← België

Arrêt / Arrest 189463 - Divers (institutions, intérieur et pouvoirs locaux) / Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 14/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.463 Rolnummer: A. 173074/AGAV-91 Zaak: Arrêt / Arrest 189463 - Divers (institutions, intérieur et pouvoirs locaux) / Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 14/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-19 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-06-29 13:40 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 189.463 van 14 januari 2009 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : prejudiciële vraag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.463 van 14 januari 2009 in de zaak A. 173.074/g-

  1. In zake :
  2. Philippe DE COENE,
  3. Francis DELPÉRÉE,
  4. Thierry GIET,
  5. Jean-François ISTASSE,
  6. Karine LALIEUX,
  7. Philippe MAHOUX,
  8. Geert LAMBERT,
  9. Myriam VANLERBERGHE,
  10. Daniel BACQUELAINE,
  11. Christine DEFRAIGNE Rechtsgeding hervat door :
  12. Renaat LANDUYT,
  13. Geert LAMBERT,
  14. Daniel BACQUELAINE,
  15. Philippe MAHOUX,
  16. Christine DEFRAIGNE,
  17. Karine LALIEUX,
  18. Thierry GIET,
  19. Francis DELPÉRÉE,
  20. Josy DUBIE,
  21. Zoé GENOT, die woonplaats kiezen bij advocaat L. Walleyn, kantoor houdende te Brussel Paleizenstraat 154 tegen :
  22. de vzw VRIJHEIDSFONDS,
  23. de vzw VLAAMSE CONCENTRATIE, die woonplaats kiezen bij advocaat R. Tournicourt, kantoor houdende te Brussel, Tervurenlaan 270 Tussenkomende partijen:
  24. Frank VANHECKE,
  25. Philip DEWINTER,
  26. Gerolf ANNEMANS, die woonplaats kiezen bij advocaat B. Siffert, kantoor houdende te Brussel, Louizalaan 174 bus
  27. --------------------------------------------------------------------------------------------------- g-91-1/37 DE ALGEMENE VERGADERING VAN DE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VAN DE RAAD VAN STATE, Gezien het verzoekschrift dat Philippe De Coene, Francis Delpérée, Thierry Giet, Jean-François Istasse, Karine Lalieux, Philippe Mahoux, Geert Lambert, Myriam Vanlerberghe, Daniel Bacquelaine en Christine Defraigne op 17 mei 2006 hebben ingediend om overeenkomstig artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezing van de federale kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen, de dotatie in te trekken die wordt toegekend aan de politieke partij Vlaams Belang voor een door de Raad van State te bepalen periode; Gelet op het arrest nr. 165.186 van 28 november 2006 over een verzoek tot wraking; Gelet op het arrest nr. 166.924 van 18 januari 2007 waarbij de debatten worden heropend met betrekking tot een vordering strekkende tot het bevelen van een onderzoek en tot wraking; Gelet op het arrest nr. 169.313 van 22 maart 2007 over een verzoek tot wraking; Gelet op het arrest nr. 169.314 van 22 maart 2007 over een vordering tot het bevelen van een onderzoek en tot wraking; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memorie van tussenkomst; Gezien het verzoek tot hervatting van het geding van 21 november 2007; Gezien het verzoek tot schrapping van de rol van 29 april 2008 van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. Vermeire; g-91-2/37 Gelet op de beschikking van 17 juni 2008 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 9 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaten L. Walleyn en A. Schaus, die verschijnen voor de verzoekers, van advocaten R. Tournicourt en L. Deceuninck, die verschijnen voor de verwerende partijen, en van advocaat B. Siffert, die verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het advies van auditeur L. Vermeire; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : I. Het juridisch kader van de vordering
  28. De wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezing van de federale kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen (hierna: de wet van 4 juli 1989) voorziet in de artikelen 15 en volgende in een overheidsdotatie voor politieke partijen. Naar eis van artikel 22 wijst elke politieke partij een instelling, opgericht in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk, aan, die de toegekende dotatie ontvangt. In de wet van 4 juli 1989 wordt -met een wet van 10 april 1995- een artikel 15bis ingevoegd. Dit artikel 15bis stelt als voorwaarde voor de dotatie dat de partij “in haar statuten of in haar programma een bepaling [moet] opnemen waarbij zij zich ertoe verbindt om in haar politieke actie ten minste de rechten en g-91-3/37 vrijheden, zoals gewaarborgd door het bij de wet van 13 mei 1955 bekrachtigde Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950 en door de in België van kracht zijnde aanvullende protocollen bij dit Verdrag, in acht te nemen en door haar diverse geledingen en verkozen mandatarissen te doen in acht nemen”.
  29. Door een wet van 12 februari 1999 wordt een artikel 15ter ingevoegd in de wet van 4 juli
  30. Dit artikel 15ter opent de mogelijkheid om een klacht tot de Raad van State te richten indien een politieke partij door eigen toedoen of door toedoen van haar componenten, lijsten, kandidaten of gekozenen, duidelijk en door middel van verscheidene, met elkaar overeenstemmende tekenen, aantoont dat ze vijandig staat tegenover de rechten en vrijheden die gewaarborgd worden door het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950 (hierna: EVRM) en door de aanvullende protocollen bij dat verdrag die in België van kracht zijn. Een tweetalige kamer van de Raad van State kan beslissen de dotatie in te trekken hetzij ten belope van het dubbele van het bedrag van de voor het stellen van de betwiste daad gefinancierde of gedane uitgaven, hetzij voor een periode die niet korter mag zijn dan drie maanden noch langer dan één jaar. Tegen het arrest van de Raad van State kan een voorziening in cassatie worden ingesteld bij het Hof van Cassatie. Door de vzw Vlaamse Concentratie, F. Vanhecke, W. Verreycken, G. Annemans en F. Dewinter wordt tegen de wet van 12 februari 1999 een verzoek tot nietigverklaring ingediend bij het Grondwettelijk Hof. Het Hof verwerpt het beroep bij arrest nr. 10/2001 van 7 februari 2001 “onder het voorbehoud dat de in het geding zijnde bepalingen strikt moeten worden geïnterpreteerd (B.4.7.2), geen afbreuk mogen doen aan de parlementaire immuniteit (B.4.7.4) en niet mogen leiden tot het verlies van de dotatie die bestemd is voor een partij die de geleding die blijk heeft gegeven van de in artikel 15ter bedoelde vijandigheid, openlijk en duidelijk zou hebben afgekeurd (B.4.8.2)”.
  31. De wet van 17 februari 2005 wijzigt het artikel 15ter. De voornaamste wijzigingen slaan hierop dat de aanvraag tot intrekking van de dotatie niet langer aan een tweetalige kamer van de Raad van State moet worden voorge- legd, maar aan de algemene vergadering van de afdeling administratie (thans g-91-4/37 “afdeling bestuursrechtspraak” genoemd), en dat de mogelijkheid om tegen het arrest van de Raad van State een voorziening bij het Hof van Cassatie in te stellen vervalt. Ten gevolge van de wet van 17 februari 2005 luidt de huidige redactie van het artikel 15ter: “§
  32. Indien een politieke partij door eigen toedoen of door toedoen van haar componenten, lijsten, kandidaten of gekozenen, duidelijk en door middel van verscheidene, met elkaar overeenstemmende tekenen, aantoont dat ze vijandig staat tegenover de rechten en vrijheden die gewaarborgd worden door het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, en door de aanvullende protocollen bij dat verdrag die in België van kracht zijn, moet de dotatie die krachtens dit hoofdstuk aan de in artikel 22 bedoelde instelling wordt toegekend, zo de algemene vergadering van de afdeling administratie van de Raad van State dat beslist, binnen de vijftien dagen door de Controlecommissie worden ingetrokken, ten belope van het bedrag waartoe de Raad van State heeft beslist. De aanvraag die wordt ingediend door ten minste een derde van de leden van de Controlecommissie moet rechtstreeks aan de Raad van State worden gericht. Op straffe van niet-ontvankelijkheid wordt in de aldus toegezonden aanvraag melding gemaakt van de naam van de eisende partijen, de in artikel 22 bedoelde instelling waartegen de aanvraag gericht is, een beschrijving van de feiten en overeenstemmende tekenen alsmede van het recht of de rechten die werden bekrachtigd bij het in het vorige lid bedoelde Verdrag en waarvan wordt beweerd dat de aangeklaagde partij er kennelijk tegen gekant is. In de aanvraag worden voorts de natuurlijke personen en rechtspersonen vermeld die bij voornoemde feiten betrokken zijn. De Koning kan bijkomende nadere regels vaststellen wat de inhoud van de aanvraag betreft. De Raad van State brengt, binnen zes maanden na de aanhangigmaking, een behoorlijk met redenen omkleed arrest uit en kan beslissen de dotatie die krachtens dit hoofdstuk aan de in artikel 22 bedoelde instelling wordt toegekend, in te trekken hetzij ten belope van het dubbele van het bedrag van de voor het stellen van die daad gefinancierde of gedane uitgaven, hetzij voor een periode die niet korter mag zijn dan drie maanden noch langer dan één jaar. De Raad van State kan gelasten zijn arrest of een samenvatting daarvan via de kranten of op enigerlei andere wijze te publiceren of te verspreiden, ten laste van de instelling bedoeld bij artikel 22 waaraan een sanctie wordt opgelegd. §
  33. De partijen mogen hun aanvraag en elk ander procedurestuk, evenals hun verklaringen, in de taal van hun keuze opstellen. Deze aanvragen, stukken en verklaringen worden vertaald door de diensten van de Raad van State wanneer een partij die van enig belang doet blijken, dit vraagt. De akten van rechtspleging van de organen van de Raad van State evenals de arresten worden opgesteld in de taal van de taalgroep waartoe de volksverte- genwoordigers of senatoren van de in § 1, tweede lid, bedoelde politieke partij behoren. Zij worden vertaald door de diensten van de Raad van State wanneer een partij die van enig belang doet blijken, dit vraagt. Wanneer de betrokken politieke partij, volksvertegenwoordigers of senatoren telt die niet uitsluitend tot één van de Nederlandse taalgroepen of tot één van de Franse taalgroepen van de Kamer en van de Senaat behoren, worden de akten van rechtspleging van de Raad van State, evenals de arresten, in het g-91-5/37 Nederlands en in het Frans betekend, alsook in het Duits wanneer een partij die van enig belang doet blijken, dit vraagt. De aanvragen en andere procedurestukken die medeondertekend worden door volksvertegenwoordigers of senatoren die niet uitsluitend tot één van de Nederlandse taalgroepen of tot één van de Franse taalgroepen van de Kamer en van de Senaat behoren, mogen opgesteld worden in de twee of de drie landstalen, naar gelang van het geval. De akten van rechtspleging van de organen van de Raad van State evenals zijn arresten worden in dit geval betekend in de twee of drie landstalen, naar gelang van het geval. De diensten van de Raad van State zorgen voor de vertaling van de akten en verklaringen van de andere partijen wanneer een partij die van enig belang doet blijken, dit vraagt”.
  34. De sub 2 en 3 vermelde wetten hebben ook wijzigingen in de gecoördineerde wetten op de Raad van State aangebracht. Aldus heeft de wet van 17 februari 2005 artikel 16 van de gecoördineerde wetten aangevuld met: (De afdeling doet uitspraak, bij wijze van arresten op:) “de aanvragen ingediend overeenkomstig artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen”. Tevens heeft de wet artikel 30 van deze gecoördineerde wetten aangevuld met een § 4, die luidt: “De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Minister- raad, de bijzondere regels inzake de termijn en de procedure voor de behande- ling van de aanvragen ingediend overeenkomstig artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen. De artikelen 19, 21 en 21bis, voor zover zij betrekking hebben op het administratief dossier en op de tussenkomst ter ondersteuning van het beroep, zijn niet van toepassing op de procedures die gebaseerd zijn op voornoemd artikel 15ter. Degenen die belang hebben bij de oplossing van de zaak kunnen erin tussenkomen als verdediger en het arrest waarin over de aanvraag uitspraak wordt gedaan, is vatbaar voor verzet, derdenverzet en herziening onder de voorwaarden als bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad”.
  35. Bij besluit van 31 augustus 2005 stelt de Koning de bijzondere regels vast inzake de termijn en de procedure voor de behandeling van de aanvragen ingediend overeenkomstig artikel 15ter van de wet van 4 juli
  36. g-91-6/37 Het beroep dat J. Ceder, J. Van Hauthem, G. Annemans, F. Vanhecke en vzw Vrijheidsfonds tegen het koninklijk besluit van 31 augustus 2005 instellen, wordt door de Raad van State verworpen bij arrest nr. 166.887 van 18 januari
  37. II. Het wisselen van de memories en het verloop ter terechtzitting van 30 september 2008
  38. De memorie van antwoord, ingediend door de vzw Vrijheidsfonds en de vzw Vlaamse Concentratie, is alleen tijdig wat de vzw Vrijheidsfonds betreft. Anders dan voor de vzw Vrijheidsfonds, die de vertaling van de procedurestukken heeft gevraagd en verkregen, en dan ook het voordeel van artikel 17, tweede lid, van het koninklijk besluit van 31 augustus 2005 geniet, ging voor de vzw Vlaamse Concentratie de termijn van zestig dagen om een memorie van antwoord in te dienen in met de ontvangst van de betekening van het verzoekschrift. Aangezien de memorie van antwoord buiten die termijn is ingediend, wordt er geen rekening mee gehouden in zoverre ze van de vzw Vlaamse Concentratie uitgaat.
  39. In hun memories sluiten de tussenkomende partijen zich telkens aan bij de standpunten van de verwerende partijen. Dat wordt hierna, kortheidshalve, niet meer herhaald.
  40. Door de verwerende partijen zijn in reactie op het auditoraatsver- slag twee laatste memories ingediend, een eerste vóór de ontvangst van de laatste memorie van de verzoekers en een tweede erna. Naar verwerende partijen in die memories doen gelden, is de termijn van vijftien dagen die artikel 13 van het koninklijk besluit van 31 augustus 2005 hen geeft voor het indienen van een laatste memorie te kort om het verslag van de auditeur “binnen de gestelde termijn van 15 dagen volledig naar behoren te beantwoorden” en worden het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces geschonden.
  41. Dit standpunt wordt niet bijgevallen. Nadat immers verwerende partijen binnen de termijn van vijftien dagen na de betekening van het verslag van het auditoraat een laatste memorie van 45 bladzijden indienden, hebben zij daarenboven nog -gelet op artikel 13, tweede lid, tweede zinsdeel, van het koninklijk besluit van 31 augustus 2005- de gelegenheid gehad om een bijkomende laatste g-91-7/37 memorie in te dienen, hetgeen zij op de 77ste dag na de betekening van het verslag hebben gedaan. Die tweede laatste memorie telt 49 bladzijden. Een en ander wijst uit dat verwerende partijen ruim in de mogelijkheid zijn geweest om op het auditoraatsverslag te reageren.
  42. Verwerende partijen hebben ter terechtzitting van 30 september 2008 gevraagd te mogen antwoorden op het advies van de auditeur. Overeenkomstig artikel 25 van het koninklijk besluit van 31 augustus 2005 juncto artikel 29 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, worden de debatten voor gesloten verklaard nadat de auditeur- verslaggever zijn advies over de zaak gaf. Er is te dezen geen reden om van die regel af te wijken. Het advies van de auditeur-verslaggever was conform zijn eerder verslag, en de verwerende partijen hebben dat verslag uitgebreid kunnen bekritiseren in hun laatste memories van in totaal 94 bladzijden, evenals in hun uitvoerige pleidooien ter terechtzitting.
  43. Met de verwerende partijen kon worden vastgesteld dat de simultaantolk niet het hele advies van de auditeur-verslaggever ten behoeve van de Franstalige staatsraden in het Frans heeft vertaald. Het doet evenwel niet ter zake vermits van het advies intussen ook een schriftelijke vertaling werd opgesteld en aan het dossier is toegevoegd. III. De “Voorafgaandelijke vraag tot onderzoek” en het verzoek tot heropening van de debatten
  44. Eerste verwerende partij deelt in de memorie van antwoord mee de staatsraden te willen wraken die lid zijn, of bijeenkomsten bezoeken of bezocht hebben, van “de geheime verenigingen die bekend staan als ‘de Grootloge van België’, ‘het Grootoosten van België’, de loge ‘Droit Humain’ en de ‘Vrouwengroot-loge’”. Naar eerste verwerende partij inzonderheid uit twee interviews van J. Goris afleidt, wordt van de leden van de voormelde zogenaamde niet-reguliere loges verwacht dat zij het Vlaams Belang tot elke prijs bekampen. Zij vraagt met het oog op de wraking dat de Raad van State overeenkomstig artikel 25 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en de artikelen 12 en 18 van het g-91-8/37 koninklijk besluit van 31 augustus 2005 “een volledig onderzoek beveelt en verricht”.
  45. De vraag tot onderzoek is achterhaald. De Raad van State heeft reeds uitspraak gedaan over eenzelfde verzoek, gesteund op dezelfde gegevens, en deed ook al uitspraak over de vordering tot wraking met het oog waarop dat onderzoek wordt gevraagd. Meer bepaald oordeelde de Raad van State in het arrest nr. 169.314 van 22 maart 2007 dat de aangevoerde gegevens onvoldoende zijn om een wraking wegens het lidmaatschap van een zogenaamde irreguliere loge uit te spreken en zelfs om tenminste een onderzoek naar dit lidmaatschap te verantwoor- den.
  46. De twee stukken die verwerende partijen bij hun laatste memories voegen, kunnen aan die conclusie geen afbreuk doen. Het eerste “nieuw” stuk is allesbehalve nieuw. Het is het nummer van september 2005 van het tijdschrift Praxis, uitgaande van ene Cercle Bartholdi, die zich tot doel heeft gesteld “om discussies en ideeën, die in de loge niet of niet meer aan bod komen, opnieuw op te starten”. Verwerende partijen maken niet aannemelijk dat zij het stuk niet al kenden, minstens konden kennen, toen zij de verzoekschriften tot onderzoek en wraking indienden die bij voormeld arrest nr. 169.314 zijn verworpen. Het tweede nieuw gegeven is een artikel in het weekblad Knack van 11 juni 2008, waarin R. Aernoudt verklaart waarom hij zijn ontslag als secretaris-generaal van het departement Economie, Wetenschappen en Innovatie niet heeft aangevochten voor de Raad van State. Namelijk hebben “een paar personen van de Raad van State” hem “[o]nafhankelijk van elkaar” gezegd “dat in de Raad van State de loge samen met Opus Dei de spreekwoordelijke lakens uitdeelden”. De uiting betreft een loutere bewering die elke elementaire precisie mist.
  47. Na de sluiting van de debatten hebben verwerende partijen met een verzoekschrift gevraagd de debatten te heropenen teneinde nog meer “nieuwe stukken” ter staving van de gevraagde onderzoeksmaatregel te kunnen bijbrengen. g-91-9/37 De beoogde stukken betreffen niet de Raad van State, maar houden uitsluitend verband met een strafproces en fraudeonderzoeken in Charleroi. Op dit specifiek verzoek tot heropening van de debatten wordt derhalve niet ingegaan. g-91-10/37 IV. De hervatting van het geding en het verzoek tot schrapping van de rol
  48. Artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit van 31 augustus 2005 schrijft voor: “Indien de Kamers ontbonden worden vóór de sluiting der debatten, dan wordt de rechtspleging slechts voortgezet na de installatie van de nieuwe Controlecommissie op voorwaarde dat ten minste één derde van haar leden het rechtsgeding hervat in de staat waarin het zich bevindt, binnen de termijn van één maand vanaf deze installatie. De rechtspleging wordt tijdens deze termijn geschorst. De hervatting van het geding geschiedt door een verklaring ter Griffie, die ze aan de andere partijen betekent. Bij gebreke van hervatting van het geding binnen de termijn van één maand bedoeld in het eerste lid, wordt de zaak van de rol geschrapt door een beschikking van de Eerste voorzitter”.
  49. Nadat de wetgevende kamers begin mei 2007 ontbonden werden ten gevolge van de goedkeuring van een verklaring tot herziening van de Grondwet, werd met een op 21 november 2007 aangetekend verzonden brief namens tien leden van de nieuw samengestelde controlecommissie een verzoekschrift tot hervatting van geding ingediend. Verwerende partijen betwisten de geldigheid van die geding- hervatting, zowel in een verzoekschrift tot schrapping van de rol als in hun laatste memories. Of de procedureregeling wel in de mogelijkheid voorziet tot het indienen van een verzoekschrift tot schrapping van de rol en of het verzoekschrift eventueel uit de debatten moet worden geweerd, zoals verzoekers betogen, is zonder belang, aangezien verwerende partijen de vraag in hun laatste memories hebben hernomen en er dus hoe dan ook uitspraak over gedaan moet worden.
  50. De gedinghervatting is volgens de verwerende partijen in de eerste plaats te laat. Zij zetten uiteen dat artikel 1, 4/, van de wet van 4 juli 1989 ten tijde van de gedinghervatting bepaalde dat, in geval van ontbinding van de federale kamers en stuiting van de termijnen voor de uitoefening van de bevoegdheden van de controlecommissie, de nieuwe termijnen beginnen te lopen vanaf de installatie van de vaste bureaus van de federale kamers, dat het koninklijk besluit van 31 augustus 2005 hiermee strijdig is, dat bij conflict de tekst van de wet primeert, en dat gerekend van de installatie van de vaste bureaus van de federale kamers (op g-91-11/37 12 juli 2007 voor de Kamer van volksvertegenwoordigers en op 9 oktober 2007 voor de Senaat) de hervatting van geding op 21 november 2007 laattijdig is.
  51. Waar het hiervoor geciteerde artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit van 31 augustus 2005 de termijn voor de hervatting van het geding doet ingaan vanaf de installatie van de nieuwe controlecommissie, regelt het niet de uitoefening van de bevoegdheden van de controlecommissie, waarover het in het artikel 1, 4/, van de wet van 4 juli 1989 gaat. Wel geeft het voorschrift uitvoering aan artikel 30, § 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en regelt het een aspect van “de bijzondere regels inzake de termijn en de procedure voor de behandeling van aanvragen ingediend overeenkomstig artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen”. Dat aspect is de gedinghervatting, niét -zoals verwerende partijen zelf, zeer terecht, opmerken- door de controlecommissie als zodanig, maar door de individuele leden ervan. Artikel 1, 4/, van de wet van 4 juli 1989 is dus niet van toepassing.
  52. In de tweede plaats menen verwerende partijen dat de geding- hervatting door een verklaring ter griffie - “m.a.w. ‘op’ de griffie, waar de griffier deze verklaring dient te noteren”- moest zijn gebeurd en dat de verzending ervan met de post onvoldoende garanties biedt.
  53. Met een op 21 november 2007 aangetekend verstuurde zending hebben tien leden van de nieuw samengestelde controlecommissie aan de griffie van de Raad van State een gezamenlijk verzoekschrift tot hervatting van het geding doen toekomen, waarbij zij zelfs nog hun individuele verklaringen tot hervatting van het geding voegden. Aldus handelend, hebben zij wel degelijk ter griffie verklaard het geding te hernemen. Voorts wordt vastgesteld dat de verwerende partijen van het verzoekschrift en de verklaringen van hervatting van het geding kennis hebben gekregen en de stukken niet betwist hebben. g-91-12/37
  54. De gedinghervatting is regelmatig. Er is geen reden om de zaak van de rol af te voeren. V. De vraag tot samenvoeging en de duur van de procedure
  55. Eerste verwerende partij vraagt in de memorie van antwoord dat de voorliggende zaak zou worden samengevoegd met het beroep tot nietigverklaring van het koninklijk besluit van 31 augustus 2005, gekend onder nr. A.168.
  56. Een eerder verzoek in die zin werd reeds bij beschikking nr. 418 van 28 november 2006 door de algemene vergadering verworpen. Overigens is, zoals sub 5 gezien, het beroep tot nietigverklaring van het koninklijk besluit van 31 augustus 2005 op 18 januari 2007 beslecht geworden. Een samenvoeging van huidige vordering met dat beroep is bijgevolg uitgesloten.
  57. In de laatste memories werpen verwerende partijen op dat artikel 15ter, § 1, tweede lid, in fine, van de wet van 4 juli 1989 bepaalt dat de Raad van State een arrest uitbrengt binnen zes maanden na de aanhangigmaking van de aanvraag, dat in onderhavig geval de termijn van zes maanden zeer verregaand werd overschreden, dat de termijn van zes maanden in artikel 15ter geen termijn van orde is maar strikt geëerbiedigd moest worden, en dat de Koning “zijn delegatiebevoegd- heid, hem verstrekt door art. 15ter van de wet van 4 juli 1989, ten onrechte te buiten [is] gegaan” door in een procedure te voorzien die noodzakelijkerwijze ertoe leidt dat de termijn van zes maanden overschreden wordt.
  58. Verwerende partijen worden niet gevolgd waar zij doen gelden dat het koninklijk besluit van 31 augustus 2005 -inzonderheid gelet op de artikelen 5, 1/, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 17, 18, 19, 20 en 25 ervan- van die aard is dat een eindarrest binnen de termijn van zes maanden steeds en in ieder geval onhaalbaar is. Het koninklijk besluit is niet om die enkele reden nietig. Voorts brengt het feit dat te dezen de termijn van zes maanden is overschreden, niet ipso facto mee dat de vordering, zoals verwerende partijen het willen, vervallen moet worden verklaard of moet worden afgewezen. De Raad van State blijft bij het standpunt, al verwoord in het reeds eerder vermelde arrest nr. 166.887, dat de termijn van zes maanden geen vervaltermijn is, maar een termijn van orde. g-91-13/37
  59. Verzoekers van hun kant menen dat de al bestaande overschrijding van zes maanden eraan in de weg staat dat aan het Grondwettelijk Hof de preju- diciële vragen worden gesteld waarop de verwerende partijen desondanks aandringen. Dat standpunt wordt niet bijgevallen, al is het maar omdat luidens artikel 30 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof (hierna: de bijzondere wet van 6 januari 1989) de beslissing om een prejudiciële vraag te stellen, de procedure en de termijnen van procedure en verjaring opschort. VI. De rechtsmacht van de Raad van State
  60. Eerste verwerende partij werpt in de memorie van antwoord op dat de Raad van State een verboden uitzonderingsrechtbank is. Meer bepaald zet zij uiteen dat het artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 strijdig is met de artikelen 13, 144 en 146 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 14 van het EVRM, doordat het de bevoegdheid om te beslissen over haar burgerlijk recht op het ontvangen van een dotatie toekent aan een “buitengewone rechtbank”. Zij vraagt ter zake een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen.
  61. Alleen het Grondwettelijk Hof is bevoegd om de vraag naar de verenigbaarheid van artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 met de Grondwet, al dan niet in samenhang met het EVRM, te beantwoorden. Evenwel moet, gelet op artikel 26, § 2, tweede lid, 2/, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, het Grondwettelijk Hof niet verzocht worden over de vraag uitspraak te doen wanneer het “reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp”. Terecht merken verzoekers op dat dit te dezen het geval is, getuige het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 10/2001 van 7 februari
  62. In het arrest moest het Hof antwoorden op een middel waarin werd aangeklaagd dat artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 de beslissing over de intrekking van de dotatie van een politieke partij zonder verantwoording aan de Raad van State als administratief rechtscollege overlaat, niettegenstaande geschillen over burgerlijke rechten tussen rechtsonderhorigen aan de rechtscolleges van de rechterlijke macht toekomen. Het Hof overwoog sub B.5.2.: g-91-14/37 “Dat middel kan niet worden aangenomen. Het geschil dat met toepassing van het aangevochten artikel 15ter aanhangig wordt gemaakt, heeft in werkelijkheid betrekking niet op een burgerlijk recht in de zin van artikel 144 van de Grondwet, maar op de naleving van de voorwaarden om als politieke partij een overheidsdotatie te genieten. Er valt niet in te zien waarom het onverantwoord zou zijn te dezen de zaak voor te leggen aan het hoogste administratieve rechtscollege, dat over eigen onderzoeksbevoegdheden beschikt en dat reeds in vele andere aangelegenheden toeziet op de inachtneming van vereisten om in aanmerking te komen voor een overheidstoelage”. Het feit dat het artikel 15ter ten tijde van het arrest van het Grondwettelijk Hof een tweetalige kamer van de Raad van State bevoegd maakte, terwijl sinds de wet van 17 februari 2005 de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak bevoegd is, doet er niets aan af dat de rechtsvraag die het Hof in zijn arrest nr. 10/2001 heeft beantwoord identiek is aan het onderwerp van de voorgestelde prejudiciële vraag. Ook in de voorgestelde vraag gaat het enkel om de bevoegdheid, in het algemeen, van de Raad van State als uitzonderingsrechtbank - en niet specifiek om de bevoegdheid van de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
  63. De exceptie wordt in deze omstandigheden zonder meer verworpen. VII. De cumul van adviserende en rechtsprekende bevoegdheid bij de Raad van State
  64. Volgens de memorie van antwoord kan de Raad van State geen onafhankelijke en onpartijdige rechter zijn ten gevolge van de cumul en de vermenging van adviserende en rechtsprekende bevoegdheid, en dit zowel vanuit algemeen als concreet oogpunt. In de eerste plaats wordt bekritiseerd dat er geen strikte scheiding is tussen de adviesverlenende en rechtsprekende functie. Het gaat daarbij, aldus de verwerende partijen in hun laatste memories, “om de positie van de Raad van State in het Belgisch grondwettelijk bestel, nl. dat zij geroepen is om zowel een adviserende als rechtsprekende functie uit te oefenen”. Gevraagd wordt dat een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof wordt gesteld omtrent de eventuele schending -door artikel 15ter- van hoofdzakelijk artikel 13 van de Grondwet.
  65. Het probleem dat in dit eerste onderdeel van de exceptie aan de orde wordt gesteld, is de vraag of de afdeling bestuursrechtspraak nog kan oordelen g-91-15/37 over de aanvraag ingediend overeenkomstig artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989, gelet op de betrokkenheid van de Raad van State als geheel bij de totstandkoming van dat artikel. Anders dan verzoekers in de laatste memorie menen, heeft de Raad van State deze kwestie niet al beslecht in zijn arrest nr. 169.314 van 22 maart
  66. Ook de andere argumenten die verzoekers aanbrengen tegen het stellen van de prejudiciële vraag, kunnen de Raad van State er niet van doen afzien de vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Gelet op artikel 26, § 2, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 blijft de Raad van State ertoe gehouden het Grondwettelijk Hof te ondervragen, zélfs in de veronderstelling dat er klaarblijkelijk geen schending van artikel 13 van de Grondwet is omdat een schending ervan niet mogelijk zou zijn “zolang de zaak behandeld wordt door de instantie voorzien door de wet”. De voorgestelde prejudiciële vraag wordt gesteld.
  67. In de tweede plaats acht eerste verwerende partij, in de memorie van antwoord, de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de Raad van State aangetast doordat “in casu” sommige leden van de algemene vergadering raad gegeven hebben over de wet van 4 juli 1989 en het koninklijk besluit van 31 augustus 2005, en “dus [moeten] oordelen over de eventuele onwettigheid van een rechtsregel waarover zijzelf eerder hebben geadviseerd”. Wie advies uitbracht, dient gewraakt te worden. Dat geldt eveneens de staatsraden die “zich hebben geëngageerd in een werkgroep van de uitvoerende macht” en aldus meehielpen het koninklijk besluit van 31 augustus 2005 tot stand te brengen. In de memorie wordt gevraagd dat de Raad van State een onderzoek beveelt en bekend maakt welke personen hebben meegewerkt. Ten slotte komt de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de Raad van State beweerdelijk nog in het gedrang omdat sommige leden van de algemene vergadering medewerker zijn geweest van een vijandige politieke partij, erdoor benoemd werden, mogelijk lid zijn van een vijandige irreguliere loge, samen publiceerden met een vijandige politicus, gepleit hebben tegen het Vlaams Blok, structureel verbonden waren met projecten of organisaties in opdracht van vijandige politieke partijen. In de laatste memories vragen verwerende partijen een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof omtrent de schending door artikel 29, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, van de artikelen 10, g-91-16/37 11 en 13 van de Grondwet. Immers zou uit het arrest nr. 169.314 van de Raad van State volgen dat genoemd artikel 29, tweede lid, de wraking verhindert “van de drie individuele staatsraden, die deze adviserende taak hebben uitgeoefend”.
  68. De bezwaren die verwerende partijen tegen sommige leden van de algemene vergadering hadden omdat zij medewerker zouden zijn geweest van een vijandige politieke partij, erdoor benoemd zouden zijn, mogelijk lid zijn van een vijandige irreguliere loge, samen met een vijandige politicus gepubliceerd zouden hebben, gepleit zouden hebben tegen het Vlaams Blok, en structureel verbonden zouden zijn geweest met projecten of organisaties in opdracht van vijandige politieke partijen - die bezwaren zijn reeds beslecht geworden door het meer vermelde arrest nr. 169.
  69. Ook in zoverre verwerende partijen aanklagen dat kamervoor- zitters Willot-Thomas en Messinne en staatsraad Daurmont in de afdeling wetgeving advies hebben uitgebracht over het toekomstig artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 en het toekomstige koninklijk besluit van 31 augustus 2005, en betogen dat de betrokkenen om die reden gewraakt moeten worden, dient vastgesteld dat daarover door de Raad van State al definitief uitspraak is gedaan in het arrest nr. 169.
  70. Het antwoord op de prejudiciële vraag die verwerende partijen in de laatste memories opperen, kan dat niet meer verhelpen. De vraag is irrelevant en wordt dan ook niet gesteld.
  71. Irrelevant is eveneens het gevraagde onderzoek naar de personen die als lid van een werkgroep tot de redactie van het koninklijk besluit van 31 augustus 2005 hebben bijgedragen. De Raad van State ziet immers niet in waarom hij met betrekking tot de eventuele leden van die werkgroep anders zou kunnen en moeten oordelen dan hij in het arrest nr. 169.314 deed met betrekking tot de kamervoorzitters en staatsraden die als lid van de afdeling wetgeving bij de totstandkoming van het koninklijk besluit betrokken zijn geweest. In dat arrest oordeelde de Raad van State dat de artikelen 29, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en 61 van het algemeen procedurereglement geen wraking verantwoorden, onder meer omdat de voorliggende vordering tot intrekking van de dotatie geen vordering tot nietigver- klaring, tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen is en omdat zij niet rechtstreeks gericht is tegen de tekst van de artikelen 15bis en 15ter van de wet van 4 juli 1989 of van het koninklijk besluit van 31 augustus
  72. Aangezien die g-91-17/37 redengeving op overeenkomstige wijze ook moet gelden voor de leden van de algemene vergadering waarvan het gevraagde onderzoek in voorkomend geval mocht uitwijzen dat zij deel uitmaakten van de meergenoemde werkgroep, is het gevraagde onderzoek zinloos. VIII. De tweetalige samenstelling van de algemene vergadering
  73. Eveneens betwisten de verwerende partijen dat de vordering tot intrekking van de dotatie niet behandeld wordt “door een uitsluitend Nederlands- talige rechtbank” en dat artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 de kennisneming van de aanvragen tot intrekking van de dotatie van een politieke partij rechtstreeks toewijst aan de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak, die verplicht is samengesteld uit evenveel Nederlandstalige als Franstalige staatsraden. Deze laatste staatsraden zouden de debatten niet in het Nederlands kunnen volgen en een schijn van partijdigheid opwekken vanwege “de uitgesproken vijandigheid van de Franstalige gemeenschap in het land [...] t.o.v. een partij die de Vlaamse Onafhankelijkheid als voornaamste programmapunt naar voor schuift”. Verwerende partijen willen het Grondwettelijk Hof ter zake ondervraagd zien over de schending door artikel 15ter van onder andere artikel 13 van de Grondwet.
  74. Ten onrechte zijn de verzoekers van oordeel dat het Grond- wettelijk Hof het rechtsprobleem al heeft opgelost in zijn arrest nr. 10/2001 van 7 februari
  75. In het arrest wordt uitspraak gedaan over het middel dat het discriminerend is een politieke partij die tot de Nederlandse taalgroep behoort, te onderwerpen aan de beoordeling door een tweetalige kamer van de Raad van State. Ten gevolge van de wijziging van artikel 15ter door de wet van 17 februari 2005 komt die beoordeling thans evenwel toe aan de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak. Deze algemene vergadering bestaat, in tegenstelling tot de tweetalige kamer, niet uit leden die bewezen hebben het Nederlands en het Frans machtig te zijn. Het arrest heeft met andere woorden uitspraak gedaan over een ander onderwerp dan dat waarover de voorgestelde prejudiciële vraag gaat.
  76. Het is ook onjuist dat, zoals verzoekers beweren, de Raad van State over de besproken exceptie al uitspraak heeft gedaan in het arrest nr. 165.186 van 28 november
  77. In dat arrest ging het integendeel over de vraag of staatsraden gewraakt kunnen worden louter om reden dat zij tot de Franstalige g-91-18/37 bevolkingsgroep behoren en over de vraag of bij wraking van één of meerdere leden van de algemene vergadering, dan de algemene vergadering zelf over de wraking uitspraak mag doen.
  78. Mede gelet op artikel 26, § 2, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 en het feit dat zijn beslissing niet vatbaar is voor hoger beroep, verzet, voorziening in cassatie of beroep tot nietigverklaring, ziet de Raad van State zich verplicht de prejudiciële vraag te stellen die de verwerende partijen opperen, zij het na ze te hebben aangepast in de door de auditeur, in zijn verslag, voorgestelde zin. IX. De schending door artikel 15ter van de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging, en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet
  79. Verwerende partijen werpen ook tegen dat het artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 strijdig is met de artikelen 19, 27, 10 en 11 van de Grondwet. Zij achten de vrijheid van meningsuiting, gewaarborgd door artikel 19 van de Grondwet, geschonden omdat “de maatregel voorzien in artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 niet beperkt [is] tot een strafrechtelijk sanctioneer- baar gedrag”. Het artikel is ongrondwettig in de mate dat “een ander gedrag dan een strafrechtelijk sanctioneerbaar gedrag wordt bedoeld met de ‘tekenen’ die een vijandigheid aantonen t.o.v. het E.V.R.M. én dit artikel een andere maatregel invoert dan een strafsanctie voor dergelijk gedrag, namelijk de intrekking van de overheids- dotatie”. Verwerende partijen noemen de vrijheid van vereniging, gewaarborgd door artikel 27 van de Grondwet, samengenomen met andere rechtsregels, geschonden doordat artikel 15ter het mogelijk maakt hen en het Vlaams Belang de dotatie af te nemen, waardoor zij “in het licht van de drastische beperking door de wetgever van elke bron van inkomsten voor een politieke partij” niet meer de noodzakelijke financiële middelen hebben om met de politieke partij Vlaams Belang “de door de doelstellingen van de vereniging voorziene activiteiten binnen de grenzen van de wet te ontplooien”. Ten slotte komt artikel 15ter naar de mening van verwerende partijen tekort aan de gelijkheid gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het voor de intrekking van de dotatie volstaat dat een politieke g-91-19/37 partij of haar componenten vijandig staan tegenover de rechten en vrijheden van het EVRM, zonder dat er misdrijven worden begaan, terwijl de mogelijkheid van de intrekking van een dotatie dan weer niet bestaat voor andere handelingen waarvan het karakter van strafrechtelijk misdrijf niet betwijfeld kan worden. Gedacht wordt aan passieve corruptie, misbruik van overheidsgeld, verduistering, valsheid in geschrifte en gebruik, belangenneming, misbruik van vennootschapsgoederen. Verwerende partijen verzoeken over de schendingen prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof te stellen.
  80. In de memorie van wederantwoord spreken verzoekers tegen dat artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 door artikel 19 van de Grondwet miskend wordt. Zij betwisten de schending van artikel 27 van de Grondwet en minimaliseren de gevolgen van de intrekking van de dotatie voor de leefbaarheid en de activiteiten van het Vlaams Belang. Wat de beweerde schending van de gelijkheid betreft menen zij dat verwerende partijen zonder belang zijn bij het aanvoeren ervan, omdat de schending in voorkomend geval toch geen invloed op huidig geschil zou kunnen uitoefenen: “In elk geval komt, indien er een verschil in behandeling bestaat, dit niet voort uit de bekritiseerde bepaling maar uit het niet-bestaan van bepalingen die de Raad van State zouden toelaten de publieke dotatie op te heffen in de door de verwerende partij aangehaalde gevallen”. In de laatste memorie voegen verzoekers daar nog aan toe dat het punt van de schending van artikel 19 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, reeds beslecht is geworden door het arrest nr. 10/2001 van het Grondwettelijk Hof.
  81. Of de verwerende partijen terecht doen gelden dat artikel 15ter de artikelen 19, 27, 10 en 11 van de Grondwet schendt, staat alleen ter beoordeling van het Grondwettelijk Hof. Dat verwerende partijen geen belang hebben bij de aangevoerde schending van de gelijkheid is voorbarig. Die zienswijze loopt vooruit op de precieze inhoud en formulering van het antwoord van het Grondwettelijk Hof en op de gevolgtrekkingen die eruit gemaakt moeten worden.
  82. Ook volgt de Raad van State niet de repliek van verzoekers dat het Grondwettelijk Hof de vraag omtrent de schending van artikel 19 van de Grondwet reeds beantwoordde. g-91-20/37 Verzoekers wijzen er weliswaar terecht op dat volgens het arrest de maatregel van het artikel 15ter geen discriminerende beperking inhoudt van de vrijheid van meningsuiting die in artikel 19 van de Grondwet is gewaarborgd, op voorwaarde onder andere dat de interpretatie van de term “vijandig” strikt wordt geïnterpreteerd: “Bijgevolg is het belangrijk dat de in het geding zijnde bepalingen strikt worden geïnterpreteerd en niet op dusdanige wijze dat zij toestaan dat financiële middelen (waarvan de wetgever de noodzaak heeft erkend vermits hij zelf erin heeft voorzien en tegelijkertijd de mogelijkheid heeft beperkt om er andere te verkrijgen) worden ontzegd aan een partij die enkel zou hebben voorgesteld dat een of andere regel in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens of in een van de protocollen daarbij een nieuwe interpretatie krijgt of wordt herzien, of die kritiek zou hebben geuit op de filosofische of ideologische vooronderstellingen van die internationale instrumenten. ‘Vijandig’ kan in die context enkel worden begrepen als een aanzetting tot schending van een vigerende rechtsnorm (onder meer het aanzetten tot het plegen van geweld en het verzet tegen de genoemde regels); het komt bovendien de hoge rechts- colleges waarvan de in het geding zijnde maatregel afhangt toe te onderzoeken of het voorwerp van die vijandigheid wel degelijk een beginsel is dat essentieel is voor het democratische karakter van het regime. De veroordeling van racisme en vreemdelingenhaat vormt ontegenzeggelijk zulk een beginsel want dergelijke tendensen zouden, mochten zij worden gedoogd, onder andere gevaren, ertoe leiden dat zij bepaalde categorieën van burgers, in verband met hun rechten, met inbegrip van hun politieke rechten, op basis van hun afkomst zouden discrimineren” (overw. B.4.7.2.). Evenwel blijkt het Grondwettelijk Hof bij zijn beoordeling ook expliciet belang te hebben gehecht aan de mogelijkheid die het artikel 15ter, § 2, zoals het toentertijd gold, inhield om een voorziening bij het Hof van Cassatie tegen het arrest van de Raad van State in te stellen. Door in die “bijkomende jurisdictione- le toetsing” te voorzien heeft de wetgever, aldus het Hof, blijk gegeven “van de wil om de maatregel met zo veel mogelijk waarborgen te omringen”. De wet van 17 februari 2005 heeft de jurisdictionele toetsing door het Hof van Cassatie intussen net afgeschaft. Alleen al daarom is er reden tot een nieuwe vraagstelling aan het Hof.
  83. Die vraagstelling zal bovendien meebrengen dat het Grondwette- lijk Hof in de gelegenheid wordt gesteld om nader de voorwaarden te preciseren waaronder het artikel 15ter eventueel geen schending van de grondwettelijke vrijheden uitmaakt. Zoals het auditoraatsverslag (blz. 246-252) aangeeft, kunnen de voorwaarden die ter zake in het arrest nr. 10/2001 worden gesteld -inzonderheid de g-91-21/37 voorwaarde dat de term “vijandig” alleen begrepen kan worden als een “aanzetting” tot schending van een vigerende rechtsnorm- meer of minder strikt worden opgevat.
  84. In het dictum worden aan het Grondwettelijk Hof dan ook prejudiciële vragen gesteld met betrekking tot de mogelijke schending door artikel 15ter van de artikelen 19, 27, en 10 en 11 van de Grondwet. X. De miskenning van de parlementaire immuniteit en de parlementaire onschend- baarheid
  85. Er kan, naar het oordeel van de verwerende partijen, geen twijfel over bestaan dat het verzoekschrift verkozen parlementairen viseert en dat de gevraagde sanctie verkozen parlementairen treft. Verzoekers vragen volgens hen een vorm van vervolging en sanctionering die ertoe leidt dat de rechterlijke macht zich inmengt in activiteiten van parlementsleden wier parlementaire onschendbaarheid niet voorafgaandelijk is opgeheven. Zij menen dan ook dat het verzoekschrift onontvankelijk is wegens schending van de artikelen 58 en 59 van de Grondwet en van het grondbeginsel van de scheiding der machten.
  86. Verwerende partijen adstrueren de aangevoerde schending van het grondbeginsel van de scheiding der machten op geen andere wijze dan door de schending van de artikelen 58 en 59 van de Grondwet.
  87. Luidens artikel 58 van de Grondwet kan geen lid van een van beide kamers worden vervolgd of aan enig onderzoek worden onderworpen naar aanleiding van een mening of een stem, in de uitoefening van zijn functie uitgebracht. Deze immuniteit geldt, zoals het artikel doet kennen, enkel voor de mening of de stem uitgebracht in de uitoefening van de parlementaire functie. Die mening of stem mag, zoals in het arrest nr. 10/2001 van het Grondwettelijk Hof wordt overwogen, geen aanleiding geven tot de toepassing van artikel 15ter, wil de sanctie die uit deze regeling kan volgen niet onevenredig zijn. Met een mening of stem in het kader van de uitoefening van het parlementair mandaat is evenwel niet te verwarren en gelijk te stellen de mening of stem uitgebracht in het kader van de uitoefening van partijactiviteiten of politieke activiteiten in het algemeen. g-91-22/37
  88. Artikel 59, eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat, behalve bij ontdekking op heterdaad, geen lid van een van beide kamers, tijdens de zitting en in strafzaken, kan worden verwezen naar of rechtstreeks gedagvaard voor een hof of een rechtbank, of worden aangehouden dan met verlof van de kamer waarvan het lid deel uitmaakt. Ook de overige leden van het artikel hebben alleen betrekking op de parlementaire onschendbaarheid tijdens de zitting en in strafzaken. Het brengt mee dat het artikel te dezen niet relevant is. Immers is, aldus het meer vermelde arrest nr. 10/2001 van het Grondwettelijk Hof, de regeling van het artikel 15ter op te vatten als “een controlemechanisme -in zeker opzicht vergelijkbaar met een tuchtprocedure- los van eventuele strafprocedures”, waarbij “de sanctie die uit de aangevochten regeling kan voortspruiten geen strafsanctie is, maar een financiële maatregel”.
  89. Of verzoekers ter staving van hun aanvraag al dan niet een mening of stem uitgebracht in de uitoefening van het parlementair mandaat aanvoeren, wat in voorkomend geval tot de uitsluiting van dat feit of teken moet leiden, betreft de grond van de zaak. Hoe dan ook vermogen de artikelen 58 en 59 van de Grondwet, louter op zich, niet de onontvankelijkheid van de vordering te verantwoorden. XI. De vermeldingen en de tijdigheid van de aanvraag
  90. In de memorie van antwoord wordt betoogd dat de aanvraag onontvankelijk is omdat het voorwerp ervan niet bepaald of bepaalbaar is, omdat de natuurlijke personen of rechtspersonen die bij de feiten betrokken zijn niet vermeld worden, en omdat de aanvraag verjaard zou zijn. Het onderwerp van de aanvraag
  91. Verzoekers dienden naar het oordeel van verwerende partijen in hun aanvraag het bedrag en de duur aan te geven waarvoor zij de intrekking van de dotatie aan het Vlaams Belang vragen. Nu zij dat niet gedaan hebben, is de aanvraag niet “bepaald” of “bepaalbaar”. Hierdoor zou de aanvraag niet voldoen aan de voorschriften van artikel 15ter en worden ook de rechten van verdediging geschonden aangezien de aanvraag niet in staat stelt “om de proportionaliteit van de gevraagde maatregel te beoordelen of zich hiertegen te verdedigen”. g-91-23/37
  92. Artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 somt in § 1, tweede lid, de volgende elementen op waarvan in de aanvraag melding moet worden gemaakt op straffe van niet-ontvankelijkheid: de naam van de eisende partijen, de instelling waartegen de aanvraag gericht is, en een beschrijving van de feiten en overeen- stemmende tekenen alsmede van het recht of de rechten die werden bekrachtigd bij het EVRM en waarvan wordt beweerd dat de aangeklaagde partij er kennelijk tegen gekant is. Voorts wordt in artikel 15ter, § 1, bepaald dat in de aanvraag de natuurlijke personen en rechtspersonen worden vermeld die bij de feiten betrokken zijn en dat de Koning bijkomende regels kan vaststellen wat de inhoud van de aanvraag betreft. Het artikel vereist dus niet op straffe van niet-ontvankelijkheid dat de eisende partijen aangeven ten belope van welk bedrag of gedurende welke periode zij de dotatie ingetrokken willen zien. Een omschrijving van het gevorderde komt zelfs niet ter sprake.
  93. Ook het koninklijk besluit van 31 augustus 2005 stelt niet het vereiste dat de eisende partijen het bedrag of de periode van de intrekking vermelden. Het volstaat, blijkens artikel 2, vierde lid, dat het verzoekschrift “het onderwerp van de aanvraag” bevat. Verzoekers zijn daar voldoende klaar en duidelijk aan tegemoet- gekomen door in hun verzoekschrift te vragen om met toepassing van artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 de dotatie van het Vlaams Belang in te trekken, niet ten belope van het dubbele van het bedrag van de uitgaven voor de gewraakte daden, maar voor een door de Raad van State te bepalen periode - periode die, gelet op het artikel 15ter zelf, niet korter mag zijn dan drie maanden noch langer dan één jaar.
  94. Evenmin als artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989, zijn de rechten van verdediging geschonden. In het licht van de minimum- en maximum- duur die het artikel 15ter bevat, belet niets de verwerende partijen, zo zij dat wensen, eventueel subsidiair aan te geven welke sanctie volgens hen evenredig zou zijn. De betrokken natuurlijke personen en rechtspersonen
  95. In de memorie van antwoord wordt voorts opgeworpen dat verzoekers niet bij alle feiten de betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen g-91-24/37 hebben vermeld, zodat de aanvraag onontvankelijk is, minstens met die feiten geen rekening gehouden mag worden.
  96. Noch uit artikel 15ter, noch uit de bepalingen van het koninklijk besluit van 31 augustus 2005 volgt dat de aanduiding van de natuurlijke personen of rechtspersonen die bij de ingeroepen feiten betrokken zijn, vermeldingen betreffen die op straffe van niet-ontvankelijkheid van de aanvraag zijn voorgeschre- ven. Zoals uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 17 februari 2005 mag blijken (Parl. St. Kamer, 2003-2004, 51-217/9, 1-3), is het tegendeel het geval, en dient de verplichting tot vermelding van de personen ertoe om de werkzaamheden van de Raad van State te vergemakkelijken “als hij moet uitmaken wie partij bij de zaak dient te zijn”. Het blijkt niet dat er zich ter zake moeilijkheden hebben voorgedaan.
  97. Of de feiten en tekenen die verzoekers aanvoeren terecht aan de politieke partij Vlaams Belang worden toegeschreven en uitgaan van die partij zelf of van haar componenten, lijsten, kandidaten of gekozenen, betreft niet de ontvankelijkheid, maar de grond van de aanvraag. De verjaring van de aanvraag
  98. Naar eerste verwerende partij in de memorie van antwoord nog betoogt, is de aanvraag niet ontvankelijk omdat de Raad van State alleen rekening mag houden met feiten of tekens die zich binnen de verjaringstermijn van zestig dagen voordeden en omdat de Raad van State bijgevolg maar op één aangevoerd feit acht mag slaan -de veiligheidsmeeting in april 2006 te Antwerpen-, wat “in elk geval niet voldoende” is. Toegelicht wordt dat de verjaringstermijn van het artikel 3 van het koninklijk besluit van 31 augustus 2005 een vervaltermijn is, dat dit betekent dat een verzoekschrift moet worden ingediend binnen een termijn van zestig dagen na de kennisname van een bepaald stuk, feit of teken, zo niet is het recht om voor dat feit een verzoekschrift in te dienen vervallen, en dat er dan ook geen rekening gehouden mag worden met stukken, feiten of tekens van vóór 20 maart 2006, noch overigens met feiten of tekens die moeten blijken uit stukken die niet in de inventaris bij het verzoekschrift worden vermeld. Volgens de memorie van antwoord zijn slechts twee g-91-25/37 aangevoerde feiten te situeren in de periode van zestig dagen vóór het indienen van het verzoekschrift, moet één van die feiten, namelijk “het bericht op de webstek van het Vlaams Belang in verband met de zgn. ‘racistisch elektronisch bericht’ van een Antwerps gemeenteraadslid”, echter buiten beschouwing worden gelaten omdat het stuk niet in de inventaris is opgenomen en het betrokken gemeenteraadslid “niet bij name genoemd” wordt, en schiet er aldus nog slechts één feit over dat “geenszins als ‘verscheidene en met elkaar overeenstemmende tekenen’ [kan] worden beschouwd in de zin van artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989”. Eveneens zet eerste verwerende partij in de memorie van antwoord uiteen dat artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 in werking is getreden op 28 maart 1999, zodat de feiten en stukken van vóór die datum niet in aanmerking genomen mogen worden voor de toepassing van de sanctie, en dat artikel 3 van het koninklijk besluit van 31 augustus 2005 onwettig is omdat het als vertrekpunt van de verjaring de kennis van het laatste feit of teken bedoeld in artikel 15ter neemt, wat “een subjectief gegeven” is dat zij op geen enkele wijze kan controleren, zodat de rechten van verdediging en het recht op een eerlijk proces geschonden worden. In de laatste memories voegen de verwerende partijen daar aan toe dat in alle takken van het recht de verjaring van het feit samenvalt met de verjaring van de vordering die uit dit feit is ontstaan, dat het uitgesloten is dat bepaalde feiten en tekenen meermaals in aanmerking worden genomen ter ondersteuning van verschillende aanvragen met hetzelfde voorwerp. Zij stellen dat artikel 3 van het koninklijk besluit van 31 augustus 2005, bij ontstentenis van enig beginsel met betrekking tot de termijn in artikel 15ter, de verjaringstermijn niet kon regelen, minstens niet op een wijze die afwijkt van de gewone procedureregeling in de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat de vraag rijst of het systeem georganiseerd door artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 en door artikel 30, § 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wel in overeenstemming is met de artikelen 10, 11 en 160 van de Grondwet, en met het rechtszekerheids- en het voorzienbaarheidsbeginsel, dat het past daarover een vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, en dat minstens het artikel 3 van het koninklijk besluit van 31 augustus 2005 met de vermelde grondwetsartikelen en beginselen strijdig is. Niet alleen blijft, volgens verwerende partijen, artikel 15ter in gebreke de delegatie aan de Koning voldoende nauwkeurig te omschrijven, bovendien mocht de delegatie enkel betrekking hebben op de inhoud van de aanvraag. g-91-26/37
  99. Artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 31 augustus 2005 bepaalt dat de aanvraag op grond van artikel 15ter, § 1, tweede lid, van de wet van 4 juli 1989 “verjaart zestig dagen nadat de verzoekers kennis hebben gehad van het laatste feit of teken bedoeld in artikel 15ter van de wet”. Van andere feiten dan “het laatste feit of teken bedoeld in artikel 15ter van de wet”, is in het voorschrift geen sprake. Voor die feiten geldt niet dat de vordering binnen zestig dagen erna moet worden ingesteld. Weliswaar moet worden aangenomen, zoals ook wordt bepleit in de memorie van antwoord, dat de in een aanvraag aangevoerde feiten niet mogen opklimmen tot vóór 28 maart 1999, dag waarop de wet van 12 februari 1999 tot invoeging van een artikel 15ter in de wet van 4 juli 1989 in werking is getreden. Er anders over oordelen, zou op gespannen voet staan met het beginsel van niet- terugwerking van de wet. De Raad van State valt dan weer niet bij dat, zoals verwerende partijen in hun laatste memories “[i]n louter ondergeschikte orde” beweren, ten hoogste mag worden rekening gehouden met feiten sinds de inwerkingtreding van de wet van 17 februari 2005, op 13 oktober
  100. Deze wet is een loutere procedurewet, onmiddellijk van toepassing op de gedingen.
  101. Blijkens het verslag aan de Koning beoogt artikel 3 van het koninklijk besluit van 31 augustus 2005, door voor te schrijven dat de aanvraag moet worden ingediend binnen een bepaalde termijn, uitdrukkelijk de rechtszeker- heid. In dit licht moet het vereiste dat de aanvraag wordt ingediend binnen zestig dagen na de kennis van “het laatste feit of teken bedoeld in artikel 15ter van de wet” aldus worden begrepen dat de aanvraag moet worden ingediend binnen zestig dagen na de kennis van het laatste of de laatste feiten of tekenen die aantonen dat de aangeklaagde partij kennelijk gekant is tegen de rechten die werden bekrachtigd bij het EVRM. Of de aangevoerde feiten en tekenen nooit eerder mogen zijn ingeroepen ter ondersteuning van een aanvraag tot intrekking van de dotatie van het Vlaams Belang, doet te dezen niet ter zake. De besproken aanvraag is de eerste in die zin.
  102. In zoverre verwerende partijen er zich over beklagen dat het voorgaande meebrengt dat “een afzonderlijke rechtstak” wordt gecreëerd die verschilt van de andere takken van het recht, verliezen zij uit het oog dat de zaken g-91-27/37 die op basis van het artikel 15ter aanhangig worden gemaakt effectief een specifieke, eigen aard vertonen. Bovendien is de mogelijkheid om, niettegenstaande het bestaan van een verjaringstermijn, bij de sanctionering van een algemene houding te verwijzen naar oudere feiten, niet zo uitzonderlijk. Zij komt meer bepaald ook voor in tuchtzaken, zoals bijvoorbeeld het arrest van de Raad van State nr. 159.617 van 6 juni 2006 bewijst. Dit is des te meer relevant vermits het Grondwettelijk Hof het speciale controlemechanisme waarin artikel 15ter heeft voorzien, in zijn arrest nr. 10/2001 juist “in zeker opzicht vergelijkbaar met een tuchtprocedure” noemt.
  103. Terecht merken verwerende partijen op dat de Koning niet uit de wet van 4 juli 1989 de vereiste machtiging kan putten om de bijzondere regels inzake de termijn te bepalen in het artikel 3 van het koninklijk besluit van 31 augustus
  104. In artikel 15ter is er alleen sprake van dat de Koning de bijkomende regels kan vaststellen “wat de inhoud van de aanvraag betreft”. Echter vindt de Koning de noodzakelijke rechtsgrond in het artikel 30, § 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, volgens hetwelk de Koning “de bijzondere regels [bepaalt] inzake de termijn en de procedure voor de behandeling van de aanvragen ingediend overeenkomstig artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989”. De parlementaire voorbereiding laat er geen twijfel over dat de bepaling onder meer ertoe strekt de Koning te machtigen “een bijzondere termijn voor beroep” vast te stellen. Luidens de verantwoording van het amendement dat tot de bepaling heeft geleid, moet bij de vaststelling van die bijzondere termijn voor beroep rekening gehouden worden, eensdeels, met de tijd die de eisers nodig hebben om hun klacht op te stellen en te staven en, anderdeels, met de noodzaak om de gelijkheid aan strijdmiddelen van de partijen niet te verbreken en om snel een beslissing te bereiken (Parl. St. Kamer, 2003-2004, 51-217/2, 6).
  105. Aangezien de verjaringstermijn is opgenomen in artikel 3 van het koninklijk besluit van 31 augustus 2005, is er geen reden om aan het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag te stellen die verwerende partijen in de laatste memories opperen. Voorts is er in de hiervoor geschetste interpretatie van het artikel 3 geen reden om die bepaling wegens onwettigheid buiten toepassing te laten.
  106. Eerste verwerende partij geeft in de memorie van antwoord zelf toe dat in het verzoekschrift twee feiten worden aangevoerd “die te situeren zijn in g-91-28/37 een periode van 60 dagen vóór de indiening van het verzoekschrift”: de veiligheids- meeting van 11 april 2006 te Antwerpen en “het zgn. ‘racistisch’ elektronisch bericht van een Antwerps gemeenteraadslid dat door verzoekers werd afgedrukt op 15 mei 2006 (zodat hierbij in ieder geval geen twijfel kan ontstaan over het tijdstip waarop verzoekers kennis hadden van dat feit) (cfr. niet genummerd stuk neergelegd ter griffie)”. Daarvan zou uiteindelijk slechts één teken of feit overblijven dat in aanmerking komt. Volgens eerste verwerende partij mag immers om twee redenen geen rekening worden gehouden met het bericht. De Raad van State volgt geen van beide redenen. Dat verzoekers in de aanvraag niet uitdrukkelijk specificeren wie het Antwerps gemeenteraadslid is, doet niet wezenlijk ter zake waar verzoekers niet het “zgn. ‘racistisch’ elektro- nisch bericht” zelf als een feit aanvoeren, maar de weigering van de partij Vlaams Belang om er afstand van te nemen. Ook de omstandigheid dat het bericht niet in de inventaris wordt vermeld, kan niet verantwoorden dat het betrokken feit wordt voorbijgezien. De vermelding in de inventaris is niet op straffe van niet-ontvan- kelijkheid van het dossierstuk voorgeschreven. Voorts hebben de verwerende partijen het stuk in kwestie goed en wel gevonden bij de stukken bij de aanvraag en besteden zij er in hun memorie van antwoord ruim aandacht aan.
  107. Of de stukken met betrekking tot deze (en de andere) feiten en tekenen eerst bij de controlecommissie terecht zijn gekomen en of alle commissie- leden -ook de Franstalige leden- er kennis van hebben genomen, alvorens verzoekers de aanvraag indienden, is irrelevant. De aanvraag tot intrekking gaat niet uit van de controlecommissie. Dat is niet nodig ook. Blijkens artikel 15ter, tweede lid, van de wet van 4 juli 1989 is het noodzakelijk maar voldoende dat de aanvraag wordt ingediend door tenminste een derde van de leden. Een bewijs, zoals verwerende partijen in de memorie van antwoord en de laatste memories verlangen, “dat de in de procedure aangewende stukken ooit bij de controlecommissie zijn terechtgekomen en aan alle leden van de commissie werden voorgelegd”, dient tot niets. Bijgevolg is er geen reden om de stukken bij gebrek aan dat bewijs te weren, noch om in te gaan op het verzoek van verwerende partijen in de laatste memories om “[d]e persoonlijke verschijning te g-91-29/37 bevelen van alle leden van de controlecommissie minstens van de Franstalige leden, in zijn samenstelling op het ogenblik van indiening van het oorspronkelijk verzoekschrift ten einde na te gaan op welke wijze zij ‘kennis’ hebben genomen van de feiten en tekenen die in de aanvraag tot intrekking van de dotatie worden vermeld”.
  108. Op voorwaarde dat het feit of de feiten die te situeren zijn in een periode van zestig dagen vóór de indiening van het verzoekschrift ervan doen blijken dat de aangeklaagde partij kennelijk vijandig staat tegenover de rechten en vrijheden gewaarborgd door het EVRM -wat tezamen met de grond van de zaak wordt onderzocht-, is de aanvraag tijdig, en mag vervolgens in principe voor de beoordeling van de gegrondheid van de vordering van verzoekers ook acht worden geslagen op de andere feiten en tekenen die hun aanvraag bevat, voor zover althans die feiten en tekenen dateren van 28 maart 1999 of later. XII. De vertaling van de overtuigingsstukken
  109. Antwoordend op een verzoekschrift van 23 juni 2006 van de eerste verwerende partij, waarin onder meer de vertaling naar het Frans wordt gevraagd van alle documenten waarop de Raad van State acht zal moeten slaan en die in het Nederlands zijn opgesteld, weigert de voorzitter van de Raad van State bij beschikking nr. 1619 van 11 juli 2006 de vertaling van de overtuigingsstukken bij de aanvraag omdat het niet gaat om procedurestukken. Eerste verwerende partij heeft haar vraag in een nieuw verzoekschrift van 21 september 2006 herhaald. In het antwoord van 28 september 2006 wordt namens de voorzitter verwezen naar de beschikking nr. 1619 en wordt gemeld dat eventuele opmerkingen in de memorie van antwoord geformuleerd kunnen worden.
  110. In de memorie van antwoord bekritiseert de eerste verwerende partij dat, in strijd met artikel 13 van de Grondwet, artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989, en het koninklijk besluit van 31 augustus 2005, de voorzitter, alleen, uitspraak deed over de verzoekschriften tot vertaling en zich aldus in de plaats van de algemene vergadering stelde. Tevens doet eerste verwerende partij gelden dat het verzoek tot vertaling van de overtuigingsstukken is afgewezen op grond van een te strikte interpretatie van artikel 15ter, § 2, van de wet van 4 juli
  111. Zij voert daartegen in substantie aan dat bijgevolg staatsraden die geen grondige kennis hebben van het g-91-30/37 Nederlands, zullen moeten oordelen “op grond van stavingsstukken die quasi integraal in het Nederlands zijn gesteld en waarvan zij mogelijk de precieze draagwijdte niet begrijpen”, dat op die manier het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces, zoals ook verdragsrechtelijk beschermd, geschonden wordt, en dat de strikte interpretatie een discriminatie meebrengt ten opzichte van de rechtsonderhorigen verwikkeld in een procedure voor het Grondwettelijk Hof. Immers moeten volgens artikel 63, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 de stukken ten behoeve van het Hof worden vertaald in het Nederlands of het Frans naar gelang van het geval, waarbij volgens eerste verwerende partij “geen enkel onderscheid gemaakt wordt tussen procedurestukken en overtuigingsstukken”. Zij vraagt dat over die discriminatie een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof gesteld wordt.
  112. In de memorie van wederantwoord verklaren verzoekers zich naar de wijsheid van de Raad te gedragen wat de vraag tot een volledige vertaling van de overtuigingsstukken betreft. Wel verzetten zij zich tegen het stellen van de prejudiciële vraag omdat het voorleggen van dossierstukken niet door de wet wordt geregeld en er geen wettelijk beletsel is om de vertaling te bevelen van bepaalde overtuigingsstukken of gedeelten ervan. In de laatste memorie wijzen verzoekers erop dat het Grondwette- lijk Hof alleen bevoegd is om zich uit te spreken over de grondwettigheid van een wetsbepaling, dat de term “stukken” niet door de wet wordt geregeld maar door de praktijk van respectievelijk het Grondwettelijk Hof en de Raad van State, zodat een verschillende interpretatie niet uit de wet voortvloeit en het Grondwettelijk Hof niet bevoegd is om de vraag te beantwoorden.
  113. Aan de beschikking nr. 1619 van de voorzitter komt slechts een voorlopig karakter toe. Zoals de brief van 28 september 2006 uitdrukkelijk aangeeft, kan in de memorie van antwoord op de kwestie teruggekomen worden. In voorliggend geval wordt dan ook over de aangelegenheid uitspraak gedaan door de algemene vergadering.
  114. Volgens artikel 15ter, § 2, eerste lid, van de wet van 4 juli 1989 mogen de partijen “hun aanvraag en elk ander procedurestuk, evenals hun verklaringen, in de taal van hun keuze opstellen”. Het zijn, luidens het volgende lid van artikel 15ter, § 2, “[d]eze aanvragen, stukken en verklaringen” die “worden vertaald door de diensten van de Raad van State wanneer een partij die van enig g-91-31/37 belang doet blijken, dit vraagt”. Verwerende partijen kunnen er de Raad van State niet van overtuigen dat ook de overtuigings- of dossierstukken te beschouwen zijn als een stuk bedoeld in artikel 15ter, § 2, eerste lid.
  115. In tegenstelling tot wat verzoekers menen, is het Grondwettelijk Hof wel degelijk bevoegd om het artikel 15ter, § 2, in die zin geïnterpreteerd, te toetsen. Tevens blijkt niet dat de Raad van State een reden kan doen gelden waardoor hij is vrijgesteld van de verplichting in artikel 26, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, om het Grondwettelijk Hof te vragen uitspraak te doen op de prejudiciële vraag die ter zake wordt opgeworpen. De vraag wordt bijgevolg gesteld. XIII. De resterende preliminaire bezwaren van de verwerende partijen
  116. Naar de mening van eerste verwerende partij, in de memorie van antwoord, zou er bij de Raad van State een geheim reglement van orde bestaan waarvan zij geen kennis heeft, noch kan hebben. Zij verwijst daarvoor naar een bijdrage van M. Dumont, gewezen auditeur-generaal in de Raad van State, in een boek van 2000, waarin er sprake is van het reglement van inwendige orde van de Raad van State. De algemene rechtsbeginselen van het eerlijk proces, het recht van toegang tot de rechter en het recht van verdediging heten geschonden.
  117. Eerste verwerende partij vergist zich. Het reglement van orde van de Raad van State werd bij besluit van de Regent van 15 april 1949 goedgekeurd en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 juni
  118. Het reglement is geenszins geheim of geheim gehouden.
  119. Ten slotte wordt in de memorie van antwoord aangevoerd dat verwerende partijen niet in de mogelijkheid waren om de samenstelling van de algemene vergadering te kennen vóór de zitting van 17 oktober 2006, dat op de terechtzitting van 17 oktober 2006 de procedure werd voortgezet niettegenstaande het verzoekschrift tot wraking dat eerder op de dag was neergelegd tegen sommige staatsraden en de auditeur, dat op die zitting geen tolk voorhanden was en niet in een simultaanvertaling werd voorzien, dat het advies van de auditeur voor het grootste gedeelte onverstaanbaar was en dat er niet op gereageerd mocht worden, en dat er tussen de staatsraden en de auditeur “een brief met een boodschap” circuleerde. Een g-91-32/37 en ander schendt het recht van verdediging, het recht op een eerlijk proces en het gelijkheidsbeginsel.
  120. De bezwaren betreffen stuk voor stuk de behandeling (ter terechtzitting) van de eerste van de drie vorderingen tot wraking die de verwerende partijen hebben ingediend. Die vordering is definitief afgedaan met een arrest nr. 165.186 van 28 november
  121. De Raad van State vermag niet er in het kader van de huidige procedure -op welke wijze ook- nog op terug te komen. OM DEZE REDENEN BESLIST DE ALGEMENE VERGADERING VAN DE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK: Artikel
  122. De debatten worden heropend. Artikel
  123. Aan het Grondwettelijk Hof worden de volgende prejudiciële vragen gesteld:
  124. Houdt artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven, zoals laatst gewijzigd door de wet van 17 februari 2005, een schending in van artikel 13 van de Grondwet, in samenhang met de artikelen 146 en 160 van de Grondwet, artikel 6.1, van het EVRM (Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, bekrachtigd bij wet van 13 mei 1955), artikel 14 van het BUPO-verdrag (Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 19 december 1966, bekrachtigd bij wet van 15 mei 1981) en het algemeen rechtsbeginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter, door de beslissing over de intrekking van de dotatie toe te vertrouwen aan de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, terwijl de Raad van State als adviesorgaan bij de totstandkoming van de wet van 4 juli 1989, en in het bijzonder bij artikel 15ter van die wet, betrokken is geweest en een strikte scheiding tussen de adviesverlenende en rechtsprekende functie van de Raad van State zou ontbreken? g-91-33/37
  125. Is artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989, laatst gewijzigd door de wet van 17 februari 2005, waarbij een aanvraag tot intrekking van de dotaties moet worden voorgelegd aan de algemene vergadering van de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State verenigbaar met artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 10, 11 en 146 van de Grondwet, met de artikelen 6.1 en 14 van het EVRM, met de artikelen 14 en 26 van het BUPO- verdrag en met het algemeen rechtsbeginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter, doordat de aanvraag automatisch wordt behandeld door een rechtscollege samengesteld uit staatsraden die niet allen behoren tot de Nederlandse taalrol en die ook niet allen wettelijk tweetalig zijn, terwijl op basis van de artikelen 51 tot en met 61 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 87 van dezelfde gecoördineerde wetten in andere gevallen een zaak normaal behandeld wordt door een Nederlandstalige kamer of een Franstalige kamer en slechts uitzonderlijk, en in hier niet relevante gevallen, door de tweetalige kamer, en terwijl een zaak slechts in de gevallen bepaald in de artikelen 91 en 92 van die gecoördineerde wetten wordt doorverwezen naar de algemene vergadering van de afdeling bestuursrecht- spraak, en terwijl zonder de verwijzing naar de algemene vergadering in artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 deze aanvraag door de Raad van State desgevallend behandeld zou kunnen worden door een uitsluitend Nederlandstali- ge kamer en dus, volgens verwerende partijen die de vraag voorstellen, zonder rechters die geen Nederlands kennen en die een schijn van partijdigheid opwekken vanwege de uitgesproken vijandigheid van de Franstalige gemeen- schap in het land ten opzichte van een Vlaamse onafhankelijkheidspartij?
  126. Is artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989, zoals laatst gewijzigd door de wet van 17 februari 2005, verenigbaar met artikel 19 van de Grondwet, daar waar artikel 15ter een maatregel oplegt van intrekking van de wettelijke dotatie indien een politieke partij of haar componenten met tekenen aantoont vijandig te staan ten opzichte van de rechten en vrijheden gewaarborgd door het EVRM, zonder dat het noodzakelijk is dat misdrijven naar aanleiding van het uiten van deze tekenen worden gepleegd, terwijl de door artikel 15ter gewraakte tekenen onder de vrijheid van meningsuiting zouden vallen en slechts onderhevig zouden zijn aan de grondwettelijke beperking van de bestraffing van misdrijven die ter gelegenheid van het gebruik maken van die vrijheden worden gepleegd, zodat enkel strafrechtelijk sanctioneerbaar gedrag onder de beperking van de g-91-34/37 vrije meningsuiting valt én enkel strafmaatregelen als sanctie voor dergelijk gedrag kunnen worden ingevoerd?
  127. Schendt artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989, zoals laatst gewijzigd door de wet van 17 februari 2005, in het licht van de drastische beperking door de wetgever in de wet van 4 juli 1989 van elke andere bron van inkomsten van een politieke partij, artikel 27 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 11, eerste lid, van het EVRM, alsmede artikel 22 van het BUPO-verdrag, door een procedure in te stellen die leidt tot het beperken of ontzeggen van financiële middelen aan een politieke partij?
  128. Is artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989, zoals laatst gewijzigd door de wet van 17 februari 2005, verenigbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, daar de wet enkel de maatregel van intrekking van de dotatie voorziet voor tekenen waaruit moet blijken dat een politieke partij door eigen toedoen of door toedoen van haar componenten, lijsten, kandidaten of gekozenen vijandig staat tegenover de rechten en vrijheden gewaarborgd door het EVRM en daarbij al dan niet strafrechtelijke misdrijven begaat, terwijl die maatregel niet wordt voorzien voor andere handelingen waarbij de kwalificatie als strafrechtelijk misdrijf niet in twijfel kan worden getrokken, zoals passieve corruptie, misbruik van overheidsgeld, verduistering, valsheid in geschrifte en gebruik, belangenneming, misbruik van vennootschapsgoederen?
  129. Schendt artikel 15ter, § 2, van de wet van 4 juli 1989, zoals laatst gewijzigd door de wet van 17 februari 2005, in de interpretatie dat de term “stukken” enkel kan slaan op procedurestukken en niet op de overtuigingstukken, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het algemeen rechtsbeginsel dat eenieder recht heeft op een eerlijk proces, met de artikelen 6.1 en 14 van het EVRM en de artikelen 14 en 26 van het BUPO-verdrag, doordat de rechtsonderhorigen, te weten de voor een politieke partij optredende rechtspersoon die op grond van genoemd artikel 15ter, § 2, voor de Raad van State wordt gedaagd, alsook de aldaar tussenkomende partijen, kunnen worden beoordeeld op grond van overtuigingsstukken die in een andere taal zijn gesteld dan de taal van één of meer staatsraden die de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State samenstellen, zonder dat deze stukken ten behoeve van de Raad van State moeten worden vertaald, terwijl de rechtsonderhorige die betrokken wordt in een procedure voor het Grondwettelijk Hof, op grond van artikel 63, § 4, van de bijzondere wet van g-91-35/37 6 januari 1989 aanspraak kan maken op een vertaling van de overtuigingsstukken ten behoeve van het Hof, in het Nederlands of in het Frans naar gelang van het geval? Aldus beraadslaagd en beslist door de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak, die was samengesteld uit: de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J.-Cl. GEUS, kamervoorzitter, M. HANOTIAU, kamervoorzitter, A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, J. MESSINNE, kamervoorzitter, R. STEVENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, J. BOVIN, staatsraad, P. LEWALLE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, J. VANHAEVERBEEK, staatsraad, J. LUST, staatsraad, Mevr. S. GUFFENS, staatsraad, de HH. Fr. DAOUT, staatsraad, P. NIHOUL, staatsraad, W. GEURTS, griffier. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 14 januari 2009, door de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak, in aanwezigheid van de voornoemde leden, waarbij in vervanging van L. HELLIN, kamervoorzitter, verhinderd, de uitspraak van het arrest is bijgewoond door C. ADAMS, staatsraad, daartoe aangewezen bij beschikking van de ondergetekende voorzitter. De griffier, De voorzitter, g-91-36/37 W. GEURTS. D. VERBIEST. g-91-37/37 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.463 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.186 ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.924 ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.313 ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.314 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.213.879 ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.214.224 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.