← België

Arrest 189540 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 19/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.540 Rolnummer: A. 95986/IX-2531 Zaak: Arrest 189540 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 19/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-03 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 14:13 Fiche Arrest nr 189.540 van 19 januari 2009 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.540 van 19 januari 2009 in de zaak A. 95.986/IX-

  1. In zake : Magda DE HAES, die woonplaats kiest bij advocaat C. BEVERNAGE, kantoor houdende te BRUSSEL, Neerveldstraat 101-103 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-
  2. tussenkomende partij : Sonja VANBLAERE, die woonplaats kiest bij advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te BRUSSEL, Franklin Rooseveltlaan
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Magda De Haes op 26 september 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de directeur-generaal van de administratie Algemene Administratieve Diensten van het departement Leefmilieu en Infrastructuur van 5 juli 2000, waarbij Sonja Vanblaere met ingang van 1 augustus 2000 wordt aangewezen tot afdelingshoofd van de afdeling Personeel van de Algemene Administratieve Diensten, bekrachtigd bij besluit van de minister-president van de Vlaamse regering en de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport van 28 juli 2000; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 18 december 2000; Gelet op de beschikking van 27 december 2000 die de tussenkomst van Sonja Vanblaere toelaat; IX-2531-1/9 Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 3 juni 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 24 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 januari 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. MARQUANT die, loco advocaat C. BEVERNAGE verschijnt voor de verzoekster, en van advocaat H. VERMEIRE die, loco advocaat P. DEVERS, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
  4. Met een dienstnota van 7 april 2000 wordt o.m. aan de statutaire personeelsleden van rang A1 en A2 de vacature bekendgemaakt voor de betrekking van afdelingshoofd van de afdeling Personeel bij de Algemene Administratieve Diensten van het departement Leefmilieu en Infrastructuur. IX-2531-2/9 De dienstnota vermeldt onder meer de voorwaarden voor de aanwijzing tot afdelingshoofd. De kandidaten worden erop gewezen dat zij uiterlijk op 8 mei 2000 een beleidsnota bij de afdeling Wervingen en Personeelsbewegingen moeten indienen. 1.
  5. Op 19 april 2000 stellen onder meer de verzoekster en de tussenkomende partij zich kandidaat voor deze betrekking. De verzoekster is op dat ogenblik directeur bij de afdeling Personenvervoer en Luchthavens van de administratie Wegen en Verkeer van het departement Leefmilieu en Infrastructuur. De tussenkomende partij oefent de functie van afdelingshoofd van de afdeling Personeel op dat ogenblik ad interim uit. Zij is in die functie aangewezen bij besluit van de directeur-generaal van de administratie Algemene Administratieve Diensten van 14 juli 1998, bekrachtigd bij ministerieel besluit van 17 juli
  6. De verzoekster heeft tegen die besluiten een beroep ingesteld, gekend onder nummer A. 79.989, dat bij arrest nr. 189.539 van heden wordt verworpen. 1.
  7. In een brief van 4 mei 2000 aan de Interdepartementale Commissie van Leidend Ambtenaren (hierna: interdepartementale commissie) herinnert de verzoekster eraan dat zij in 1998 kandidaat was voor de functie van afdelingshoofd ad interim, dat de interdepartementale commissie toen geoordeeld heeft dat zij over de vereiste generieke competenties beschikte, en dat de departementale directieraad toen geoordeeld heeft dat zij niet over de vereiste competenties beschikte. Zij wijst erop dat zij bij de Raad van State beroep heeft ingesteld tegen die beslissing van de directieraad. Ervan uitgaande dat, in geval van vernietiging, de betrekking opnieuw vacant verklaard moet worden, acht zij het “niet opportuun nu een beleidsnota in te dienen”. Zij meent evenwel nog steeds over dezelfde competenties en vaardigheden te beschikken als in
  8. Op 10 mei 2000 beoordeelt de interdepartementale commissie de generieke competenties van de kandidaten. De commissie is van oordeel dat de tussenkomende partij over de vereiste competenties beschikt. In verband met de verzoekster stelt de commissie vast dat geen beleidsvisie is ingediend. Om die reden is de commissie van oordeel dat de kandidatuur van de verzoekster niet ontvankelijk IX-2531-3/9 is en beslist zij dat de verzoekster niet wordt toegelaten tot het verdere procedureverloop. 1.
  9. Op 20 juni 2000 beslist de directieraad van het departement Leefmilieu en Infrastructuur dat de tussenkomende partij beschikt over de vereiste competenties voor het leiden van de afdeling Personeel. 1.
  10. Bij besluit van de directeur-generaal van de Algemeen Administratieve Diensten van 5 juli 2000 wordt de tussenkomende partij aangewezen tot afdelingshoofd van de afdeling Personeel. Dit besluit wordt bij besluit van 28 juli 2000 bekrachtigd door de minister-president van de Vlaamse regering en de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport. De besluiten van 5 en 28 juli 2000 vormen het voorwerp van het voorliggende beroep.
  11. Bij besluit van de Vlaamse regering van 25 juli 2006 wordt de tussenkomende partij met ingang van 1 augustus 2006 aangewezen als administrateur-generaal van het Vlaams Instituut voor Onroerend Erfgoed, voor een periode van zes jaar. Ontvankelijkheid van het beroep 3.
  12. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste persoonlijk belang in hoofde van de verzoekster. Zij voert aan dat artikel VIII 76ter, tweede lid, van het te dezen toepasselijke besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende de organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna: Vlaams personeelsstatuut van 1993) bepaalt dat de gegadigden voor een te begeven betrekking van afdelingshoofd een nota indienen waarin ze hun beleidsvisie formuleren op de invulling van de betrekking. De dienstnota van 7 april 2000 preciseert dat de beleidsnota dient deel uit te maken van het aanmeldingsdossier, deelt de kenmerken mee waaraan de beleidsnota dient IX-2531-4/9 te voldoen, en bepaalt uitdrukkelijk dat het indienen van een beleidsnota ook vereist is voor gegadigden voor de functie die zich reeds in een vorige aanwijzingsprocedure hebben aangemeld, zelfs al gaat het om gegadigden die in het kader van een vorige procedure voor de desbetreffende functie werden geselecteerd door de desbetreffende directieraad. De verzoekster heeft bewust geen beleidsnota ingediend, zodat haar kandidatuur voor de betrekking van afdelingshoofd niet ontvankelijk was. Het niet, of niet ontvankelijk, kandideren brengt mee, behoudens het met goed gevolg inroepen van een rechtvaardigingsgrond, dat een verzoekster niet over het vereiste persoonlijk belang beschikt om de beslissingen aan te vechten waarin de betrekking wordt gegund aan een medeambtenaar die zijn interesse wel op een ontvankelijke wijze heeft laten blijken en die aan de aanstellingsvoorwaarden voldoet. De verwerende partij merkt op dat het hangende zijn van een annulatieprocedure betreffende de aanwijzing van afdelingshoofd ad interim (zaak A. 79.989) geen rechtvaardigingsgrond is om af te wijken van de wijze waarop gekandideerd dient te worden. 3.
  13. De verzoekster antwoordt hierop in haar memorie van wederantwoord dat zij in haar brief van 4 mei 2000 “impliciet doch ondubbelzinnig” verwezen heeft naar de beleidsvisie die zij in 1998 voor de betrekking van afdelingshoofd ad interim heeft ingediend. De omstandigheid dat tegen deze benoeming een beroep aanhangig was bij de Raad van State zorgde ervoor dat de verzoekster het niet opportuun achtte om haar beleidsvisie nogmaals uitdrukkelijk te herhalen. Zij meent dat de brief van 4 mei 2000 hoe dan ook voldoet aan het vereiste van artikel VIII 76ter van het Vlaams personeelsstatuut van 1993 en dat haar kandidatuur derhalve ontvankelijk was. Voorts merkt zij op dat de interne potentieelinschatting die haar samen met het besluit van de interdepartementale commissie werd overgemaakt een exacte kopie was van de potentieelinschatting die van de verzoekster in 1998 werd gemaakt. Zij stelt dat wanneer de overheid teruggrijpt naar een document uit 1998, bezwaarlijk aan de verzoekster verweten kan worden dat zij hetzelfde doet. IX-2531-5/9 Zij meent dat het bovendien niet aan de interdepartementale commissie toekwam om over de ontvankelijkheid van de beleidsnota te oordelen. De beleidsvisie komt trouwens slechts aan bod in een latere fase van de procedure. 3.
  14. In haar laatste memorie wijst de verzoekster erop dat artikel VIII 76ter niet bepaalt op welk tijdstip de nota met de beleidsvisie moet worden ingediend. Doordat de beleidsvisie slechts aan bod komt in een latere fase van de procedure en niet op het ogenblik dat de interdepartementale commissie moet oordelen over de vereiste generieke competenties, kan het indienen van een beleidsnota onmogelijk een ontvankelijkheidsgrond zijn. De interdepartementale commissie kon volgens de verzoekster dan ook niet weigeren om haar kandidatuur te beoordelen op grond dat ze geen inzage had in haar beleidsnota. Voorts wijst de verzoekster op haar aangetekend schrijven van 4 mei 2000 waarin zij gesteld heeft dat ze het niet opportuun achtte om nu een beleidsnota in te dienen, daar zij in 1998 in het kader van haar kandidatuur voor afdelingshoofd ad interim, die het voorwerp uitmaakt van een hangend annulatieberoep, een beleidsnota heeft ingediend en de interdepartementale commissie toen geoordeeld heeft dat zij over de vereiste generieke competenties beschikt om de functie van afdelingshoofd uit te oefenen. Zij stelt dat indien de interdepartementale commissie opnieuw geoordeeld zou hebben dat zij over de generieke competenties beschikt, zij ofwel haar ongewijzigde nota uit 1998 opnieuw zou hebben overgemaakt ofwel haar beleidsnota nog zou hebben aangepast en tijdig overgemaakt. 3.
  15. De verwerende partij betwist in haar laatste memorie dat nog hangende de procedure een beleidsnota zou kunnen worden ingediend. Zij wijst erop dat artikel VIII 76ter bepaalt, niet alleen dat de kandidaten een beleidsnota moeten indienen (tweede lid), maar ook dat het aan de overheid toekomt om zowel de voorwaarden van aanwijzing vast te leggen als de wijze te bepalen waarop de gegadigden hun interesse kenbaar moeten maken (eerste lid). Te dezen is dit laatste gebeurd in de dienstnota van 7 april 2000 waarbij herhaaldelijk benadrukt wordt dat de beleidsnota als deel van het aanmeldingsdossier bij het aanmelden moet worden ingediend (en dit vóór 8 mei 2000), en waarin bovendien uitdrukkelijk wordt gesteld dat een beleidsnota moet worden ingediend, ook al heeft de kandidaat zich reeds tijdens een vorige aanwijzingsprocedure aangemeld. IX-2531-6/9 3.5.
  16. In beginsel doet degene die kennis heeft gekregen van de oproep tot de kandidaten voor een vacante betrekking, maar zich geen kandidaat heeft gesteld, of een onontvankelijke kandidatuur indient, niet blijken van het rechtens vereiste belang bij de nietigverklaring van de benoeming die in die betrekking wordt gedaan. In dat geval ontbreekt immers het geïndividualiseerde verband tussen de verzoeker en de bestreden benoeming, dat vereist is om de benoeming ontvankelijk te kunnen bestrijden. De zaken liggen slechts anders wanneer de verzoeker deugdelijke redenen had om zich geen kandidaat te stellen. 3.5.
  17. Artikel VIII 76ter, tweede lid, van het Vlaams personeelsstatuut van 1993 luidt als volgt: “De gegadigden voor een te begeven betrekking van afdelingshoofd dienen eveneens een nota in waarin ze hun beleidsvisie formuleren op de invulling van de te begeven betrekking.” In de dienstnota van 7 april 2000 waarbij de vacature voor de betrekking van afdelingshoofd van de Personeel werd bekendgemaakt, werd uitdrukkelijk gesteld dat de bedoelde beleidsnota uiterlijk op 8 mei 2000 bij de afdeling Wervingen en Personeelsbewegingen moest worden ingediend. De verzoekster kan dan ook niet gevolgd worden waar zij stelt dat het indienen van een beleidsnota geen ontvankelijkheidsvoorwaarde zou zijn of dat de beleidsnota ook nog hangende de procedure ingediend zou kunnen worden. 3.5.
  18. In haar brief van 4 mei 2000 deelde de verzoekster aan de interdepartementale commissie mee dat, “gelet op het feit dat hoe dan ook -indien de omstreden beslissingen worden vernietigd- de betrekking opnieuw vacant moet worden verklaard, [zij] het niet opportuun [acht] nu een beleidsnota in te dienen”. Deze brief houdt een uitdrukkelijke weigering in om een beleidsnota in te dienen. Aan de verwerende partij kan niet ten kwade worden geduid dat zij hierin geen impliciete verwijzing naar de in 1998 ingediende beleidsnota voor de betrekking van afdelingshoofd ad interim heeft gelezen. Er kan trouwens worden opgemerkt dat in de dienstnota van 7 april 2000 uitdrukkelijk bepaald werd dat de kandidaat die zich reeds bij een vorige aanwijzingsprocedure had aangemeld, opnieuw een beleidsnota moest indienen, zelfs indien de kandidaat bij de vorige procedure door de departementale IX-2531-7/9 directieraad geselecteerd was. Een impliciete verwijzing naar een vroegere beleidsnota was derhalve ondubbelzinnig uitgesloten. De kandidatuur van de verzoekster was dienvolgens, bij gebrek aan beleidsnota, niet ontvankelijk. Het argument van de verzoekster dat het de interdepartementale commissie niet toekwam om over de ontvankelijkheid van haar kandidatuur te oordelen is desbetreffend niet relevant. 3.5.
  19. Aangezien de verzoekster geen ontvankelijke kandidatuur heeft ingediend en zij daarvoor geen geldige reden kan inroepen, heeft zij geen persoonlijk belang bij het vernietigingsberoep. De exceptie is gegrond.
  20. In het licht van deze conclusie dient niet te worden nagegaan wat het gevolg is van de aanwijzing van de tussenkomende partij als administrateur- generaal van het Vlaams Instituut voor Onroerend Erfgoed op het belang van de verzoekster bij haar annulatieberoep. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  21. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  22. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekster. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. IX-2531-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 19 januari 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-2531-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.540 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.