← België

Arrest 189576 - Penitentiair recht - 20/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.576 Rolnummer: A. 191065/IX-6182 Zaak: Arrest 189576 - Penitentiair recht - 20/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-22 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 14:28 Fiche Arrest nr 189.576 van 20 januari 2009 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.576 van 20 januari 2009 in de zaak A. 191.065/IX-6182 In zake : Mark GROOTAERT, die woonplaats kiest bij advocaat M. LANGEROCK, kantoor houdende te BRUGGE, Dampoortstraat 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Mark GROOTAERT op 14 januari 2009 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van “de beslissing tot tuchtsanctie dd. 10 januari 2009, uitgaande van de directie van de gevangenis te Leuven-Centraal”; Gelet op de beschikking van 15 januari 2009 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 15 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 januari 2009, om 12.00 uur; Gehoord het verslag van D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van de verzoeker en van zijn advocaat M. LANGEROCK en van attaché V. ARICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord adjunct- auditeur A. VAN STEENBERGE, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 31 oktober 2008 in zijn eensluidend advies; IX-6182-1/9 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1. De verzoeker is opgesloten in de strafinstelling van Leuven- Centraal. 2. Op 8 januari 2009 stelt de kwartieroverste JPR een rapport aan de directeur op. Het rapport luidt als volgt : “FOD JUSTITIE Directoraat-generaal uitvoering van straffen en maatregelen Strafinrichting Leuven-Centraal RAPPORT AAN DE DIRECTEUR Betreft: Grootaert Mark Rolnr:9852 Celnr.: 156 Feit(

  1. en)beschouwd als tuchtrechtelijke inbreuk en concrete omstandigheden waarin dit (deze) plaatsvond(en): • Op (datum) 08/01/2009 • om (uur): 14u40 • op (plaats): vleugel E • zijn volgende feiten vastgesteld: PB Ottenburgs Nick en PB Vranckx Patrick begaven zich om 14.40 u. naar de cel van Grootaert om een onderzoek aan zijn toegewezen verblijfsruimte uit te voeren, zoals in de agenda van de celcontroles vermeld stond. Gedetineerde Grootaert weigerde zijn cel te verlaten, omdat volgens zijn zeggen in de basiswet staat dat hij mag aanwezig zijn bij de controle van zijn toegewezen verblijfsruimte . Hij vertelde ook dat hij een grondig onderzoek aan de kledij zou weigeren als hij zijn cel moest verlaten . Ik ( KO Ramaekers ) heb onmiddellijk telefonisch PA Vanwaes op de hoogte gebracht van zijn weigering . Op vraag van de Directie heb ik het hem voor de derde keer gevraagd mee te werken, en toen heeft hij toegestemd dat de twee penitentiaire beambten het grondig onderzoek aan de kledij konden uitvoeren, met de nodige commentaar dat hij ‘Guido’ wel van zijn gelijk ging overtuigen. Bij het verlaten van zijn cel werden de beambten en ikzelf door hem verweten voor debielen en vertelde hij dat we hopelijk dood zouden vallen, zodat hij wat plezier kon beleven. Tijdens de controle van zijn gewezen verblijfsruimte verstoorde hij regelmatig de beambten door aan het venstertje van zijn deur te gaan kijken en de nodige scheldwoorden te roepen (o.a. sukkelaars).Toen PB Swevers Grootaert attent maakte dat hij de collega's hun werk moest laten doen kwam Grootaert dreigend naar hem toe, met gebalde vuist, waarop collega Swevers een stap achteruit ging om fysiek geweld van Grootaert te ontlopen. Ik ben voor Grootaert gaan staan, tot de controle in zijn verblijfsruimte gedaan was. Tijdens deze periode heeft Grootaert KO Ramaekers en PB Swevers en op mijn vraag de toegekomen PB Timmerman Pedro met de dood bedreigd, door te zeggen ‘jullie moeten eraan’. Omdat de IX-6182-2/9 veiligheid van het personeel in gedrang kwam en hij door zijn agressie onrust stookte door andere gedetineerden toe te roepen dat het personeel machtsmisbruik pleegde, en ik een escalatie van andere gedetineerden wou vermijden werd in overleg met PA Vanwaes betrokkene op voorlopige maatregel geplaatst. Gedetineerde Grootaert vernedert constant het personeel en we worden belemmerd om ons werk op een correcte en adequate manier uit te voeren . waren getuigen (vermelden van de volledige identiteit van de getuigen): - PB Swevers Ronny - PB Timmerman Pedro - PB Vranckx Patrick - PB Ottenburgs Nick Gedaan te Leuven op 08/01/2009 Naam en hoedanigheid van het personeelslid: (...)” 3. Op 10 januari 2009 legt de directie van de strafinrichting Leuven- Centraal een tuchtsanctie op aan de verzoeker van “1 maand beperkt regime op vleugel A1”. De tuchtsanctie van 10 januari 2009, die de bestreden beslissing uitmaakt, luidt als volgt : “FOD JUSTITIE Directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen Strafinrichting Leuven Centraal BESLISSING TUCHTSANCTIE Betreft: GROOTAERT Mark • Gelet op : T artikel 81 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende Algemeen reglement van de strafinrichtingen T artikel 82 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende Algemeen reglement van de strafinrichtingen (...) Gelet op de feiten die als volgt worden omschreven: zie rapport aan de directeur van 8 januari 2009 omtrent het belemmeren van het onderzoek van de aan hem toegewezen verblijfsruimte en beledigen van het penitentiair personeel. Er wordt ook melding gemaakt van verbale bedreigingen. Gelet op de argumenten van de gedetineerde en zijn advocaat Saveyn Christophe die het tuchtdossier heeft kunnen raadplegen en hieromtrent op 10 januari 2009 werd gehoord: De heer Grootaert verwijst naar de artikels 108 en 109 van de basiswet. Nergens staat beschreven dat hij zijn verblijfsruimte dient te verlaten tijdens deze controle. Hij heeft zich daartegen verzet. De kwartierchef heeft op een moment ermee gedreigd hem over te brengen naar de veiligheidscel. De heer Grootaert heeft een tijdlijn opgemaakt over de gebeurtenissen. Het conflict omtrent de controle vond plaats om 14u40. Naderhand is hij nog bij de bode geweest om een boodschap af te halen, heeft hij nog een brief gedeponeerd in de brievenbus van de Commissie van Toezicht en naar zijn advocaat getelefoneerd. Tussen 15u15 en 15u45 was hij zoals de andere IX-6182-3/9 gedetineerden op cel, zoals voorzien in het intern reglement (de ‘pispauze’ dixit dhr. Grootaert). Pas om 16u20 werd hij op zijn cel geplaatst met een voorlopige maatregel. Op het formulier van de voorlopige maatregel staat vermeld dat deze om 14u45 ingegaan is. Dit is schriftvervalsing, volgens de heer Grootaert. De voorlopige maatregel mag enkel genomen worden wanneer de orde en de veiligheid in het gedrang komen. Volgens de heer Grootaert is hij niet fysiek agressief geweest, ten bewijze waarvan hij niet onmiddellijk op voorlopige maatregel werd geplaatst en dus nog een poosje vrij mocht rondlopen en dus is de voorlopige maatregel onterecht. Een kwartieroverste zou dit ook bevestigd hebben aan de Voorzitter van de Commissie van Toezicht, zegt betrokkene. Het verzorgen van zijn gebit met een tandenstoker tijdens het conflict werd geïnterpreteerd als het maken van een vuist. Daarnaast is op het formulier van het opleggen van de voorlopige maatregel de reden voor de voorlopige maatregel niet gespecifieerd. Dat maakt de voorlopige maatregel volgens de heer Grootaert ongeldig. Wat betreft zijn beledigend taalgebruik verwijst hij naar documentatie over het Asperger-syndroom waaraan hij lijdt, evenals naar krantenartikels ten tijde van zijn proces. Dergelijke patiënten kunnen zich brutaal opstellen. Volgens de omzendbrieven 1782 en 1792 is machtsmisbruik verboden en dient een genomen maatregel in overeenstemming te zijn met de ernst van het gevaar. Leden van de uitvoerende macht hebben geen bevoegdheid om een wet uit te leggen en vrij te interpreteren. Ook duidt hij op het recht van vrije meningsuiting. Hij verwijst daarmee naar artikelen 84 en 19 van de Grondwet. Door de directeur gestelde vragen en antwoorden van de getuige(n): De directeur stelt dat het maken van een vuist wel agressief overkomt en dat hij wel degelijk mensen verbaal agressief heeft benaderd. Zij vraagt Grootaert bij de huidige feiten te blijven. Hij dient wel grenzen te kennen wat betreft zijn uitlatingen. Zij geeft het woord aan Mr. Saveyn. Mr. Saveyn stelt dat een tuchtrapport geen proces-verbaal is en geen enkele wettelijke bewijswaarde heeft. Gevangenisdirecteurs zetelen in een tuchtprocedure als rechtsprekend orgaan, alhoewel zij geen magistraten zijn. Zij nemen al te vaak voor waar aan, wat in een rapport vermeld staat. Gevangenispersoneel wordt opgeleid om met moeilijke mensen om te gaan. Professionaliteit is hierbij zeer belangrijk. Een gebalde vuist moet niet als een fysieke bedreiging geïnterpreteerd worden. De uitdrukking: 'jullie gaan er aan' is pas een bedreiging als er een voorwaarde aan gekoppeld is. Dit is hier niet het geval. Een tuchtsanctie zal het gedrag van zijn cliënt niet veranderen. Hij lijdt aan een duidelijke stoornis. Hopende dat zijn cliënt zijn woordkeuze wat zal bijschaven, zal deze altijd van dezelfde aard blijven. Men mag hem geen hak zetten door daarom rapporten tegen hem op te maken. Mr. Saveyn vraagt daarom om de tuchtprocedure op te heffen. De vraag tot oproeping van de voorzitter van de Commissie van Toezicht als getuige wordt afgewezen als niet opportuun bij afwezigheid van een inhoudelijke meerwaarde. • Gelet op de volgende tuchtrechtelijke antecedenten : (...)” 4. Voornoemde tuchtsanctie wordt als volgt gemotiveerd: IX-6182-4/9 “(...) T Dhr. Grootaert belemmerde het penitentiaire personeel bij de uitvoering van het voorzien onderzoek van zijn verblijfsruimte, zoals beschreven in de Basiswet. Betrokkene weigerde zijn cel te verlaten. Pas na verwittiging van de PA en op vraag van de directie verliet hij na de derde keer dat hem de vraag werd gesteld zijn cel. Hij bleef het verder onderzoek verstoren. T Door zijn houding stookte hij andere gedetineerden op door ze toe te roepen dat het personeel machtsmisbruik pleegde. T De directie heeft in het belang van de orde en veiligheid het recht om dergelijke controles op geregelde tijdstippen uit te voeren zonder enige belemmeringen vanwege gedetineerden. De gedetineerde heeft tot plicht er zorg voor te dragen dat hij door zijn gedrag ten opzichte van het personeel, medegedetineerden en andere personen de orde en de veiligheid niet in gevaar brengt of verstoort. T Betrokkene gebruikt beledigend en kleinerend taalgebruik ten aanzien van personeelsleden. Problematisch is de wederkerende arrogante en denigrerende wijze waarop De heer Grootaert zich uit tegenover de verantwoordelijke penitentiaire beambte en het gevangenispersoneel in het algemeen (zie tuchtrechte(r)lijke antecedenten). Een dergelijke houding en ingesteldheid zijn ontoelaatbaar(heid) binnen een opendeur regime dat gebaseerd is op een respectvolle omgang en communicatie waarbij wederzijds respect en respect voor het gezag van het personeel essentiële uitgangspunten zijn. T Betrokkene bedreigde eveneens het personeel verbaal, misschien niet in de juridische zin van het woord dan toch op zijn minst op de manier waarop het door het personeel gepercipieerd werd. T Dergelijke provocerende uitlatingen en houding brengen de veiligheid en de orde in het gedrang (nl. een toestand waarin de gedragsregels worden nageleefd die noodzakelijk zijn voor het tot stand brengen of het handhaven van een menswaardig samenlevingsklimaat in de gevan- genis). T Dhr. Grootaert is in het verleden reeds herhaaldelijk gesanctioneerd geworden voor gelijkaardig beledigend gedrag ten aanzien van het gevangenispersoneel (cf. vorige rapporten) én voor het belemmeren van het personeel in de uitvoering van hun taken. T Het beledigen en lasterlijke uitlatingen ten aanzien van een personeelslid vormen een ernstige inbreuk op de reglementering en vragen een sanctie, nl. tijdelijke verwijdering uit het open deurregime. De vraag wordt gesteld of betrokkene nog wel past in een open-deurregime. Na deze maand in beperkt regime zal worden geëvalueerd of hij opnieuw kan doorstromen naar het open-deurregime. T Betrokkene heeft het recht om kritiek te uiten op de reglementaire bepalingen waarop het gevangenissysteem is gebaseerd en/of de uitvoering ervan, maar hij moet deze kritiek uiten via de geëigende kanalen en niet door het beledigen en/of provoceren van het personeel.” Onderzoek van de vordering 5. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat IX-6182-5/9 een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 5.1. Wat de eerste voorwaarde betreft, stelt de Raad van State vast dat de bestreden beslissing dateert van 10 januari 2009, dat ze dezelfde dag aan de verzoeker ter kennis is gebracht en dat de opgelegde maatregel uitwerking heeft met ingang van 10 januari 2009. De verzoeker heeft met een op woensdag 14 januari 2009 per fax verstuurd verzoekschrift de voorliggende vordering ingesteld. Uit deze chronologie wordt afgeleid dat de verzoeker zich terecht beroept op de uiterst dringende noodzakelijkheid om de voorliggende vordering in te stellen en dat hij de vordering met de vereiste spoed heeft ingediend. De verwerende partij betwist de uiterst dringende noodzakelijkheid trouwens niet. In zijn verzoekschrift schrijft de verzoeker bovendien terecht dat : “In de vaste rechtspraak wordt men geacht diligent te zijn wanneer het verzoek wordt neergelegd binnen een termijn van vijf dagen, hetgeen in casu het geval is”. Er is bijgevolg voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2. 5.2.1.1. Wat de tweede voorwaarde betreft, voert de verzoeker een eerste middel aan dat als volgt luidt: “De tuchtsanctie wordt nergens juridisch gemotiveerd. Het is voor verzoeker onduidelijk welke reglementen en of wetsartikelen hij geschonden zou hebben. De motivering is niet afdoende. Op deze wijze worden artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van (
  2. de)bestuurshandelingen geschonden.” 5.2.1.2. Uit de bijlage 4 zijnde de “Beslissing Tuchtsanctie” van 10 januari 2009 blijkt dat de directie van het penitentiair centrum de chronologie van de feiten, die aan de basis liggen van de opgelegde tuchtsanctie, omstandig en precies weergeeft en dat het standpunt van de verzoeker uitvoerig wordt weergegeven. IX-6182-6/9 In het rapport aan de directeur van 8 januari 2009 geeft kwartieroverste JPR een omstandig en gestructureerd relaas weer van wat er precies gebeurd is op 8 januari 2009 en beschrijft hij wat de rechtstreekse aanleiding was van het gedrag van de verzoeker. De feiten worden bevestigd door vier getuigen die de functie uitoefenen van penitentiair beambte. De opgelegde tuchtsanctie wordt uitvoerig en grondig gemo- tiveerd. Deze motivering is op het eerste gezicht terzake dienend, pertinent en afdoend. Dit blijkt uit de omstandigheid dat de formele en materiële motivering van de bestreden beslissing in essentie de volgende elementen bevat: - een gedetailleerde beschrijving van het gedrag van de verzoeker dat aanleiding gaf tot onrust bij de andere gedetineerden; - het belang van de orde en veiligheid binnen de gevangenismuren en het gedrag van de verzoeker gerelateerd aan de vereisten van die orde en veiligheid binnen de gevangenis en meer specifiek de beschrijving van het gedrag van verzoeker tegenover het penitentiair personeel, dat haaks staat op het “open-deurregime” binnen het penitentiair centrum, waarvan de verzoeker genoot; - de bij herhaling provocerende uitlatingen en houding van de verzoeker die de veiligheid en de orde in het gedrang brengen; - het disciplinair verleden van de verzoeker binnen de gevangenis; - de aard van de inbreuken wordt gepreciseerd, waarbij in de aanhef van de bestreden beslissing houdende de tuchtsanctie expliciet wordt verwezen naar de toepasselijke reglementering; - na het verstrijken van de tuchtsanctie zal de gevangenisdirecteur evalueren of de verzoeker opnieuw kan doorstromen naar het open-deurregime; Uit wat voorafgaat volgt dat het eerste middel feitelijke grondslag mist en bijgevolg niet ernstig is. 5.2.2.1. In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij werkt dit middel uit als volgt : “De tuchtsanctie stelt het volgende ‘1 maand beperkt regime op vleugel A’. IX-6182-7/9 Verzoeker merkt op dat hierbij niet genoteerd staat vanaf welke datum de tuchtsanctie van start gaat. Dit is nochtans een essentieel bestanddeel van een tuchtsanctie. Verder is het voor verzoeker totaal onduidelijk wat 1 maand beperkt(
  3. e)regime inhoudt. De tuchtsanctie is veel te vaag en onduidelijk. Op deze wijze is er ook niet tegemoet gekomen aan een essentieel bestanddeel van een tuchtsanctie. In de gegeven omstandigheden wordt het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden.” 5.2.2.2. Het is op het eerste gezicht duidelijk wat de opgelegde tuchtsanctie inhoudt, gelet op het “open-deurregime” waarvan de verzoeker voordien genoot. Aan dit regime worden beperkingen aangebracht, via een niet gepersonaliseerd standaardregime dat wordt beschreven in het document van 11 januari 2009 met als opschrift: “Regime van beperkte vrijheid”, bestaande uit acht punten. Overeenkomstig dit document gaat het regime van beperkte vrijheid voor verzoeker in op 11 januari 2009 en loopt het af op 11 februari 2009 om 20u15. Ter zitting verklaart de verzoeker dat hij voornoemd document nooit heeft ontvangen. De Raad van State stelt in dit verband vast dat de verzoeker “het regime van beperkte vrijheid” geacht wordt te kennen, gelet op een identieke tuchtstraf die hij op 14 januari 2007 opliep, feit dat niet wordt betwist. Bijgevolg is het tweede middel niet ernstig. 6. Bijgevolg is niet voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2. Deze vaststelling volstaat om de voorliggende vordering te verwerpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel 1. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. IX-6182-8/9 Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 20 januari 2009, door : de H. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. D. MOONS. IX-6182-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.576 Gerelateerde publicatie(
  4. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.517 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.