← België

Arrest 189414 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 12/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.414 Rolnummer: A. 113275/X-10673 Zaak: Arrest 189414 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 12/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-26 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 13:20 Fiche Arrest nr 189.414 van 12 januari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.414 van 12 januari 2009 in de zaak A. 113.275/X-10.673. In zake : 1. de c.v.b.a. MAREC, 2. de v.z.w. MAREC, die woonplaats kiezen bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat L. DEHAESE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Luikersteenweg 187. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de c.v.b.a. MAREC en de v.z.w. MAREC op 23 november 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 13 juli 2001 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Limburgs Maasland op het grondgebied van de gemeenten Dilsen-Stokkem, Kinrooi, Lanaken, Maaseik en Maasmechelen, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 september 2001; Gelet op het arrest nr. 182.944 van 15 mei 2008 waarbij het beroep wordt verworpen in hoofde van de tweede verzoekende partij, het beroep wordt verworpen wat de terreinen “Heerenlaak” en “Klauwenhof” betreft, de debatten voor het overige worden heropend, en waarbij het door de auditeur- generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; X-10.673-1/12 Gelet op de kennisgeving van het aanvullend verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de eerste verzoekende partij en de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 25 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. BOSQUET, die loco advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat L. TIJINI, die loco advocaat L. DEHAESE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. De eerste verzoekende partij is een intercommunale vereniging die bij notariële akte van 10 oktober 2001 door de stad Maaseik en de gemeente Kinrooi is opgericht. Haar doel is “het uitbouwen, het exploiteren en het beheren van het grindplassengebied Kinrooi-Maaseik (...) met het oog op het versterken van de toeristische of landschappelijke functie van dit gebied”. De tweede verzoekende partij is op 29 februari 1980 opgericht door de Intercommunale maatschappij voor Ruimtelijke Ontwikkeling in Limburg (hierna: IML), de provincie Limburg, de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij Limburg, de vzw “Streekbelangen-Maasland” en de gemeenten Kinrooi, Lanaken en Maaseik. Haar doel is “de exploitatie van de recreatiecentra welke door de IML in het Maasland worden ingericht”. Artikel 3, tweede zin van haar statuten bepaalt “dat de vereniging (...) met de IML dienaangaande een concessieovereenkomst (zal) afsluiten”. 1.2. Door de tweede verzoekende partij is op 25 maart 1998 een concessiecontract gesloten met de IML. Daarin geeft laatstgenoemde, met ingang X-10.673-2/12 van 1 januari 1998 en voor een - stilzwijgend verlengbare - periode van drie jaar, de recreatiecentra “Heerenlaak” te Maaseik en “De Spaanjerd” te Kinrooi aan de tweede verzoekende partij in concessie. 1.3. Op 28 december 2000 sluiten de eerste verzoekende partij en de tweede verzoekende partij een overeenkomst met betrekking tot de uitbating van de concessie door de eerste verzoekende partij vanaf 1 januari 2001. 1.4. Op 11 oktober 2001, daags na haar oprichting, krijgt de eerste verzoekende partij vanwege de tijdelijke vereniging “Rekin Grindbedrijven” de toestemming tot recreatief medegebruik van de grindplassen. 1.5. Op 18 december 2001 sluiten de verzoekende partijen een overeenkomst tot overdracht van het handelsfonds van de tweede verzoekende partij aan de eerste verzoekende partij. 1.6. Op 28 april 2000 beslist de Vlaamse regering tot de voorlopige vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Limburgs Maasland op het grondgebied van de gemeenten Dilsen-Stokkem, Kinrooi, Lanaken, Maaseik en Maasmechelen. 1.7. Tijdens het van 1 augustus 2000 tot 29 september 2000 gehouden openbaar onderzoek, dient de tweede verzoekende partij een “gecoördineerd bezwaarschrift” in. Daarin zijn de bezwaarschriften van 22 verschillende organisaties en verenigingen behorend tot “de sector toerisme en recreatie (van

  1. de)gemeenten Kinrooi en Maaseik” samengebracht. 1.8. Zowel de gemeenteraad van Kinrooi als die van Maaseik brengen, respectievelijk op 16 oktober 2000 en op 27 november 2000, ongunstig advies uit. 1.9. Op 5 maart 2001 brengt de streekcommissie advies uit. Zij treedt het bezwaar van de tweede verzoekende partij bij. 1.10. Op 13 juli 2001 beslist de Vlaamse regering tot de definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Limburgs Maasland. X-10.673-3/12 2. Ontvankelijkheid 2.1. In zijn arrest nr. 182.944 van 15 mei 2008 heeft de Raad van State het beroep onontvankelijk bevonden voor wat betreft de tweede verzoekende partij. Het beroep wordt bijgevolg enkel onderzocht in de mate dat het betrekking heeft op de eerste verzoekende partij. 2.2. De eerste verzoekende partij vermeldt in haar verzoekschrift niet voor welke percelen zij de vernietiging van het bestreden besluit vraagt. In zijn arrest nr. 182.944 van 15 mei 2008 heeft de Raad van State het beroep onontvankelijk bevonden voor wat betreft de terreinen “Herenlaak en Klauwenhof” te Maaseik. Het beroep is ontvankelijk in de mate dat het betrekking heeft op de terreinen, gelegen bij het domein “De Spaanjerd” te Kinrooi. 3. Ten gronde 3.1. In een vierde middel voert de eerste verzoekende partij de schending aan van het rechtszekerheidsbeginsel en het transparantiebeginsel. Zij stelt dat in het bijzondere bestemmingsvoorschrift met betrekking tot het “ontginningsgebied met nabestemming recreatie en natuur(ontwikkeling)” bepaald wordt dat “een evenwaardige verweving van de functies recreatie en natuur op dezelfde plaats” moet worden nagestreefd. Bovendien moet die evenwaardigheid worden vastgelegd in een overeenkomst op initiatief van de ministers bevoegd voor toerisme, respectievelijk natuurbehoud. Deze bepalingen stroken niet met het vereiste van rechtszekerheid. In haar memorie van wederantwoord voegt de eerste verzoekende partij daar aan toe dat het opstellen van een convenant tussen twee ministers de rechtszekerheid in het gedrang brengt die gepaard gaat met de strikte procedure van vastlegging van een gewestplanbestemming. 3.2. De verwerende partij repliceert dat aangezien een overgangsgebied wordt aangeduid met nabestemming recreatie en natuur, de eerste verzoekende partij weet welke bestemming aan het gebied gegeven wordt en er geen sprake kan zijn van een schending van de in dit middel aangehaalde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. X-10.673-4/12 In haar laatste memorie voegt zij daar aan toe dat dit bijzonder bestemmingsvoorschrift “is aangewezen om binnen in het middengedeelte een concreter antwoord te bieden voor de evenwaardige verweving van de functies recreatie en natuur op dezelfde plaats, zoals binnen de adviezen en bezwaren wordt bepleit”. Tevens stelt zij dat in de overwegingen van het bestreden besluit “uitgebreid wordt ingegaan op de opties voor het gebied” en dat “een algemene gebiedsvisie is opgenomen met verantwoording van de verschillende bestemmings- wijzigingen”. 3.3. Uit artikel 10, eerste lid, 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), volgt dat een gewestplan de maatregelen van aanleg moet bevatten die vereist zijn om te voldoen aan de economische en sociale behoeften van het gewest. Meer gedetailleerde maatregelen behoren in beginsel te worden opgenomen in gemeentelijke algemene en bijzondere plannen van aanleg. Dit laatste neemt evenwel niet weg dat een gewestplan op zich beschouwd voldoende duidelijke voorschriften moet bevatten om de bestemming met het oog op de economische en sociale behoeften op een deugdelijke en voldoende rechtszekere wijze te regelen. Indien één of meer voorschriften van een gewestplan op een dergelijk onduidelijke of vage wijze zouden zijn opgesteld dat de betrokken rechtsonderhorigen niet redelijkerwijze kunnen inschatten wat de gevolgen zijn van de betrokken bestemming voor hun percelen, ligt een schending van het rechtszekerheidsbeginsel voor. 3.4. Artikel 19 van bijlage 10 bij het bestreden besluit vermeldt voor de bestemming “ontginningsgebied met nabestemming recreatie en natuur” de volgende voorschriften: “Dit gebied is bestemd voor grindwinning. Het gebied wordt na ontginning bestemd voor de evenwaardige verweving van de functies recreatie en natuur op dezelfde plaats. Gemotoriseerde vormen van recreatie zijn niet toegelaten. Binnen de aanduiding van de ontworpen waterweg (vaargeul) is evenwel gemotoriseerd verkeer te water toegelaten”. In de aanhef van het bestreden besluit wordt over deze bestemming en het bijhorende bestemmingsvoorschrift het volgende gesteld: “Overwegende dat voor de vroeger reeds afgebakende gebieden ten noorden van de E314 de nodige wijzigingen in nabestemming worden voorgesteld; dat X-10.673-5/12 de voorstellen zijn geïntegreerd binnen het ruimer ruimtelijk planningskader dat als basis dient voor de verdere invulling op vlak van inrichting, vergunningen en beheer; dat het gewestplan een verdere afstemming tussen de herinrichting binnen de werkzaamheden van (het) herstructureringscomité enerzijds en de uitvoering van inrichtingsmaatregelen en werken binnen het Grensmaasproject anderzijds mogelijk maakt binnen de aangegeven bestemmingen zonder deze gedetailleerd vast te leggen”. Voorts wordt in de aanhef nog overwogen over de evenwaardig- heid van de nabestemming natuur en recreatie “dat deze evenwaardigheid gebaseerd is op het gegeven dat onder meer de volledige Spaanjerdplas voldoet aan een aantal wetenschappelijke criteria waardoor het de facto een watergebied van internationale betekenis is; dat deze evenwaardigheid kan inhouden dat bepaalde activiteiten verboden worden in de overwinteringsperiode van watervogels; dat deze even-waardigheid dient vastgelegd te worden in een overeenkomst, op initiatief van de Vlaamse Minister, bevoegd voor Toerisme en de Vlaamse Minister, bevoegd voor Natuurbehoud; dat tenslotte het recreatief verankeringspunt te Kessenich bevestigd wordt en de aanleg van een vaargeul als toegang voor de watersport gewaarborgd wordt”. Ten slotte bevat de aanhef nog de volgende relevante passage: “Overwegende dat een bijzonder voorschrift aangewezen is met name als ‘ontginningsgebied met nabestemming recreatie en natuurontwikkeling’ om binnen in het middengedeelte een concreter antwoord te bieden voor de evenwaardige verweving van de functies recreatie en natuur op dezelfde plaats, zoals binnen de adviezen en bezwaren wordt bepleit”. 3.5. In haar advies 31.814/1 van 28 juni 2001 over het ontwerp dat heeft geleid tot het bestreden besluit, stelde de afdeling wetgeving van de Raad van State over het betrokken bestemmingsvoorschrift het volgende: “Algemene opmerking In het ontwerp worden een aantal vage, algemene termen en noties gebruikt waarvan de betekenis onduidelijk en onbepaald is [waarbij in voetnoot onder meer wordt verwezen naar ‘bestemd voor recreatie en natuur in evenwaardig- heid’ in artikel 19]. Zoals de Raad van State, afdeling administratie, in het arrest n.v. Imobe, nr. 82.076, van 13 augustus 1999 heeft gesteld, blijkt uit het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, dat de decreetgever met die regeling beoogde door middel van het gewestplan zekerheid te verschaffen over de rechtstoestand van de gronden die binnen het beheersgebied ervan zijn gelegen. Het hanteren van een onduidelijke termino- logie in een gewestplan doet afbreuk aan dat oogmerk van rechtszekerheid. Het ontwerp zal derhalve moeten worden aangevuld met een verduidelijking van de gehanteerde terminologie”. X-10.673-6/12 Met betrekking tot artikel 19 van bijlage 10 wordt onder meer het volgende opgemerkt: “Met ‘in evenwaardigheid’ wordt volgens de uitleg verstrekt door de gemachtigde van de regering bedoeld dat noch de bestemming recreatie, noch de bestemming natuur (lees : natuurgebied) ondergeschikt is aan de andere. Daarmee lijkt te worden bedoeld dat beide bestemmingen samen aanwezig dienen te zijn in een evenwichtige verhouding. Zoals de bepaling is geredigeerd - en werd toegelicht door de gemachtigde van de regering -, zou er echter ook kunnen worden uit afgeleid dat beide bestemmingen evenwaardig zijn toegelaten, zodat bijvoorbeeld ook alleen recreatie of alleen natuurgebied kan worden gerealiseerd. Ter zake zal de tekst moeten worden verduidelijkt om de precieze betekenis van de woorden ‘in gelijkwaardigheid’ tot uiting te laten komen”. Aan deze opmerking van de afdeling wetgeving werd in het bestreden besluit geen gevolg gegeven. 3.6. Uit het voorgaande blijkt dat het betrokken aanvullend bestemmingsvoorschrift voorziet in een nabestemming met een “evenwaardige verweving van de functies recreatie en natuur op dezelfde plaats”. Na afloop van de grindwinning zullen bijgevolg op éénzelfde plaats twee bestemmingen op evenwaardige en onderling verweven wijze moeten worden gerealiseerd, zonder dat het bestreden besluit evenwel aangeeft waaruit die evenwaardige verwevenheid bestaat en hoe die planologisch moet worden geconcretiseerd. Deze vaststelling klemt des te meer, nu de bestemming recreatie enerzijds en de bestemming natuur anderzijds geen verwante en evenmin eenvoudig verzoenbare bestemmingen zijn. Er moet worden geconcludeerd dat het betrokken bestemmingsvoorschrift een fundamentele onduidelijkheid vertoont voor wat betreft het gebruik dat na de ontginning van de betrokken gebieden kan worden gemaakt. 3.7. Het feit dat een gewestplan slechts op algemene wijze de bestemming van een gebied regelt en dat de meer detailmatige bestemming aan bod komt in gemeentelijke algemene of bijzondere plannen van aanleg, neemt niet weg dat ook de algemene beleidskeuzen die in een gewestplan worden gemaakt, uit zichzelf voldoende duidelijk moeten zijn opdat de rechtsonderhorigen kunnen opmaken welke gevolgen er uit voortvloeien voor wat betreft het gebruik dat zij van hun gronden kunnen maken. 3.8. Het feit dat, zoals de verwerende partij opwerpt, in de motivering van het bestreden besluit wordt uiteengezet waarom de betrokken bestemming werd X-10.673-7/12 uitgewerkt, doet geen afbreuk aan de vastgestelde onduidelijkheid, nu die motivering geen nadere verduidelijking bevat omtrent de draagwijdte van het betrokken aanvullend bestemmingsvoorschrift. Zelfs indien dit wel het geval zou zijn, moet het beschikkend gedeelte van een rechtsregel op zich voldoende duidelijk zijn en kan een fundamentele onduidelijkheid in dat beschikkend gedeelte niet worden verholpen door nadere inhoudelijke toelichtingen in de aanhef, die immers geen bindende waarde hebben en bijgevolg die onduidelijkheid niet kunnen wegnemen. Daaruit volgt ook dat de overeenkomst “op initiatief van de Vlaamse Minister, bevoegd voor Toerisme en de Vlaamse Minister, bevoegd voor Natuurbehoud”, waarop wordt gealludeerd in de aanhef van het bestreden besluit, evenmin van aard kan zijn om de vastgestelde onduidelijkheid te verhelpen, nu uit die vermelding in de aanhef geen enkele verplichting blijkt om een dergelijke overeenkomst te sluiten, nu niet wordt bepaald met wie die overeenkomst wordt gesloten en nu in een overeenkomst geen nadere invulling kan worden gegeven aan een aanvullend bestemmingsvoorschrift, dat met de geëigende rechtsregels en volgens de geëigende procedure, in casu overeenkomstig artikel 11 van het gecoördineerde decreet, moet worden vastgesteld. 3.9. Het feit dat het betrokken aanvullend bestemmingsvoorschrift aldus op een fundamenteel onduidelijke wijze wordt bepaald, brengt de rechtszekerheid voor de betrokken rechtsonderhorigen in het gedrang, aangezien zij niet redelijkerwijze kunnen inschatten welke, zelfs algemene, gevolgen het betrokken voorschrift voor hen inhoudt. Het voorschrift strijdt dan ook met het rechtszekerheidsbeginsel. 3.10. Het middel is gegrond in de mate dat het betrekking heeft op de bestemming “ontginningsgebied met nabestemming recreatie en natuur”. 3.11. De bestemmingswijzigingen die het bestreden besluit inhoudt voor de percelen van de verzoekende partij, gelegen te Kinrooi, zijn verscheiden en de bestemming “ontginningsgebied met nabestemming recreatie en natuur” wordt slechts voor een deel van die percelen ingevoerd. Toch vormt die bestemming samen met de overige ermee verwante bestemmingen voor de percelen van de verzoekende partij vanuit planologisch oogpunt een onlosmakelijk geheel. Een gedeeltelijke vernietiging, beperkt tot het bijzonder bestemmingsvoorschrift voor X-10.673-8/12 “ontginnings-gebied met nabestemming recreatie en natuur” zou de algemene economie van die bestemmingswijzigingen aantasten. Er is bijgevolg reden om het bestreden besluit te vernietigen voor wat betreft alle percelen van de verzoekende partij, gelegen te Kinrooi. X-10.673-9/12 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 13 juli 2001 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Limburgs Maasland op het grondgebied van de gemeenten Dilsen-Stokkem, Kinrooi, Lanaken, Maaseik en Maasmechelen, in zoverre het betrekking heeft op de percelen, gelegen te Kinrooi en vervat in bijlage 1 (kaartblad 18/8), waarvoor de cvba MAREC over een erfpacht- of gebruiksrecht beschikt en door deze partij aangeduid met de volgende perceelnummers met uitzondering van de percelen van de terreinen “Herenlaak en Klauwenhof” te Maaseik: Kinrooi, 4de afdeling Ophoven-Kessenich h A/3 A/1 B4 B1 B2 A2 585b 278a 950b 492a 398a 351a 525a é 306a 257a 952 524c 397a 346d 529 235a 299a 258 947m 524a 223 329 530 231d 296a 612a 187a 947h 523a 403a 332 520c 227c 308a 188a 951d 522b 398a 344a 533a 226a 303c 581a 277 946 1 520b519 397a 351-2 531 360c 387e 283 847 1 518 223 336a 535 361a 348e 577a 285 558c 517 403a 363-2 534 363 256l 575a 261 558a 515a 395b 339 536 351 356r 574a 262 589 513b 365 427a 537 356s 263 557 539a 366b 36 538a 368b 606h 266a 560a 540 367c 41b 538b 372a 304 560h 535 405a 42c 541a 328b 201d 323 651c 525a 407 52a 541b 306-2 205a 99b 563a 529 390c 62 542 323a 209h 300 566a 530 368c 61 543 193b 298a 567 520b 369b 59a 88 134c 501 192c 153a 570 519 374a 56a 85a 106f 500 204b 144b 571a 518 376 55 109a 124b 496c 200h 147/2 1354 i 517 377 52a 122a 125c 498 195c 148/3 504a 515a 407-2 50a 117c 70a 495a 166p 87a 504b 513b 385a 53 116g 73 494 176b 132d 503b 539a 224a 54 115a 74 493a 244g 100c 503a 540 225a 295c 113c 98c 499b 147a 138f 502 535 228b 294h 84a 499a 82a 172 20d 113a 162v 33c 122a 167h 194b 230t 14g 20c 112 195k 41c 122b 166a 201c 228i 14f 140a 111a 195w 38a 122c 149a 198c 230b 29b 139c 148g 196m 79c 123c 155a 201d 226 309 138e 148h 196v 85b 124a 156a 199b 225 346 137 151d 195d 88b 121a 154a 197d 224b 31g 136 148i 196w 90d 119a 153c 197c 227 X-10.673-10/12 33a 128b 159h 195 74c 116 153d 197g 114d 33c 146b 160c 195m 76b 118 158a 197f 114c 34c 142a 161b 196t 72b 115 173c 197c 103d 43b 143 162 195g 69a 130c 175a 199c 167a 31g 144c 163a 192c 66a 132c 172c 230i 33a 145 164f 192d 54 134c 177a 199h 55 134d 170b 199-2 57a 130d 184g 46b 114b 169b 4e afdeling A/2 455c 416a 451a 543a 455b 415a 473 423a 454f 413b 474b 434f 473-2 413a 451a 421a 435c 408a 454c 412a 450d 420a 434g 409a 454d 423b 449c 418c 435d 409c 433 426 448c 418b 438c 409d 432 427 449d 474-2 410b 430a 433 448-2 415a 412a 429a 432 447a 418b 416a 413a 428 430a 446 418c 441 429a 445 420a 444-2 421a 423b 410b. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 697,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij en de tweede verzoekende partij, ieder voor de helft. X-10.673-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf januari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.673-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.414 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.107.298 ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.944 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.