← België

Arrest 189535 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 19/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.535 Rolnummer: A. 189271/IX-6009 Zaak: Arrest 189535 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 19/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-30 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 14:11 Fiche Arrest nr 189.535 van 19 januari 2009 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Verwerping dwangsom Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.535 van 19 januari 2009 in de zaak A. 189.271/IX-

  1. In zake : Viviane PETRE, die woonplaats kiest bij het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt, gevestigd te BRUSSEL, Boudewijnlaan 11 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Viviane PETRE op 6 augustus 2008 heeft ingediend om: - de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 20 juni 2008 (lees: 16 juni 2008) van het directiecomité van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid waarbij dit, in antwoord op de vraag van de verzoekster tot het verkrijgen van een loopbaanversnelling, vaststelt “dat de figuur van de loopbaan- versnelling niet meer bestaat zodat het, zelfs zonder uitspraak te doen over de grond van de zaak, het voordeel niet meer kan toekennen aan mevrouw Petré”; - te vorderen dat de verwerende partij een dwangsom zou worden opgelegd van 2.000 euro per dag dat zij het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest nr. 175.999 van 22 oktober 2007 miskent; Gezien de nota’s van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-6009-1/13 Gelet op de beschikking van 14 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 november 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van de verzoekster en van advocaat N. DE CLERCQ, die loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
  3. De verzoekster is van 9 januari 1991 tot 22 oktober 1997 werkzaam bij het directoraat-generaal van de administratie Gezondheidszorg, departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, eerst in de graad van hoofdklerk-typist, daarna, ingevolge de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel (Vlaams personeelsstatuut van 1993), in de graad van hoofdassistent (rang D 2). In de loop van 1994 neemt zij deel aan het vergelijkend overgangsexamen voor de bevordering tot de graad van directiesecretaris. Zij slaagt niet voor het bijzonder schriftelijk gedeelte, doch deze beslissing wordt bij arrest nr. 74.390 van 22 juni 1998 op vordering van de verzoekster door de Raad van State vernietigd. Intussen wordt aan de verzoekster op basis van haar evaluatie voor het jaar 1995, dus voor haar functioneren als hoofdassistent, een loopbaanversnelling toegekend. IX-6009-2/13 Op basis van haar evaluatie voor het evaluatiejaar 1996 wordt de verzoekster door haar eerste evaluator opnieuw voor een loopbaanversnelling voorgesteld, en dat voorstel wordt bijgevallen door het college van afdelingshoofden van de administratie Gezondheidszorg. Op 14 mei 1997 beslist de directieraad evenwel om de voorgestelde loopbaanversnelling niet toe te kennen. De verzoekster bestrijdt deze weigering voor de Raad van State. Bij arrest nr. 175.999 van 22 oktober 2007 vernietigt de Raad van State de bestreden beslissing. 1.
  4. Op 7 oktober 1998 slaagt de verzoekster voor het mondeling gedeelte van het bevorderingsexamen van directiesecretaris, dat ingevolge voormeld vernietigingsarrest nr. 74.390 van 22 juni 1998 opnieuw was ingericht. Als gevolg hiervan wordt de verzoekster op 23 maart 1999 benoemd tot deskundige (rang B1) in de functie van directiesecretaris bij het directoraat-generaal van de administratie Cultuur, departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, met terugwerkende kracht tot 1 augustus
  5. Met een brief van 15 juni 1999 vraagt de verzoekster om, gelet op de terugwerkende kracht waarmee zij tot deskundige is benoemd, de loopbaanversnelling die zij voor het evaluatiejaar 1995 had verkregen met terugwerkende kracht uitwerking te verlenen in haar functionele loopbaan van deskundige. Deze vraag wordt op 6 juli 1999 door de directeur-generaal van de administratie Ambtenarenzaken afgewezen, op grond dat de verzoekster niet als deskundige is geëvalueerd en niets aantoont dat haar prestaties ook in die hoedanigheid als “bovenmaats” beoordeeld geweest zouden zijn.
  6. Op 13 november 2007 vraagt de verzoekster aan de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin om de betaling van de gerechtskosten welke volgens het hiervóór genoemde arrest nr. 175.999 van 22 oktober 2007 ten laste van de verwerende partij komen. Ingevolge deze vraag stelt het departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media aan het departement Bestuurszaken op 19 november 2007 de vraag welke instantie, gelet op de reorganisatie die het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap IX-6009-3/13 in het kader van de operatie “Beter Bestuurlijk Beleid” heeft ondergaan, moet instaan voor de uitvoering van het arrest. Op 28 november 2007 antwoordt de secretaris-generaal van het departement Bestuurszaken dat er, gelet op de reglementering die van toepassing was op het ogenblik van de vernietigde beslissing en de motieven van het vernietigingsarrest, geen rechtsplicht bestaat voor de overheid om een welbepaalde beslissing te nemen. In een dergelijk geval, zo stelt de secretaris-generaal, is de overheid ertoe gehouden de reglementering toe te passen die geldt op het ogenblik waarop zij, na het vernietigingsarrest, opnieuw uitspraak moet doen. In het geval van de verzoekster kan geen nieuwe beslissing over het toekennen van een loopbaanversnelling worden genomen, aangezien loopbaanversnelling in de huidige reglementering (besluit van de Vlaamse regering van 13 januari 2006 houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid) niet meer bestaat. De secretaris-generaal verwijst bovendien naar een advies dat op 5 november 1999 is gegeven door de administratie Ambtenarenzaken, waarin is opgemerkt dat de verzoekster niet als deskundige is geëvalueerd en niets aantoont dat haar prestaties ook in die hoedanigheid als “bovenmaats” beoordeeld geweest zouden zijn. De secretaris-generaal besluit dat de verzoekster door de beslissing tot het niet toekennen van loopbaanversnelling (ten gevolge van haar evaluatie voor het jaar 1996) in de graad van hoofdassistent geen financiële schade heeft geleden, aangezien een eventuele loopbaanversnelling in de graad van hoofdassistent niet in aanmerking kan worden genomen voor haar huidige loopbaan in niveau B, die begon op 1 augustus
  7. Volgens de secretaris-generaal moet de overheid in dit geval dus geen beslissing tot rechtsherstel nemen. De verzoekster kan natuurlijk een vordering tot schadevergoeding indienen, in welk geval het aan de rechter zal staan om uit te maken of de Vlaamse Gemeenschap vergoeding verschuldigd is. Ten gevolge van dit advies maakt het departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media, het dossier over aan het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, opvolger van de Administratie Gezondheidszorg waarbij de verzoekster voorheen tewerkgesteld was. Met een brief van 14 december 2007 deelt het Agentschap aan de verzoekster mee dat het de gerechtskosten zal terugbetalen. Het deelt verder mee dat geen beslissing tot rechtsherstel genomen moet worden. Voor dat laatste standpunt verwijst het Agentschap naar de hiervóór genoemde nota van het departement Bestuurszaken van 28 november 2007, waarin wordt geconcludeerd dat IX-6009-4/13 de verzoekster door de weigering van een loopbaanversnelling geen financieel nadeel heeft geleden. Een kopie van de nota wordt als bijlage bij de brief gevoegd. Op 29 januari 2008 reageert de vakvereniging die verzoeksters belangen behartigt in een uitvoerig schrijven op de zienswijze van de verwerende partij. De vakvereniging argumenteert als volgt: - Het is niet aan de administratie om opnieuw te oordelen over het belang waarover de Raad van State al in gunstige zin heeft geoordeeld na kennisname van de memories van de partijen. Het feit dat de verzoekster al bevorderd werd in rang B doet niets af aan het belang dat ze heeft om retroactief de mogelijkheid te hebben een loopbaanversnelling toegekend te krijgen. - De verwerende partij moet een nieuwe beslissing nemen over het voorstel tot toekenning van een loopbaanversnelling dat werd gedaan door de eerste evaluator en het College van afdelingshoofden. Indien de overheid van die adviezen wil afwijken zal zij dit grondig moeten motiveren. Daarbij zal zij, gelet op de terugwerkende kracht van de uitgesproken vernietiging, de oude reglementering moeten toepassen. - De houding van de administratie staat haaks op wat is gebeurd met een ander ambtenaar die zich in dezelfde situatie bevond als de verzoekster en aan wie in dezelfde omstandigheden wel een loopbaanversnelling is toegekend. Op 10 juni 2008 stuurt de vakvereniging een ingebrekestelling, aan de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Zij verzoekt de minister om in overeenstemming met de argumenten die werden ontwikkeld in de brief van 29 januari 2008 een nieuwe beslissing te nemen over het voorstel tot toekenning van een loopbaanversnelling aan de verzoekster. Zij stelt verder dat, indien zij geen antwoord ontvangt tegen 24 juni 2008, de verzoekster op grond van artikel 36, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een vordering tot het opleggen van een dwangsom zal indienen wegens niet-uitvoering van het arrest nr. 175.999 van 22 oktober
  8. Op 16 juni 2008 neemt het directiecomité van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid een formele beslissing. De beslissing steunt op de volgende overwegingen: IX-6009-5/13 “[...] De initiële beslissing van 14 mei 1997 was gebaseerd op het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel, zoals dat gold in 1997, meer bepaald de artikelen VIII 78 en VIII
  9. Dat besluit werd opgeheven bij besluit van de Vlaamse regering van 15 juli
  10. Op dit ogenblik bestaat de figuur van de loopbaanversnelling niet meer in de reglementering (besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid van 13 januari 2006), zodat de overheid deze niet meer kan toekennen. Als algemeen principe geldt immers dat de overheid bij het heroverwegen van een door de Raad [van State] vernietigd besluit, rekening moet houden met de gewijzigde omstandigheden en toepassing moet maken van het recht zoals het geldt op het ogenblik dat de handeling wordt overgedaan (art. 2 B.W.; tempus regit actum). Er bestaat een principieel verbod van retroactiviteit. Indien tussen het ogenblik waarop de eerste handeling werd gesteld en het ogenblik waarop de procedure overgedaan moest worden, nieuwe rechtsregels tot stand komen moeten deze worden toegepast. De overheid is na de vernietiging niet meer door dezelfde regels gebonden als ten tijde van de vernietigde benoeming. De terugwerkende kracht van vernietigingsarresten van de Raad van State impliceert niet dat het bestuur, de ten tijde van de eerste beslissing geldende wetgeving moet toepassen en niet de later geldende, actuele regelgeving. Ook wanneer de overheid verplicht is om rechtsherstellende maatregelen te nemen na een vernietigingsarrest, moet dat gebeuren met toepassing van de wetgeving zoals deze geldt op het ogenblik van de nieuwe beslissing en zonder terugwerkende kracht. Op de overheid rust in casu geen verplichting tot het nemen van een welbepaalde beslissing (zij heeft een discretionaire bevoegdheid) zodat zij, na de vernietiging, de handeling niet moet en zelfs niet mag overdoen met toepassing van het recht zoals het toen gold.” Het directiecomité besluit als volgt: “Het directiecomité stelt aldus vast dat de figuur van de loopbaanversnelling niet meer bestaat zodat het, zelfs zonder uitspraak te doen over de grond van de zaak, het voordeel niet meer kan toekennen aan mevrouw Petré.” Die beslissing, die met een schrijven van 20 juni 2008 ter kennis wordt gebracht van de verzoekster en haar vakorganisatie, vormt het voorwerp van de voorliggende vordering tot schorsing. IX-6009-6/13 Vordering tot schorsing
  11. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
  12. Met betrekking tot de tweede voorwaarde voert de verzoekster aan dat zij een drievoudig nadeel ondervindt. Zij voert in de eerste plaats aan dat zij een moreel nadeel lijdt. De manifeste onwil vanwege de overheid om uitvoering te geven aan het vernietigingsarrest van de Raad van State neemt de vorm aan van een tergend optreden. De verzoekster voelt zich persoonlijk geviseerd, geminacht en afgekeurd, nu vaststaat dat een ander personeelslid, dat zich in een identieke situatie als de verzoekster bevond, wel degelijk op hetzelfde ogenblik de voorgestelde loopbaanversnelling heeft gekregen. Het gebrek aan respectvolle bejegening blijkt voorts ook uit de nota van 14 december 2007 (lees: van 28 november 2007), waarin haar wordt aangeraden om rechtsherstel te zoeken bij de burgerlijke rechter. Het is een laakbare praktijk van de verwerende partij om personeelsleden die zich, zoals de verzoekster, in de meest zwakke positie bevinden en die toch de moed durven opbrengen om op te komen voor hun recht, steevast te verwijzen naar de burgerlijke rechter om genoegdoening te vinden. Een dergelijke procedure neemt immers veel tijd in beslag en is duur, en het resultaat is onzeker. Dergelijk gedrag vanwege de overheid is laakbaar en het getuigt van een gebrek aan eerbied. Ten slotte voert de verzoekster aan dat zij de bestreden beslissing, die opnieuw niet deugdelijk gemotiveerd is, ervaart als kwetsend en vernederend en als een miskenning van haar uitstekende prestaties voor het jaar
  13. De verzoekster houdt voor dat wanneer de onwettigheid pas na jaren zal worden rechtgezet door een vernietiging, het psychisch leed niet meer te herstellen is. Als tweede nadeel noemt de verzoekster het feit dat zij reeds sinds 1997 geen zekerheid heeft over een wettelijk correct te nemen beslissing inzake de beloning van haar prestaties. Als de bestreden beslissing niet wordt geschorst zal die termijn voor een nieuwe jarenlange periode verlengd worden en blijft zij al die tijd opnieuw in het ongewisse. IX-6009-7/13 De verzoekster voert ten slotte aan dat de verwerende partij, door geen uitvoering te geven aan het arrest nr. 175.999, het gezag van gewijsde van dat arrest halsstarrig blijft miskennen. Aldus is de verzoekster het slachtoffer van een zware onwettigheid. Volgens haar is dit op zich een voldoende reden om de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te schorsen. 5.
  14. In zoverre de verzoekster aanvoert dat er sprake is van een tergend optreden, waarbij zij zich persoonlijk geviseerd, geminacht en afgekeurd voelt, moet opgemerkt worden dat uit het dossier geen enkele aanwijzing blijkt van een persoonlijke afrekening door het bestuur. Integendeel, in dit stadium van de rechtspleging kan de Raad van State uit het dossier enkel afleiden dat de uitvoering van het arrest nr. 175.999 het bestuur voor een aantal juridische vragen blijkt te stellen -ten gevolge van, enerzijds, de wijziging van de structuur van de administratie, en anderzijds, de wijziging van de reglementering en de afschaffing van de loopbaanversnelling- en dat het bestuur zijn beslissing steunt op een zuiver juridische beoordeling van het dossier. Er moet bovendien worden opgemerkt dat de stelling die in de bestreden beslissing wordt gehuldigd niet is uitgewerkt binnen het bestuur waartoe de verzoekster behoort (het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid), met andere woorden niet door personen die de verzoekster kennen, maar dat die stelling wel is voorgesteld door de juridische afdeling van het departement Bestuurszaken, in de nota van 28 november
  15. Het valt niet in te zien waarom dit departement persoonlijk met de verzoekster zou willen afrekenen. Indien de verzoekster zich persoonlijk geviseerd, geminacht en afgekeurd voelt, dan is dat een zuiver persoonlijk aanvoelen dat geen objectieve grond vindt in de inhoud van de bestreden beslissing, noch in de houding van het bestuur. In zoverre de verzoekster voorts aanvoert dat een collega die zich in dezelfde situatie als zij bevond wel de voorgestelde loopbaanversnelling heeft gekregen, moet opgemerkt worden dat uit de door de verzoekster voorgelegde stukken niet met zekerheid kan worden afgeleid in hoeverre de situatie van die collega vergelijkbaar is met die van de verzoekster. Met name is niet duidelijk of ook voor die collega het probleem is gerezen van de ondertussen gewijzigde reglementering. In zoverre de verzoekster het een laakbare praktijk vindt om personeelsleden te verwijzen naar de burgerlijke rechter, moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat die praktijk niet rechtstreeks te maken heeft met de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zelf. Het spreekt voorts vanzelf dat, IX-6009-8/13 als de overheid op een onwettige wijze zou weigeren een beslissing in een bepaalde zin te nemen, of als zij geen rechtsherstel in natura meer kan bieden, de ambtenaar die het slachtoffer is van een onwettig overheidsoptreden recht heeft op vergoeding van de geleden schade. De nota van 28 november 2007 doet niets meer dan aan het bestaan van dat recht te herinneren. Overigens toont de verzoekster niet aan dat er een “praktijk” zou bestaan om personeelsleden zonder meer te verwijzen naar de burgerlijke rechter. 5.
  16. In zoverre de verzoekster aanvoert dat zij reeds jaren in de onzekerheid verkeert over de -juridisch correcte- beslissing over de beloning van haar prestaties, en dat die onzekerheid nog langer zal voortduren als de bestreden beslissing niet geschorst wordt, erkent de Raad van State dat de verzoekster vele jaren heeft moeten wachten op een uitspraak over haar beroep tegen de beslissing van de directieraad van 14 mei
  17. Die wachttijd kan evenwel niet aan de verwerende partij worden toegeschreven. Het is voorts ook juist dat, indien de thans bestreden beslissing van het directiecomité van 16 juni 2008 niet wordt geschorst, de verzoekster opnieuw een tijd zal moeten wachten alvorens zij uitsluitsel krijgt over de wettigheid van die beslissing. Dit is evenwel een nadeel verbonden aan de duur van de annulatieprocedure. De rechtsonzekerheid die de verzoekster aanvoert is inherent aan elke juridische betwisting, en vloeit niet voort uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Het bedoelde nadeel kan dan ook geen schorsing verantwoorden. 5.
  18. In zoverre de verzoekster ten slotte aanvoert dat zij het slachtoffer is van een zware onwettigheid, herinnert de Raad van State eraan dat het ernstig bevinden van een annulatiemiddel en het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel twee afzonderlijke voorwaarden zijn waaraan moet worden voldaan opdat de schorsing van een bestuurshandeling kan worden bevolen. De ernst van het nadeel volgt niet uit het ernstig karakter van één of meer middelen.
  19. De verzoekster toont aldus niet het bestaan aan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel.
  20. Bij gebreke van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is niet voldaan aan één van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de IX-6009-9/13 bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen. Vordering tot het opleggen van een dwangsom
  21. De verzoekster vraagt dat de Raad van State aan de verwerende partij een dwangsom zou opleggen omdat deze sedert 22 oktober 2007 in gebreke is gebleven een nieuwe beslissing ten gronde te nemen na het arrest nr. 175.999 van die datum, waarbij de beslissing tot weigering van toekenning van een loopbaanversnelling op basis van het evaluatiejaar 1996 is vernietigd. In het dispositief van haar verzoekschrift vraagt de verzoekster dat de Raad van State aan de verwerende partij een dwangsom zou opleggen van 2000 euro “per dag dat zij [de bestreden] beslissing niet schorst gelet op het feit dat verwerende partij het gezag van gewijsde van het annulatiearrest nr. 175.999 van 22 oktober 2007 miskent”.
  22. De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering op, afgeleid uit het feit dat niet voldaan is aan de voorwaarden vervat in artikel 36 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Zij wijst er vooreerst op dat de verzoekster “hinkt op twee gedachten”. Enerzijds wordt ervan uitgegaan dat een nieuwe beslissing is genomen, waarvan dan de vernietiging en de schorsing worden gevraagd, en wordt in het dispositief van het verzoekschrift gevraagd een dwangsom op te leggen per dag dat de bestreden beslissing niet wordt geschorst. Aldus zou de gevorderde dwangsom gezien moeten worden als gevraagd in het kader van een schorsingsverzoek, overeenkomstig artikel 17, § 5, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Anderzijds wordt in het verzoekschrift uitdrukkelijk aangegeven dat de vordering wordt ingesteld overeenkomstig artikel 36 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Een combinatie van de twee vorderingen is echter niet mogelijk: ofwel is een beslissing genomen, en dan kan de verzoekster de vernietiging en de schorsing ervan vragen indien zij meent dat de beslissing niet deugdelijk is, ofwel is geen beslissing genomen, en dan bestaat er ruimte voor het instellen van een vordering overeenkomstig artikel 36 van de gecoördineerde wetten. IX-6009-10/13 Vermits de verzoekster uitdrukkelijk de nieuwe beslissing aanvecht en dus toegeeft dat een beslissing is genomen, kan zij niet zonder met zichzelf in strijd te zijn ook nog eens een vordering instellen op grond van artikel
  23. Ook objectief moet worden vastgesteld dat een beslissing is genomen. In die omstandigheden kan de verzoekster niet om de toepassing van artikel 36 van de gecoördineerde wetten verzoeken. Ten slotte wijst de verwerende partij erop dat de verzoekster in het dispositief van haar verzoekschrift vraagt dat een dwangsom zou worden opgelegd per dag dat de verwerende partij “de beslissing niet schorst”. Een dergelijke vraag is niet verenigbaar met artikel 36 van de gecoördineerde wetten, dat precies uitgaat van de hypothese dat geen beslissing is genomen.
  24. Zoals de verwerende partij terecht opmerkt, zijn er twee verschillende gevallen waarin een dwangsom kan worden gevorderd. Enerzijds bepaalt artikel 17, § 5, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dat het arrest dat de schorsing of de voorlopige schorsing van de tenuitvoerlegging van een akte of een reglement beveelt, op vordering van de verzoekende partij een dwangsom kan opleggen aan de betrokken overheid. Het opleggen van een dergelijke dwangsom dient ter ondersteuning van de uitgesproken schorsing, en is bedoeld om de overheid ervan te weerhouden om de geschorste beslissing verder uit te voeren. Anderzijds bepaalt artikel 36, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten dat, wanneer het herstel van de wettigheid inhoudt dat de vernietiging van een rechtshandeling als bedoeld in artikel 14 gevolgd moet worden door een nieuwe overheidsbeslissing of overheidshandeling, de persoon op wiens verzoek de nietigverklaring is uitgesproken, bij ingebreke blijven van de overheid de Raad van State kan verzoeken aan de betrokken overheid een dwangsom op te leggen. Het opleggen van een dergelijke dwangsom streeft een ander doel na: deze dwangsom is bedoeld om de overheid onder druk te zetten om het vernietigingsarrest uit te voeren, nadat gebleken is dat zij weigert een nieuwe beslissing te nemen. Het is duidelijk dat men zich ofwel in de ene ofwel in de andere situatie bevindt. Ofwel heeft de overheid na de vernietiging van een eerdere beslissing een nieuwe beslissing genomen, en dan is enkel een dwangsom mogelijk met toepassing van artikel 17, § 5, van de gecoördineerde wetten, ter ondersteuning van de schorsing van de uitvoering van de nieuwe beslissing. Een dwangsom met toepassing van artikel 36, § 1, is in die hypothese niet mogelijk, nu de overheid niet gedwongen kan worden om nog een beslissing te nemen, als zij reeds een beslissing IX-6009-11/13 heeft genomen. Ofwel heeft de overheid geen nieuwe beslissing genomen, terwijl uit het vernietigingsarrest volgt dat zij als rechtsherstel een nieuwe beslissing moet nemen, en dan is enkel een dwangsom met toepassing van artikel 36, § 1, mogelijk.
  25. Uit de uiteenzetting van de feiten en de bijgevoegde stukken blijkt dat de verzoekster de procedure bedoeld in artikel 36 van de gecoördineerde wetten heeft gevolgd. Zij heeft de verwerende partij overeenkomstig artikel 36, § 1, tweede lid, op 10 juni 2008 aangemaand tot het nemen van een nieuwe beslissing, ter uitvoering van het arrest nr. 175.999 van 22 oktober 2007, en daarbij aangegeven wat zij als de correcte uitvoering ziet. In de ingebrekestelling heeft zij uitdrukkelijk verwezen naar artikel 36, §
  26. Op 16 juni 2008, enkele dagen na de ingebrekestelling, neemt de overheid een beslissing. Het directiecomité beslist immers dat de verzoekster onmogelijk nog een loopbaanversnelling kan krijgen. Aldus is de reden voor het opleggen van een dwangsom met toepassing van artikel 36, § 1, van de gecoördineerde wetten verdwenen. De omstandigheid dat de verzoekster het niet eens is met de inhoud van de genomen beslissing, doet aan deze vaststelling geen afbreuk. De vraag of die beslissing rechtmatig is, moet beoordeeld worden binnen het raam van het door de verzoekster ingestelde annulatieberoep. Nu er geen sprake meer is van een “in gebreke blijven” om uitvoering te geven aan het arrest nr. 175.999, in de zin van artikel 36, § 1, eerste lid, kan geen beroep meer worden gedaan op de dwangsomprocedure bedoeld in die bepaling. In zoverre de verzoekster haar vordering tot het opleggen van een dwangsom steunt op artikel 36, § 1, van de gecoördineerde wetten, is de vordering onontvankelijk. In zoverre is de exceptie gegrond.
  27. Volledigheidshalve merkt de Raad van State op dat de verzoekster in haar verzoekschrift niet uitdrukkelijk aangeeft op grond van welke bepaling zij vordert dat een dwangsom zou worden opgelegd. Het verzoekschrift zou eventueel begrepen kunnen worden in de zin dat de bedoelde vordering steunt op artikel 17, § 5, eerste lid, van de gecoördineerde wetten. In die hypothese volstaat het vast te stellen dat de vordering tot schorsing is afgewezen. De vordering tot het opleggen van een dwangsom, in IX-6009-12/13 zoverre ze gesteund zou zijn op artikel 17, § 5, dient noodzakelijk hetzelfde lot te ondergaan. OM DIE REDENEN BESLIST DE VOORZITTER : Artikel
  28. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  29. De vordering tot het opleggen van een dwangsom wordt verworpen. Artikel
  30. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 19 januari 2009, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-6009-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.535 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.834 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.