← België

Arrest 189536 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 19/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.536 Rolnummer: A. 83104/IX-1743 Zaak: Arrest 189536 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 19/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-04 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 14:11 Fiche Arrest nr 189.536 van 19 januari 2009 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.536 van 19 januari 2009 in de zaak A. 83.104/IX-

  1. In zake : Marc WEYN, wonende te HAMME, Hollandshof 37 tegen : de Tussengemeentelijke Maatschappij der Vlaanderen voor Watervoorziening, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc WEYN op 23 maart 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de raad van bestuur van 15 januari 1999 van de Tussengemeentelijke Maatschappij der Vlaanderen voor Watervoorziening waarbij zijn definitieve jaarevaluatie over het jaar 1997 wordt toegekend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. MAREEN; Gelet op de beschikking van 10 maart 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 26 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 december 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; IX-1743-1/19 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. DEVERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. MAREEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
  3. De verzoeker is sinds 1 mei 1981 kantonnier bij de Tussengemeentelijke Maatschappij der Vlaanderen voor Watervoorziening (hierna: T.M.V.W.). 1.
  4. Op 15 mei 1997 en 7 november 1997 vinden met de verzoeker functioneringsgesprekken plaats in het kader van zijn evaluatie over het jaar
  5. Op 24 november 1997 kennen zijn evaluatoren hem een globale beoordeling “D” toe. Deze beoordeling bevindt zich tussen de beoordeling “C” (“het algemeen prestatieniveau voldoet gedeeltelijk aan de gestelde eisen”) en de beoordeling “E” (“het algemeen prestatieniveau voldoet aan de gestelde eisen”). De eindconclusie is dienvolgens “positief” (enkel een globale beoordeling “C”, “B” of “A” is een negatieve beoordeling). De globale beoordeling steunt op een aantal detailbeoordelingen. Daarin behaalt hij een beoordeling “D” op de criteria “kwaliteit”, “kwantiteit” en “beschikbaarheid”; op zeven andere criteria behaalt hij een hogere score. De scores worden ingevuld op een evaluatieformulier. De verzoeker is met ziekteverlof van 5 januari 1998 tot 8 mei
  6. Daarna worden pogingen ondernomen om de evaluatie met hem te bespreken, op een dag dat hij aanwezig is op de zetel. Uiteindelijk vindt dat gesprek plaats op 12 juni
  7. Tijdens dat gesprek wordt het evaluatieformulier aan de verzoeker overhandigd. 1.
  8. Met een brief van 10 juli 1998 stelt de verzoeker bij de directeur- generaal beroep in tegen zijn evaluatie. In zijn brief schrijft hij wat volgt: IX-1743-2/19 “Daar ik het niet eens kan zijn met mijn globale beoordeling D, alsook met de detailbeoordeling kwaliteit en kwantiteit, beschikbaarheid, wens ik hiertegen beroep aan te tekenen.” Overeenkomstig artikel 42 van het Statuut van aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden voor het personeel van de T.M.V.W. dient het beroep behandeld te worden door een door de raad van bestuur op te richten adviescommissie evaluatie ad hoc, geleid door de directeur-generaal en verder paritair samengesteld door enerzijds één vertegenwoordiger van elke representatieve vakbondsorganisatie en anderzijds evenveel vertegenwoordigers van de werkgever, met uitsluiting van de bij de zaak betrokken evaluatoren. Ten gevolge van een betwisting omtrent de representativiteit van een bepaalde vakorganisatie kan de adviescommissie niet onmiddellijk samengesteld worden. Op 22 oktober 1998 bepaalt de raad van bestuur welke vakorganisaties vertegenwoordigd zullen worden in de adviescommissie. De directeur-generaal wordt gemachtigd om de adviescommissie samen te stellen. Op 12 november 1998 komt de adviescommissie samen. Nadat de verzoeker, diens evaluatoren en de exploitatiechef gehoord zijn, brengt de commissie een verdeeld advies uit, geredigeerd als volgt: “- Artikel 42 van het ‘Statuut van Aanwervings- en Bevorderingsvoorwaarden van het personeel van de TMVW’ wordt overlopen om de te volgen procedure toe te lichten. - De klacht wordt toegelicht: De heer M. Weyn is niet akkoord met de globale beoordeling D, alsook met de detailbeoordeling kwaliteit, kwantiteit, beschikbaarheid van de functioneringsevaluatie 1997, ontvangen en ondertekend voor ontvangst op 12 juni
  9. Er wordt geen motivering geformuleerd. De vertegenwoordigers van de vakorganisaties drukken hun verwondering uit over het feit dat een klacht over de jaarevaluatie van 1997 pas behandeld wordt in november
  10. De normale termijn bedraagt 30 dagen, na het ondertekenen van het evaluatieformulier. Mevrouw M.P. [hoofd dienst administratie] licht toe dat de jaarevaluatie 1997 van betrokkene effectief werd opgemaakt in december 1997 en de prestatiepremie - uitbetaald in februari 1998 - werd berekend op basis van die jaarevaluatie
  11. De evaluatoren hadden de bedoeling de jaarevaluatie 1997 tijdig over te maken aan betrokkene. Maar de heer M. Weyn meldde zich in de loop van de maand december 1997 ziek. Aanvankelijk was de ziektemelding telkens voor IX-1743-3/19 korte periodes, die elkaar opvolgden (tot 8 mei 1998). Aangezien de evaluator de evaluatie zelf wilde overhandigen aan betrokkene wachtte hij op zijn terugkeer. Op 12 juni 1998 had het eerste functioneringsgesprek van 1998 plaats en werd de jaarevaluatie 1997 overhandigd en ondertekend door betrokkene. De heer M. Weyn diende op 10 juli 1998 klacht in, tijdens de vakantieperiode. Betrokkene werd schriftelijk op de hoogte gesteld dat gelet op de vakantieperiodes de klacht behandeld zou worden in september
  12. Door de problematiek omtrent de ‘Representativiteit van de vakorganisaties’ kon de Raad van Bestuur pas in zitting van 22 oktober 1998 een beslissing nemen omtrent de oprichting en de samenstelling van de Beroepscommissie Evaluatie. Een datum voor de zitting werd vastgelegd; de betrokkene werd in kennis gesteld. Er wordt volledigheidshalve opgemerkt dat de betrokkene in deze periode systematisch werd geïnformeerd met betrekking tot de evolutie in zijn dossier. Deze uitleg wordt bevestigd door de heer J.V. [directeur Winningen, Toevoer en Distributie]. - De heer M. Weyn wordt gehoord: . Hij wenst zich voor de toelichting te laten bijstaan door de heer P.G., [raadsman]. Dit wordt toegestaan door de Directeur-Generaal, rekening houdend met de bepalingen van artikel 16 wet van 19 december 1974, houdende het Syndicaal Statuut ‘Overheidspersoneel’. . De heer P.G. brengt [de artikelen] 37, 38, 39 en 42 van het Statuut van Aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden in herinnering. . Betrokkene beschikt niet over een officiële functiebeschrijving, waardoor de gegrondheid van de evaluatie in het gedrang komt. . De functioneringsgesprekken zijn niet gebeurd. Op 15 mei 1997 is er een aanzet geweest voor een functioneringsgesprek. Op 7 november 1997 had een tweede functioneringsgesprek plaats, dit was naar het gevoel van betrokkene geen ‘echt’ functioneringsgesprek. Er wordt verwezen naar een brief van 10 oktober 1997, die betrokkene niet ontvangen had, waarin verwezen wordt naar de evaluatie, wat niet correct is. . Er werd geen verslag gemaakt na het functioneringsgesprek, het verslag bestond uit een voorgedrukt formulier, wat ingaat tegen de principes van een tweerichtingsgesprek en tegen het gelijkheidsbeginsel. . In het verslag stonden geen negatieve punten en voor de criteria ‘kwantiteit en beschikbaarheid’ werd niets vermeld. . Er zijn geen verslagen in het dossier in de Personeelsdienst, waarin opmerkingen zijn opgenomen voor het werkjaar
  13. De verdediging concludeert met de vraag om de klacht als gegrond te beschouwen en minstens de score van de jaarevaluatie 1996 te geven. IX-1743-4/19 De heer C.D. vraagt of de heer M. Weyn in gans het werkjaar 1997 geen stappen ondernomen heeft om de problemen ter sprake te brengen en reeds vóór, na of tijdens de functioneringsgesprekken naar oplossingen te zoeken. De heer M. Weyn bevestigt dat hij niets ondernomen heeft. - De heer W.V. -werkmeester - 1e evaluator- wordt gehoord. De heer C.D. stelt vragen over de gevolgde procedure: 1/ Zijn de functioneringsgesprekken doorgegaan? De heer W.V. bevestigt dat er 2 functioneringsgesprekken zijn geweest. De persoonlijke ontwikkelingsplannen werden ondertekend door de heer M. Weyn, maar de data zijn niet vermeld op de formulieren. De heer W.V. kan de juiste data niet weergeven. 2/ Waarom werd de evaluatie van 1997 pas op 12 juni 1998 gegeven? De heer W.V. antwoordt dat betrokkene ziek is geworden in de loop van de maand december 1997 tot 8 mei
  14. Met de andere evaluatoren werd de afspraak gemaakt dat hijzelf de evaluatie persoonlijk zou toelichten. Aangezien betrokkene aanvankelijk voor korte opeenvolgende periodes ziek was, werd de bespreking telkens verschoven. Dhr. W.V. heeft geen initiatieven genomen om de evaluatie persoonlijk te gaan overhandigen, omdat dit niet in het statuut voorzien is. Aangezien de heer M. Weyn alleen de vrijdag in de dienst Toevoer aanwezig is, werd hij op 15 mei 1998 +s morgens uitgenodigd voor een functioneringsgesprek. De heer M. Weyn ging niet dadelijk in op de uitnodiging. De heer W.V. heeft dit gemeld aan de heer G.C. [derde evaluator]. Aangezien de heer W.V. nadien dringend naar een werk moest, is dat gesprek niet meer doorgegaan. Op de vraag van de vakorganisaties of de heer M. Weyn vooraf in kennis was gesteld van de datum van het functioneringsgesprek, werd ontkennend geantwoord. In de dienst Toevoer gaf men de planning van de functioneringsgesprekken weer op een uithangbord. De heer M. Weyn kon hiervan kennis nemen op 11 mei
  15. Op 22 mei was de heer M. Weyn in compensatie. Op 28 mei werd de heer M. Weyn uitgenodigd om op 29 mei voor een bespreking binnen te komen. De heer M. Weyn verwittigde op 28 mei de dienst Toevoer dat hij op 29 mei +s morgens naar de dokter moest en nadien op consultatie bij de Arbeidsgeneesheer moest gaan. Op 5 juni was de heer W.V. met verlof. Op 12 juni is het evaluatiegesprek 1997 en het eerste functioneringsgesprek 1998 doorgegaan. Hiervoor had [de verzoeker] een schriftelijke uitnodiging gekregen op 29 mei
  16. 3/ Verloop van het functioneringsgesprek. Tijdens het eerste functioneringsgesprek 1997 heeft de heer M. Weyn geen opmerkingen geformuleerd. Tijdens het tweede functioneringsgesprek 1997 zijn IX-1743-5/19 de opmerkingen schriftelijk toegevoegd aan het persoonlijk ontwikkelingsplan volgens de heer W.V. 4/ Motivering van de evaluatie. Globaal gezien was het functioneren van de heer M. Weyn minder. Opmerkingen hieromtrent zijn terug te vinden in brieven van de chefs naar betrokkene. De vakorganisaties stellen de vraag of men niet in de mogelijkheid was om de evaluatie te overhandigen. De heer W. Van Hulle antwoordt dat hij niet bij de heer M. Weyn thuis is geweest tijdens de ziekteperiode. Bijkomend wordt gevraagd waarom men geen opmerkingen geschreven heeft op de ontwikkelingsplannen van de functioneringsgesprekken. De heer W. Van Hulle verwijst naar een aantal brieven met opmerkingen, die besproken werden tijdens de functioneringsgesprekken. In het eerste functioneringsgesprek heeft de heer M. Weyn geen opmerkingen gegeven. De opmerkingen, tijdens het tweede functioneringsgesprek, zijn genoteerd in de persoonlijke ontwikkelingsplannen. - De heer G.C. -werkleider - 3e evaluator- wordt gehoord: De heer G.C. bevestigt dat de functioneringsgesprekken werden voorbereid door de 2 werkmeesters. Ook de evaluatie werd voorbereid door de werkmeesters en aan hem voorgelegd, waarna een definitieve evaluatie werd vastgelegd. In de loop van het werkjaar 1997 werden een aantal brieven verstuurd naar de heer M. Weyn in verband met foutieve indexen. De brieven werden eveneens in de functioneringsgesprekken toegelicht en besproken. - De heer R.B. -exploitatiechef- wordt gehoord: In het algemeen was de heer R.B. op de hoogte van de mindere prestaties van de heer M. Weyn. Ook wist hij van de brieven met opmerkingen aan betrokkene. Op de vraag waarom hij het evaluatiedocument ondertekend heeft, antwoordt hij dat hij alle evaluatieformulieren van de dienst Toevoer ondertekent. - Confrontatie De heer M. Weyn wordt nogmaals binnen gevraagd en geconfronteerd met het feit dat er 2 functioneringsgesprekken hebben plaatsgevonden en dat de documenten door hem ondertekend werden met schriftelijke toevoeging van opmerkingen in het tweede functioneringsgesprek. De persoonlijke ontwikkelingsplannen worden bewaard bij de dienstchefs en maken geen deel uit van het persoonlijk dossier in de personeelsdienst. De heer P.G. vraagt inzage in de documenten en moet vaststellen dat er inderdaad in het dossier van de heer W.V. functioneringsverslagen aanwezig zijn. De verslagen bevatten schriftelijke opmerkingen en zijn ondertekend door de heer M. Weyn, zonder vermelding van datum. IX-1743-6/19 - BESLUIT Langs werkgeverszijde wordt het volgende advies gegeven: Aangezien de functioneringsgesprekken hebben plaatsgevonden, en de opmerkingen, die de evaluatie motiveren, schriftelijk zijn meegedeeld, wordt voorgesteld om de evaluatie van 1997 te behouden. • De evaluatoren hebben verschillende voorbeelden aangehaald om een lagere score te motiveren. Deze opmerkingen werden via verschillende kanalen aan betrokkene kenbaar gemaakt. Er werd dan ook van werkgeverszijde alles in het werk gesteld, wat redelijker wijze kan verwacht worden, om tot een normaal functioneren van betrokkene te kunnen evolueren. • De redenen van het laattijdig overhandigen van de evaluatie zijn omstandig toegelicht en zijn geldig. Ook na zijn terugkeer uit ziekte, kan uit het gedrag van betrokkene afgeleid worden dat hij niet streefde naar het snel doorgaan van het evaluatiegesprek. • De betrokkene heeft geen enkele kans te baat genomen om zijn grieven kenbaar te maken, alhoewel zich daartoe meerdere kansen aanboden. • Voor meerdere functies bestaan er geen functiebeschrijvingen. Toch zijn de sleuteltaken bekend en kan men daarop geëvalueerd worden. • Overwegende het supra gestelde, kan dan ook besloten worden dat de werkgever alles in het werk heeft gesteld om de procedure met betrekking tot de evaluatie 1997 naar behoren te laten verlopen. Langs vakbondszijde wordt voorgesteld om de jaarevaluatie te veranderen en de jaarevaluatie van 1996 over te nemen. • Bij gebrek aan een goedgekeurde functiebeschrijving, kan de gegrondheid van de evaluatie in vraag gesteld worden. • Tijdens het functioneringsgesprek wordt verwezen naar een brief die betrokkene niet ontvangen heeft, zodat hij zich niet heeft kunnen voorbereiden op het gesprek. De opmerkingen zijn niet volledig opgenomen in de persoonlijk ontwikkelingsplannen en zijn dus niet relevant voor de beïnvloeding van de evaluatie. • Tijdens de functioneringsgesprekken werden onvoldoende opmerkingen geformuleerd om de lagere evaluatiescore op de criteria kwaliteit, kwantiteit en betrouwbaarheid te motiveren. • De evaluator heeft geen enkel initiatief genomen om de evaluatie tijdig kenbaar te maken.” 1.
  17. De raad van bestuur beslist op 15 januari 1999 om niet in te gaan op het verzoek van de verzoeker en om dienvolgens zijn jaarevaluatie over het jaar 1997 te bevestigen. Deze beslissing steunt in het bijzonder op de overweging “dat uit het dossier blijkt dat: IX-1743-7/19 1 de klacht van de heer M. Weyn niet voldoet naar vorm en inhoud en bijgevolg de ontvankelijkheid ervan in het gedrang kan komen;
  18. deze klacht toch niet in behandeling werd genomen, omwille van redenen van gezond en open Personeelsbeleid;
  19. langs werkgeverszijde de nodige inspanningen werden geleverd om het functioneren van de heer M. Weyn naar behoren met de betrokkene bespreekbaar te maken en terzake ook de nodige opmerkingen werden geformuleerd;
  20. langs werkgeverszijde een aantal onduidelijkheden inzake de naleving van alle vormvereisten met betrekking tot de functioneringsevaluatie, zoals vastgelegd in het “Statuut”, bestaan, maar deze van secundaire aard zijn;
  21. door de heer M. Weyn zelf evenmin uitgesproken inspanningen werden geleverd om één en ander in goede banen te leiden;
  22. De functioneringsevaluatie inhoudelijk op afdoende wijze onderbouwd is en de vastgestelde onduidelijkheden inzake de vormvereisten niet van aard zijn om redelijkerwijze aan te nemen dat de scores van de jaarevaluatie dienen gewijzigd te worden;
  23. er nooit formeel uitsluitsel kan gegeven worden met betrekking tot het al dan niet bestaan van enig risico op het inleiden van een procedure voor de Raad van State;
  24. de functioneringsevaluatie finaal bedoeld is om in het belang van de werkgever en de werknemer het functioneren naar behoren en in goede verstandhouding te laten verlopen.” Deze beslissing, die met een brief van 27 januari 1999 ter kennis van de verzoeker wordt gebracht, vormt het voorwerp van het voorliggende beroep. Ontvankelijkheid van het beroep 2.
  25. De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het verzuim van de verzoeker om een georganiseerd beroep uit te putten. Zij voert aan dat de verzoeker het bij artikel 42 van het Statuut van de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden voorgeschreven georganiseerd beroep bij de raad van bestuur niet op regelmatige wijze heeft uitgeput. Zij erkent dat de verzoeker beroep heeft ingesteld bij de raad van bestuur, maar is van oordeel dat hij, in strijd met het voormeld artikel, in zijn beroepsschrift geen enkele reden heeft opgegeven waarop het beroep zou steunen. Het beroep bij de raad van bestuur IX-1743-8/19 was derhalve onontvankelijk. De omstandigheid dat de raad van bestuur, ook al stelt hij vast dat de ontvankelijkheid van het beroep in het gedrang kan komen, het beroep toch behandeld heeft, “omwille van redenen van gezond en open personeelsbeleid”, doet volgens de verwerende partij geen afbreuk aan de onontvankelijkheid van dat intern georganiseerd beroep, en derhalve ook niet aan de onontvankelijkheid van het annulatieberoep bij de Raad van State. 2.
  26. In zijn memorie van wederantwoord vraagt de verzoeker zich af of het intern beroep bij de T.M.V.W. wel een georganiseerd administratief beroep is dat op straffe van onontvankelijkheid moet worden uitgeput. Hij laat het over aan de wijsheid van de Raad van State om over deze vraag uitspraak te doen. Voorts voert de verzoeker aan dat het niet vermelden van de reden van beroep geen reden kan zijn om het beroep bij de Raad van State onontvankelijk te verklaren, aangezien het niet gaat om een substantieel vormvereiste. De verzoeker wijst er ook op dat hij in zijn beroepsschrift van 10 juli 1998 gesteld heeft dat hij niet akkoord kon gaan met zijn globale beoordeling “D”, en evenmin met de detailbeoordeling “D” voor kwaliteit, kwantiteit en beschikbaarheid. Hij vraagt zich af welke andere redenen hij nog zou kunnen aanhalen om in beroep te gaan. Tevens verwijst hij naar het feit dat zijn beroep ontvankelijk is verklaard, aangezien de verwerende partij bij schrijven van 23 juli 1998 de ontvangst ervan bevestigde en tevens meedeelde dat zijn klacht behandeld zou worden door de adviescommissie evaluatie. 2.
  27. In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat artikel 42 van het Statuut enkel voorschrijft dat het beroep de redenen moet omschrijven waarom het beroep wordt aangetekend. De verzoeker meent dat hij aan deze voorwaarde heeft voldaan. Hij wijst erop dat het Statuut niet vereist dat hij de visie van de overheid zou moeten aanhalen, noch dat hij zou moeten uitleggen waarom hij meent beter te verdienen en waarom zijn tekortkomingen niet in aanmerking genomen mogen worden. Dit zou volgens de verzoeker ook weinig zin hebben, aangezien de beroepsprocedure juist tot doel moet hebben de betrokkene te horen omtrent zijn opmerkingen en zijn verweer tegen de toegekende evaluatie te kennen. Hij wijst er voorts nogmaals op dat het beroep ontvankelijk is verklaard, door de behandeling ervan in de adviescommissie, en dat de raad van bestuur, ondanks zijn opmerking dat de klacht niet naar vorm en inhoud voldoet en IX-1743-9/19 de ontvankelijkheid ervan in het gedrang kan komen, de klacht toch in behandeling heeft genomen. Op deze conclusie kan volgens de verzoeker in de procedure voor de Raad van State niet worden teruggekomen, zoniet zou het rechtszekerheidsbeginsel geschonden worden. 2.4.
  28. Artikel 42 van het Statuut van de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden voor het personeel van de T.M.V.W. luidt als volgt: “Indien een personeelslid niet akkoord gaat met zijn/haar jaarevaluatie, dan kan hij/zij tot ten laatste 30 dagen na het ondertekenen van het evaluatieformulier met de scores schriftelijk beroep aantekenen bij de Raad van Bestuur. Het beroep zal de redenen waarom beroep wordt aangetekend omschrijven. De betrokken evaluator wordt op de hoogte gesteld van het beroep. De Raad van Bestuur richt een Adviescommissie Evaluatie ad hoc op, geleid door de Directeur-Generaal, en verder paritair samengesteld met enerzijds één vertegenwoordiger van elke representatieve vakorganisatie en anderzijds evenveel vertegenwoordigers van de werkgever met uitsluiting van de bij die zaak betrokken evaluators. Deze commissie zal alle betrokkenen en kan ook andere personen oproepen en horen. De Adviescommissie Evaluatie moet binnen een termijn van 30 dagen na het aantekenen van het beroep advies uitbrengen. De Raad van Bestuur doet op de eerste zitting volgend op het uitbrengen van het advies van de Adviescommissie Evaluatie de definitieve uitspraak over de zaak.” 2.4.
  29. De verzoeker vraagt zich af of het wel om een georganiseerd administratief beroep gaat, dat op straffe van onontvankelijkheid van een later beroep bij de Raad van State moet worden uitgeput. Onder een georganiseerd administratief beroep moet worden verstaan een beroep dat ertoe strekt de genomen beslissing te doen intrekken, wijzigen of vernietigen en waarbij de overheid tot wie het beroep gericht is verplicht is te antwoorden krachtens een duidelijke normatieve tekst die de beroepsvorm organiseert. Het beroep bedoeld in artikel 42 van het Statuut blijkt aan die omschrijving te beantwoorden. Hieruit volgt dat het bedoelde beroep op regelmatige wijze moet worden uitgeput alvorens de betrokken ambtenaar bij de Raad van State een ontvankelijk annulatieberoep kan instellen. IX-1743-10/19 2.4.
  30. De exceptie doet de vraag rijzen of het beroep bij de raad van bestuur op regelmatige wijze is uitgeput. De verwerende partij meent dat dit niet het geval is omdat de verzoeker in zijn beroepsschrift niet de redenen heeft aangegeven waarom hij beroep heeft ingesteld. Dat de raad van bestuur het beroep toch behandeld heeft, doet volgens de verwerende partij aan die conclusie geen afbreuk. Dit standpunt kan niet worden gevolgd. In zijn beroepsschrift van 10 juli 1998 heeft de verzoeker wel degelijk, weze het summier, zijn grieven tegen de hem toegekende evaluatie uitgedrukt. Hij stelt immers niet akkoord te gaan met zijn globale beoordeling “D”, noch met de detailbeoordelingen over de criteria kwaliteit, kwantiteit en beschikbaarheid. Daarmee geeft hij voldoende de redenen aan waarom hij een beroep heeft ingesteld. In de loop van de procedure heeft de verzoeker die redenen nog verder uitgewerkt. Louter ten overvloede kan ook worden opgemerkt dat de raad van bestuur, weliswaar na te hebben opgemerkt dat “de klacht van de heer M. Weyn niet voldoet naar vorm en inhoud en bijgevolg de ontvankelijkheid ervan in het gedrang kan komen”, de klacht toch in behandeling heeft genomen “omwille van redenen van gezond en open personeelsbeleid” en daarna een einduitspraak heeft gedaan. Aldus moet besloten worden dat het door artikel 42 voorgeschreven beroep wel degelijk regelmatig is uitgeput. De exceptie kan niet worden aangenomen. Ten gronde 3.
  31. De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van artikel 39 van het Statuut van de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden voor het personeel van de T.M.V.W. Hij voert aan dat zijn jaarevaluatie hem pas op 12 juni 1998 kenbaar werd gemaakt. Volgens de verzoeker is die kennisgeving laattijdig, nu voormeld artikel 39 voorschrijft dat “de documenten met de scores tegen uiterlijk 6 december van het desbetreffende jaar (worden) overgemaakt aan het Hoofd van de Dienst Administratie”. IX-1743-11/19 In zijn memorie van wederantwoord voegt hij hieraan toe dat de termijn voorgeschreven bij artikel 39 een vervaltermijn is, die als doel heeft rechtszekerheid te verschaffen. Een dergelijke vervaltermijn kan, aldus de verzoeker, enkel worden verlengd indien dit ook uitdrukkelijk in het Statuut is voorzien, wat hier niet het geval is. 3.
  32. Artikel 39, zevende lid, van het Statuut bepaalt dat de documenten met de scores tegen uiterlijk 6 december van het desbetreffende jaar worden overgemaakt aan het hoofd van de Dienst Administratie, die samen met de chef van de Afdeling Personeel instaat voor het beheer ervan. Uit de combinatie met artikel 39, vierde lid, blijkt dat het evaluatieformulier bedoeld wordt, dat door de evaluatoren wordt ondertekend en door de betrokken ambtenaar voor gezien wordt ondertekend. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de verzoeker het evaluatieformulier pas op 12 juni 1998 voor gezien heeft ondertekend. Uiteraard is dit document dan ook niet tijdig aan het hoofd van de Dienst Administratie meegedeeld. Zoals de verwerende partij in haar memorie van antwoord evenwel terecht opmerkt, heeft de verzoeker de in het middel bedoelde grief niet ingeroepen in het kader van het administratief beroep bij de raad van bestuur. Een grief die de openbare orde niet raakt en die de verzoeker voor de administratieve beroepsinstantie kon inroepen, kan niet voor het eerst voor de Raad van State worden ingeroepen. Te dezen is de termijn bedoeld in artikel 39, zevende lid, van het Statuut een loutere termijn van orde, en geen vervaltermijn, zoals de verzoeker beweert. De termijn is dan ook niet van openbare orde. Nu de verzoeker, zoals gezegd, de grief niet heeft ingeroepen in het kader van het administratief beroep, is het middel bijgevolg onontvankelijk. Ten overvloede kan worden opgemerkt dat, precies omwille van het feit dat het gaat om een termijn van orde, de overschrijding ervan de nietigheid van de bestreden beslissing niet met zich brengt. Het middel kan dan ook in geen geval worden aangenomen. 4.
  33. De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van artikel 42 van het Statuut van de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden voor het personeel van de T.M.V.W. IX-1743-12/19 Hij voert aan dat de adviescommissie evaluatie haar advies niet binnen een termijn van 30 dagen na het aantekenen van het beroep heeft uitgebracht. In zijn memorie van wederantwoord voegt hij hieraan toe dat de termijn van dertig dagen een vervaltermijn is. Het door de verwerende partij aangevoerde argument dat er een betwisting bestond over de representativiteit van een vakorganisatie en dat die doorwerkte op de samenstelling van de commissie, wat ervoor gezorgd heeft dat de oprichting van de commissie werd uitgesteld, kan volgens de verzoeker geen aanleiding zijn voor een termijnverlenging. Het Statuut voorziet immers niet uitdrukkelijk in die mogelijkheid. 4.
  34. Artikel 42, vierde lid, van het Statuut, hiervóór aangehaald, bepaalt dat de adviescommissie evaluatie binnen een termijn van 30 dagen na het aantekenen van het beroep advies moet uitbrengen. De verzoeker heeft bij monde van zijn raadsman de in het middel aangehaalde grief opgeworpen tijdens de behandeling van zijn beroep door de adviescommissie. Door de verslaggeefster is toen uitgelegd dat het inderdaad is omwille van de problematiek van de representativiteit van de vakorganisaties dat de raad van bestuur pas op 22 oktober 1998 een beslissing kon nemen omtrent de oprichting en de samenstelling van de beroepscommissie evaluatie. De termijn bedoeld in artikel 42, vierde lid, is een termijn van orde, en geen vervaltermijn, zoals de verzoeker beweert. De overschrijding van die termijn brengt dan ook de nietigheid van de bestreden beslissing niet met zich. Het middel faalt bijgevolg naar recht. 5.
  35. De verzoeker roept een derde middel in, afgeleid uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het recht van verdediging. De verzoeker voert aan dat het zorgvuldigheidsbeginsel om verscheidene redenen geschonden is: - het beroep van de verzoeker tegen zijn evaluatie werd gedeeltelijk besproken en behandeld in de vergadering van de raad van bestuur van 26 november 1998, terwijl de leden van de raad van bestuur op dat ogenblik niet beschikten over alle stukken van het dossier, en met name niet over een goedgekeurd verslag van de adviescommissie evaluatie; - de verzoeker beschikt niet over een officiële functiebeschrijving; IX-1743-13/19 - op 15 mei 1997 is er een aanzet geweest voor een functioneringsgesprek. Op 7 november 1997 had een tweede functioneringsgesprek plaats, dat echter naar het gevoel van de verzoeker geen “echt” functioneringsgesprek was. Er werd toen verwezen naar een brief van 10 oktober 1997 die de verzoeker niet ontvangen had en men verwijst reeds naar de evaluatie hetgeen niet correct is. Bovendien werd de verzoeker niet voorafgaandelijk, persoonlijk op de hoogte gebracht van het plaatsvinden van een eventueel functioneringsgesprek; - na het functioneringsgesprek werd geen verslag opgesteld. Het zogenaamd verslag bestond uit een voorgedrukt formulier, hetgeen ingaat tegen de principes van een tweerichtingsgesprek en tegen het gelijkheidsbeginsel; - in het verslag stonden geen negatieve elementen en voor de criteria kwaliteit en beschikbaarheid werd niets vermeld. Er zijn geen verslagen waarin opmerkingen zijn opgenomen voor het werkjaar
  36. Het recht van verdediging is volgens de verzoeker geschonden om de volgende redenen: - de verzoeker heeft, niettegenstaande herhaalde verzoeken van zijnentwege, geen inzage gekregen in zijn volledig dossier; - de ontwikkelingsplannen en evaluatieformulieren werden niet allemaal gedateerd, hetgeen aanleiding geeft tot verwisseling; - in strijd met artikel 38 van het Statuut van de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden voor het personeel van de T.M.V.W. heeft de verzoeker na de functioneringsgesprekken geen kopie van het persoonlijk ontwikkelingsplan gekregen. Artikel 38 van het Statuut werd evenmin gerespecteerd, in zoverre dat artikel bepaalt dat persoonlijke ontwikkelingsplannen discrete documenten zijn die door geen enkele instantie of andere personen dan de betrokkenen opeisbaar zijn. 5.2.
  37. Uit de notulen van de vergaderingen van de raad van bestuur blijkt dat deze op 26 november 1998 weliswaar beslist heeft, na een eerste bespreking, om het standpunt van de directie principieel te volgen, maar dat hij het niettemin noodzakelijk vond om nog na te gaan of de procedure correct gevolgd werd. Na kennisneming van aanvullende gegevens beslist de raad van bestuur op 15 januari 1999 om de eerder genomen beslissing te handhaven en dus de evaluatie van de verzoeker te bevestigen. Het enkele feit dat de raad van bestuur bij de eerste bespreking nog niet over alle gegevens beschikte, tast de regelmatigheid van zijn latere beslissing niet aan. IX-1743-14/19 De verwerende partij erkent dat er geen officiële beschrijving bestaat van de functie van kantonnier, een uitdovende graad welke de verzoeker als laatste bezet. Volgens de verwerende partij zijn de evaluatiecriteria de verzoeker niettemin voldoende bekend. Met die zienswijze kan ingestemd worden. Het dossier bevat verscheidene brieven en nota's die aangeven wat van de verzoeker gevraagd werd en hoe hij daarop gereageerd heeft. Evaluator W.V. heeft voor de adviescommissie evaluatie bovendien verklaard dat de evaluatie gesteund is op de bedoelde brieven van de chefs. De verzoeker toont aldus niet aan dat hij in zijn belangen geschaad is door het ontbreken van een functiebeschrijving voor zijn functie. Uit de verklaringen van de evaluatoren voor de adviescommissie evaluatie blijkt dat er in 1997 twee functioneringsgesprekken zijn geweest. De verzoeker ontkent dit gegeven ook niet. Integendeel, hij vermeldt dat die gesprekken plaatsvonden op 15 mei en 7 november
  38. De opmerking van de verzoeker dat het eerste gesprek slechts een “aanzet” was voor een functioneringsgesprek en dat het tweede gesprek naar zijn gevoel geen “echt” functioneringsgesprek was, doet aan het feit zelf van de functioneringsgesprekken geen afbreuk. Wat betreft de brief van 10 oktober 1997, blijkt uit het dossier dat het gaat om een brief van werkleider G.C., en dat die opmerkingen bevat in verband met het opnemen door de verzoeker van indexen op de watermeters. Uit het enkele feit dat de verzoeker hiervan niet op voorhand in kennis werd gesteld en dat hij daarop slechts heeft kunnen repliceren ter gelegenheid van het (tweede) functioneringsgesprek, kan niet afgeleid worden dat zijn recht van verdediging zou zijn geschonden. In de loop van de administratieve beroepsprocedure heeft de verzoeker ten slotte geen kritiek uitgeoefend op de wijze waarop hij ervan verwittigd werd dat een functioneringsgesprek zou plaatsvinden. In zoverre de verzoeker aanvoert dat na de functioneringsgesprekken geen verslag is opgemaakt, herhaalt hij een grief die hij reeds voor de adviescommissie evaluatie heeft aangevoerd. Artikel 38, tweede lid, van het Statuut bepaalt dat aan het einde van ieder functioneringsgesprek een “persoonlijk ontwikkelingsplan i.v.m. de vaardigheids- en de gedragscriteria wordt opgemaakt of bijgestuurd”. Bij een confrontatie tussen de verzoeker en zijn evaluatoren heeft de verzoeker vóór de adviescommissie moeten vaststellen dat er twee “persoonlijke ontwikkelingsplannen” zijn, het ene opgesteld in het voorjaar van 1997 en het andere in het najaar van 1997, die opmerkingen bevatten in verband met het presteren van de verzoeker, in het licht van de criteria die voor de evaluatie IX-1743-15/19 gebruikt zouden worden. Beide documenten zijn mede door de verzoeker ondertekend. Door de evaluatoren is verklaard, zonder op dit punt door de verzoeker te zijn tegengesproken, dat die documenten na de respectieve functioneringsgesprekken zijn opgesteld. Aldus kunnen die documenten als functioneringsverslagen beschouwd worden. De bewering van de verzoeker als zouden er voor het jaar 1997 geen verslagen zijn met negatieve opmerkingen (over zijn presteren), wordt tegengesproken door de gegevens van het dossier. De hiervóór genoemde persoonlijke ontwikkelingsplannen bevatten aanduidingen in verband met de punten waarop de verzoeker minder goed presteert. In verband met de criteria kwaliteit, kwantiteit en beschikbaarheid, waarvoor de verzoeker bij de evaluatie een score “D” heeft gekregen, komen telkens opmerkingen voor op een blad dat is toegevoegd aan het voorgedrukte formulier voor het persoonlijk ontwikkelingsplan. In een bijlage bij het eerste ontwikkelingsplan wordt aldus melding gemaakt van ongunstige elementen onder het opschrift “Kwaliteit en kwantiteit”, terwijl in een bijlage bij het tweede ontwikkelingsplan melding wordt gemaakt van ongunstige elementen onder de opschriften “Kwaliteit en kwantiteit” en “Beschikbaarheid”. In de loop van de administratieve beroepsprocedure heeft de verzoeker geen grief geformuleerd in verband met een ontoereikende mogelijkheid tot inzage in zijn dossier. Bovendien geeft hij thans geen nadere aanwijzing over de stukken die hij niet heeft kunnen inzien. De enkele omstandigheid dat de ontwikkelingsplannen en evaluatieformulieren niet allemaal gedateerd zijn, tast de regelmatigheid ervan niet aan. De bewering dat het ontbreken van een datum leidt tot “verwisseling”, wordt door de verzoeker niet nader toegelicht. In de administratieve beroepsprocedure heeft de verzoeker de schending van artikel 38 van het Statuut niet ingeroepen. Hij maakt ook niet duidelijk op welke manier zijn recht van verdediging geschonden zou zijn, in de veronderstelling dat de vereisten van dat artikel miskend zouden zijn. 5.2.
  39. Het middel kan in geen van zijn onderdelen worden aangenomen. IX-1743-16/19 6.
  40. De verzoeker roept ten slotte een vierde middel in, afgeleid uit de schending van artikel 42 van het Statuut van de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden voor het personeel van de T.M.V.W. Hij voert aan dat artikel 42 van het Statuut bepaalt dat de raad van bestuur definitief uitspraak doet over de zaak op de eerste zitting volgend op het uitbrengen van het advies door de adviescommissie evaluatie. Te dezen dateert het advies van de adviescommissie evaluatie van 12 november
  41. De eerstvolgende vergadering van de raad van bestuur vond plaats op 26 november 1998, maar dan heeft die raad geen definitieve beslissing genomen. De definitieve beslissing is pas genomen op 15 januari
  42. 6.
  43. Artikel 42, vijfde lid, van het Statuut, hiervóór aangehaald, bepaalt inderdaad dat de raad van bestuur op de eerste zitting volgend op het uitbrengen van het advies van de adviescommissie evaluatie de definitieve uitspraak over de zaak doet. De verplichting om op de eerstvolgende vergadering een beslissing te nemen is evenwel niet voorgeschreven op straffe van nietigheid. De verzoeker geeft voorts niet aan op welke manier zijn belangen geschaad zouden zijn ten gevolge van het feit dat de raad van bestuur nog geen definitieve beslissing heeft genomen op de eerstvolgende vergadering na de ontvangst van het advies van de adviescommissie evaluatie. Ten overvloede merkt de Raad van State op dat de raad van bestuur de behandeling van het beroep van de verzoeker heeft uitgesteld of in voortzetting gesteld met het oog op de vervollediging van het dossier of de verificatie van bepaalde aspecten van de zaak. In de concrete omstandigheden van de zaak kan uit het enkele feit dat op 26 november 1998 nog geen definitieve beslissing is genomen, niet worden afgeleid dat artikel 42 van het Statuut is geschonden. Het middel kan niet worden aangenomen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  44. IX-1743-17/19 Het beroep wordt verworpen. IX-1743-18/19 Artikel
  45. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 19 januari 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1743-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.536 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.