginningsgebied voorziet. De Commissie adviseerde wel ongunstig voor de betrokken bestemmingswijziging, omdat ze voor de landbouwgronden gelegen te Heppeneert-Elerweert zou neerkomen op een feitelijke onteigening. De Vlaamse regering is in het bestreden besluit op dat punt afgeweken van het advies van de X-10.687-9/13 Regionale Commissie en heeft dat blijkens de gegevens van het dossier (punt 1.7 van het feitenrelaas) ook gemotiveerd. Ten onrechte voert de verzoekende partij aan dat die motivering moest ingaan op de door haar voorgestelde alternatieve bestemmingswijziging, nu het bestreden besluit op dat punt niet is afgeweken van het advies van de Regionale Commissie en op dat punt bijgevolg ook niet moest worden gemotiveerd. 3.1.
  28. Het tweede en het derde middelonderdeel zijn niet gegrond. 3.1.
  29. Het eerste middel is niet gegrond. 3.2.
  30. In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 9, 6°, 10 en 17, § 1 van het decreet van 14 juli 1993 tot oprichting van het Grindfonds en tot regeling van de grindwinning (hierna: het grinddecreet), alsook van de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij betoogt dat de aangehaalde bepalingen van het grinddecreet voorzien in de ontwikkeling en actualisering van een beleidsplan, in de opmaak van een structuurvisie en, wanneer een gewestplanwijziging wordt ondernomen, in de opmaak van een ecologische impactstudie en van een studie ter bepaling van de grindreserves. In de motivering van het bestreden besluit wordt enkel verwezen naar “een grensoverschrijdende ontwikkelingsvisie” en naar “de besprekingen in het herstructureringscomité”, maar uit die enkele verwijzingen blijkt niet dat aan de door het grinddecreet voorgeschreven substantiële vormvereisten is voldaan. 3.2.
  31. De door de verzoekende partij aangehaalde decretale bepalingen luiden als volgt: “Art.
  32. Het grindcomité heeft tot opdracht: (...) 6° de ontwikkeling en voortdurende actualisering van een globaal en coherent beleidsplan ter verwezenlijking van de in hoofdstuk III bepaalde doelstellingen; (...)”. “Art.
  33. (...) Het herstructureringscomité heeft tot opdracht: 1° het opmaken, actualiseren en afstemmen op de vigerende regelgeving van de structuurvisie; (...)”. “Art.
  34. §
  35. De Vlaamse regering neemt het initiatief tot wijziging van de betrokken gewestplannen. Zij laat een ecologische impactstudie, inclusief eco-hydrologische aspecten, maken ter bepaling van de ecologisch waardevolle zones. Daarnaast wordt een studie gemaakt ter bepaling van de grindreserves waarvan de exploitatie economisch en milieutechnisch kan worden verantwoord. De kosten van de studie vallen ten laste van het grindfonds. (...)”. X-10.687-10/13 3.2.
  36. Nog daargelaten de vraag of elk van de aangehaalde decretale bepalingen neerkomen op substantiële vormvoorschriften, moet worden vastgesteld dat deze decretale bepalingen betrekking hebben op effectieve grindwinningsgebieden en op gebieden die door een gewestplanwijziging als effectief grindwinningsgebied, reservegebied of uitbreidingsgebied worden bestemd. De betrokken percelen van de verzoekende partij hebben niet die relevante bestemming of dat feitelijke gebruik en verkrijgen die ook niet door het bestreden besluit. De verzoekende partij beschikt evenmin over een vergunning voor grindwinning voor wat betreft deze percelen. Zij heeft bijgevolg geen belang bij het middel. Dat de verzoekende partij de betrokken percelen zou hebben verworven om, zoals zij in haar verzoekschrift verklaart, “aldaar in de nabije toekomst de uitbating van zand- en grindwinning op te starten”, doet aan deze conclusie geen afbreuk. 3.2.
  37. In de mate dat de schending van de motiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel wordt aangevoerd, brengt de verzoekende partij geen argumenten of gegevens aan waaruit die schending zou kunnen blijken. 3.2.
  38. Het tweede middel kan niet worden aangenomen. 3.3.
  39. In een derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 3 en 84 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 en van het zorgvuldigheidsbeginsel en het algemeen rechtsbeginsel vervat in artikel 159 van de Grondwet. Zij betoogt dat bij de adviesaanvraag bij de afdeling wetgeving van de Raad van State over het ontwerp dat heeft geleid tot het bestreden besluit, ten onrechte de spoedbehandeling werd gevraagd. Nadat de Raad van State zijn advies had gegeven op 28 juni 2001, werd het bestreden besluit aangenomen op 13 juli 2001 en pas bekendgemaakt op 26 september 2001, twee en een halve maand later. 3.3.
  40. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat het advies 31.814/1 van de afdeling wetgeving van de Raad van State op 28 juni 2001 werd gevraagd en gegeven op een termijn van één maand, overeenkomstig artikel 84, eerste lid, 1° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  41. Voor een dergelijke adviesaanvraag moet, in tegenstelling tot een adviesaanvraag op drie X-10.687-11/13 dagen, de spoedeisendheid niet worden ingeroepen noch gemotiveerd. Het middel mist bijgevolg feitelijke grondslag. 3.3.
  42. Het derde middel is niet gegrond. 3.
  43. In een vierde middel wordt de schending aangevoerd van artikel 5 van het gecoördineerde decreet, van artikel 175 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het besluit van de Vlaamse regering van 2 oktober 1991 houdende benoeming van de leden van de commissie van advies voor de ruimtelijke ordening voor de streek Limburg. De verzoekende partij blijkt in haar memorie van wederantwoord afstand te hebben gedaan van dit middel, wat in haar laatste memorie en ter terechtzitting niet wordt betwist. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  44. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  45. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-10.687-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf januari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.687-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.413 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.