← België

Arrest 189537 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 19/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.537 Rolnummer: A. 86623/IX-2019 Zaak: Arrest 189537 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 19/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-02 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 14:12 Fiche Arrest nr 189.537 van 19 januari 2009 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.537 van 19 januari 2009 in de zaak A. 86.623/IX-

  1. In zake : Marc WEYN, wonende te HAMME, Hollandshof 37 tegen : de Tussengemeentelijke Maatschappij der Vlaanderen voor Watervoorziening, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc WEYN op 8 september 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de raad van bestuur van 18 juni 1999 van de Tussengemeentelijke Maatschappij der Vlaanderen voor Watervoorziening waarbij zijn definitieve jaarevaluatie over het jaar 1998 wordt toegekend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. MAREEN; Gelet op de beschikking van 10 maart 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 26 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 december 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; IX-2019-1/17 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. DEVERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. MAREEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
  3. De verzoeker is sinds 1 mei 1981 kantonnier bij de Tussengemeentelijke Maatschappij der Vlaanderen voor Watervoorziening (hierna: T.M.V.W.). 1.
  4. Op 18 december 1998 kennen zijn evaluatoren hem voor het jaar 1998 een globale beoordeling “E” toe (“het algemeen prestatieniveau voldoet aan de gestelde eisen”). Deze globale beoordeling steunt op een aantal detailbeoordelingen. Voor acht detailbeoordelingen behaalt de verzoeker eveneens een beoordeling “E”. Voor de twee overige detailbeoordelingen (“kwaliteit” en “betrouwbaarheid”) krijgt hij een beoordeling “D”. Deze laatste beoordeling bevindt zich tussen de beoordeling “C” (“het algemeen prestatieniveau voldoet gedeeltelijk aan de gestelde eisen”) en de beoordeling “E” (“het algemeen prestatieniveau voldoet aan de gestelde eisen”). 1.
  5. Op 15 januari 1999 stelt de verzoeker beroep in tegen de hem “toegekende deelevaluatie voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Alsook tegen [zijn] hierdoor beïnvloede globale of totale evaluatie van 1998”. Hij motiveert zijn beroep als volgt: “
  6. Het feit dat ik geen inzage en gevraagd afschrift heb bekomen van mijn evaluatiedossier en functioneringsdossier.
  7. Het feit dat mijn persoonlijke ontwikkelingsplannen éénzijdig en zonder consensus zijn opgemaakt.” De verzoeker kondigt aan dat hij ter zitting bijkomende gegevens kan en wil meedelen. IX-2019-2/17 Hij wordt bij brief van 8 februari 1999 opgeroepen om zich op 22 februari 1999 ter beschikking te houden van de inmiddels opgerichte adviescommissie evaluatie ad hoc. De verzoeker, die op dat ogenblik met ziekteverlof is, verschijnt niet op de zitting van de adviescommissie. Een door hem geraadpleegde vakbondsafgevaardigde is wel aanwezig, met een volmacht van de verzoeker waarin deze verklaart dat de afgevaardigde zijn belangen mag waarnemen. De commissie wenst echter “alle betrokkenen te horen, zoals voorzien in het Statuut [van aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden voor het personeel van de T.M.V.W.] en rekening houdend met de expliciete mededeling in de brief van de heer Weyn dat hij “ter zitting bijkomende gegevens kan en wil meedelen””. De behandeling van de zaak wordt dienvolgens uitgesteld. De verzoeker wordt bij brief van 11 maart 1999 uitgenodigd om op 20 april 1999 te verschijnen voor de adviescommissie, met opnieuw de vraag zich “op dat moment ter beschikking te houden”. De verzoeker, die nog steeds met ziekteverlof is, verschijnt opnieuw niet op de zitting, maar heeft wel volmacht gegeven aan een vakbondsafgevaardigde. De commissie beslist de zaak andermaal uit te stellen, omdat zij de verzoeker zelf wenst te horen. Met een schrijven van 28 april 1999 protesteert de vakbondsafgevaardigde “tegen het feit dat er [hem] niet de mogelijkheid werd geboden om eventueel een verklaring af te leggen en de zaak bespreekbaar te maken”. Met een schrijven van 12 mei 1999 antwoordt de directeur-generaal van de T.M.V.W. dat de beslissing om de zaak uit te stellen hem mondeling werd meegedeeld, na de commissiezitting, maar dat hij op dat moment de volmacht van de verzoeker niet heeft overhandigd. De directeur-generaal voegt er voor alle duidelijkheid aan toe “dat het recht van vertegenwoordiging geen algemeen rechtsbeginsel is”. De verzoeker wordt bij brief van 12 mei 1999 opnieuw uitgenodigd om “in persoon” te verschijnen voor de adviescommissie op 26 mei 1999, datum die later wordt verschoven naar 2 juni
  8. Er wordt aan de verzoeker gevraagd dat, indien hij niet aanwezig kan zijn, hij zelf uitdrukkelijk uitstel dient te vragen, gestaafd met een medisch attest. Indien de verzoeker “daaraan verzaakt”, IX-2019-3/17 zal zijn klacht behandeld worden in zijn afwezigheid “en zonder dat het recht van vertegenwoordiging wordt geopend”. Op 1 juni 1999 laat de verzoeker weten dat hij om medische redenen niet aanwezig kan zijn. Hij meent dat hij het recht heeft om schriftelijk zijn standpunt uiteen te zetten. Vervolgens gaat hij gedetailleerd in op de grieven tegen de hem toegekende evaluatie. Bij het schrijven zijn verscheidene bijlagen gevoegd. Op de zitting van 2 juni 1999 stelt de adviescommissie vast dat de verzoeker gewettigd afwezig is, maar niet uitdrukkelijk om uitstel heeft gevraagd. Ze besluit daarom het beroep te behandelen. De vertegenwoordiger van de verzoeker wordt niet gehoord. De eerste en de tweede evaluator worden daarentegen wel gehoord. Na beraadslaging adviseert de commissie dat er “geen redenen zijn om de normale positieve jaarevaluatie van 1998 bij te sturen”. Het advies is geredigeerd als volgt: “(...) - De heer M. Weyn is niet aanwezig, en heeft een medisch attest afgeleverd, waarin vermeld staat dat betrokkene niet in staat is te verschijnen wegens zijn gezondheidstoestand. - De heer M. Weyn heeft vandaag, 2 juni 1999, aan de voorzitter en de leden van de Adviescommissie Evaluatie een document [...] overgemaakt, waarin hij stelt zich schriftelijk te verdedigen aangezien hij om medische redenen niet in staat is te verschijnen. - De heer C.D. heeft na de vorige vergadering van 20.04.99 advies ingewonnen bij meester P.D. Het advies wordt toegelicht. Het besluit luidt als volgt: ‘Ik adviseer U dus Marc Weyn (en zijn evaluatoren) opnieuw op te roepen om in persoon te verschijnen. Blijft betrokkene afwezig en wordt geen uitdrukkelijk, door een medisch attest gestaafd, uitstel gevraagd dan stel ik voor de zaak in zijn afwezigheid - en zonder vertegenwoordiging - te behandelen. Het is daarbij wel te verstaan dat het bedoelde medisch attest niet noodzakelijk de dag van de zitting zelf moet betreffen, maar - wat de ziekteperiode aangaat - wel die dag moet omvatten. De vraag om uitstel echter moet door het personeelslid zelf wel geformuleerd worden.’ Aangezien betrokkene gewettigd afwezig is, maar geen uitdrukkelijk uitstel heeft gevraagd, zijn de leden van de Adviescommissie Evaluatie eenparig akkoord om de klacht te behandelen en bovenvermeld standpunt volledig te volgen. Dit betekent dat de opgeroepen evaluatoren worden gehoord i.v.m. de klacht, maar dat de vertegenwoordiger niet wordt gehoord. - De raadsman - vertegenwoordiger - wordt, buiten de vergadering, op de hoogte gebracht door de heer C.D. van het ingenomen standpunt (cfr. advies P.D.). IX-2019-4/17 - De leden van de Commissie hebben het document van de heer M. Weyn nog niet kunnen inzien. De heer W.D. stelt de vraag of dit wordt toegevoegd aan het dossier en in welke mate de commissie rekening kan houden met stukken die laattijdig worden overgemaakt. Indien het document volledig in detail wordt doorgenomen, dan is het zinvol de vergadering uit te stellen naar een latere datum. Hiermee kan de heer P.D.P. niet akkoord gaan, aangezien volgens hem nu reeds de termijnen niet gerespecteerd zijn. De heer C.D. stelt dat de klacht op 22.01.1999 in de TMVW is binnengekomen. De eerste Commissie had plaats op 22.02.1999, wanneer de 30-dagen termijn gerespecteerd werd. De volledige Commissie was toen akkoord dat de klacht niet kon behandeld worden in zijn afwezigheid, waarna op 20.04.1999 de volgende zitting plaats had. Aangezien ook toen betrokkene niet aanwezig was en er geen eensgezindheid was binnen de Commissie over het al dan niet behandelen van de klacht, werd een advies gevraagd i.v.m. de aanwezigheid en de vertegenwoordiging, en werd de Commissie uitgesteld tot op heden. De 30-dagen termijn kon niet gerespecteerd worden, de vertraging werd niet veroorzaakt door de TMVW. Mevrouw M.P. stelt dat de klacht kan behandeld worden aangezien de volgende motivatie door de heer M. Weyn wordt aangehaald: ‘De heer M Weyn is niet akkoord met de toegekende deelevaluatie voor kwaliteit en betrouwbaarheid alsook met de globale evaluatie
  9. De motivatie wordt als volgt geformuleerd: - het feit dat ik geen inzage en gevraagd afschrift heb bekomen van mijn evaluatie- en functioneringsdossier, - het feit dat mijn persoonlijke ontwikkelingsplannen éénzijdig en zonder consensus zijn opgemaakt. Dit heeft invloed gehad op mijn globale beoordeling.’ Voorgaande wordt verder gemotiveerd in het overhandigde document en kan getoetst worden aan de verklaringen van de evaluatoren, zodat de klacht kan behandeld worden. De leden van de Commissie zijn het eens over de aanpak. => De heer W.V., 1ste evaluator, wordt gehoord. - De heer C.D. leest de klacht voor en vraagt te antwoorden op de eerste klacht nl. ‘het feit dat ik geen inzage en gevraagd afschrift heb bekomen van mijn evaluatie- en functioneringsdossier’. De heer W.V. verklaart dat betrokkene een afschrift heeft bekomen van de persoonlijke ontwikkelingsplannen en van de definitieve jaarevaluatie, d.w.z. van alle officiële documenten, die eveneens door betrokkene geviseerd werden. Betrokkene heeft alle andere documenten kunnen inzien op het moment van bespreking en op een bijkomend moment, op vraag van betrokkene op 09.12.
  10. De tweede klacht wordt voorgelegd nl. ‘het feit dat mijn persoonlijke ontwikkelingsplannen eenzijdig en zonder consensus zijn opgemaakt’. De heer W.V. verklaart dat de functioneringsgesprekken schriftelijk worden voorbereid. Op 13.11.1998, tijdens het tweede functioneringsgesprek, werden de opmerkingen van betrokkene zeker toegevoegd. De formulieren werden getekend voor gezien. Op 15.09.1998 had een tussentijds gesprek plaats, ook daar staat iets van op papier. IX-2019-5/17 Na elk gesprek wordt telkens de vraag gesteld of er nog opmerkingen zijn. Betrokkene heeft geen bijkomende opmerkingen geformuleerd. - De heer P.D.P. vraagt waarom het 2de functioneringsgesprek pas op 13.11.1998 heeft plaats gehad, aangezien de functioneringsgesprekken dienen afgerond te zijn vóór einde oktober. De heer W.V. antwoordt dat de interne dienstnota met de planning van de functioneringsgesprekken werd uitgehangen op 5.10.
  11. Het functioneringsgesprek met de heer M. Weyn dient plaats te hebben op een vrijdag, aangezien betrokkene dan alleen binnen komt. 09.10.1998 W.V. - verlof 16.10.1998 W.V. - verlof 23.10.1998 W.V. - GIS-opleiding 30.10.1998 W.V. - GIS-opleiding 06.11.1998 W.V. - verlof 13.11.1998 functioneringsgesprek De heer J.V. wijst op het tussentijds gesprek van september. Het is logisch dat er voldoende tijd wordt voorzien tussen het tussentijds en het functioneringsgesprek, daarin ligt dan ook de verantwoording van de datum in november. => De heer R.D., tweede evaluator, vervoegt de vergadering. De klacht van de heer M. Weyn en de antwoorden van de heer W.V. worden voorgelegd. De heer R.D. bevestigt de uitspraken van zijn collega. In de dienst Toevoer worden de functioneringsgesprekken schriftelijk voorbereid, opmerkingen worden altijd toegevoegd tijdens het gesprek. Alle medewerkers krijgen een afschrift van de documenten. De evaluatoren verlaten de vergadering. - De heer P.D.P. heeft bedenkingen bij de samenstelling van het dossier en het inzagerecht. Ofwel hanteert men een evaluatiedossier met alleen de officiële documenten zonder persoonlijke nota's en andere documenten, ofwel stelt men een volledig dossier samen waarbij men van alle documenten een afschrift kan bekomen. - De heer C.D. vindt het logisch dat alleen de officiële documenten ter beschikking van het personeel worden gesteld. Mevrouw M. P. stelt dat in de aangepaste evaluatieprocedure, die nog moet besproken en goedgekeurd worden, wordt vastgelegd hoe een evaluatiedossier moet samengesteld worden. Uit voorgaande blijkt dat bij gebrek aan vertrouwen, verschillende zaken verkeerd geïnterpreteerd worden. Het feit dat betrokkene geen afschrift heeft bekomen van alle documenten wordt geïnterpreteerd alsof de chefs iets te verbergen hebben, ondanks het feit dat betrokkene alle stukken heeft kunnen inzien. Wantrouwen wordt het motief om te veronderstellen dat dit alles een invloed heeft op de globale beoordeling. IX-2019-6/17 BESLUIT De heer C.D. besluit dat op grond van voorgaande kan gesteld worden dat de procedure gevolgd werd en dat er geen redenen zijn om de normale positieve jaarevaluatie van 1998 bij te sturen. Dit betekent dat de detail- en de globale beoordeling behouden blijven. De leden van de Commissie verklaren zich akkoord met het advies, behalve de heer P.D.P., die het gevoel heeft dat er onregelmatigheden zijn geweest. De bevestiging daarvan vindt hij in het niet bekomen van de gevraagde afschriften van het volledige dossier en het overschrijden van de termijnen.” 1.
  12. De raad van bestuur beslist op 18 juni 1999 eenparig om niet in te gaan op het verzoek van de verzoeker en om dienvolgens zijn jaarevaluatie over het jaar 1998 te bevestigen. Deze beslissing, die met een brief van 9 juli 1999 ter kennis van de verzoeker wordt gebracht, vormt het voorwerp van het voorliggende beroep. Ontvankelijkheid van het beroep 2.
  13. De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang in hoofde van de verzoeker. In een eerste onderdeel voert zij aan, onder verwijzing naar de artikelen 39 en 42 van het Statuut van aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden voor het personeel van de T.M.V.W., dat een intern beroep slechts openstaat tegen een globale beoordeling en niet tegen een detailbeoordeling, behoudens wanneer deze laatste van aard zou zijn om de globale beoordeling te beïnvloeden. Zij wijst erop dat de verzoeker te dezen in eerste instantie tegen de deelbeoordelingen “kwaliteit” en “betrouwbaarheid” beroep heeft ingesteld. Ook al had de verzoeker een betere score verkregen voor die detailbeoordelingen, dan nog zou zijn globale beoordeling “E” ongewijzigd zijn gebleven. De verzoeker had immers voor acht van de tien detailbeoordelingen de score “E” verkregen, en daartegen kwam hij niet op. De verzoeker had dus geen belang bij zijn intern beroep, en hij heeft daardoor evenmin een belang bij het voorliggende annulatieberoep. In een tweede onderdeel voert de verwerende partij aan dat het Statuut niet uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid van beroep door het personeelslid wanneer hij niet de meest positieve waardering heeft gekregen. Zij stelt dat de verzoeker een positieve evaluatie heeft verkregen en dat aan een “meer” IX-2019-7/17 positieve evaluatie, aangenomen dat een dergelijke evaluatie rechtens zou bestaan (quod non), overeenkomstig de vigerende statutaire bepalingen geen andere rechtsgevolgen verbonden zijn dan aan de “gewone” positieve evaluatie. De verzoeker had dus ook om deze reden geen belang bij zijn intern beroep, en hij heeft daardoor evenmin een belang bij het voorliggende annulatieberoep. 2.
  14. In zijn memorie van wederantwoord wijst de verzoeker er in de eerste plaats op dat hij een gemotiveerd beroep heeft ingesteld tegen de hem toegekende evaluatie. Dit beroep is ontvankelijk verklaard, aangezien de verwerende partij bij schrijven van 22 januari 1999 de ontvangst ervan bevestigde en tevens meedeelde dat zijn klacht behandeld zou worden door de adviescommissie evaluatie. De verzoeker laat voorts gelden dat de globale evaluatie geen rekenkundige som is van de deelevaluaties maar dat de deelevaluaties uiteindelijk de globale evaluatie wel mee bepalen. Een evaluatie “F” voor “jobkennis” zou volgens hem zeker kunnen resulteren in een globaal hogere score. Ten slotte voert de verzoeker aan dat in het Statuut nergens vermeld wordt dat men niet tegen een positieve evaluatie in beroep kan gaan. Hij wijst erop dat artikel 42 van het Statuut bepaalt dat een personeelslid in beroep kan gaan wanneer het niet akkoord gaat met de evaluatie, en dat dit te dezen het geval is. De verzoeker heeft een belang om tegen zijn evaluatie op te komen, nu de evaluatiescore is verbonden met een prestatiepremie en er een onderscheid gemaakt wordt tussen de verschillende mogelijke positieve scores, waardoor er een verschillende financiële beloning ontstaat. 2.
  15. In haar laatste memorie gaat de verwerende partij in op de opmerking van de auditeur-verslaggever dat de verzoeker een moreel belang heeft bij het betwisten van bepaalde evaluaties, in de mate dat ze niet gunstiger voor hem zijn. Volgens de verwerende partij zijn de detailbeoordelingen slechts functioneel ten aanzien van de globale beoordeling zodat ze, eens de evaluatie definitief is geworden, nergens nog te pas komen voor de toepassing van enige statutaire bepaling. IX-2019-8/17 Bovendien is een score “D”, te dezen toegekend voor twee van de tien detailbeoordelingen, geen negatieve score, maar een tussenscore tussen “C” (“het algemeen prestatieniveau voldoet gedeeltelijk aan de gestelde eisen”) en “E” (“het algemeen prestatieniveau voldoet aan de gestelde eisen”). Een score “D” moet bijgevolg beschouwd worden als een beoordeling volgens welke “grotendeels” aan de gestelde eisen is voldaan. Een dergelijke beoordeling heeft geen uitstaans met een vernedering, en de verzoeker kan zich derhalve niet op een moreel belang beroepen. 2.
  16. In zijn verzoekschrift zet de verzoeker met betrekking tot zijn belang uiteen dat de bestreden beslissing zowel materiële gevolgen heeft (de verzoeker heeft niet de prestatiepremie verkregen waarop hij recht had) als morele gevolgen (de verzoeker ervaart de toegekende waardering als vernederend). De verzoeker beroept zich aldus zowel op een materieel als op een moreel belang. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie heeft enkel betrekking op het materieel belang van de verzoeker. Daargelaten de vraag of de verzoeker een materieel belang kan doen gelden, moet in elk geval vastgesteld worden dat de verzoeker een moreel belang heeft bij het aanvechten van een beoordeling van zijn prestaties die, volgens de verzoeker, minder gunstig is dan de beoordeling die hij in werkelijkheid verdiende. Dat moreel belang volstaat voor de ontvankelijkheid van het voorliggende beroep. De exceptie kan niet worden aangenomen. Ten gronde 3.
  17. De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van artikel 39 van het Statuut van de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden voor het personeel van de T.M.V.W. Hij voert aan dat zijn jaarevaluatie hem pas op 18 december 1998 kenbaar werd gemaakt. Volgens de verzoeker is die kennisgeving laattijdig, nu voormeld artikel 39 voorschrijft dat “de documenten met de scores tegen uiterlijk 6 december van het desbetreffende jaar [worden] overgemaakt aan het Hoofd van de Dienst Administratie”. IX-2019-9/17 In zijn memorie van wederantwoord voegt hij hieraan toe dat de termijn voorgeschreven bij artikel 39 een vervaltermijn is, die als doel heeft rechtszekerheid te verschaffen. Een dergelijke vervaltermijn kan, aldus de verzoeker, enkel worden verlengd indien dit ook uitdrukkelijk in het Statuut is voorzien, wat hier niet het geval is. 3.
  18. Artikel 39, zevende lid, van het Statuut bepaalt dat de documenten met de scores tegen uiterlijk 6 december van het desbetreffende jaar worden overgemaakt aan het hoofd van de Dienst Administratie, die samen met de chef van de Afdeling Personeel instaat voor het beheer ervan. Uit de combinatie met artikel 39, vierde lid, blijkt dat het evaluatieformulier bedoeld wordt, dat door de evaluatoren wordt ondertekend en door de betrokken ambtenaar voor gezien wordt ondertekend. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de verzoeker het evaluatieformulier pas op 18 december 1998 voor gezien heeft ondertekend. Uiteraard is dit document dan ook niet tijdig aan het hoofd van de Dienst Administratie meegedeeld. De verzoeker heeft de in het middel bedoelde grief niet ingeroepen in het kader van het administratief beroep bij de raad van bestuur. Een grief die de openbare orde niet raakt en die de verzoeker voor de administratieve beroepsinstantie kon inroepen, kan niet voor het eerst voor de Raad van State worden ingeroepen. Te dezen is de termijn bedoeld in artikel 39, zevende lid, van het Statuut een loutere termijn van orde, en geen vervaltermijn, zoals de verzoeker beweert. De termijn is dan ook niet van openbare orde. Nu de verzoeker, zoals gezegd, de grief niet heeft ingeroepen in het kader van het administratief beroep, is het middel bijgevolg onontvankelijk. Ten overvloede kan worden opgemerkt dat, precies omwille van het feit dat het gaat om een termijn van orde, de overschrijding ervan de nietigheid van de bestreden beslissing niet met zich brengt. Het middel kan dan ook in geen geval worden aangenomen. 4.
  19. De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van artikel 42 van het Statuut van de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden voor het personeel van de T.M.V.W. IX-2019-10/17 IX-2019-11/17 Hij voert aan dat de adviescommissie evaluatie haar advies niet binnen een termijn van 30 dagen na het aantekenen van het beroep heeft uitgebracht. In zijn memorie van wederantwoord voegt hij hieraan toe dat de termijn van dertig dagen een vervaltermijn is. Het verweer van de verwerende partij, die erop wijst dat de adviescommissie de verzoeker persoonlijk wenste te horen, waardoor de behandeling van het beroep zowel op de zitting van 22 februari 1999 als op de zitting van 20 april 1999 is uitgesteld daar de verzoeker toen afwezig was wegens ziekte, kan volgens de verzoeker geen aanleiding zijn voor een termijnverlenging. Hij stelt dat gehoord worden omtrent de feiten niet vereist dat de betrokkene zelf aanwezig is, en dat het volstaat dat hij de gelegenheid heeft gehad om zijn verdediging (schriftelijk) naar voor te brengen. Het Statuut voorziet ook niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid van een termijnverlenging bij afwezigheid wegens ziekte. 4.
  20. Artikel 42, vierde lid, van het Statuut, bepaalt dat de adviescommissie evaluatie binnen een termijn van 30 dagen na het aantekenen van het beroep advies moet uitbrengen. De adviescommissie heeft zich in haar advies ambtshalve uitgesproken over de gevolgen van het feit dat het advies niet binnen de bedoelde termijn werd gegeven. Zij stelde vast dat, omwille van de afwezigheid van de verzoeker, de behandeling van het beroep twee keer werd uitgesteld. Volgens de commissie was de vertraging daardoor niet aan haarzelf te wijten. Impliciet, doch zeker, nam zij aan dat de overschrijding van de termijn haar niet belette alsnog een advies te geven. De termijn bedoeld in artikel 42, vierde lid, is een termijn van orde, en geen vervaltermijn, zoals de verzoeker beweert. De overschrijding van die termijn brengt dan ook de nietigheid van de bestreden beslissing niet met zich. Het middel faalt bijgevolg naar recht. 5.
  21. De verzoeker roept een derde middel in, afgeleid uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het recht van verdediging. De verzoeker voert aan dat het zorgvuldigheidsbeginsel om verscheidene redenen geschonden is: IX-2019-12/17 - het beroep van de verzoeker tegen zijn evaluatie werd gedeeltelijk besproken en behandeld in de vergadering van de adviescommissie evaluatie van 22 februari
  22. Zowel in de vergadering van 22 februari 1999 als van 20 april 1999 werd besloten de commissie naar een latere datum uit te stellen. De definitieve afhandeling gebeurde pas in de zitting van 2 juni 1999; - de verzoeker beschikt niet over een officiële functiebeschrijving; - op 12 juni 1998 vond een eerste functioneringsgesprek plaats, op 15 september 1998 vond een tussentijds gesprek plaats en op 13 november 1998 had een tweede functioneringsgesprek plaats, maar naar het gevoel van de verzoeker waren dat geen “echte” functioneringsgesprekken. Bovendien werd de verzoeker niet persoonlijk op de hoogte gebracht van het plaatsvinden van een eventueel functioneringsgesprek. Er werd slechts een interne nota met de planning van de functioneringsgesprekken uitgehangen op 5 oktober 1998; - na het functioneringsgesprek werd geen verslag opgesteld. Het zogenaamd verslag bestond uit een voorgedrukt formulier, hetgeen ingaat tegen de principes van een tweerichtingsgesprek en tegen het gelijkheidsbeginsel; - in het verslag stonden geen negatieve elementen en voor de criteria kwaliteit en beschikbaarheid werd niets vermeld. Er zijn geen verslagen waarin opmerkingen zijn opgenomen voor het werkjaar 1998; - in de ontwikkelingsplannen werden zaken aangehaald die niets met het functioneren te maken hebben. Het recht van verdediging is volgens de verzoeker geschonden om de volgende redenen: - de verzoeker heeft, niettegenstaande herhaalde verzoeken van zijnentwege, geen inzage gekregen in zijn volledig dossier; - de ontwikkelingsplannen en evaluatieformulieren werden niet allemaal gedateerd, hetgeen aanleiding geeft tot verwisseling; - de verzoeker heeft zich niet kunnen laten bijstaan door een raadsman; - verscheidene bepalingen van artikel 38 van het statuut werden geschonden. 5.2.
  23. Het beroep van de verzoeker tegen zijn evaluatie werd gedeeltelijk besproken en behandeld op de zitting van de adviescommissie evaluatie van 22 februari
  24. De definitieve afhandeling gebeurde, zoals de verzoeker terecht aangeeft, pas op de zitting van 2 juni
  25. De verzoeker toont echter niet aan hoe het zorgvuldigheidsbeginsel hierdoor geschonden zou zijn. IX-2019-13/17 De verwerende partij erkent dat er geen officiële beschrijving bestaat van de functie van kantonnier, een uitdovende graad welke de verzoeker als laatste bezet. Volgens de verwerende partij zijn de evaluatiecriteria de verzoeker niettemin voldoende bekend. Zij verwijst daarvoor onder meer naar de evaluatiecriteria bepaald in artikel 37 van het Statuut en naar de persoonlijke ontwikkelingsplannen die voor de verzoeker in 1998 zijn vastgesteld. In de concrete omstandigheden van de zaak kan met die zienswijze ingestemd worden. Dat de verzoeker niet zou hebben geweten wat van hem verlangd wordt, wordt immers tegengesproken door de stukken van het dossier. De verzoeker toont aldus niet aan dat hij in zijn belangen geschaad is door het ontbreken van een functiebeschrijving voor zijn functie. Op 12 juni 1998 vond een eerste functioneringsgesprek plaats, op 15 september 1998 vond een tussentijds gesprek plaats en op 13 november 1998 had een tweede functioneringsgesprek plaats. De opmerking van de verzoeker dat die gesprekken naar zijn gevoel geen “echte” functioneringsgesprekken waren, doet aan het feit zelf van de functioneringsgesprekken geen afbreuk. Uit het enkele feit dat de verzoeker louter ad valvas verwittigd werd van de datum waarop het laatste gesprek zou plaatsvinden, kan voorts niet worden afgeleid dat het zorgvuldigheidsbeginsel zou zijn geschonden. In zoverre de verzoeker aanvoert dat na de functioneringsgesprekken geen verslag is opgemaakt, moet rekening gehouden worden met artikel 38, tweede lid, van het Statuut. Volgens die bepaling wordt aan het einde van ieder functioneringsgesprek een “persoonlijk ontwikkelingsplan i.v.m. de vaardigheids- en de gedragscriteria” opgemaakt of bijgestuurd. Uit het dossier blijkt dat die plannen opmerkingen bevatten in verband met het presteren van de verzoeker, in het licht van de criteria die voor de evaluatie gebruikt zouden worden. Deze documenten zijn mede door de verzoeker ondertekend. Vóór de adviescommissie evaluatie hebben de evaluatoren verklaard dat die documenten aan het einde van de respectieve functioneringsgesprekken werden gefinaliseerd. Aldus kunnen die documenten als functioneringsverslagen beschouwd worden. De bewering van de verzoeker als zouden er voor het jaar 1998 geen verslagen zijn met negatieve opmerkingen (over zijn presteren), wordt tegengesproken door de gegevens van het dossier. De hiervóór genoemde persoonlijke ontwikkelingsplannen opgesteld na afloop van de functioneringsgesprekken van 15 september 1998 en 13 november 1998 bevatten IX-2019-14/17 aanduidingen in verband met de punten waarop de verzoeker minder goed presteert. Onder meer in verband met de criteria “kwaliteit” en “betrouwbaarheid” zijn opmerkingen gemaakt. Vooral bij het laatstgenoemde ontwikkelingsplan zijn de opmerkingen van negatieve aard. De bewering van de verzoeker dat in de ontwikkelingsplannen zaken worden aangehaald die niets met het functioneren te maken hebben, wordt niet nader verduidelijkt. Wat betreft de mogelijkheid voor de verzoeker om zijn dossier in te zien, moet worden vastgesteld dat hij op 9 december 1998 een afschrift verkregen heeft van de persoonlijke ontwikkelingsplannen en van de definitieve jaarevaluatie. De verzoeker verduidelijkt niet welke documenten van zijn dossier hij niet heeft kunnen inzien, laat staan op welke wijze het eventueel niet inzien van bepaalde documenten hem in zijn recht van verdediging geschaad zou hebben. Hij maakt enkel gewag van een vermoeden dat sommige documenten werden verwisseld, zonder dit nader te preciseren. De enkele omstandigheid dat de ontwikkelingsplannen en evaluatieformulieren niet allemaal gedateerd zijn, tast de regelmatigheid ervan niet aan. De bewering dat het ontbreken van een datum leidt tot “verwisseling”, wordt door de verzoeker niet nader toegelicht. In tegenstelling tot wat de verzoeker beweert, werd hem het recht op bijstand door een raadsman niet ontzegd. Wel werd niet toegestaan dat hij voor de adviescommissie door een vakbondsvertegenwoordiger zou worden vertegenwoordigd. De adviescommissie steunde die beslissing, blijkens een advies van de door de verwerende partij geraadpleegde raadsman, op artikel 42 van het Statuut, naar luid waarvan de adviescommissie alle betrokkenen “zal” horen en andere personen “kan” oproepen en horen. Uit het feit dat de persoonlijke verschijning van de betrokkene vereist was, leidde de raadsman af dat de vertegenwoordiging door een raadsman uitgesloten was. De verzoeker voert niet aan dat de beslissing van de adviescommissie op dit punt onwettig is. Hij toont overigens niet aan dat het gebrek aan vertegenwoordiging door zijn raadsman hem in zijn recht van verdediging heeft geschaad. De Raad van State merkt op dat de verzoeker wel degelijk de gelegenheid heeft gekregen om zijn standpunt (schriftelijk) naar voor te brengen, zoals hij overigens in zijn schrijven van 1 juni 1999 gevraagd had. IX-2019-15/17 Wat betreft de door de verzoeker aangevoerde schending van artikel 38 van het Statuut, dat handelt over het verloop van de functioneringsgesprekken, moet worden vastgesteld dat de verzoeker niet duidelijk maakt op welke manier zijn recht van verdediging geschonden zou zijn, in de veronderstelling dat de vereisten van dat artikel miskend zouden zijn. 5.2.
  26. Het middel kan in geen van zijn onderdelen worden aangenomen. 6.
  27. De verzoeker roept ten slotte een vierde middel in, afgeleid uit de schending van artikel 38, eerste lid, van het Statuut van de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden voor het personeel van de T.M.V.W. Hij voert aan dat artikel 38, eerste lid, van het Statuut bepaalt dat de personeelsleden die geëvalueerd worden met de “C.R.[“conventional rating”]- schalen” jaarlijks twee functioneringsgesprekken hebben, waarvan het eerste in principe plaatsgrijpt vóór eind april en het tweede in principe vóór eind oktober. Te dezen vond het eerste functioneringsgesprek op 12 juni 1998 plaats, op 15 september 1998 vond een tussentijds gesprek plaats, en pas op 13 november 1998 had een tweede functioneringsgesprek plaats. 6.
  28. Artikel 38, eerste lid, van het Statuut bevat een bepaling als uiteengezet in het middel. Zoals de verwerende partij in haar memorie van antwoord terecht opmerkt, heeft de verzoeker de in het middel bedoelde grief niet ingeroepen in het kader van het administratief beroep bij de raad van bestuur. Een grief die de openbare orde niet raakt en die de verzoeker voor de administratieve beroepsinstantie kon inroepen, kan niet voor het eerst voor de Raad van State worden ingeroepen. Te dezen zijn de termijnen bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Statuut termijnen van orde, en geen vervaltermijnen. De termijnen zijn dan ook niet van openbare orde. Nu de verzoeker, zoals gezegd, de grief niet heeft ingeroepen in het kader van het administratief beroep, is het middel bijgevolg onontvankelijk. Ten overvloede kan worden opgemerkt dat, precies omwille van het feit dat het gaat om termijnen van orde, de overschrijding ervan de nietigheid van de bestreden beslissing niet met zich brengt. De verzoeker geeft voorts niet aan op welke manier zijn belangen geschaad zouden zijn ten gevolge van het feit dat zijn IX-2019-16/17 functioneringsgesprekken wat later plaatsvonden dan voorzien in het Statuut. Het middel kan dan ook in geen geval worden aangenomen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  29. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  30. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 19 januari 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-2019-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.537 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.