← België

Arrest 189449 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.449 Rolnummer: A. 86771/X-9174 Zaak: Arrest 189449 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-20 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 13:38 Fiche Arrest nr 189.449 van 14 januari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.449 van 14 januari 2009 in de zaak A. 86.771/X-

  1. In zake :
  2. de v.z.w. HOF TE SPIERINGEN,
  3. Roland CAUWEL, die woonplaats kiezen bij advocaat M. APPELMANS, kantoor houdende te 1080 BRUSSEL, Schoonslaapsterstraat 29, bus 1 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. VAN BEVER, kantoor houdende te 1850 GRIMBERGEN, Pastoor Woutersstraat 32/
  4. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. HOF TE SPIERINGEN en Roland CAUWEL op 15 september 1999 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 12 juli 1999 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van het beroep tegen de beslissing van 8 oktober 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant, waarbij de vergunning is geweigerd voor de regularisatie van een loods voor paardenafrichting op een perceel gelegen te Galmaarden, Heystraat, kadastraal bekend sectie D, nrs. 13/f en 12/m; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 22 september 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; X-9174-1/14 Gelet op de beschikking van 22 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 maart 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. DE KINDER, die loco advocaat M. APPELMANS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat I. DURNEZ, die loco advocaat M. VAN BEVER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  5. De feiten 1.
  6. Bij vonnis gewezen op 4 november 1993 door de Correctionele rechtbank te Brussel wordt de tweede verzoeker veroordeeld omwille van het, zonder voorafgaandelijke schriftelijke en uitdrukkelijke vergunning van het college van burgemeester en schepenen, bouwen van een loods aan de Heystraat 38 te Galmaarden. Voornoemd vonnis beveelt die verzoeker tevens “de plaats in de vorige staat te herstellen binnen een termijn van ACHT MAANDEN, te rekenen vanaf huidige uitspraak”. Dit vonnis wordt bevestigd bij arrest van het Hof van beroep te Brussel, gewezen op 4 april
  7. Dit arrest is in kracht van gewijsde getreden. 1.
  8. Op 17 juli 1996 (datum van het ontvangstbewijs) dient de tweede verzoeker, “handelend als Voorzitter” van de eerste verzoekende partij, bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Galmaarden een vergunningsaanvraag in “tot het oprichten van een PARA-AGRARISCHBEDRIJF: oprichting loods voor het africhten van paarden (verbouwen en regularisatie)” op X-9174-2/14 een perceel gelegen te Galmaarden, Heystraat 38, kadastraal bekend sectie D, nrs. 13/f, 13/m en 12/l. 1.
  9. Bij besluit van 14 oktober 1996 weigert het college van burgemeester en schepenen de gevraagde regularisatievergunning op grond van het ongunstig advies van 11 oktober 1996 van de gemachtigde ambtenaar over de aanvraag. Dit advies luidt als volgt: “De bouwplaats is volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgelegd bij KB van 7 maart 1977, gelegen in het agrarisch gebied. Het ingediend ontwerp brengt door de materiaalkeuze en omgeving de goede stedenbouwkundige aanleg van de plaats in het gedrang, zelfs door het aanleggen van een groenstrook rond de loods blijft het gebouw estetisch onaanvaardbaar en beantwoordt de constructie niet aan de stedenbouwkundige vereisten. Het ingediend ontwerp bevat geen essentiële wijzigingen ten opzichte van het vorig ingediend ontwerp. Aldus ONGUNSTIG om bovenvernoemde redenen en besluit ik tot weigering van de bouwvergunning. (82/AB/12423/96) dd. 11.10.1996”. 1.
  10. Het door Luc De Backer, architect, namens de eerste verzoekende partij ingestelde beroep tegen de voornoemde weigeringsbeslissing, wordt bij besluit van 8 oktober 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams- Brabant verworpen. In dit besluit wordt, onder meer, overwogen wat volgt: “Overwegende dat de weigeringsmotieven aangehaald door de gemachtigde ambtenaar evenwel dienen te worden bijgetreden; dat de uitgevoerde constructie door zijn omvang een bijzondere visuele weerslag heeft op de omgeving; dat de vorm (tonvorm) vreemd is aan het landschap; dat door deze vormgeving, het gebruik van geprofileerde metaalplaat, en mede door de omvang, de constructie als storend wordt ervaren in het landschap en ten aanzien van de omwonenden; Overwegende dat het bouwwerk reeds eerder het voorwerp uitmaakte van regularisatieaanvragen; dat een eerste aanvraag uiteindelijk door de minister werd geweigerd op 10 april 1991; dat een tweede aanvraag door het college van burgemeester en schepenen werd geweigerd op 16 februari 1995; dat de huidige aanvraag, wat betreft de loods, ten opzichte van de vorige aanvragen geen wijzigingen bevat die tot een andere appreciatie kunnen leiden; Overwegende dat door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel het herstel van de plaats in de vorige staat werd bevolen; dat dit vonnis werd bevestigd door het Hof van Beroep op 4 april 1995; dat dit herstel diende te gebeuren binnen de acht maanden na het vonnis; dat tot op heden geen gevolg werd gegeven aan het vonnis; Overwegende dat beroepsindieners aanhalen al zwaar genoeg gestraft geweest te zijn door het betalen van een geldboete, doch dat ze nooit gevolg gegeven hebben aan het andere deel van de straf, opgelegd door dezelfde rechtbank, nl.: het herstel in de oorspronkelijke staat; X-9174-3/14 Overwegende dat niet betwist wordt dat het wettelijk mogelijk is een vergunning tot regularisatie van een onvergund bestaand gebouw toe te kennen, overeenkomstig o.a. het arrest DEROEP/Vlaams Gewest d.d. 27 maart 1986; Overwegende evenwel dat het Hof van Beroep te Brussel in haar arrest d.d. 4 april 1995 uitdrukkelijk het volgende stelde, toen beroepsindiener schorsing van het proces vroeg, zolang er geen uitspraak was over zijn regularisatieaanvraag: ‘Dat, mocht de wijziging aan het voormeld ontwerp die onder meer blijkt uit het door de beklaagde overgelegde ‘blad 3 beplantingsschema’ niet bedoeld zijn door voormelde mededeling van de gemachtigde ambtenaar en dus toch een regularisatieaanvraag met betrekking tot de voormelde loods op het oog hebben, dergelijke aanvraag dilatoir zou zijn nu niet alleen de beslissing tot huidige vordering van de gemachtigde ambtenaar ook is gemotiveerd door de onaanvaardbaarheid van de loods in het landschap omwille van de ‘materiaalkeuze, gabariet en inplanting’, maar daarenboven de definitieve beslissing (van de ‘gemeenschapsminister’ van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting) tot weigering van de eerste regularisatievergunning mede op dit motief is gesteund, zodat zelfs de integratie van de loods in een para-agrarisch bedrijf geen regularisatie van het bestaande bouwsel tot gevolg zou kunnen hebben.’ Overwegende dat hieruit volgt dat zelfs indien de loods geïntegreerd zou zijn in een vergund para-agrarisch bedrijf. waar geen enkele recreatieve activiteit meer ontwikkeld wordt, volgens het Hof van Beroep te Brussel, geen regularisatievergunning mogelijk is; Overwegende dat de Raad van State (...) het volgende stelde: ‘Hoewel de administratieve overheid, uit een oogpunt van plaatselijke aanleg, volkomen vrij oordeelt over de wijzigingen die moeten worden aangebracht in de bepalingen van een verkavelingsvergunning met betrekking tot de gebouwen, zolang die gebouwen nog niet zijn opgericht, vermag zij haar beoordelingsbevoegdheid niet meer met evenveel vrijheid uit te oefenen wanneer die gebouwen reeds tot stand zijn gebracht en zij aldus voor een voldongen feit is geplaatst.’; Overwegende dat de auteurs Hubeau en Peremans in het boek ‘de sanctionering van stedenbouwmisdrijven’ stellen dat ‘de gemachtigde ambtenaar, het college, de bestendige deputatie, de gemeenschapsminister, en de executieve niet het recht hebben om na betaling van de transactiesom, een regularisatievergunning af te geven voor een constructie waarop een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest van toepassing is, voor zover het werd uitgesproken na de inwerkingtreding van de wet van 22 december 1970 en het herstel van de plaats in de vorige staat beveelt’ en dat het slechts in zeer uitzonderlijke gevallen, volgens de auteurs, mogelijk is een regularisatievergunning af te leveren mits voldaan is aan volgende voorwaarden: ‘
  11. grondig gewijzigde omstandigheden;
  12. akkoord van de heer Procureur, alsmede van alle partijen die gemachtigd zijn om tot uitvoering van ambtswege van de rechtelijke uitspraak over te gaan;
  13. voor zover de overtreder de transactiesom in de zin van art. 68, §3 stedenbouwdecreet daadwerkelijk heeft betaald.’ Overwegende dat de gemachtigde ambtenaar, die bij arrest d.d. 04 april 1995 gemachtigde werd om ambtshalve tot uitvoering over te gaan, evenwel niet instemt met de regularisatie van het bouwmisdrijf; Overwegende dat een stedenbouwkundige goedkeuring van de bouwwerken zou indruisen tegen de rechterlijke beslissing tot herstel van de plaats in de vorige toestand en dat dit niet wenselijk zou zijn, nu het ook duidelijk was in zijn motieven om tot de afbraak te besluiten”. X-9174-4/14 1.
  14. Op 12 november 1998 stelt Luc De Backer, architect, namens de eerste verzoekende partij, tegen dit weigeringsbesluit beroep in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening. 1.
  15. Luidens het “proces-verbaal van vaststelling van niet-uitvoering van vonnis-arrest” van 3 juni 1999 wordt vastgesteld dat hoewel “het herstel van de plaats in de vorige toestand diende te gebeuren binnen acht maanden te rekenen vanaf de rechterlijke uitspraak, dit is vóór 5 juli 1994”, dit herstel nog steeds niet is geschied. 1.
  16. Bij het thans bestreden besluit van 12 juli 1999 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, wordt het beroep ingesteld door de heer L. De Backer, architect, namens Cauwel-v.z.w. Hof te Spieringen, verworpen.
  17. Ontvankelijkheid 2.
  18. De verwerende partij werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid op wegens gebrek aan belang in hoofde van de verzoekende partijen, die zij uiteenzet als volgt: “
  19. onontvankelijkheid van het verzoekschrift tot nietigverklaring 1a. onontvankelijk bij gebrek aan belang in hoofde van tweede verzoeker De heer Cauwel heeft inderdaad geen (persoonlijk of rechtstreeks) belang bij het indienen van huidig verzoekschrift, aangezien de bouwaanvraag werd ingediend namens de VZW Hof Te Spieringen, en niet in naam van de heer Cauwel. Zodoende ondervindt de heer Cauwel geen (rechtstreeks of persoonlijk) nadeel van de bestreden beslissing. lb. onontvankelijkheid bij gebrek aan belang in hoofde van beide verzoekers
  20. Het belang is in casu ongeoorloofd en/of onwettig. Het door verzoekers ingeroepen beroep strekt er immers toe d.m.v. een tussen te komen vernietiging een onwettige toestand te handhaven of te laten voortduren. Verzoekers hebben dan ook niet het rechtens vereiste belang.
  21. Bovendien zal de nietigverklaring van de bestreden beslissing aan verzoekers geen voordeel verschaffen. Inderdaad, het bouwwerk zal worden afgebroken in de loop van het geding: het vonnis en arrest, waarin het herstel van de plaats wordt bevolen, werd reeds betekend, met de melding dat 6 maanden na betekening het gebouw in uitvoering van het arrest zal worden afgebroken. Het is inderdaad zo dat een vernietiging van een weigering om een regularisatievergunning te geven, geen voordeel aan verzoekers kan bijbrengen indien het betrokken gebouw of bouwwerk in de loop van het geding al dan niet vrijwillig of in uitvoering van een rechterlijke uitspraak wordt afgebroken. 1c. onontvankelijk bij gebrek aan procesbevoegdheid in hoofde van eerste verzoekster X-9174-5/14 Opdat het verzoekschrift van de VZW Hof te Spieringen ontvankelijk zou zijn, dient verzoeker een stuk over te leggen waaruit het volgende blijkt: het orgaan van de VZW dat rechtens bevoegd is om te beslissen rechtsgedingen voor rekening van de VZW in te stellen, heeft tijdig de beslissing genomen om het beroep in te stellen. Er wordt niet aangetoond dat een tijdige beslissing werd genomen door het bevoegde orgaan/de gemachtigde persoon. Het bewijs daartoe dient te blijken uit de overlegging van de statuten en van (een afschrift van) de notulen van het bevoegde orgaan waaruit blijkt dat de beslissing om in rechte te treden werd genomen voor het verstrijken van de termijn van 60 dagen. Aangezien dit bewijs in casu niet voorhanden is, dient de vordering onontvankelijk te worden verklaard. Bovendien dient gesteld te worden dat in het verzoekschrift de VZW niet nader wordt geïdentificeerd: zo ontbreekt onder meer de vermelding van de maatschappelijke zetel,...”. 2.
  22. De verzoekende partijen beantwoorden deze exceptie als volgt: “De verwerende partij werpt vier middelen van onontvankelijkheid op waarop de verzoekende partijen als volgt wensen te antwoorden :
  23. In een eerste exceptie betwist de verwerende partij het bestaan van een persoonlijk of rechtstreeks belang in hoofde van tweede verzoeker, de heer CAUWEL. De bouwaanvraag werd ingediend door tweede verzoeker weliswaar met vermelding van zijn hoedanigheid van voorzitter van de vzw Hof te Spieringen. De beroepen zowel tegen de weigeringsbeslissing van het College van Burgemeester en Schepenen als tegen de beslissing van de Bestendige Deputatie werden telkens ingesteld door architect DE BACKER die daarbij zowel tweede als eerste verzoeker vertegenwoordigde. De bestreden beslissing moet dan ook worden geacht te zijn genomen zowel ten aanzien van tweede als van eerste verzoeker. De bestreden beslissing bepaalt trouwens in zijn artikel 1 dat ‘het door de heer L. DE BACKER, architect, ingesteld beroep namens Cauwel - vzw Hof te Spieringen wordt verworpen’. Tweede verzoeker heeft dan ook een persoonlijk en rechtstreeks belang om de bestreden beslissing aan te vechten. De exceptie is dan ook ongegrond.
  24. In een tweede exceptie voert de vererende partij aan dat beide verzoekers niet het rechtens vereiste belang hebben omdat hun belang ongeoorloofd en/of onwettig zou zijn, gezien hun beroep ertoe zou strekken door middel van een tussen te komen vernietiging een onwettige toestand te handhaven of te laten voortduren. De oorspronkelijk ingediende aanvraag die achtereenvolgens het voorwerp heeft uitgemaakt van de weigeringsbeslissing van het College van Burgemeester en Schepenen, van de bevestigingsbeslissing van de Bestendige Deputatie en tenslotte van de thans aangevochten beslissing, strekt ertoe de regularisatie te bekomen van een bestaande toestand. Deze regularisatieaanvraag werd volkomen rechtsgeldig ingediend en de ontvankelijkheid ervan werd op geen enkel ogenblik betwist. X-9174-6/14 Het door de aanvraag nagestreefde doel is niet ‘een onwettige toestand te handhaven of te laten voortduren’, doch wel een bestaande toestand, waarvan niet betwist wordt dat hij niet steunt op een regelmatig afgeleverde bouwvergunning, te regulariseren. Zowel de wet van 29 maart 1962 als het decreet van het Vlaams Gewest van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening voorzien de mogelijkheid tot het indienen van een regularisatieaanvraag, evenals beroepsmogelijkheden ingeval van afwijzing. Het indienen van een dergelijke aanvraag en het instellen van beroep tegen een op dergelijke aanvraag genomen weigeringsbeslissing kan dan ook niet worden aangezien als het nastreven van een ongeoorloofd of onwettig doel. Het belang van verzoekers om de bestreden beslissing waarbij hun beroep tegen de beslissing van de Bestendige Deputatie wordt afgewezen, te doen vernietigen, is dan ook een volkomen wettig belang. De exceptie is dan ook ongegrond.
  25. In een derde exceptie voert de verwerende partij aan dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing aan verzoekers geen voordeel zal verschaffen omdat ‘het bouwwerk zal worden afgebroken in de loop van het geding’. Met deze exceptie loopt de verwerende partij alleszins vooruit op de werkelijkheid. Op dit ogenblik bestaat het omstreden gebouw en zolang het gebouw bestaat hebben verzoekers er alleszins belang bij de bestreden beslissing te doen vernietigen. De vraag of verzoekers al dan niet hun belang zullen verliezen voor het geval het gebouw ‘in de loop van het geding’ zou worden afgebroken, is momenteel niet aan de orde. De exceptie is dan ook ongegrond.
  26. In een vierde exceptie voert de verwerende partij aan dat eerste verzoekende partij geen procesbevoegdheid zou hebben omdat een beslissing om in rechte op te treden genomen voor het verstrijken van de termijn van 60 dagen in het dossier zou ontbreken. Samen met het verzoekschrift hebben de verzoekende partijen aan de Raad van State een exemplaar gestuurd van de statuten en statutenwijziging van eerste verzoekster, evenals een uittreksel uit de op 13 september 1999 door de Raad van Bestuur van eerste verzoekster genomen beslissing onderhavige procedure voor de Raad van State in te leiden (...). Artikel 10 van de statuten van eerste verzoekster bepaalt : ‘De raad van bestuur vertegenwoordigt en verbindt geldig de vereniging zonder bijzondere machtiging van de algemene vergadering in alle gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen met inbegrip van de beschikkingsdaden. In die zin mag de raad van bestuur de vereniging op de meest uitgebreide wijze en in alle omstandigheden geldig verbinden’. Het is inderdaad juist dat, ingevolge een vergetelheid, in het verzoekschrift de vermelding van het adres van de zetel van de eerste verzoekende partij ontbreekt. Dit kan evenwel de ontvankelijkheid van het annulatieverzoek niet in het gedrang brengen, gezien de identiteit van de eerste verzoekster voldoende blijkt uit zowel de stukken van het administratief dossier als uit de bij het verzoekschrift gevoegde stukken en de procedurevoorgaanden. De exceptie is dan ook ongegrond”. X-9174-7/14 2.3.
  27. Uit de voorgelegde gegevens van de zaak blijkt dat de v.z.w. Hof te Spieringen eigenaar is van het onroerend goed gelegen te Galmaarden, Heystraat, kadastraal bekend sectie D, nrs. 13/f en 12/m, en dat Roland CAUWEL voorzitter is van de raad van bestuur van de v.z.w. Hof te Spieringen en in die hoedanigheid de bouwaanvraag heeft ingediend. Roland CAUWEL doet derhalve niet blijken van de vereiste hoedanigheid om in eigen naam de vernietiging van het bestreden weigeringsbesluit te vorderen. Het feit dat zijn naam mede vermeld wordt op het bestreden besluit, noch het feit dat hij werd veroordeeld tot het herstel van de plaats in de vorige staat, doen aan voormelde vaststelling afbreuk. Het beroep is in hoofde van de tweede verzoeker niet ontvankelijk. 2.3.
  28. In zoverre de verwerende partij aanvoert dat het belang van de eerste verzoekende partij ongeoorloofd is, aangezien het ertoe strekt een onwettige toestand te handhaven of te laten voortduren, dient te worden vastgesteld dat deze exceptie in wezen samenhangt met het onderzoek van de grond van de zaak. 2.3.
  29. Voorts blijkt uit de bij het verzoekschrift gevoegde notulen van de vergadering van 13 september 1999 van de raad van bestuur van de eerste verzoekende partij dat het bevoegde orgaan tijdig de beslissing heeft genomen tot het instellen van het beroep. Bij het verzoekschrift werden tevens de statuten van de v.z.w. Hof te Spieringen en de wijziging ervan gevoegd, waaruit de nadere identificatie van de eerste verzoekende partij genoegzaam blijkt. De exceptie kan niet worden aangenomen.
  30. Ten gronde 3.
  31. Uiteenzetting van de middelen De eerste verzoekende partij voert twee middelen aan, die zij uiteenzet als volgt: “
  32. Eerste middel Schending van de bepalingen van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de Stedenbouw, ondermeer en in het bijzonder de artikelen 53, 54 en 76 bis van deze wet, evenals van de bepalingen van het decreet van het Vlaamse Gewest van 22 oktober 1996 X-9174-8/14 betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996, ondermeer en in het bijzonder de artikelen 51, 52 en 53 van dat decreet, Doordat de bestreden beslissing gesteund is op het motief dat regularisatie enkel maar mogelijk is zolang over de publieke vordering door de hoven van beroep of de rechtbanken niet is beslist en, gezien het herstel van de plaatsen bevolen werd bij arrest van het Hof van Beroep en het Vlaams Gewest gemachtigd is om tot de uitvoering van het herstel van de plaats in zijn oorspronkelijke toestand over te gaan, de gemachtigde ambtenaar als orgaan van de uitvoerende macht niet de bevoegdheid heeft een akte van de rechterlijke functie teniet te doen, Terwijl geen enkele bepaling van de voornoemde wet en/of van het voornoemde decreet en zeker ook niet de hiervóór aangeduide bepalingen welke de behandeling van bouwvergunningen en regularisatievergunningen beheersen, een dergelijke beperking inhoudt en regularisatie uitsluit ingeval van een voorafgaand rechterlijk bevel tot herstel van de plaatsen in hun oorspronkelijk toestand, en het voornoemde artikel 76 bis van de wet van 29 maart 1962, voor zover deze nog op de bestreden beslissing van toepassing zou zijn, evenmin een dergelijk verbod inhoudt, ook niet wanneer, zoals in casu, het rechterlijk bevel dateert van na de inwerkingtreding van de wet van 22 december 1970, En terwijl het verlenen van een regularisatievergunning aan verzoekers ook geenszins het vonnis d.d. 4 november 1993 van de correctionele rechtbank te Brussel en het arrest van 04 april 1995 van het Hof van Beroep te Brussel teniet doet, doch slechts tot gevolg heeft dat de bevoegde overheid niet langer gebruik vermag te maken van de bij dit vonnis en dit arrest verleende machtiging, En terwijl ook geen enkele wettelijke bepaling het Vlaams Gewest en de gemachtigde ambtenaar verplicht gebruik te maken van de machtiging welke zij putten uit een in kracht van gewijzigde gegane rechterlijke beslissing om tot de uitvoering van het herstel van de plaats in zijn oorspronkelijk toestand over te gaan, maar ook evenmin verbiedt van de realisatie van deze machtiging expliciet of impliciet af te zien, Zodat door de beslissing om het beroep van verzoekers niet in te willigen en de gevraagde regularisatievergunning te weigeren op dit motief te steunen, de aangevochten beslissing de genoemde wet en het genoemde decreet schendt.
  33. Tweede middel Schending van de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 op de verplichte motivering van bestuurshandelingen, gebrekkigheid van en tegenstrijdigheid in de motivering, ontbreken van feitelijke en rechtens aanvaardbare grondslag, schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, ondermeer het redelijkheidsbeginsel, a. Eerste onderdeel Doordat de aangevochten beslissing enerzijds zegt te steunen, onder verwijzing naar zekere aangehaalde rechtsleer, op de overweging dat het in zeer uitzonderlijke gevallen en mits voldaan is aan drie bepaalde voorwaarden, mogelijk is een regularisatievergunning af te leveren voor een constructie waarop een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest van toepassing is voor zover het werd uitgesproken na de inwerkingtreding van de wet van 22 december 1970 en het herstel van de plaats in de vorige staat beveelt, maar anderzijds het beroep van verzoekers verwerpt en de gevraagde regularisatie weigert op grond van de overweging ‘dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en beveelt het wederrechtelijk opgetrokken gebouw af te breken ... (en) dat de regularisatie enkel maar mogelijk is zolang over de publieke vordering door de hoven van beroep of de rechtbanken niet beslist is hetgeen hier niet het geval is’ , zonder het uitzonderlijk karakter van het voorliggende geval te erkennen of te ontkennen en zonder te hebben onderzocht of aan de hier genoemde voorwaarden werd voldaan of de redenen aan te duiden waarom X-9174-9/14 daaraan niet zou zijn voldaan, maar slechts een door het Hof van Beroep in zijn arrest van 4 april 1995 opgenomen overweging aanhaalt, Terwijl beslissingen, zoals ten deze de aangevochten beslissing, dienen te steunen op klare en duidelijke motieven, welke niet tegenstrijdig mogen zijn en die dienen uit te gaan van de beslissende overheid zelf en de genomen beslissing voldoende moeten schragen, b. Tweede onderdeel Doordat de aangevochten beslissing door het beroep van verzoekers te verwerpen en de gevraagde regularisatievergunning te weigeren, geen rekending houdt met het gunstig advies door de afdeling Land van A.M.I.N.A.L. op 23 april 1997 uitgebracht, met het feit dat de loods thans geïntegreerd is in een para-agrarisch bedrijf en dat ingevolge een wijziging van het oorspronkelijk concept, een bouwvergunning voor een gedeelte van het concept reeds werd bekomen en dat, in acht genomen het gunstig advies van A.M.I.N.A.L., verzoekers, na een voorafgaandelijke afbraak van de thans bestaande loods, een bouwvergunning voor dergelijke loods zullen kunnen bekomen gezien het gunstig advies van A.M.I.N.A.L., zodat het onredelijk is verzoekers eerst te verplichten de bestaande loods af te breken om vervolgens een vergunning voor de oprichting van een dergelijke loods in te dienen, Terwijl de aangevochten beslissing diende te steunen op een wettelijk aanvaardbare en een juiste feitelijke grondslag, en moest worden genomen met in achtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur, ondermeer het redelijkheidsbeginsel, Zodat de bestreden beslissing niet naar behoren van recht is gemotiveerd, niet berust op een rechtens aanvaardbare en juiste feitelijke grondslag en de beginselen van behoorlijk bestuur schendt”. 3.
  34. Onderzoek van de middelen 3.2.
  35. Het bestreden besluit is gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat de constructie reeds eerder het voorwerp heeft uitgemaakt van regularisatie-aanvragen; dat een eerste aanvraag door de minister werd geweigerd op 10 april 1991; dat in dit ministerieel besluit onder meer wordt gesteld dat ‘...de te regulariseren constructie in controverse is met de omliggende gebouwen en niet als dusdanig kan worden aanvaard; dat dergelijke tonvormige loods in groen voorgelakte geprofileerde staalplaat niet conform de geëigende vormopvatting en materialenkeuze van omliggende gebouwen is opgevat; dat de inkadering van het geheel in een open agrarisch landschap, ondanks de eventuele op te leggen groenomkadering, niet vermag tegemoet te komen aan de esthetische bezwaren’; dat een tweede aanvraag door het college van burgemeester en schepenen werd geweigerd op 16 februari 1995; Overwegende dat door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel het herstel van de plaats in de vorige staat werd bevolen; dat dit vonnis werd bevestigd door het Hof van Beroep op 4 april 1995; dat dit herstel diende te gebeuren binnen de 8 maanden na het vonnis; dat tot op heden geen gevolg werd gegeven aan het vonnis; Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Halle - Vilvoorde - Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, gelegen is in het agrarisch gebied; dat zulk gebied, overeenkomstig artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, bestemd is voor de landbouw in de ruime zin en behoudens bijzondere bepalingen enkel de voor het bedrijf X-9174-10/14 noodzakelijke gebouwen alsmede de woning van de exploitanten mag bevatten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt en ook de para-agrarische bedrijven; Overwegende dat het terrein in kwestie niet gesitueerd is binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling; dat wegens het ontbreken van enig gedetailleerd ordeningsplan de vergunningverlenende overheid de voorliggende vraag dient te evalueren aan de hand van de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het vigerend gewestplan; Overwegende dat de afdeling Land van A.M.I.N.A.L. op 23 april 1997 het volgende advies heeft geformuleerd : ‘...Het betreft de uitbreiding van een bestaande paardenfokkerij die gevestigd is op een gedesaffecteerde landbouwbedrijfszetel. In de loods die bij de bestaande bedrijfsgebouwen aansluit, is een africhtingspiste voor de paarden ondergebracht. het bouwperceel is gelegen aan de rand van het agrarisch gebied nabij landelijk woongebied. De schade aan de landbouwstructuren is beperkt. Er dient wel te worden opgemerkt dat de loods enkel kan gebruikt worden voor de africhting van paarden. Er mogen in geen geval recreatieve activiteiten ontwikkeld worden.’; Overwegende dat conform het koninklijk besluit van 6 februari 1971 een openbaar onderzoek werd gehouden van 26 augustus 1996 tot 9 september 1996, dat 2 bezwaarschriften voor gevolg had; dat de klachten als volgt samen te vatten zijn : door de bezwaarindieners werd de opmerking gemaakt dat een deel van hun eigendom in het terrein van de bouwaanvraag is begrepen; Overwegende dat belanghebbende stelt dat volgend op voormeld vonnis van 4 april 1995 er in casu vergunningen zijn verleend voor alle andere bouwwerken, behalve voor de boogloods; dat de bestemming in casu niet meer de zelfde is als op het ogenblik van de vordering tot afbraak van de gemachtigde ambtenaar; dat er is overgegaan naar een para-agrarisch bedrijf, dat conform de afdeling Land kan aanvaard worden op de huidige inplantingsplaats; Overwegende dat de auteurs Hubeau en Peremans in de publicatie ‘de sanctionering van stedenbouwmisdrijven’ stellen dat ‘de gemachtigde ambtenaar, het college, de bestendige deputatie, de gemeenschapsminister en de executieve niet het recht hebben om na betaling van de transactiesom, een regularisatievergunning af te geven voor een constructie waarop een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest van toepassing is, voor zover het werd uitgesproken na de inwerkingtreding van de wet van 22 december 1970 en het herstel van de plaats in de vorige staat beveelt’ en dat het slechts in zeer uitzonderlijke gevallen, volgens de auteurs, mogelijk is een regularisatievergunning af te leveren mits voldaan is aan volgende voorwaarden : ‘
  36. grondig gewijzigde omstandigheden;
  37. akkoord van de heer Procureur, alsmede van alle partijen die gemachtigd zijn om tot uitvoering van ambtswege van de rechtelijke uitspraak over te gaan;
  38. voor zover de overtreder de transactiesom in de zin van art. 68, §3 stedenbouwdecreet daadwerkelijk heeft betaald.’ ; Overwegende dat appellant stelt dat de 3 voorwaarden zijn voldaan :
  39. Grondig gewijzigde omstandigheden : in casu is de eerste weigeringsprocedure steeds gestoeld geweest op het recreatief karakter en nu wordt het para-agrarische karakter aanvaard en overigens positief geadviseerd door de afdeling Land X-9174-11/14
  40. Het akkoord van de Procureur des Konings is niet vereist gezien de Procureur des Konings in casu geen uitvoerende macht bezit wat het vonnis betreft inzake de herstelmaatregel en dat in zoverre het de Procureur des Konings aanbelangt het vonnis en ook het arrest werden uitgevoerd, zowel de geldboetes als de gerechtskosten zijn vereffend. Andere partijen die de tenuitvoerlegging van het vonnis kunnen vorderen zijn er niet. Derhalve indien nu een vergunning wordt toegestaan, wordt impliciet en expliciet het akkoord van de gemachtigde ambtenaar bekomen
  41. Er is (nog) geen transactiesom opgelegd zodat deze onmogelijk kan vereffend worden; Overwegende dat de rechter in zijn arrest in kracht van gewijsde van 4 april 1995 stelt dat : ‘...een regularisatieaanvraag met betrekking tot voormelde loods op het oog hebben, dergelijke aanvraag dilatoir zou zijn nu niet alleen de beslissing tot huidige (herstel)vordering van de gemachtigde ambtenaar ook is gemotiveerd door de onaanvaardbaarheid van de loods in het landschap omwille van de ‘materiaalkeuze, gabariet en inplanting’, maar daarenboven de definitieve beslissing (van de ‘gemeenschapsminister’ van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting) tot weigering van de eerste regularisatievergunning mede op dit motief is gesteund, zodat zelfs de integratie van de loods in een para-agrarisch bedrijf geen regularisatie van het bestaande bouwsel tot gevolg zou kunnen hebben;...’; Overwegende dat uit het stedenbouwkundig-technisch onderzoek blijkt dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en beveelt het wederrechtelijk opgetrokken gebouw af te breken binnen een termijn van 8 maanden; dat het vonnis verder beslist dat het Vlaamse Gewest gemachtigd is om tot de uitvoering van het herstel van de plaats in zijn oorspronkelijke toestand over te gaan; dat de gemachtigde ambtenaar als orgaan van de uitvoerende macht niet de bevoegdheid heeft een akte van de rechterlijke functie teniet te doen; dat de regularisatie enkel maar mogelijk is zolang over de publieke vordering door de hoven van beroep of de rechtbanken niet is beslist hetgeen hier niet het geval is; dat in zijn advies van 11 oktober 1996 de gemachtigde ambtenaar niet instemt met de gevraagde regularisatie van voorliggende aanvraag; Overwegende dat de aanvraag niet voor vergunning vatbaar is; dat het beroep van de particulier wordt verworpen”. 3.2.
  42. Uit de voormelde motivering blijkt dat de minister de gevraagde regularisatievergunning in wezen weigert om reden dat er zich, nà het in kracht van gewijsde treden van het arrest van 4 april 1995 van het Hof van beroep te Brussel, geen nieuwe omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan de regularisatievergunning alsnog zou kunnen worden verleend voor werken waarvan het voornoemde arrest nochtans de afbraak had bevolen. In zoverre de eerste verzoekende partij zich hieromtrent in haar beroep bij de Vlaamse minister steunt op het feit dat “de eerste weigeringsprocedure steeds gestoeld (is) geweest op het recreatief karakter en nu (...) het para-agrarisch karakter (wordt) aanvaard en overigens positief geadviseerd door het bestuur van landinrichting”, dient te worden vastgesteld dat, daargelaten de vraag of een door een verzoekende partij aangevoerde wijziging van de kwalificatie van haar aanvraag X-9174-12/14 als een “nieuwe omstandigheid” kan worden beschouwd, het weigeringsbesluit mede is gesteund op de onverenigbaarheid van de aanvraag met de goede plaatselijke aanleg. Dienaangaande stelt de gemachtigde ambtenaar in zijn advies van 11 oktober 1996, waarnaar het bestreden besluit uitdrukkelijk verwijst, dat “het ingediend ontwerp (...) door de materiaalkeuze en omgeving de goede stedenbouwkundige aanleg van de plaats in het gedrang (brengt), zelfs door het aanleggen van een groenstrook rond de loods blijft het gebouw estetisch onaanvaardbaar en beantwoordt de constructie niet aan de stedenbouwkundige vereisten” en hij voegt daaraan toe dat “het ingediend ontwerp (...) geen essentiële wijzigingen (bevat) ten opzichte van het vorig ingediend ontwerp”. Het bestreden besluit steunt desbetreffend ook uitdrukkelijk op de overweging van het in kracht van gewijsde getreden arrest van 4 april 1995, waarin wordt gesteld dat: “een regularisatieaanvraag met betrekking tot de voormelde loods op het oog hebben, dergelijke aanvraag dilatoir zou zijn nu niet alleen de beslissing tot huidige (herstel)vordering van de gemachtigde ambtenaar ook is gemotiveerd door de onaanvaardbaarheid van de loods in het landschap omwille van de ‘materiaalkeuze, gabariet en inplanting’, maar daarenboven de definitieve beslissing (van de ‘gemeenschapsminister’ van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting) tot weigering van de eerste regularisatievergunning mede op dit motief is gesteund, zodat zelfs de integratie van de loods in een para-agrarisch bedrijf geen regularisatie van het bestaande bouwsel tot gevolg zou kunnen hebben”. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de minister wel degelijk zowel de herkwalificatie van de aanvraag als de wijziging van de plannen in zijn beoordeling heeft betrokken. In haar laatste memorie stelt de eerste verzoekende partij ten onrechte dat “de omstandigheid dat, naast het in het eerste annulatiemiddel van verzoekers besproken motief, nog andere motieven (trouwens totaal niet uitgewerkt of besproken) tot de bestreden beslissing hebben geleid, (...) niets (verandert) aan het feit dat de handeling vernietigbaar is wanneer blijkt dat de in het eerste middel besproken motief waarop de bestreden handeling steunt, juridisch onaanvaardbaar is”, indien, zoals te dezen, nog andere motieven aan deze beslissing ten grondslag liggen, doch niet worden bestreden, en aldus de beslissing kunnen dragen. De eventuele gegrondheid van de aangevoerde middelen kan derhalve niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden. X-9174-13/14 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  43. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  44. De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien januari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS X-9174-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.449 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.