id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.476 Rolnummer: A. 157936/XII-4326 Zaak: Arrest 189476 - Overheidsopdrachten - 15/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-28 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 13:53 Fiche Arrest nr 189.476 van 15 januari 2009 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.476 van 15 januari 2009 in de zaak A. 157.936/XII-
- In zake : de STAD HALLE, die woonplaats kiest bij advocaat D. Lindemans, kantoor houdende te 1000 Brussel, Keizerslaan 3 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Gerard Davidstraat 46, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de stad Halle op 29 november 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het ministerieel besluit d.d. 28 september 2004 houdende vernietiging van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van Halle van 1 augustus 2003 houdende goedkeuring van het bestek bevattende de onderhandelingsprocedure tot aanstelling van een projectbegeleider Nederhem en van 14 augustus 2003 houdende goedkeuring tot het aanschrijven van vijf studiebureaus in het kader van de onderhandelingsprocedure tot aanstelling van een projectbegeleider Nederhem”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur J. Stevens; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 22 juli 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 oktober 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; XII-4326-1/11 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Honnay, die loco advocaat D. Lindemans verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat B. Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. Stevens; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
- Op 1 augustus 2003 keurt het college van burgemeester en schepenen een bestek goed betreffende een onderhandelingsprocedure voor de aanstelling van een projectbegeleider Nederhem. In de overwegingen van dit besluit wordt de hoogdringendheid ingeroepen. Op 14 augustus 2003 beslist datzelfde college vijf ondernemingen aan te schrijven. Op 19 september 2003 beslist het college het studiebureau NV D+A Consult aan te stellen als projectbegeleider. Op 30 maart 2004 beslist de gemeenteraad akkoord te gaan met het aanvraagdossier voor het stadvernieuwingsproject Nederhem.
- Met een brief van 30 maart 2004 dient gemeenteraadslid Severs klacht in bij de provinciegouverneur en bij de Vlaamse minister voor Binnenlandse Aangelegenheden wegens het niet ter goedkeuring voorleggen aan de gemeenteraad van het bestek, de gunningswijze, en de beslissing tot het aanstellen van de projectbegeleider. Bij brief van 5 april 2004 vraagt de provinciegouverneur de verzoekende partij inzake de klacht binnen een termijn van uiterlijk 14 dagen, het volledige dossier toe te zenden en tevens het standpunt van de stad mede te delen. XII-4326-2/11 Bij e-mailbericht van 10 april 2004 deelt het voornoemde gemeenteraadslid Severs aan de provinciegouverneur mede dat er drie besluiten in het geding zijn waaronder de besluiten van het college van 1 augustus 2003 en van 14 augustus
- De verzoekende partij antwoordt aan de provinciegouverneur met een brief van 20 april 2004 : kopie wordt gezonden aan de minister en twee bijlagen worden vermeld. Bij faxbericht van 22 april 2004 deelt de provinciegouverneur aan de verzoekende partij mede dat de twee bijlagen niet werden bijgevoegd en deze ontbrekende stukken worden opgevraagd; de aandacht wordt er op gevestigd dat de termijn van 30 dagen “waarbinnen de toezichthoudende overheid haar besluit aangaande het betreffende dossier moet opsturen” pas begint te lopen na ontvangst van de gevraagde bijkomende inlichtingen. Bij brief van 25 april 2004 aan de provinciegouverneur en aan de minister deelt het voornoemde gemeenteraadslid nog bijkomende gegevens en zijn zienswijze mede : er is sprake van de collegebesluiten van 1 en 14 augustus
- Op 27 april 2004 neemt de gemeenteraad akte van de collegebeslissingen van 1 augustus 2003 en 14 april
- Bij brief van 3 mei 2004 vraagt de provinciegouverneur aan de verzoekende partij in de toekomst de vigerende wetgeving toe te passen; er wordt vermeld dat het bijkomende dossier ontvangen is op 26 april
- Uit zijn bijgevoegde brief van 3 mei 2004 aan de genoemde Severs blijkt dat de provinciegouverneur beslist heeft niet op te treden.
- Bij brief van 24 mei 2004 deelt de bevoegde minister aan de verzoekende partij mede dat hij een klacht ontvangen heeft, dat hij die klacht heeft toegestuurd aan de provinciegouverneur en dat hij laatstgenoemde heeft laten weten dat hij zelf de uiteindelijke beslissing wenst te treffen. Met een brief van 24 mei 2004 deelt de minister aan de provinciegouverneur de klachtbrief mede, verzoekt hij de provinciegouverneur de klacht te onderzoeken en “hem uiterlijk veertien dagen voor het verstrijken van de XII-4326-3/11 toezichttermijn op de hoogte te brengen van de onderzoeksresultaten om [hem] toe te laten zelf de eindbeslissing in deze zaak te nemen”. Met een brief van 28 mei 2004 deelt de provinciegouverneur aan de minister mede dat het dossier werd opgevraagd op 5 april 2004, dat het antwoord van het bestuur toegekomen is op 22 april 2004 en de bijkomende opgevraagde informatie -namelijk in eerste instantie ontbrekende bijlagen- op 26 april 2004, wat inhoudt “dat de toezichttermijn verstreek op 26 mei 2004”; verder meldt hij dat hij bij brief van 3 mei 2004 zowel de klachtindiener als het bestuur op de hoogte heeft gebracht van zijn bevindingen; hij zendt een afschrift van beide brieven van 3 mei 2004 aan de minister. Met een brief van 1 juni 2004 schrijft de voornoemde Severs aan de minister dat hij niet akkoord gaat met het antwoord van de provinciegouverneur en vraagt hij om de beslissing van de provinciegouverneur te herzien. Met een e-mailbericht van 6 augustus 2004 bevestigt Caroline Corbeels (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap - departement EWBL, administratie gouverneur) aan Cathy Van Durmen (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap - departement EWBL, administratie Minister) dat de beslissingen van 1 en 14 augustus 2003 van het college niet werden opgevraagd. Bij brief van 9 augustus 2004 vraagt de minister de verzoekende partij om een afschrift van de besluiten van 1 augustus 2003 en 14 augustus 2003 van het college betreffende de goedkeuring van het bestek en de gunningswijze voor het aanstellen van een projectbegeleider, toe te zenden aan zijn afdeling. Met een brief van 26 augustus 2004 zendt de verzoekende partij een afschrift van de voormelde besluiten aan de minister : die brief blijkt op 30 augustus 2004 op het ministerie te zijn ontvangen.
- Op 28 september 2004 beslist de Vlaamse minister van binnenlands bestuur, stedenbeleid, wonen en inburgering de besluiten van het college van burgemeester en schepenen van de verzoekende partij van 1 augustus 2003 houdende goedkeuring van het bestek bevattende de onderhandelingsprocedure tot aanstelling van een projectbegeleider Nederhem en van 14 augustus 2003 houdende goedkeuring tot het aanschrijven van vijf XII-4326-4/11 studiebureaus in het kader van de onderhandelingsprocedure tot aanstelling van een projectbegeleider Nederhem te vernietigen, met onder meer de volgende motivering : “Gelet op het feit dat een afschrift van de besluiten van het College van Burgemeester en Schepenen van Halle van 1 augustus 2003 en 14 augustus 2003, zoals hierboven vermeld, werden opgevraagd per aangetekend schrijven van 9 augustus 2004 en binnengekomen zijn bij de Administratie Binnenlandse Aangelegenheden, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, op 30 augustus 2004; [...] Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat de besluiten van het college van burgemeester en schepenen van Halle van 1 augustus 2003 en 14 augustus 2003 een schending inhouden van het beginsel van behoorlijk bestuur, van de verdeling van de bevoegdheid tussen de gemeenteraad en het college van burgemeester en schepenen, van het artikel 234 van de Nieuwe Gemeentewet en van de plicht tot motivering van bestuurshandelingen; Overwegende dat de betrokken besluiten van het college van burgemeester en schepenen van Halle van 1 augustus 2003 en 14 augustus 2003 derhalve vernietigd dienen te worden”. Dat besluit wordt met een brief van 28 september 2004 medegedeeld aan de verzoekende partij, die het ontvangt op 30 september
- De gegrondheid van het beroep Standpunt van de partijen
- De verzoekende partij voert in een eerste middel aan wat volgt : “Een eerste middel is genomen uit de schending van artikel 32 van het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten [...], van het beginsel van de gemeentelijke autonomie, zoals vastgelegd in onder meer artikel 8 van het Europees Handvest inzake lokale autonomie, gedaan te Straatsburg op 15 oktober 1985, waarmee is ingestemd bij decreet van 19 maart 2004 en voor zover te dezen relevant, de wet van 24 juni 2000, en van het rechtszekerheidsbeginsel, Doordat het bestreden Ministerieel besluit buiten de door artikel 32 bepaalde termijn van dertig dagen na ontvangst van het dossier werd genomen, Terwijl de in het middel aangehaalde bepaling bepaalt dat een door de toezichthoudende overheid opgevraagd besluit van een gemeenteoverheid niet langer vatbaar is voor schorsing of vernietiging na het verstrijken van een termijn van dertig dagen, waarbinnen de toezichthoudende overheid haar besluit naar de gemeenteoverheid moet versturen, ingaande de dag volgend op de ontvangst van het bij aangetekende zending toegestuurde of tegen ontvangstbewijs afgegeven dossier”. XII-4326-5/11 XII-4326-6/11 Zij licht dat middel toe, onder meer als volgt : “[...] Volgens de vermeldingen, opgenomen in het bestreden besluit van 28 september 2004 is het afschrift van de besluiten van het College van burgemeester en Schepenen van 1 augustus en 14 augustus 2003 binnengekomen bij de Administratie Binnenlandse Aangelegenheden, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap op 30 augustus
- [...] In deze zaak heeft de Vlaamse minister de gouverneur belast met het onderzoek maar zou hij zelf de uiteindelijke beslissing nemen. Hij vroeg het College ook om eventuele bijkomende informatie, die in het kader van het onderzoek werd opgevraagd, aan de gouverneur te bezorgen. D.w.z. dat de Vlaamse minister de gouverneur ook belast heeft met het opvragen van het betrokken dossier en dat hij er van uitging dat hij het dossier niet zelf (of minstens niet rechtstreeks) zou ontvangen. In deze zaak beschikte de gouverneur evenwel reeds sedert 26 april 2004 over het volledige dossier en had hij bovendien reeds een onderzoek aan deze zaak gewijd (zie het schrijven dd. 3 mei 2004 vanwege de gouverneur, waarin hij meedeelt geen gebruik te zullen maken van zijn schorsingsbevoegdheid in deze zaak), naar aanleiding van de door gemeenteraadslid Severs ingediende klacht dd. 30 maart 2004 (stukken 11 en 12). Gelet op de door de Vlaamse minister gevolgde werkwijze heeft de termijn van dertig dagen, waarbinnen de toeziende overheid, op grond van artikel 32 van het decreet van 28 april 1993, gerechtigd is een beslissing van de gemeenteoverheid te schorsen of te vernietigen, een aanvang genomen de dag volgend op de ontvangst van het dossier van het besluit door de gouverneur. De Vlaamse minister vroeg immers aan de gouverneur om het dossier op te vragen, hetgeen op hetzelfde neerkomt als het dossier zelf opvragen”.
- In de memorie van antwoord antwoordt de verwerende partij onder meer wat volgt : “1.3 In onderhavige zaak werden de beslissingen van het college van burgemeester en schepenen voor het eerst door de toezichthoudende overheid opgevraagd bij aangetekend schrijven dd. 9 augustus
- De Vlaams minister heeft deze besluiten ontvangen op 30 augustus 2004, zodat de bestreden beslissing die werd verstuurd op 28 september 2004 niet laattijdig is. 1.4 Ten onrechte beweert verzoekende partij dat de termijn van dertig dagen een aanvang zou hebben genomen op 26 april
- De Vlaams minister zou volgens verzoekende partij aan de Gouverneur de opdracht hebben gegeven het dossier op te vragen en op voormelde dag zou de Gouverneur het volledig dossier hebben ontvangen van de stad Halle. Noch het één, noch het ander klopt. De Vlaams minister heeft op 24 mei 2004 aan de Gouverneur meegedeeld dat hij zelf de eindbeslissing zou nemen, hetgeen geen afbreuk zou doen aan de schorsingsbevoegdheid. Ofwel kon de Gouverneur dus zelf beslissen tot het schorsen [...] de beslissingen van 1 en 14 augustus 2003 en de Vlaams minister daarvan op de hoogte brengen, ofwel diende de Gouverneur zijn onderzoeksresultaten mee te delen aan de Vlaams minister. De Gouverneur heeft zijn ‘onderzoeksresultaten’ en ook zijn standpunt meegedeeld op 28 mei
- XII-4326-7/11 Een voor eensluidend afschrift van de collegebesluiten van 1 en 14 augustus 2003 behoorde niet tot het dossier dat de Gouverneur had opgevraagd. Aangezien de bestreden beslissing precies deze besluiten betreft kan de toezichttermijn niet eerder aanvangen dan na ontvangst van deze stukken”. De verwerende partij voegt daar in haar laatste memorie nog aan toe : “Er wordt dus een onderscheid gemaakt tussen het behandelen en/of onderzoeken van de klacht en het uitoefenen van de schorsings- en vernietigingsbevoegdheid. Enerzijds bestaan er dus ministeriële richtlijnen inzake standpuntbepaling en het geven van inhoudelijke antwoorden op vragen en klachten en anderzijds zijn er de decretale toezichtsbevoegdheden volgens de decretale regels. [...] De decretale regeling van de termijn voor de ‘toezichter’ wordt bepaald in artikel 32 van het decreet van 28 april
- De ‘toezichter’ beschikt over een termijn van 30 dagen na ontvangst van het ‘dossier’ of na ontvangst van de ‘bijkomende inlichtingen’. Artikel 32 bepaalt uitdrukkelijk dat dit de termijnregeling is voor het schorsen of vernietigen van een ‘opgevraagd besluit’. Een redenering dat de toezichtstermijn zou kunnen verstrijken zonder ontvangst van het ‘opgevraagd besluit’ is volgens verwerende partij compleet onmogelijk. [...] In onderhavige zaak moet vastgesteld worden dat de gouverneur blijkbaar een standpunt innam ten aanzien van verzoekende partij na ontvangst van een standpunt van de gemeente (22 april 2004) en na ontvangst van een bij dat standpunt horend dossier (26 april 2004) omtrent een bepaalde klacht van een gemeenteraadslid. Blijkbaar oordeelde de gouverneur dat hij dit standpunt kon innemen zonder kennis te hebben van de besluiten van het college van burgemeester en schepenen van 1 en 14 augustus
- Meer nog, uit stuk 12 blijkt dat de gouverneur deze besluiten niet heeft opgevraagd. Het enige wat men uit het voorgaande kan afleiden is dat de gouverneur niet geoordeeld heeft over de wettigheid van deze niet opgevraagde besluiten en zijn toezichtsbevoegdheid met betrekking tot deze besluiten dus niet heeft of niet heeft kunnen uitoefenen. Dat de gouverneur andere besluiten en een ander dossier heeft ontvangen en dat de toezichtstermijn zou verstreken zijn binnen de 30 dagen na ontvangst van deze besluiten, belet niet dat de toezichtstermijn met betrekking tot de besluiten van 1 en 14 augustus 2003 niet heeft en kon aanvangen aangezien deze besluiten niet werden ontvangen en door de gouverneur niet werden opgevraagd”. Beoordeling
- Het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten, bevat de volgende bepalingen : XII-4326-8/11 “
- [...] §
- Onverminderd de schorsingsbevoegdheid van de provincie- gouverneur kan de regering bij gemotiveerd besluit en binnen de termijnen bepaald in de artikelen 31 tot 33 het besluit vernietigen waarbij de gemeenteoverheid de wet schendt of het algemeen belang schaadt. Een afschrift van het vernietigingsbesluit wordt naar de provinciegouverneur gestuurd.
- De besluiten van de gemeenteraad, waarvan bij de toepassing van artikel 29 geen afschrift naar de provinciegouverneur moet worden gezonden, zijn niet langer vatbaar voor schorsing of vernietiging door de overheden bedoeld in artikel 30 indien die overheden hun beslissing niet hebben genomen en naar de gemeenteoverheid verstuurd binnen een termijn van dertig dagen, ingaande de dag volgend op het versturen van de in artikel 28 bedoelde lijst, waarop zij zijn vermeld. Deze termijn wordt geschorst door de verzending van een ter post aangetekende brief waarbij de toezichthoudende overheid het dossier betreffende een bepaald besluit bij de gemeenteoverheid opvraagt of bijkomende inlichtingen inwint. De ontvangst van het dossier of van de bijkomende inlichtingen of de verzending van de ter post aangetekende ingediende klacht aan de toezichthoudende overheid geldt als stuiting.
- Een door de toezichthoudende overheid opgevraagd besluit van een gemeenteoverheid is niet langer vatbaar voor schorsing of vernietiging door de overheden bedoeld in artikel 30 na het verstrijken van een termijn van dertig dagen, waar binnen de toezichthoudende overheid haar besluit naar de gemeenteoverheid moet versturen, ingaande de dag volgend op de ontvangst hetzij van het bij aangetekende zending toegestuurde of tegen ontvangstbewijs afgegeven dossier hetzij van de in artikel 31 bedoelde bijkomende inlichtingen”. Na een klacht vraagt de provinciegouverneur aan de verzoekende partij met de voormelde brief van 5 april 2004, onder verwijzing naar het aangehaalde artikel 31, om hem “het volledige dossier” op te sturen, binnen een termijn van hoogstens 14 dagen, en haar standpunt te doen kennen. In zijn brief van 28 mei 2004 aan de minister stelt de provinciegouverneur zelf dat, gelet op het feit dat het “dossier” werd “opgevraagd” op 5 april 2004, het antwoord van het bestuur op 22 april 2004 binnenkwam en de “bijkomende opgevraagde informatie” op 26 april 2004, de “toezichttermijn verstreek op 26 mei 2004”. De klacht bij de provinciegouverneur betrof de besluiten van 1 augustus 2003 en 14 augustus 2003 van het college van burgemeester en schepenen. De provinciegouverneur beschouwde blijkbaar het door de gemeente doorgezonden dossier op 26 april 2004 als volledig, en uit de brief van 3 mei 2004 blijkt zijn standpunt : hij beslist niet op te treden. Indien een toezichthoudende overheid die zoals te dezen door een klacht wordt gevat, na ontvangst van bijkomende inlichtingen, een dossier als volledig beschouwt en beslist niet op te treden, moet worden aangenomen dat de in het aangehaalde artikel 32 bedoelde XII-4326-9/11 termijn ingaat de dag na de dag van ontvangst van die bijkomende inlichtingen. Te dezen dient de provinciegouverneur dus te worden bijgevallen in zijn standpunt dat de dag na 26 april 2004 de in artikel 32 bepaalde termijn van 30 dagen een aanvang nam en verstreek op 26 mei
- De concurrerende bevoegdheid van de provinciegouverneur en de regering, vervat in het aangehaalde artikel 30, § 4, doet geen afbreuk aan de algemene bepaling van artikel 32, die geen onderscheid maakt en enkel spreekt van “de” toezichthoudende overheid. Aan die conclusie wordt geen afbreuk gedaan doordat - mogelijkerwijze de betrokken besluiten niet in het opgezonden “dossier” zouden zijn vervat : artikel 32 maakt het begin van de termijn niet afhankelijk van het toesturen van besluiten, maar wel van het “dossier” of van “inlichtingen”. - de gouverneur heeft gewacht tot 28 mei 2004, zijnde na het verloop van de door hem in aanmerking genomen termijn, om zijn standpunt aan de minister mede te delen; - de minister, hoewel de klacht reeds op 30 maart 2004 ook aan hem was gezonden, nog tot 24 mei 2004 heeft gewacht om de provinciegouverneur betreffende de klacht te contacteren. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de termijn van dertig dagen, waarover de toezichthoudende overheid te dezen beschikte om op te treden tegen de beslissingen van 1 en 14 augustus 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de verzoekende partij, verstreek op 26 mei
- Daaruit volgt dat het bestreden ministerieel besluit van 28 september 2004 buiten die termijn en dus met schending van het voormelde artikel 32 en onbevoegderwijze is genomen. Het middel is dienvolgens gegrond. XII-4326-10/11 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het ministerieel besluit van 28 september 2004 houdende vernietiging van, eensdeels, het besluit van het college van burgemeester en schepenen van Halle van 1 augustus 2003 houdende goedkeuring van het bestek bevattende de onderhandelingsprocedure tot aanstelling van een projectbegeleider Nederhem, en, anderdeels, van het besluit van 14 augustus 2003 van hetzelfde college houdende goedkeuring tot het aanschrijven van vijf studiebureaus in het kader van de onderhandelingsprocedure tot aanstelling van een projectbegeleider Nederhem. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien januari 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4326-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.476 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.