id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.426 Rolnummer: A. 127359/X-11136 Zaak: Arrest 189426 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 13/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-26 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 13:26 Fiche Arrest nr 189.426 van 13 januari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.426 van 13 januari 2009 in de zaak A. 127.359/X-11.
- In zake : Johan LAROY, die woonplaats kiest bij advocaat H. DHONT, kantoor houdende te 9000 GENT, Sint-Denijslaan 201 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Johan LAROY op 27 september 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 8 juli 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 4 oktober 2001 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij hem de voorwaardelijke vergunning werd verleend tot wijziging van de verkavelingsvergunning van 7 oktober 1970 aan de Pontweg 31 te Aalter, kadastraal bekend sectie H, nr. 177/h, en houdende vernietiging van voormeld besluit van 4 oktober 2001 van de bestendige depuatie; Gelet op de beschikking van 13 november 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 1 december 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-11.136-1/12 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gezien het verzoek tot voorzetting van de verzoeker; Gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 14 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. DHONT, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat E. DE VYLDER, die loco advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- Op 6 juni 1999 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt de verzoeker aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Aalter een vergunning voor het wijzigen van de verkavelingsvergunning die op 7 oktober 1970 aan de n.v. Matexi is verleend. Met de voormelde aanvraag wil de verzoeker op zijn kavel (lot 88) de regularisatie mogelijk maken van twee schotelantennes van ca. 1,20 m hoog, geplaatst op het plat dak van de links aanpalende garage van zijn woning. Met de aanvraag wil de verzoeker ook de oprichting mogelijk maken van een tuinhuis, te plaatsen op 0,5 m van de linkerperceelsgrens, op 0,5 m van de achterperceelsgrens en op 3 m van de rechterperceelsgrens. Het tuinhuis zou een grondoppervlakte hebben van 6 m op 3 m, een lessenaarsdak van 2 m tot 2,50 m hoog, en zou worden X-11.136-2/12 opgetrokken in hetzelfde gevelmetselwerk als de woning. Achteraan in verzoekers tuin bevindt zich reeds een betonnen vloerplaat voor de oprichting van een tuinhuis. 1.
- Een eerdere aanvraag tot wijziging van de verkavelingsvergunning werd op 1 maart 1999 door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Aalter geweigerd ingevolge een negatief advies van 18 februari 1999 van de gemachtigde ambtenaar. Dit advies stelde onder meer het volgende : “Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening Gelet op de visuele impact van de schotelantennes op de omgeving is de voorgestelde inplanting niet aanvaardbaar. De plaatsing van het tuinhuis op 0,5 m van de linker- en achterperceelsgrens voldoet evenmin aan de gangbare stedenbouwkundige normen terzake en is in de gegeven context evenmin aanvaardbaar. Algemene conclusie Het voorstel komt niet voor vergunning in aanmerking”. 1.
- Ingevolge een ongunstig advies van 19 juli 2000 van de gemachtigde ambtenaar weigert het college van burgemeester en schepenen van Aalter op 26 juli 2000 opnieuw de gevraagde vergunning. In het voornoemde advies wordt ondermeer het volgende gesteld: “Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening Het is niet duidelijk in welk opzicht voorliggende aanvraag tegemoet komt aan de stedenbouwkundige bezwaren van het vorige advies van ons bestuur, overgenomen in de weigering tot wijziging van de verkavelingsvergunning, dd. 1.03.
- De visuele impact van de schotelantennes blijkt aanwezig en de aanvraag stelt dezelfde inplanting van het tuinhuis voor”. 1.
- Na verzoekers administratief beroep tegen de voormelde weigeringsbeslissing van 26 juli 2000, verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 4 oktober 2001 de “gevraagde verkavelingswijziging onder voorwaarde dat de oppervlakte van het tuinhuis beperkt blijft tot 12m²”. In die beslissing wordt onder meer het volgende overwogen: “Overwegende dat de aanvraag tot wijzigen van de verkaveling het oprichten van de schotelantennes en het tuinhuis moet mogelijk maken ; dat volgens de stedenbouwkundige voorschriften bij de verkavelingsvergunning het betrokken lot 88 bestemd is voor het oprichten van een gesloten bebouwing met twee bouwlagen ; dat in de verkavelingsvergunning wordt vermeld dat andere bouwwerken dan deze voorzien op het plan of beschreven in de voorschriften verboden zijn ; X-11.136-3/12 Overwegende dat iedere aanvraag tot wijzigen van een verkavelingsvergunning dient beoordeeld in functie van een goede plaatselijke aanleg ; dat een tuinhuis behoort tot de normale uitrusting bij een woning ; dat de aan te wenden materialen dezelfde zijn als die van de woning ; dat het tuinhuis derhalve verenigbaar is met de goede plaatselijke aanleg ; dat het betrokken perceel evenwel een geringe oppervlakte heeft van 324 m² ; dat derhalve de oppervlakte van het tuinhuis dient beperkt te worden tot 12 m² ; dat de visuele impact van de schotelantennes binnen de woonomgeving gering is ; dat het beroep vatbaar is voor inwilliging onder voorwaarde dat de oppervlakte van het tuinhuis beperkt blijft tot 12 m²”. 1.
- De gemachtigde ambtenaar stelt tegen de voornoemde beslissing een administratief beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. Daarin stelt hij onder meer wat volgt: “De Bestendige Deputatie doet in haar besluit geen uitspraak over de antennes en geeft geen argumentatie m.b.t. de inplanting van het tuinhuis. Uit de aanvraag blijkt dat het tuinhuis gebruikt zal worden voor de inrichting van een radio/studio hetgeen een functie is die niet eigen is aan een zone voor koeren en hoven. De antennes behouden hun negatieve visuele impact op de omgeving”. 1.
- Op 8 juli 2002 wordt de thans bestreden weigeringsbeslissing genomen, die aan de verzoeker en zijn raadsman op 30 juli 2002 ter kennis wordt gebracht.
- Over de ontvankelijkheid van het beroep 2.
- De aangevoerde exceptie De verwerende partij voert de volgende exceptie van onontvankelijkheid van het beroep aan : “
- Uit de eerste en niet betwiste weigering van regularisatie bij besluit van 1 maart 1999 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Aalter blijkt dat de visuele impact van de schotelantennes op de omgeving in de voorgestelde plaatsing, op het dak (...) van de garage, niet aanvaardbaar is met het oog op de goede ruimtelijke ordening. Hetzelfde geldt voor de plaatsing van het tuinhuis op 0,5 m van de linker- en achterperceelgrens.
- De verwerende partij moet vaststellen dat de bestreden weigering van regularisatie betrekking heeft op identiek hetzelfde voorwerp van de eerste weigering van regularisatie. Uit de bestreden beslissing blijkt X-11.136-4/12 opnieuw dat de visuele impact van de schotelantennes op de omgeving in de voorgestelde plaatsing, op het dak van dak van de garage, niet aanvaardbaar is met het oog op de goede ruimtelijke ordening. Hetzelfde geldt voor de plaatsing van het tuinhuis op 0,5 m van de linker- en achterperceelgrens. De bestreden (tweede) weigering van regularisatie is bijgevolg een loutere bevestiging van een eerder ingenomen standpunt.
- De verzoekende partij mist het rechtens vereiste actueel belang bij het instellen van een annulatieberoep tegen de bestreden weigering van wijziging van verkavelingsvergunning wanneer hij heeft nagelaten tegen de eerste weigering van wijziging van verkavelingsvergunning op te komen en de bestreden tweede weigering een loutere bevestiging inhoudt van de eerste weigering van regularisatievergunning.
- Het annulatieberoep is bijgevolg niet ontvankelijk”. 2.
- Beoordeling De bestreden beslissing werd genomen na een nieuw onderzoek en gaat uit van een andere administratieve overheid dan de beslissing van 1 maart 1999 houdende de weigering van een eerdere identieke aanvraag tot wijziging van de verkavelingsvergunning van 7 oktober
- De bestreden beslissing is derhalve geen louter bevestigende beslissing. De exceptie is ongegrond.
- Over de gegrondheid van het beroep 3.
- Het aangevoerde enig middel De verzoeker voert in een enig middel de schending aan van “de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, (...) van artikel 59 van het EG-Verdrag en (...) van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod” : “De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, bepalen dat elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de grondslag liggen van die beslissing. De motivering van de Beslissing van de Minister voldoet niet aan de vereisten van de wet van 29 juli
- De motivering is niet terzake, op bepaalde punten zelfs ongeldig en niet plausibel. In die zin kan de motivering de beslissing niet dragen, de motivering is niet afdoende.
- Wat betreft de beslissing betreffende de schotelantennes. X-11.136-5/12 a. De Europese wetgeving inzake vrij verkeer van diensten zou geen ‘vrijgeleide’ inhouden tot het plaatsen van een schotelantenne. De beslissing motiveert als volgt: ‘Overwegende dat betreffende de plaatsing van de schotelantennes door de particulier de bestaande Europese regelgeving wordt ingeroepen om te stellen dat de plaatsing van een schotelantenne, en dus ook de onderhavige schotelantennes, niet mag worden belemmerd; dat ter staving door de particulier passages worden aangeduid in de Mededeling van de Europese Commissie over de toepassing van de Algemene Beginselen van het Vrije Verkeer van Goederen en Diensten; dat de particulier de inhoud van deze mededeling interpreteert als een soort ‘vrijgeleide’ voor het plaatsen van schotelantennes; dat bij nalezing van deze mededeling echter ook blijkt dat het bestaan en behoud van nationale, zelfs meestal lokale reglementen, betreffende het plaatsen van schotelantennes niet wordt uitgesloten; dat deze mededeling verder nog stelt: ‘... Als richtsnoer, maar wel een die van geval tot geval aan de omstandigheden moet worden aangepast, zouden de bevoegde nationale autoriteiten, indien nodig, regels kunnen vaststellen die oplossingen bieden waarbij de optische en esthetische gevolgen van de installatie van een schotelantenne zoveel mogelijk worden beperkt, maar waarbij de betrokkene wel het recht behoudt een schotelantenne te gebruiken om toegang te krijgen tot de diensten van zijn keuze...’; dat uit deze formulering, waarbij dient opgemerkt dat deze steeds gewag maakt van een schotelantenne in het enkelvoud, blijkt dat het door de particulier ingeroepen ‘vrijgeleide’ niet opgaat’; Overeenkomstig artikel 59 van het EG-verdrag geldt in de EG de regel van het vrij verkeer van diensten. Bij de door de Minister aangehaalde mededeling van de Europese Commissie wordt toegelicht dat artikel 59 impliceert dat eenieder het vrij recht moet hebben om een schotelantenne te gebruiken om toegang te krijgen tot de diensten van zijn keuze. Omtrent de draagwijdte van deze mededeling bestaat intussen eensgezindheid. Cfr. ‘De EU-commissie heeft het basisrecht op het bezit van een satellietschotel afgekondigd. Volgens EU-commissaris Frits Bolkestein moet de mogelijkheid een paraboolschotel te gebruiken, worden gegarandeerd zonder technische, gerechtelijke en belastingtechnische hinderpalen. Het hebben van een schotel behoort tot de grondwettelijke vrijheden in de Europese Unie. De mogelijkheid om op deze manier informatie te ontvangen maakt deel uit van het recht op vrije meningsuiting en kadert binnen het principe van ‘vrij verkeer van waren en diensten in Europa’. De afkondiging is van groot belang omdat nogal wat plaatselijke potentaten in Vlaanderen en Nederland het bezit van een schotel willen belasten, dan wel hinderlijke bepalingen in de gemeentelijke reglementen inlassen over de plaats waar de schotel mag hangen of staan. Dit nieuwe Europese besluit geeft besturen en ondernemingen nu een instrument in handen waarmee huidige en toekomstige hindernissen voor satelietontvangst afgeschaft of verhinderd worden. De paraboolschotel is de laatste schakel in de ketting tussen programmamakers en kijkers/luisteraar. Iedereen moet daarom de vrije keuze hebben tussen de verschillende ontvangstmogelijkheden en diensten die via satelliet ontvangen kunnen worden. Het is niet toegelaten deze keuze te beïnvloeden door onder andere het gebruik van de schotel ‘te bestraffen’ of ‘te verhinderen’. Bolkestein noemt ‘verhinderen’ X-11.136-6/12 bijvoorbeeld: een toelating moeten vragen voor het plaatsen van een schotel.’ (...) Ook de Belgische Administratie van buitenlandse aangelegenheden heeft één en ander verder toegelicht en komt tot de vaststelling dat een mogelijke verantwoording voor beperkingen op het plaatsen van een schotelantenne moet voldoen aan het noodzakelijkheidscriterium en aan de evenredigheidsvereiste: alleen een dwingende reden van algemeen belang kan een belemmerende maatregel rechtvaardigen. Dat geen dergelijke dwingende reden voorhanden is, minstens wordt deze in de beslissing niet aangegeven. Dat in die zin de motivering niet afdoende is en trouwens op zich een schending inhoudt van het artikel 59 van het EG-verdrag. b. de aangevraagde plaatsing zou niet de meest aangewezen en minst hinderlijke keuze zijn De Minister verwoordt het als volgt: ‘Overwegende dat voortgaande op deze vaststelling, dient opgemerkt dat de plaatsing van twee schotelantennes vooraan de straat op het plat dak van de garage qua uitzicht nu niet als de meest aangewezen en minst hinderlijke keuze kan worden aanzien; dat door de particulier wel wordt aangevoerd dat dit technisch de enige mogelijkheid is, maar daar ter staving geen werkelijke concrete argumentering aan toevoegt; dat eerder dient gesteld dat het betrokken terrein nog voldoende alternatieven inhoudt voor het plaatsen van een schotelantenne op een esthetisch meer verantwoorde wijze; dat de huidige plaatsing onweerlegbaar een nadelige impact heeft op het straatbeeld en esthetisch moeilijk valt te verantwoorden; dat de argumentatie van de gemachtigd ambtenaar op dit vlak dient te worden bijgetreden’. De Minister motiveert aldus zijn beslissing geheel op basis van het esthetische en gaat geheel voorbij aan het feit dat een schotelantenne voornamelijk een technische functie heeft, m.n. het ontvangen van radio- en televisiegolven. Dat in dit opzicht de gekozen mogelijkheid de enige technisch haalbare is. Dat uiteraard een schotelantenne m.o.o. haar technische functie vrij zicht moeten hebben en dit naar het zuiden. Dat om die reden de schotelantenne hoedanook op een zekere hoogte dient aangebracht, t.t.z. aan een gevel of op een dak. Gelet op de vereiste dat de schotelantenne naar het zuiden gericht moet kunnen worden en vrij zicht moet hebben op de satellieten, is de aangevraagde plaatsing wel degelijk de enige mogelijke. Dat deze plaatsing werd afgeregeld door de SNG-ploeg van VTM. De Minister verwerpt de argumenten van technische aard en stelt dat ‘het betrokken terrein nog voldoende alternatieven inhoudt voor het plaatsen van een schotelantenne op een esthetisch meer verantwoorde wijze’ doch houdt hierbij allerminst rekening met de technische realiteit. Er wordt trouwens niet in het minst aangegeven wat dat alternatief dan wel zou kunnen zijn. In ieder geval is er in de tuin geen ontvangst. Dat trouwens de visuele impact op het straatbeeld dient beoordeeld rekening houdend met de bestaande toestand in de omgeving. Het onroerend goed van verzoeker is gelegen in een woongebied met twee aan elkaar palende woningen met garage. De Bestendige Deputatie oordeelde dan ook terecht dat de visuele impact van de schotelantennes gering is. Er wordt geen valabel argument aangegeven waarom deze visuele impact van die orde zou zijn een weigeringsbeslissing te rechtvaardigen. X-11.136-7/12 Dat de motivering op dit punt dan ook een nietszeggende stijlformule is, welke geen concrete rechtvaardiging inhoudt van de genomen beslissing. Blijkbaar wordt aan verzoeker verweten dat hij geen stavingsstukken toevoegt welke zijn stelling onderschrijven. Nochtans werd het dossier van verzoeker zoals ingediend bij het College van Burgemeester en Schepenen ontvankelijk en volledig verklaard. Daarenboven werd aan verzoeker nooit gevraagd bijkomende gegevens te verstrekken, zodat een weigeringsbeslissing verwijzend naar een gebrek aan voorlegging van bijkomende stukken, getuigt van een weinig behoorlijk bestuur.
- Wat betreft het tuinhuis a. De voorziene inplanting zou onoordeelkundig zijn, gelet op de afstand tot de perceelsgrens Dienaangaande argumenteert de Minister: ‘Overwegende dat er vervolgens ook opmerkingen kunnen worden gemaakt betreffende het voorziene tuinhuis; dat, ook al werd van het gebruik ervan als radiozender afgezien, er bezwaren blijven gelden wat betreft de inplanting ervan; dat een afstand van slechts 0,50 meter tot zowel de achterste als de linkerperceelsgrens op stedenbouwkundig vlak als onoordeelkundig dient te worden omschreven; dat door de bestendige deputatie, zoals terecht opgemerkt door de gemachtigd ambtenaar, hieraan geen nadere aandacht wordt besteed; dat daarenboven de door de bestendige deputatie opgelegde beperking van de oppervlakte in deze context ook een valabel gegeven vormde om een meer aanvaardbare inplanting op te leggen, dat er zich, ervan uitgaande dat de initiële oppervlakte in elk geval dient te worden verminderd, ook qua inplanting alternatieven voordoen; ...’ Dat -in tegenstelling tot wat de Minister voorhoudt- de Bestendige Deputatie een voldoende motivering uitbracht nopens de verenigbaarheid met de goede plaatselijke aanleg en wel als volgt: ‘dat een tuinhuis behoort tot de normale uitrusting bij een woning; dat de aan te wenden materialen dezelfde zijn als die van de woning; dat het tuinhuis derhalve verenigbaar is met de goede plaatselijke aanleg; dat het betrokken perceel evenwel een geringe oppervlakte heeft van 324 m²; dat derhalve de oppervlakte van het tuinhuis dient beperkt te worden tot 12 m²’. Dat blijkbaar de Minister het besluit van de Bestendige Deputatie op de korrel neemt nu het niet ingaat op de bezwaren van de gemachtigde ambtenaar omtrent de afstand tot de perceelsgrens. Evenwel werden op quasi alle naburige erven bouwwerken aangebracht tot op de perceelgrens. Dat het Gemeentebestuur zelf geen bezwaren had, terwijl de naburen - behoudens één - hun akkoord gaven met de aangevraagde inplanting. De motivering van de Minister - hierin de gemachtigd ambtenaar volgende - nopens de in acht te nemen afstand tot de perceelgrens is dan ook weinig plausibel. Verzoeker ziet niet in hoe het beter in overeenstemming met de plaatselijke aanleg zou zijn een grotere afstand tot de perceelgrens in acht te nemen, te meer gelet op het feit dat de perceelgrens in grote mate wordt afgebakend door - door de naburen aangebrachte - bouwwerken. Dat trouwens -door aan verzoeker het plaatsen van een tuinhuis als aangevraagd te weigeren- verzoeker in een van zijn naburen ongelijke toestand wordt geplaatst, zonder dat hiervoor een plausibele verklaring voorhanden is. Dat de beslissing op dit punt niet afdoende werd gemotiveerd en op zich een i n b r e u k v o r m( t ) o p h e t g r ondwettelijk gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel. X-11.136-8/12 b. De verwijzing naar andere dergelijke bestaande constructies in de buurt Zoals hoger aangegeven werden op quasi alle naburige percelen gelijkaardige constructies aangebracht tot op de perceelsgrens. Verzoeker voegt dienaangaande foto’s toe aan het dossier. Naar mening van de Minister kan hierin geen argument worden gevonden ‘om het reeds bestaande amalgaam van constructies nog te bestendigen en te vergroten’. Dat het bestaan en het gedogen van deze constructies tot de conclusie noopt dat het weinig denkbaar is dat juist het geplande tuinhuis van verzoeker de goede plaatselijke aanleg in het gedrang zou brengen. Dat de motivering op dit punt dan ook tegenstrijdig is, waar enerzijds wordt erkend dat tal van gelijkaardige constructies in de buurt worden gedoogd, doch anderzijds die ene bijkomende en qua omvang zeer beperkte constructies de goede aanleg van de plaats in het gedrang brengt. Dergelijke motivering is weinig plausibel en kan de beslissing niet dragen. Daarenboven schendt de beslissing op dit punt het gelijkbeginsel en non-discriminatiebeginsel”. 3.
- Beoordeling 3.2.
- De verzoeker toont niet aan, noch maakt hij aannemelijk, dat de verwerende partij, door te oordelen dat de in de aanvraag voorziene plaatsing van de schotelantennes onweerlegbaar een nadelige impact heeft op het straatbeeld en esthetisch moeilijk valt te verantwoorden, het artikel 49 van het EU-Verdrag -voorheen artikel 59 van dit verdrag- houdende het verbod om beperkingen in te voeren op het vrij verrichten van diensten binnen de Europese Unie, schendt. In het bestreden besluit wordt er in dit verband terecht op gewezen dat in de mededeling van de Europese Commissie van 27 juni 2001 over de toepassing van de Algemene Beginselen van het Vrije Verkeer van Goederen en Diensten, waarop de verzoeker zich beroept om de schending van de voormelde verdragsbepaling aan te tonen, wordt bepaald dat “(...) de nationale autoriteiten, indien nodig regels kunnen vaststellen die oplossingen bieden waarbij de optische en esthetische gevolgen van de installatie van een schotelantenne zoveel mogelijk worden beperkt (...)”. 3.2.
- De verzoeker toont voorts niet aan dat hem door het bestreden besluit het recht zou worden ontzegd om een schotelantenne te gebruiken om toegang te krijgen tot de diensten van zijn keuze. De verzoeker heeft in dit verband, in zijn vergunningsaanvraag, geen concrete elementen aangevoerd waaruit zou mogen blijken dat de plaats van de schotelantennes de technisch enige haalbare is, terwijl zijn aanvraag toch de regularisatie van wederrechtelijk geplaatste schotelantennes beoogt waarvoor een eerdere aanvraag, bij besluit van 1 maart 1999 van het college van burgemeester en schepenen van Aalter, werd verworpen. In die omstandigheden volstaat verzoekers a posteriori-betoog dat het bestreden besluit er X-11.136-9/12 geheel aan voorbij zou gaan dat een schotelantenne voornamelijk een technische functie heeft en dat het motief in het bestreden besluit “dat het betrokken terrein nog voldoende alternatieven inhoudt voor het plaatsen van een schotelantenne op een esthetisch meer verantwoorde wijze” onjuist is, geenszins om de onwettigheid van het bestreden besluit aan te tonen. Het voormelde, door de verzoeker niet weerlegde motief, en de overweging “dat de plaatsing van twee schotelantennes vooraan de straat op het plat dak van de garage qua uitzicht nu niet als de meest aangewezen en minst hinderlijke keuze kan worden aanzien”, volstaan om de vergunningsaanvraag, wat de regularisatie van de schotelantennes betreft, te weigeren. Een schending van de formele motiveringsplicht, die te dezen geacht moet worden te zijn genomen uit de schending van artikel 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, kan niet worden aangenomen. 3.2.
- Wat het tuinhuis betreft, wordt in het bestreden beluit onder meer overwogen wat volgt : “Overwegende dat er vervolgens ook opmerkingen kunnen worden gemaakt betreffende het voorziene tuinhuis; dat, ook al werd van het gebruik ervan als radiozender afgezien, er bezwaren blijven gelden wat betreft de inplanting ervan; dat een afstand van slechts 0.50 m tot zowel de achterste als de linkerperceelsgrens op stedenbouwkundig vlak als onoordeelkundig dient te worden omschreven; dat door de bestendige deputatie, zoals terecht opgemerkt door de gemachtigde ambtenaar, hieraan geen nadere aandacht wordt besteed; dat daarenboven de door de bestendige deputatie opgelegde beperking van de oppervlakte in deze context ook een valabel gegeven vormde om een meer aanvaardbare inplanting op te leggen; dat er zich, ervan uitgaande dat de initiële oppervlakte in elk geval dient te worden verminderd, ook qua inplanting alternatieven voordoen; ...”. 3.2.
- In het bestreden besluit wordt vooreerst terecht vastgesteld dat de bestendige deputatie geen nadere aandacht heeft besteed aan de afstand van het tuinhuis tot de achterste en de linkerperceelsgrens. Voorts toont verzoekers betoog dat “het gemeentebestuur zelf geen bezwaren had, terwijl de naburen -behoudens één- hun akkoord gaven met de aangevraagde inplanting”, de kennelijke onredelijkheid van het bestreden besluit niet aan, noch dat dit besluit op onjuiste feiten zou zijn gestoeld. Verzoekers betoog dat “op quasi alle naburige erven bouwwerken (werden) aangebracht tot op de perceelgrens” en hij “niet inziet hoe het beter in overeenstemming met de plaatselijke aanleg zou zijn een grotere afstand tot de perceelsgrens in acht te nemen, te meer gelet op het feit dat de perceelgrens X-11.136-10/12 in grote mate wordt afgebakend door -door de naburen aangebrachte- bouwwerken” wordt in het bestreden besluit op afdoende wijze ontmoet, waar dit overweegt dat “de verwijzing naar andere dergelijke bestaande constructies hier niet in overweging kan worden genomen; dat vooreerst niet kan worden nagegaan of deze al dan niet werden vergund (en) dat vervolgens kan aangestipt dat, ook al werden deze of sommige ervan vergund, dit gegeven nog geen reden vormt om deze reeds ontstane amalgaam van constructies nog te bestendigen en te vergroten”. 3.2.
- Wat de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel betreft, toont de verzoeker niet op concrete en afdoende wijze aan dat zijn perceel zich in een gelijkaardige situatie als “quasi alle naburige percelen” bevindt, terwijl dit, zoals de verzoeker ten onrechte aanvoert, evenmin uit het bestreden besluit blijkt. Het middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. X-11.136-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien januari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.136-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.426 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div