id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.579 Rolnummer: A. 129870/X-11197 Zaak: Arrest 189579 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 20/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-30 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-29 14:29 Fiche Arrest nr 189.579 van 20 januari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.579 van 20 januari 2009 in de zaak A. 129.870/X-11.
- In zake :
- Ferdinand RAUS,
- Palmyre OPDEBEECK, die woonplaats kiezen bij advocaat C. COEN, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 210 A tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ferdinand RAUS en Palmyre OPDEBEECK op 27 november 2002 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 1 oktober 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 22 januari 2002 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij aan de verzoekende partijen de vergunning wordt verleend tot wijziging van de verkavelingsvergunning voor een perceel gelegen te Stabroek, Hoge Weg 52, kadastraal bekend sectie I, nr. 465/T/2; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 1 december 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; X-11.197-1/10 Gelet op de beschikking van 17 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. CLEMENT; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. DERIDDER, die loco advocaat C. COEN verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat J. CLAES, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- Op 10 augustus 1964 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Hoevenen een verkavelingsvergunning voor een grond gelegen aan de Hoge Weg te Hoevenen, kadastraal bekend sectie I, nr.
- De grond wordt opgesplitst in twee loten en artikel 1, 2, 3/ van de voorschriften bepaalt volgende bouwdiepte voor de “strook voor bijgebouwen”: “Gemeten vanaf de voorbouwlijn van het hoofdgebouw: maximum 15 m”. 1.
- Nadat de gemachtigde ambtenaar op 19 maart 1985 een gunstig advies uitbracht worden de twee loten van de voornoemde verkaveling samengevoegd en wordt voor het aldus verkregen perceel een stedenbouwkundige vergunning gegeven voor een kopwoning op de linkerperceelgrens met achteraan een bijgebouw met een bouwdiepte van 12 m gemeten vanaf de voorbouwlijn van het hoofdgebouw. 1.
- Zonder over een stedenbouwkundige vergunning te beschikken wordt achter het voornoemde bijgebouw een gebouw opgericht met daarin een zwembad, op een afstand van 1,35 m van de linker perceelsgrens en met een bouwdiepte van 28,12 m gemeten vanaf de voorbouwlijn van het hoofdgebouw. Op de linker perceelsgrens wordt een 2 m hoge tuinafsluiting met betonplaten geplaatst. X-11.197-2/10 1.
- Op 10 juni 2000 (datum van het ontvangstbewijs) dient de eerste verzoeker bij het gemeentebestuur van Stabroek een aanvraag in tot wijziging van de voorschriften van de verkavelingsvergunning. Meer bepaald beoogt deze aanvraag de uitbreiding van de bouwdiepte tot 30 m ter regularisatie van het overdekt zwembad. Bij de aanvraag wordt onder meer een stuk gevoegd met de hoofding “regularisatie van een overdekt zwembad” met drie foto’s van het laatstgenoemde gebouw en een stuk “bebouwingsvoorbeeld” waarop dit gebouw staat ingetekend. 1.
- Op 12 oktober 2000 geeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stabroek een gunstig preadvies over de aanvraag dat onder meer als volgt is gemotiveerd: “Overwegende dat voor percelen niet gelegen in een verkaveling, er volgens de huidige regelgeving de mogelijkheid bestaat tot het bouwen van een zwembad binnen een straal van 30m van de uiterste grenzen van het woongebouw; Overwegende dat de aanvraag tot uitbreiding van de woonzone met het oog op de regularisatie van een zwembad geen afbreuk doet aan de goede ruimtelijke ordening; Overwegende dat de wetgever volgens het decreet op de ruimtelijke ordening voorziet in de mogelijkheid tot het bekomen van een verkavelingswijziging; dat de aanvraag wordt ingediend om reden van familiale aard; dat de voorgestelde bouwdiepte op het aanvraagplan tot een diepte van 30m stedenbouwkundig aanvaardbaar is; Overwegende dat het perceel een voldoende diepte heeft om de bouwzone uit te breiden; Overwegende dat de goede plaatselijke ordening van de plaats wordt bepaald door o.a. technische stedenbouwkundige aspecten zoals de hinderlijkheid ten overstaan van de omgeving en het landschap, de plaats van de constructies ten overstaan van de perceelsgrenzen en van de zoneringen van het gewestplan; Gelet op het schrijven van het bestuur van ROHM van 27 juli 2000 ...; Gelet op het gehouden openbaar onderzoek van 25 augustus 2000 tot en met 25 september 2000; dat er tijdens deze periode geen bezwaarschriften werden ingediend”. 1.
- Op 24 augustus 2001 verleent de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies, waarin ondermeer het volgende wordt overwogen: “Overwegende dat de aanvraag het wijzigen van de toegelaten bouwdiepte met het oog op de regularisatie van een zwembad betreft; Overwegende dat er n.a.v. het openbaar onderzoek geen bezwaarschriften zijn ingediend; Overwegende dat de aanvrager de toegelaten bouwdiepte wenst uit te breiden tot een bouwdiepte van 30 m; Overwegende dat volgens de stedenbouwkundige voorschriften van toepassing op de verkaveling de bouwdiepte voor hoofdgebouwen toegelaten X-11.197-3/10 wordt op 9 m en maximum 15 m voor bijgebouwen gemeten vanaf de voorgevelbouwlijn van het hoofdgebouw; Overwegende dat de omringende percelen een beperkte oppervlakte hebben; Overwegende dat de structuur van het gebied bepaald is gelet op de reeds bestaande bebouwing en de reeds aanwezige infrastructuur; Overwegende dat voor percelen niet gelegen in een verkaveling binnen een straal van 30 m van de uiterste grenzen van het woongebouw zwembaden aanvaardbaar zijn; Overwegende dat dit in dergelijk geval openlucht zwembaden worden beoogd; Overwegende dat hier een volwaardige bebouwing wordt gerealiseerd; Overwegende dat deze constructie tevens op slechts 1,35 m van de perceelsgrens wordt ingeplant hetgeen stedenbouwkundig onaanvaardbaar is; Gelet op de configuratie en de aanwezige bebouwing van de omliggende percelen; Overwegende dat de ruimtelijke draagkracht wordt overschreden”. 1.
- Op 11 oktober 2001 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stabroek de aanvraag overeenkomstig het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. 1.
- Op 22 januari 2002 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen het door de verzoekende partijen tegen het voornoemde weigeringsbesluit ingestelde beroep in en verleent zij de vergunning. Dit besluit is ondermeer als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat voor het zwembad een bouwvergunning vereist is; Overwegende dat de ter zake geldende verkavelingsvoorschriften een bouwdiepte voor het hoofdgebouw van maximum 15m voorschrijven; dat uit oogpunt van een mogelijke regularisatie van het overdekt zwembad; bijgevolg eerst een verkavelingswijziging dient bekomen te worden; Overwegende dat de aanvraag dient getoetst te worden aan de vereisten van de goede aanleg van de plaats; dat de algemeen geldende voorschriften voor gegroepeerde bebouwing een maximale bouwdiepte voorschrijven van 17m (9m onder zadeldak + 8m onder plat dak); dat het uiteraard geen wettelijk of reglementair voorschrift betreft dat grotere bouwdieptes de facto uitsluit; Overwegende dat de raadsman van beroepers op 26 december 2001 een afschrift heeft bezorgd van het kadasterplan, met aanduiding van woonhuizen in de omgeving met 20 m bouwdiepte en méér; dat de drie panden, aangeduid op het kadasterplan gelegen langsheen de Hoge Weg, een bouwdiepte hebben van ± 22 m, gemeten op het kadasterplan; de panden, gelegen langs de Hooghuisstraat hebben een bouwdiepte van ± 30 m; Overwegende dat het perceel een voldoende diepte heeft (±80m) om de bouwzone uit te breiden; Overwegende dat in eerste aanleg een openbaar onderzoek werd gehouden met verwijzing naar art. 109 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; dat dit artikel ingevolge art. 193 § 2 van vermeld decreet nog niet van toepassing is, doch dat een dergelijk openbaar onderzoek, gezien de aanvraag dateert van voor 1 mei 2000 (in casu van 25 december 1999), toch moet worden georganiseerd op basis van art. 3 van het KB van 6 februari 1971 betreffende de behandeling en openbaarmaking van X-11.197-4/10 verkavelingsaanvragen; dat er, naar aanleiding van dit onderzoek, geen bezwaren werden ingediend; Overwegende dat, rekening houdend met de concrete kenmerken van de aanvraag, de wijziging van verkavelingsvergunning wordt ingewilligd; dat het vergunnen van de gevraagde bouwdiepte de goede plaatselijke aanleg niet in het gedrang brengt”. 1.
- Op 28 februari 2002 stelt de gemachtigde ambtenaar beroep in tegen het voornoemde besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. Dit beroep is onder meer als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat een maximaal toegestane bouwdiepte van 17m als algemene norm wordt gehanteerd; dat een overschrijding hiervan in deze mate de ruimtelijke draagkracht van het perceel overschrijdt. Overwegende dat de wijziging van de verkavelingsvoorschriften in het kader van de regularisatie van een overdekt zwembad wordt aangevraagd. Overwegende dat de inplanting van het zwembad gebeurde op slechts 1,35m van de perceelsgrens en dit evenmin stedenbouwkundig aanvaardbaar is. Gelet op de configuratie en de aanwezige bebouwing van de omliggende - meestal kleinere - percelen, waar zeer grote bouwdieptes nauwelijks voorkomen en vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk zijn. Overwegende dat een verdubbeling van de bouwstrook van 15 naar 30m de structuur en ordening van het gebied schaadt. Overwegende dat de aanvraag niet verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening”. 1.
- Op 1 oktober 2002 willigt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening het beroep van de gemachtigde ambtenaar in en vernietigt hij het voornoemde besluit van de bestendige deputatie. Dit is het bestreden besluit waarin onder meer het volgende wordt overwogen: “Overwegende dat de oorspronkelijke verkavelingsvergunning, gegeven op 10 augustus 1964, twee loten omvat, lot één voor een rijwoning en lot twee voor een kopwoning; dat op 19 maart 1985 de gemachtigde ambtenaar gunstig adviseerde voor de samenvoeging van beide percelen; dat hierbij is gestipuleerd dat de nieuw gevormde kavel, nu 16,20 meter breed, slechts in aanmerking komt voor de oprichting van een kopwoning op de linkerperceelsgrens; Overwegende dat bij deze samenvoeging de oorspronkelijke stedenbouwkundige voorschriften niet werden aangepast, en dus onverminderd blijven bestaan; dat de huidige aanvraag erop gericht is, voor latere eventuele regularisatie van een reeds gebouwd zwembad, de bouwdiepte die op 15 meter was bepaald, uit te breiden tot 30 meter, dit over een breedte van 8 meter, te beginnen in de linker erfgrens; Overwegende dat bewust zwembad op 1,35 meter van de linkerzijdelingse perceelsgrens staat, en een veranda-achtige uitbouw vormt, achteraan op het hoofdgebouw aangesloten; X-11.197-5/10 Overwegende dat een verkaveling een instrument is van ruimtelijke ordening met eenzelfde verordenende kracht als een bijzonder plan van aanleg; dat de bepalingen ervan in principe gericht zijn op een goede ruimtelijke ordening; dat zulk een vergunning wordt afgegeven met het oog op het bouwen en de voorwaarden bepaalt waarvan dat bouwen afhankelijk wordt gesteld; dat hoewel de administratieve overheid, uit oogpunt van plaatselijke aanleg, volkomen vrij oordeelt over de wijzigingen die moeten worden aangebracht in de bepalingen van een verkavelingsvergunning met betrekking tot de gebouwen, zolang die gebouwen nog niet zijn opgericht, zij niet meer vermag haar beoordelingsbevoegdheid met evenveel vrijheid uit te oefenen wanneer die gebouwen reeds tot stand zijn gebracht en zij aldus voor een voldongen feit is geplaatst; dat de wijziging van een verkavelingsvergunning die zulk een voldongen feit bekrachtigt, dan ook slechts uitzondering kan zijn en zich door gewichtige en ernstige redenen moet laten verantwoorden; dat er tegelijk moet aangegeven worden waarom de redenen van een goede aanleg waardoor de bepalingen van de verkavelingsvergunning verantwoord waren niet langer deugdelijk zijn of waarom het met schending van die bepalingen voltrokken feit beter dan deze laatste met die goede plaatselijke aanleg overeenkomt; Overwegende dat de bestendige deputatie de grootte van het terrein heeft aangegrepen om vergunning te geven; dat ook de gemeente voorhoudt dat de plaats veel open groene ruimte biedt achter de rijbebouwing aan de straat; dat nochtans door de plaatsing van het zwembad een stedenbouwkundig irrelevante strook overblijft, doordat deze tot aan het linksaangrenzend eigendom te smal is en ingesloten tussen twee constructies; dat immers noch een werkzame groenaanleg, noch een andere vorm van ruimtelijke aaneensluiting of integratie meer mogelijk is, dit laatste ook gelet op het gedifferentieerd vorm- en materiaalgebruik; dat de gerealiseerde uitbouw door oppervlakte en tot een diepte van 30 meter, niet in verhouding staat tot de hoofdgebouwen op de naaste percelen die veel minder bouwdiepte bezitten; Overwegende dat in die zin de gevraagde verkavelingswijziging geenszins een verbetering van de eigen perceelsordening noch van het stedenbouwkundig evenwicht met de aangrenzende eigendommen inhoudt; dat de goede plaatselijke aanleg zoals die vastlag in de verkavelingsvergunning, enkel verder wordt belast; dat in die zin geen vergunning kan gegeven worden en dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar dient bijgetreden”.
- Het tweede middel 2.
- Het aangevoerde tweede middel In het tweede middel wordt machtsoverschrijding, machtsafwending en de schending van de formele motiveringsplicht aangevoerd. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “Aangezien verwerende partij in het bestreden besluit het volgende stelt: ‘dat hoewel de administratieve overheid, uit oogpunt van de plaatselijke aanleg, volkomen vrij oordeelt over de wijzigingen die moeten worden aangebracht in de bepalingen van een verkavelingsvergunning met betrekking tot de gebouwen, zolang die gebouwen nog niet zijn opgericht, zij niet meer vermag haar beoordelingsvrijheid met evenveel vrijheid uit te oefenen wanneer die gebouwen reeds tot stand zijn gebracht en zij X-11.197-6/10 aldus voor een gedwongen feit is geplaatst; dat de wijziging van een verkavelingsvergunning die zulk een voldongen feit bekrachtigd, dan ook slechts een uitzondering kan zijn en zich door gewichtige en ernstige redenen moet laten verantwoorden’. Dat verzoekende partij van oordeel is dat deze overwegingen, a fortiori in zoverre zij als een onderdeel van de formele motivering zouden worden beschouwd, volstrekt onjuist zijn. Dat immers de verkavelingsvergunning en de bouwvergunning van elkaar dienen te worden onderscheiden. Dat een gebouw, dat in overeenstemming is (of door een wijziging van de verkavelingsvergunning in overeenstemming wordt gebracht) met de verkavelingsvergunning, daarmee geenszins automatisch een bouwvergunning heeft of zal verkrijgen. Dat bij het verlenen van een bouwvergunning immers nog andere stedenbouwkundige aspecten worden betrokken dan bij het opstellen of wijzigen van een verkavelingsvergunning, welke doorgaans is beperkt tot de algemene voorschriften inzake bouwwijze (zadeldak, plat dak, bouwhoogte, e(n)z.) en bouwdiepte. Dat het derhalve geenszins is uitgesloten dat voor een bestaande constructie, welke planmatig wordt geregulariseerd door een wijziging van de verkavelingsvergunning, vervolgens alsnog de bouwvergunning wordt geweigerd. Aangezien er derhalve geen enkele reden is om aan de bevoegde overheid een andere bevoegdheid toe te kennen al naargelang een wijziging van de verkavelingsvergunning wordt gevraagd voordat, dan wel nadat een bepaalde constructie is opgetrokken. Dat de stelling van verwerende partij erop neer komt dat de aanvrager wordt gesanctioneerd doordat de inplanting van een constructie, welke perfect regelmatig zou kunnen worden toegestaan middels een wijziging van de verkavelingsvergunning, zou worden geweigerd omdat zij reeds werd gerealiseerd. Dat dit volstrekt ingaat tegen het wezenskenmerk van de rechtsfiguur van de regularisatie. Dat het standpunt van verwerende partij erop neerkomt dat een woning, die in gesloten bebouwing wordt opgetrokken op een braakliggend en nog niet verkaveld perceel tussen twee bestaande woningen en met in acht name van alle voorschriften inzake profiel, bouwhoogte, materialen, enz., strenger zou worden beoordeeld in het kader van een regularisatie. Dat de aberratie van de redenering van verwerende partij duidelijk is. Dat een constructie ofwel planmatig en stedenbouwkundig mogelijk is, ofwel niet. Dat er geen enkele rechtsgrond voorhanden is om een constructie die voor regularisatie in aanmerking komt en daartoe aan alle voorwaarden voldoet, strenger te beoordelen dan in het kader van de aanvraag van een verkavelings- en bouwvergunning voordat de constructie is opgetrokken. Aangezien een dergelijke houding machtsoverschrijding uitmaakt, aangezien de overheid in het kader van het al dan niet verlenen van verkavelingsvergunningen en bouwvergunningen enkel vermag te toetsen aan de wettelijke, decretale en reglementaire voorschriften, en enkel kan nagaan of een gebouw op basis daarvan al dan niet kan worden opgetrokken. Dat het gegeven dat een constructie zou zijn opgetrokken zonder bouwvergunning of in strijd met een verkavelingsvergunning, geen element is in de bestuurlijke beoordeling of de constructie op die plaats mogelijk is en derhalve kan worden geregulariseerd. Dat het tevens machtsoverschrijding uitmaakt om in het kader van een aanvraag tot wijziging van een verkavelingsvergunning, elementen te betrekken die enkel relevant zijn voor de beoordeling van een aanvraag tot bouwvergunning. X-11.197-7/10 Dat verzoekende partij er terzake op wijst dat onterecht bij de beoordeling rekening wordt gehouden met het gegeven of het een overdekt dan wel een openlucht-zwembad betreft. Dat dit gegeven irrelevant is bij de beoordeling van de aanvraag tot wijziging van de verkavelingsvergunning. Dat dit element immers slechts moet en kan warden beoordeeld op het ogenblik dat verzoekende partij (na het bekomen van de wijziging van de verkavelingsvergunning) een bouwvergunning zal aanvragen in het kader van de noodzakelijke stedenbouwkundige regularisatie. Aangezien een dergelijke houding van verwerende partij tevens machtsafwending uitmaakt, aangezien zij beoogt een bestraffende maatregel in te voeren ten nadele van de eigenaar van een niet-vergunde constructie, doordat het verlenen van een vergunning in het kader van de beoogde regularisatie op andere gronden en ten nadele van de aanvrager zou worden beoordeeld dan voorzien in de regelgeving op de ruimtelijke ordening. Dat minstens de facto verzoekende partij op een strengere en meer ongunstige wijze wordt behandeld in het kader van zijn aanvraag tot wijziging van de verkavelingsvergunning. Dat dit met zoveel woorden wordt toegegeven in het bestreden besluit. Dat verwerende partij niet vermag, zonder het verbod op machtsafwending en machtsoverschrijding te schenden, het beroep van verzoekende partij op een andere wijze te toetsen afhankelijk van de vraag of het al dan niet een regularisatie betreft. Dat de elementen aan de hand van dewelke wordt beoordeeld of een wijziging van een verkavelingsvergunning kan worden verleend, onafhankelijk moeten zijn van het gegeven of het al dan niet een regularisatie betreft”. 2.
- Beoordeling van het tweede middel 2.2.
- Het blijkt dat het doel van de aanvraag tot wijziging van de verkavelingsvoorschriften gelegen is in de regularisatie van een in strijd met die voorschriften opgericht bouwwerk. Wanneer de bevoegde overheid gunstig beschikt op dergelijke aanvraag moet blijken waarom de redenen van de goede plaatselijke aanleg waardoor de voorschriften van de verkavelingsvergunning verantwoord waren niet meer deugdelijk zijn en waarom de met schending van die voorschriften gecreëerde toestand beter dan deze laatste met de goede plaatselijke aanleg overeenstemt. Anders dan de verzoekende partijen voorhouden moet er bij het beoordelen van dergelijke aanvraag geen abstractie worden gemaakt van het gegeven of het al dan niet een regularisatie betreft. In het bestreden besluit wordt de aanvraag strijdig geacht met de goede plaatselijke aanleg omdat “de gerealiseerde uitbouw door oppervlakte en tot een diepte van 30 meter niet in verhouding staat tot de hoofdgebouwen op de naaste percelen die veel minder bouwdiepte bezitten” en omdat “door de plaatsing van het zwembad een stedenbouwkundig irrelevante strook overblijft”. In zoverre de weigering steunt op de aangevraagde bouwdiepte moet worden vastgesteld dat dit geenszins kan beschouwd worden als een gegeven X-11.197-8/10 dat enkel relevant zou zijn voor de beoordeling van een later nog in te dienen aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning. In het verzoekschrift wordt de wettigheid van het motief van de te grote bouwdiepte op zichzelf niet bekritiseerd. In zoverre de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord stellen dat “aangrenzende panden wel degelijk over een aanzienlijk diepere bouwdiepte beschikken” voeren zij op niet ontvankelijke wijze een nieuw middel aan. De motieven met betrekking tot “de oppervlakte van de gerealiseerde uitbouw” en de “stedenbouwkundig irrelevante strook” steunen op het “bebouwingsvoorbeeld” dat staat ingetekend op het bij de aanvraag horende plan. Het feit dat, na een goedkeuring van de onderhavige wijziging van de verkavelingsvoorschriften de vergunningverlenende overheid nog de mogelijkheid zal hebben om een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning te weigeren op grond van deze motieven, verhindert niet dat het bestreden besluit op afdoende motieven berust. Het tweede middel is niet gegrond. 2.2.
- Het auditoraatsverslag is met toepassing van artikel 24, tweede lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, beperkt tot het onderzoek van het tweede middel. Het is noodzakelijk voor de oplossing van het geschil dat ook de overige middelen door een lid van het auditoraat worden onderzocht en dat daarover verslag wordt uitgebracht. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. X-11.197-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig januari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-11.197-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.579 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.849 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div