← België

Arrest 189428 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 13/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.428 Rolnummer: A. 116398/X-10785 Zaak: Arrest 189428 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 13/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-22 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 13:27 Fiche Arrest nr 189.428 van 13 januari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.428 van 13 januari 2009 in de zaak A. 116.398/X-10.

  1. In zake :
  2. Remy VAN DEN STEEN,
  3. Marie-Christ CORNELIS, die woonplaats kiezen bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : de stad AALST. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Remy VAN DEN STEEN en Marie-Christ CORNELIS op 4 februari 2002 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 5 juni 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst houdende afgifte van een negatief planologisch attest aan de pluimveeslachterij R. VAN DEN STEEN- M.-C. CORNELIS voor een bedrijfsvestiging aan de Hollestraat 49 te Moortsel (Aalst); Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 8 november 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 14 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; X-10.785-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. VALKENIERS, die loco advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de verzoekende partijen, en van bestuurssecretaris H. VAN DE PERRE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  4. De feiten 1.
  5. De verzoekende partijen exploiteren te Moorsel, een deelgemeente van Aalst, een pluimveeslachterij met bijbehorende winkel. Zij beschikten daarvoor over een vergunning tot exploitatie sedert 1964, en lopende tot
  6. 1.
  7. Met een besluit van 9 oktober 1997 wordt de milieuvergunning voor de verdere uitbating van de slachterij door de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen geweigerd. Het hiertegen door de verzoekende partijen ingestelde administratief beroep wordt door de gemachtigde van de bevoegde Vlaamse minister van leefmilieu op 21 november 1997 onontvankelijk bevonden. 1.
  8. De verzoekende partijen hebben de voormelde beslissing van 21 november 1997 voor de Raad van State aangevochten, die dit annulatieberoep in zijn eindarrest nr. 121.003 van 26 juni 2003 heeft verworpen. Met hetzelfde arrest wordt ook het beroep verworpen dat de verzoekende partijen hadden ingesteld tegen een besluit van 6 juli 1999 van de burgemeester van de stad Aalst, waarbij hen het bevel wordt gegeven om de “illegale exploitatie” van de pluimveeslachterij binnen een termijn van tien kalenderdagen stop te zetten. 1.
  9. Inmiddels hadden de verzoekende partijen in januari 2001 bij het stadsbestuur van Aalst een aanvraag ingediend tot het bekomen van een planologisch attest voor hun bedrijf. X-10.785-2/7 1.
  10. Op 23 mei 2001 formuleert de gewestelijke planologische ambtenaar van Oost-Vlaanderen een gunstig advies over de voormelde aanvraag. 1.
  11. Op 5 juni 2001 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst evenwel een negatief planologisch attest af te leveren om de volgende redenen: “‘Ons bestuur wenst zich niet te engageren voor de opmaak van een BPA binnen de gestelde termijnen’ De redenen hiertoe zijn o.a.: # de stad beschikt niet over de middelen noch over het personeel om dergelijke BPA’s op te maken; # de gemeenteraad heeft nog niet beslist om over te gaan tot de opmaak van BPA’s ‘zonevreemde bedrijven’ in het algemeen # hoewel vanuit ruimtelijke overwegingen het bedrijf mogelijks in aanmerking kan komen voor opname in een BPA ‘zonevreemde bedrijven’, blijft in het kader van de milieuwetgeving het probleem van de verbods- en afstandsregels voor een klasse 1-bedrijf bestaan (art. 5.45.1.2)”. Dit is het bestreden besluit, dat met een schrijven van 12 juli 2001 aan de verzoekende partijen ter kennis wordt gebracht.
  12. Over de ontvankelijkheid van het beroep ratione materiae 2.
  13. De eerste aangevoerde exceptie van onontvankelijkheid van het beroep ratione materiae 2.1.
  14. De aangevoerde exceptie De verwerende partij voert aan dat een planologisch attest een informatief document is dat net als een stedenbouwkundig attest geen voorwerp kan zijn van een vernietigingsprocedure bij de Raad van State. 2.1.
  15. Beoordeling 2.1.2.
  16. Een beroep tot nietigverklaring dient krachtens artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een administratieve rechtshandeling tot voorwerp te hebben. Onder rechtshandeling in de zin van voormelde bepaling dient te worden verstaan een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat zij tot stand komen, met andere woorden wordt beoogd wijzigingen aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand, dan wel zodanige wijziging te beletten. X-10.785-3/7 2.1.2.
  17. Het bestreden negatief planologisch attest werd afgeleverd op grond van artikel 14bis van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : het gecoördineerde decreet). Op het ogenblik van de afgifte van het bestreden attest luidde artikel 14bis, eerste en tweede lid van het gecoördineerde decreet, zoals ingevoegd bij artikel 55 van het decreet van 26 april 2000 : “Het planologisch attest is een informatief document dat aangeeft of voor het gebied waarop het betrekking heeft, de opmaak of een wijziging van een bijzonder plan van aanleg overwogen wordt. In het planologisch attest geeft het college van burgemeester en schepenen, na eensluidend advies van de planologische ambtenaar, zoals bedoeld in artikel 10 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, aan of voor het gebied waarop het attest betrekking heeft, de opmaak of een wijziging van een bijzonder plan van aanleg zal worden overwogen, dat overeenkomstig artikel 14, vijfde lid, kan afwijken van het gewestplan. Bij afgifte van een positief attest, wordt binnen de termijn van zes maanden na afgifte ervan, het ontwerp van bijzonder plan van aanleg overeenkomstig artikel 19, zesde lid voorgelegd aan de bevoegde Commissie van advies en de adviserende instellingen en administraties. Het college van burgemeester en schepenen kan die termijn van zes maanden om gemotiveerde reden met maximaal 6 maanden verlengen. (...)”. 2.1.2.
  18. Ofschoon artikel 14bis, eerste lid van het gecoördineerde decreet bepaalt dat het planologisch attest een “informatief” document is, dat aangeeft of voor het gebied waarop het betrekking heeft de opmaak of een wijziging van een bijzonder plan van aanleg “overwogen wordt”, voorziet artikel 43, § 1bis van het gecoördineerde decreet uitdrukkelijk dat “voor werken, handelingen en wijzigingen in een gebied waarvoor blijkens een overeenkomstig artikel 14bis afgeleverd planologisch attest de opmaak van een bijzonder plan van aanleg overwogen wordt, mag worden afgeweken van de voorschriften van een gewestplan zodra de vergunningverlenende instantie kennis heeft van de resultaten van het openbaar onderzoek met betrekking tot het ontwerp van het nieuwe bijzonder plan van aanleg waarmee de werken, handelingen en wijzigingen verenigbaar zijn”. Een positief planologisch attest biedt een vergunningsplichtig bedrijf weliswaar niet de zekerheid dat haar vergunningsaanvraag, op grond van het later vast te stellen ontwerp van bijzonder plan van aanleg, zal ingewilligd worden, maar vormt wel een noodzakelijke voorwaarde opdat dit bedrijf van de in artikel 43, § 1bis van het gecoördineerde decreet voorziene mogelijkheid tot afwijking van de voorschriften van een gewestplan gebruik zou kunnen maken. De aflevering van een negatief planologisch attest sluit een vergunningsplichtig bedrijf op definitieve wijze van de X-10.785-4/7 voormelde mogelijkheid uit en beoogt aldus de door dit bedrijf gewenste wijziging van haar rechtstoestand te beletten. De bestreden beslissing is dan ook een administratieve rechtshandeling die vatbaar is voor nietigverklaring. De exceptie is niet gegrond. 2.
  19. De tweede aangevoerde exceptie van onontvankelijkheid van het beroep 2.2.
  20. De aangevoerde exceptie De verwerende partij voert aan wat volgt : “Zelfs indien zou worden (aangenomen)dat het wel gaat om een voor vernietiging vatbare rechtshandeling heeft onderhavige vordering geen voorwerp. Een positief planologisch attest kan slechts worden afgeleverd voor bestaande bedrijven. Een bestaand bedrijf impliceert dat er een milieuvergunning voor dit bedrijf bestaat. In casu beschikken verzoekers over geen enkele milieuvergunning voor het uitbaten van de pluimveeslachterij. Enkel voor de winkel werd akte genomen van de melding. Dat er geen vergunning bestaat mag blijken uit het volgende Op 9 oktober 1997 wordt door de Bestendige Deputatie de milieuvergunning klasse I geweigerd voor het verder exploiteren van een pluimveeslachterij. Op 10 november 1997 wordt hiertegen hoger beroep ingesteld bij de Vlaams Minister bevoegd voor Leefmilieu. Op 21 november 1997 wordt dit beroep onontvankelijk verklaard. Van dit besluit wordt de schorsing van tenuitvoerlegging gevraagd bij de Raad van State. Bij arrest dd 19 november 1998 (nr. 77.041) wordt de vordering tot schorsing verworpen omdat er geen ernstige middelen voorhanden zijn. Op 20 december 1999 verleent het college van burgemeester en schepenen een vergunning voor een termijn van drie jaar voor het veranderen van een pluimveeslachterij van klasse I naar klasse II. Door omwonenden werd beroep ingesteld bij de bestendige deputatie. Dit beroep werd bij besluit van 19 mei 2000 ingewilligd. Ook hiertegen is een verzoekschrift tot nietigverklaring neergelegd. Aangezien het hier niet gaat om een bestaand (vergund) bedrijf voor wat betreft de milieuvergunning is de vordering dan ook zonder voorwerp. Er dient ook te worden gewezen op het feit dat het planologisch attest wordt aangevraagd voor het behoud van het bedrijf. Aangezien de bedrijfsgebouwen stedenbouwkundig behoorlijk zijn vergund of worden geacht vergund te zijn heeft ook op dit vlak een planologisch attest geen nut”. 2.2.
  21. Beoordeling 2.2.2.
  22. Op het ogenblik van de bestreden beslissing luidde artikel 14bis, derde lid van het gecoördineerde decreet als volgt : X-10.785-5/7 “Het planologisch attest kan enkel worden aangevraagd door en voor een bedrijf dat onderworpen is aan de milieuvergunningsplicht in de zin van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning”. 2.2.2.
  23. Het bedrijf van de verzoekende partijen is milieuvergunningsplichtig in de zin van voormeld decreet van 28 juni
  24. De verzoekende partijen bezitten derhalve de wettelijke bekwaamheid om een planologisch attest voor hun bedrijf aan te vragen. De omstandigheid dat de verzoekende partijen niet langer over een milieuvergunning beschikken, doet hieraan geen afbreuk. Evenmin wordt ingezien hoe deze laatste omstandigheid het verlies van het voorwerp van het beroep, of een gebrek aan “nut” bij dit beroep in hoofde van de verzoekende partijen tot gevolg zou kunnen hebben. De exceptie is niet gegrond. 2.
  25. Aangezien geen van de voormelde excepties gegrond zijn, bestaat er aanleiding toe het onderzoek van de zaak voort te zetten. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  26. De debatten worden heropend. Artikel
  27. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. X-10.785-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien januari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.785-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.428 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.568 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.