id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.452 Rolnummer: A. 123245/X-11029 Zaak: Arrest 189452 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-29 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 13:39 Fiche Arrest nr 189.452 van 14 januari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.452 van 14 januari 2009 in de zaak A. 123.245/X-11.029. In zake : 1. Louis VANDERSTRAETEN, 2. José DE SMEDT, die woonplaats kiezen bij advocaat M. COTTYN, kantoor houdende te 9300 AALST, Leopoldlaan 32 A, bus 1-2 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. VAN DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Louis VANDERSTRAETEN en José DE SMEDT op 28 juni 2002 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 30 april 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar en vernietiging van het besluit van 23 januari 2001 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams- Brabant houdende toekenning van de voorwaardelijke vergunning voor de regularisatie van een aangelegde verharding van een bestaande parking op een perceel gelegen te Ternat, Assesteenweg, kadastraal bekend sectie A, nr. 669/t; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 13 september 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van de verzoekende partijen; X-11.029-1/12 Gelet op de beschikking van 3 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. CLEMENT; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. VAN DIEVOET, die loco advocaat M. VAN DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Op 14 december 1999 (datum van het ontvangstbewijs) vragen Louis en Patricia Vanderstraeten, in de hoedanigheid van, respectievelijk, herbergier en zaakvoerster van de b.v.b.a. JPT International, aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ternat een regularisatievergunning voor het “verharden van bestaande parking” op een perceel gelegen aan de Assesteenweg 40, kadastraal bekend sectie A, nr. 669/t. In de bij hun aanvraag gevoegde nota verklaren de aanvragers, onder meer, dat “het (...) hier de aanvraag (betreft) voor het verharden van een bestaande parking, welke reeds bestond in gebroken steenslag voor de aankoop van het goed door de aanvragers”, dat “zij (...) een café “transport” uit(baten), druk bezocht door trukkers”, dat “het perceel (...) gelegen (
- is)in de landbouwzone (
- en)daarom zonevreemd (is)” en dat “omwille van de ouderdom van het cafe (...) dit beschouwd (kan) worden als een vergund gebouw. (ouder dan 1962)”. 1.2. Op 16 mei 2000 geeft de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies over de regularisatieaanvraag, waarin onder meer het volgende wordt gesteld: “de aanleg van de verharding snijdt te diep in in het agrarisch gebied, waardoor de agrarische bestemming van het gebied wordt verstoord”. X-11.029-2/12 1.3. Op 23 mei 2000 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ternat de gevraagde regularisatievergunning overeenkomstig het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. 1.4. Op 23 januari 2001 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het beroep van de aanvragers tegen de voornoemde weigeringsbeslissing in, evenwel “met beperking van de oppervlakte tot op 30 meter vanaf de achterzijde van het hoofdgebouw”. In dit besluit wordt, onder meer, het volgende overwogen: “Overwegende dat de verwezenlijkte omgevingsaanleg niet in functie staat van een agrarisch of para-agrarisch bedrijf, maar wel betrekking heeft op de zonevreemde activiteiten in de gebouwen; dat bijgevolg niet beantwoord wordt aan de planologische voorschriften; Overwegende dat volgens artikel 43 §2, zesde lid en volgende, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober1996, gewijzigd bij decreet van 18 mei 1999 en van 26 april 2000, bij het verlenen van een gunstig advies tijdelijk mag worden afgeweken van de voorschriften van een gewestplan indien de aanvraag betrekking heeft op onder meer aanpassingswerken aan of bij een gebouw met uitzondering van woningbouw, zonder dat het overdekte volume wordt uitgebreid; Overwegende dat, naar verluidt, het achterliggend terrein reeds voor de tot standkoming van de stedenbouwwet van 29 maart 1962 werd verhard door middel van steenslag; dat hiervan getuigenissen aan de aanvraagbundel werden toegevoegd; dat anderzijds de activiteiten die in de gebouwen plaatshebben tot een parkeergelegenheid noodzaken; dat het bijgevolg kan worden aangenomen dat een deel van de reeds verharde bodem, als parkeerplaats wordt bestendigd en op een behoorlijk wijze wordt verhard; Overwegende dat daartegenover moet worden gesteld dat een indringing tot op ±90 meter achter de rooilijn geenszins te stroken valt met een goede ruimtelijke ordening; dat het bestaan van de verharding met steenslag tot op deze diepte geenszins vermag een bestendiging van de verharde oppervlakte op deze schaal te rechtvaardigen, gelet op het zonevreemd karakter; dat daarentegen de zonevreemde activiteiten dienen te worden beperkt tot het voorste gedeelte van het terrein; dat, met het oog op het bruikbaar houden van de parking, ook voor vrachtwagens, de verharding kan worden beperkt tot op 30 meter achter het hoofdgebouw; Overwegende dat, gelet op wat voorafgaat, in toepassing van artikel 43 §2, zesde lid en volgende, een afwijkend advies kan worden verleend, mits rekening wordt gehouden met de beschreven beperkingen; dat aan de voorwaarden van voormeld artikel wordt voldaan; dat, gelet op de aansluiting bij een industriegebied, de ligging nabij de afrit van de autosnelweg en het heterogeen karakter van de bebouwing en de activiteiten langs de steenweg, de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad en dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden; dat naar aanleiding van het openbaar onderzoek geen bezwaren werden ingediend; dat het ongunstig advies van de afdeling Land gebaseerd is op de zeer diepe indringing in het agrarisch gebied; dat door de beperking tot op 30 meter achter het gebouw aan dit bezwaar wordt beantwoord; Overwegende dat, gelet op wat voorafgaat, het beroep kan ingewilligd worden voor de verharding van de bestaande parking met asfalt, evenwel met X-11.029-3/12 beperking van de oppervlakte tot op 30 meter vanaf de achterzijde van het hoofdgebouw”. 1.5. Op 19 februari 2001 stelt de gemachtigde ambtenaar bij de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening beroep in tegen de voornoemde vergunningsbeslissing van de bestendige deputatie. 1.6. Op 30 april 2002 wordt de thans bestreden beslissing genomen, waarin onder meer het volgende wordt overwogen: “Overwegende dat de aanvraag strekt tot het regulariseren van een aangelegde verharding van een bestaande parking; dat achteraan het perceel een tankwagen, een container, een propaangastank en een stapel paletten werden geplaatst; dat zich op het perceel een woning bevindt, waarin een café, en een kapperszaak zijn ondergebracht; dat nabij de linker perceelsgrens een frituur is geplaatst met de bouwvergunning van 21 december 1988; dat zich aan beide zijden van het hoofdgebouw een oprit bevindt; dat achter het gebouw het overgrote deel van het perceel, dat een breedte heeft van ongeveer 25 m en een diepte van ongeveer 100 m, werd verhard met asfalt; dat deze parkeerplaats wordt gebruikt in functie van het café, de frituur, de kapperszaak en voor vrachtwagens van een transportbedrijf; dat het perceel gelegen is aan de provinciale steenweg tegenover de afrit van de autosnelweg E40 vanuit Brussel, oprit richting Oostende; Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Halle - Vilvoorde - Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, gelegen is in het agrarisch gebied; dat zulk gebied, overeenkomstig artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, bestemd is voor de landbouw, in de ruime zin en behoudens bijzondere bepalingen enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen alsmede de woning van de exploitanten mag bevatten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt en ook de para-agrarische bedrijven; Overwegende dat kwestieuze grond niet gelegen is binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling; dat wegens het ontbreken van enig gedetailleerd ordeningsplan de vergunningverlenende overheid de voorliggende vraag dient te evalueren aan de hand van de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het vigerend gewestplan; Overwegende dat kwestieuze parking, in functie van ambachtelijke activiteiten, strijdig is met voornoemde planologische bestemming van het gewestplan; Overwegende dat de aanvraag dient beoordeeld te worden op basis van artikel 145bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en zijn latere wijzigingen; dat volgens dit artikel de vergunningverlenende overheid uitzonderlijk de voorschriften van het gewestplan buiten beschouwing mag laten indien de aanvraag betrekking heeft op onder meer: 4/ het uitbreiden van een bestaand vergund gebouw met uitzondering van woningbouw met een gebouw of een vaste inrichting op voorwaarde dat de uitbreiding het noodzakelijke gevolg is van overeenkomstig het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene, X-11.029-4/12 sectoriële of bijzondere voorwaarden, strekkende tot het bevorderen van de kwaliteit van het leefmilieu, of het noodzakelijk gevolg van een voorwaarde die betrekking heeft op de gezondheid van de mens opgelegd op advies van de bevoegde administratie naar aanleiding van een in het kader van genoemd decreet verleende vergunning, of het noodzakelijk gevolg van maatregelen voorgeschreven door de sociale inspecteurs die bevoegd zijn in het kader van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, of het noodzakelijk gevolg van maatregelen voorgeschreven in het kader van de wet van 2 april 1971 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen, in het kader van de wet van 24 maart 1987 betreffende de dierengezondheid, of in het kader van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren; 5/ aanpassingswerken aan of bij een gebouw bedoeld in 4/, zonder dat het overdekte volume wordt uitgebreid; Overwegende dat tijdens het openbaar onderzoek van 16 december 1999 tot 30 december 1999 geen bezwaarschriften werden ingediend; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen, in zitting van 11 januari 2000, een ongunstig pré-advies heeft uitgebracht; Overwegende dat door de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer, afdeling Land op 10 februari 2000 volgend advies werd uitgebracht: ‘In antwoord op uw brief van 24 januari 2000 wordt uit landbouwkundig standpunt en uit oogpunt van een goede landinrichting een ongunstig advies verstrekt. Het betreft een te diepe insnijding in het agrarisch gebied van een zonevreemde verharding, wat hinderlijk en storend is voor de agrarische bedrijfsvoering en de agrarische dynamiek in het algemeen.’; Overwegende dat uit telefonische inlichtingen bekomen bij het gemeentebestuur blijkt dat in het betrokken gebouw verschillende activiteiten plaats hebben, zoals een café, een kapperszaak en ook een transportbedrijf; dat voor het transportbedrijf geen milieuvergunning bekend is; dat op de parkeerplaats ook nog in functie van andere bedrijven, gevestigd in de nabij gelegen industriezone en/of ambachtelijke zone, eveneens vrachtwagens wordt geparkeerd; dat in het kader van de zonevreemde bedrijven het gemeentebestuur nog met een voorstudie bezig is en in het licht van het nog op te maken structuurplan dienaangaande een beleidskeuze zal moeten gebeuren; Overwegende dat uit het technisch-stedenbouwkundig onderzoek blijkt dat de aangevraagde en reeds uitgevoerde verharding geenszins het noodzakelijk gevolg is van enig terzake de milieureglementering opgelegde eis; dat de in artikel 145bis van voormeld decreet vervatte bepalingen bijgevolg geen toepassing kunnen vinden; dat bijgevolg dient vastgesteld te worden dat de regularisatieaanvraag strijdig is met het planologische bestemmingsvoorschrift van het gewestplan; dat, gelet op de voorwaardelijke inwilliging van de bestendige deputatie met beperking van de oppervlakte tot op 30 m achter het gebouw, gesteld dient te worden dat de open ruimte verder wordt aangesneden en de goede ruimtelijke ordening van het agrarisch gebied verder in het gedrang komt; dat het advies van de afdeling Land deze stelling ook bevestigt; Overwegende dat om de hierboven vermelde reden de aanvraag stedenbouwkundig niet voor vergunning in aanmerking komt; dat de voorwaardelijke beslissing van de bestendige deputatie in strijd is met een degelijk beleid inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw; dat de gemachtigde ambtenaar met reden in hoger beroep is gekomen; dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt ingewilligd; Overwegende dat appellant de wens heeft uitgedrukt om gehoord te worden; dat alle partijen werden opgeroepen; dat op het onderhoud d.d. 9 mei 2001 de heer Van Avermaet is verschenen”. X-11.029-5/12 2. De gegrondheid van de vordering 2.1. Het derde middel 2.1.1. Het aangevoerde derde middel In het derde middel wordt de schending aangevoerd van artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “Artikel 11 KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen bepaalt: ‘De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied. De afstand van 300 m en 100 m geldt evenwel niet in het geval van uitbreiding van bestaande bedrijven.’ Doordat de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening onterecht stelt dat de kwestieuze parking, in functie van ambachtelijke activiteiten, strijdig is met de planologische bestemming van het gewestplan. De Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening redeneert als volgt: ‘Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 7 maart 1977, gelegen is in het agrarisch gebied; dat zulk gebied, overeenkomstig artikel 11 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen, bestemd is voor de landbouw in de ruime zin en behoudens bijzondere bepalingen enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen alsmede de woning van de exploitanten mag bevatten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt en ook de para- agrarische bedrijven; Overwegende dat kwestieuze grond niet gelegen is binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling; dat wegens het ontbreken van enig gedetailleerd ordeningsplan de vergunningverlenende overheid de voorliggende vraag dient te evalueren aan de hand van de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het vigerend gewestplan; Overwegende dat kwestieuze parking, in functie van ambachtelijke activiteiten, strijdig is met voornoemde planologische bestemming van het gewestplan;’ X-11.029-6/12 Terwijl uit art. 11 KB 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen niet kan worden afgeleid dat de agrarische gebieden zijn voorbehouden aan bedrijven waarin geen daden van koophandel worden gesteld. Overigens is de stedenbouwwet welke tot rechtsgrond dient van dit KB geen wet tot organisatie van, of toezicht op de landbouw als economische bedrijvigheid. Tenslotte is in vermeld art. 11 met zoveel woorden bepaald dat de niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven een industrieel karakter kunnen hebben. Hieruit volgt logischerwijze dat ook bedrijven met een industrieel of a fortiori met een ambachtelijk karakter in een agrarisch gebied kunnen worden toegelaten.(...) Dat door de bestreden beslissing artikel 11 KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen wordt geschonden”. 2.1.2. Beoordeling van het derde middel Het spreekt voor zich dat het uitbaten van een café en een kapperszaak, evenmin als het uitbaten van een frituur en het stallen van vrachtwagens van een transportfirma, beschouwd kan worden als “landbouw in de ruime zin”. In hun bij de aanvraag gevoegde verklarende nota stellen de aanvragers dat hun perceel “zonevreemd” is (nr. 1.1). Op bladzijde 9 van hun memorie van wederantwoord bestempelen de verzoekende partijen hun uitbating overigens zelf als een “niet-agrarisch bedrijf”. Hieruit volgt dat de vergunningverlenende overheid in het bestreden besluit terecht heeft overwogen dat de aanvraag “strijdig is met het planologische bestemmingsvoorschrift van het gewestplan”. Het derde middel is niet gegrond. 2.2. Het eerste en het tweede middel 2.2.1. Het aangevoerde eerste en tweede middel In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “inzonderheid, Schending van artikel 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van individuele bestuurshandelingen”. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “De bestreden beslissing motiveert onvoldoende waarom de voorwaardelijke beslissing van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Vlaams- Brabant dd. 23.01.2001 in strijd is met een degelijk beleid inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw. X-11.029-7/12 Aangezien een beleid in strijd is met goede ruimtelijke ordening wanneer de ruimtelijke draagkracht van het gebied wordt overschreden en wanneer de voorziene verweving van functies de aanwezige of te verwezenlijken bestemmingen in de onmiddellijke omgeving in het gedrang brengen of verstoren. ( Artikel 145§1,5de lid,3/ van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening) Dat de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening de strijdigheid met een goede ruimtelijke ordening als volgt motiveert: ‘ ...dat, gelet op de voorwaardelijke inwilliging van de bestendige deputatie met beperking van de oppervlakte tot op 30 m achter het gebouw, gesteld dient te worden dat de open ruimte verder wordt aangesneden en de goede ruimtelijke ordening van het agrarisch gebied verder in het gedrang komt; dat het advies van de afdeling Land deze stelling ook bevestigt; Overwegende dat om de hierboven vermelde reden de aanvraag stedenbouwkundig niet voor vergunning in aanmerking komt; dat de voorwaardelijke beslissing van de bestendige deputatie in strijd is met een degelijk beleid inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw; dat de gemachtigde ambtenaar met reden in hoger beroep is gekomen; dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt ingewilligd.’ Dat deze motivering niet kan volstaan! Het doet zich voor als een loutere stijlformulering. Dat het niet voldoende is dat de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening verwijst naar het ongunstig advies van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer, afdeling Land dd.10 februari 2000. Dat de beslissing van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening dd. 30 april 2002 niet afdoende is gemotiveerd. Dat de beslissing van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening aldus de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van individuele bestuurshandelingen schendt”. In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van artikel 43, § 2, zesde lid en volgende van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “De bestreden beslissing schendt artikel 43§2, zesde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals het bij artikel 166 van het decreet van 18 mei 1999 werd gewijzigd. Doordat Het artikel 43§2, zesde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals het bij artikel 166 van het decreet van 18 mei 1999 werd gewijzigd stelt dat de vergunningverlenende overheid bij het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning, tijdelijk mag afwijken van de voorschriften van het Gewestplan indien de aanvraag betrekking heeft op onder meer aanpassingswerken aan of bij een gebouw met uitzondering van woningbouw, zonder dat het overdekte volume wordt uitgebreid. Aangezien men conform dit artikel de niet overdekte gedeelten van een bestaand bedrijfsgebouw kan aanpassen. X-11.029-8/12 Dat de aanpassingswerken niet noodzakelijk rechtstreeks bij de bedrijfsgebouwen hoeven aan te sluiten en dat zij aan zuiver bedrijfsmatige imperatieven kunnen beantwoorden. Dat het volgens de Memorie van Toelichting bij het Ruimtelijk Ordeningsdecreet gaat om o.a. volgende aanpassingswerken; het aanbrengen van een luifel, het bouwen van loskades met toegangshellingen of het uitvoeren van omgevingswerken. (...) Dat in casu de aanvraag betrekking heeft op het verharden met asfalt van een achterliggend terrein, dat reeds voordien verhard was door middel van steenslag. Dat deze aanpassingswerken kunnen gezien worden als het uitvoeren van omgevingswerken, zoals aangehaald in de Memorie van Toelichting bij het Ruimtelijk Ordeningsdecreet. Dat bovendien de activiteiten die in de gebouwen plaatshebben tot een parkeergelegenheid noodzaken. Op het perceel bevindt zich namelijk een woning, waarin een café en een kapperszaak zijn ondergebracht. Een frituur is geplaatst nabij de linkergrens van het perceel. Er is dus nood aan een parkeerplaats in functie van het café, de frituur, de kapperszaak en voor de vrachtwagens van een transportbedrijf. Aangezien artikel 43§2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals het bij artikel 166 van het decreet van 18 mei 1999 stelt dat afwijkingen slechts worden verleend op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad. Dat dit betekent dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet mag worden overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te verwezenlijken bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang mag brengen of verstoren. De kwestieuze parking is gelegen langs de steenweg Asse- Edingen, sluit aan bij het industriegebied en ligt bovendien recht tegenover de afrit ‘Ternat’ van de autosnelweg Brussel-Oostende. De aanpassingswerken aan de bestaande parking brengen de bestemming van de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang. Volgens Rechtspraak van de Raad van state is het voldoende dat het bedrijf geen overdreven hinder zal veroorzaken. (...) Dat tijdens het openbaar onderzoek van 16 december 1999 tot 30 december 1999 geen bezwaarschriften werden ingediend door buurtbewoners. Dat de buurtbewoners immers het best geplaatst zijn om eventuele hinder te omschrijven en bezwaren hieromtrent kenbaar te maken. Dat men hieruit kan afleiden dat de onmiddellijke omgeving geen hinder zal ondervinden van de aanpassingswerken. Dat de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer, afdeling Land op 10 februari 2000 volgend advies heeft uitgebracht: ‘In antwoord op uw brief van 24 januari 2000 wordt uit landbouwkundig standpunt en uit oogpunt van een goede landinrichting een ongunstig advies verstrekt. Het betreft een te diepe insnijding in het agrarisch gebied van een zonevreemde verharding, wat hinderlijk en storend is voor de agrarische bedrijfsvoering en de agrarische dynamiek in het algemeen’. Dat de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Vlaams-Brabant door de beperking van de oppervlakte van de verharding met asfalt van de bestaande parking tot op 30 meter vanaf de achterzijde van het gebouw aan dit bezwaar werd beantwoord. Dat in casu de aanpassingswerken de goede ruimtelijke ordening aldus niet schaden. Dat door de bestreden beslissing het artikel 43§2, zesde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals X-11.029-9/12 het bij artikel 166 van het decreet van 18 mei 1999 werd gewijzigd, wordt geschonden”. 2.2.2. Beoordeling van het eerste en het tweede middel Het bestreden besluit toetst de aanvraag aan het toentertijd geldende artikel 145bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. Deze bepaling luidt als volgt: “§1. Voor zover voldaan is aan de voorwaarden, gesteld in deze paragraaf, vormen de geldende bestemmingsvoorschriften van de gewestplannen en de algemene plannen van aanleg op zichzelf geen weigeringsgrond bij de beoordeling, door de vergunningverlenende overheid, van aanvragen tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning met betrekking tot bestaande gebouwen. Deze uitzonderingsbepaling geldt slechts indien de aanvraag betrekking heeft op : (...) 4° het uitbreiden van een bestaand gebouw met uitzondering van woningbouw met een gebouw of een vaste inrichting op voorwaarde dat de uitbreiding het noodzakelijke gevolg is van overeenkomstig het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene, sectoriële of bijzondere voorwaarden, strekkende tot het bevorderen van de kwaliteit van het leefmilieu, of het noodzakelijk gevolg van een voorwaarde die betrekking heeft op de gezondheid van de mens opgelegd op advies van de bevoegde administratie naar aanleiding van een in het kader van genoemd decreet verleende vergunning, of het noodzakelijk gevolg van maatregelen voorgeschreven door de sociale inspecteurs die bevoegd zijn in het kader van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, of het noodzakelijk gevolg van maatregelen voorgeschreven in het kader van de wet van 2 april 1971 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen, in het kader van de wet van 24 maart 1987 betreffende de dierengezondheid, of in het kader van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren; 5° aanpassingswerken aan of bij een gebouw bedoeld in 4°, zonder dat het overdekte volume wordt uitgebreid; (...) §2. (...) Al de hierboven vermelde afwijkingen kunnen slechts worden verleend op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad. (...)”. In het bestreden besluit wordt vastgesteld dat door de beroepen vergunningsbeslissing van de bestendige deputatie de goede ruimtelijke ordening wordt geschaad. Anders dan de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord voorhouden, beperkt het bestreden besluit zich er inzake de goede ruimtelijke ordening niet toe het advies van de afdeling Land letterlijk te citeren. In het bestreden besluit overweegt de minister uitdrukkelijk dat ook al wordt de verharding beperkt tot 30 m achter het gebouw “gesteld dient te worden dat de open X-11.029-10/12 ruimte verder wordt aangesneden en de goede ruimtelijke ordening van het agrarisch gebied verder in het gedrang komt”. De strijdigheid met de goede ruimtelijke ordening wordt in het bestreden besluit afdoende gemotiveerd. Het komt aan de Raad van State niet toe zijn beoordeling van een goede plaatselijke aanleg in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is de Raad van State enkel bevoegd na te gaan of de bevoegde administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat de aangevraagde vergunning onverenigbaar is met de eisen van een goede plaatselijke aanleg. In hun kritiek op de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening verwijzen de verzoekende partijen naar elementen buiten het betrokken agrarisch gebied, meer bepaald naar het feit dat het betrokken perceel gelegen is aan een steenweg, recht tegenover een afrit van de autosnelweg en “(aan)sluit (...) bij een industriegebied”. Uit geen van deze elementen blijkt dat het oordeel volgens hetwelk in het agrarisch gebied een verharding tot 30 m achter het gebouw een te diepe insnijding in de open ruimte vormt kennelijk onredelijk zou zijn. Daargelaten de vraag of - zoals de verzoekende partijen beweren - de aanvraag betrekking heeft op aanpassingswerken aan het niet overdekte gedeelte van een bestaand bedrijfsgebouw, moet worden vastgesteld dat de minister in het bestreden besluit wettig heeft vastgesteld dat de goede ruimtelijke ordening wordt geschaad. Het eerste en het tweede middel zijn ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. X-11.029-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien januari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R.STEVENS X-11.029-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.452 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div