← België

Arrest 189662 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 20/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.662 Rolnummer: A. 187064/XIV-30119 Zaak: Arrest 189662 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 20/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-02 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-29 14:34 Fiche Arrest nr 189.662 van 20 januari 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.662 van 20 januari 2009 in de zaak A. 187.064/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat M. VAN DEN BROECK, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 15 februari 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 5706 van 14 januari 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 2231 van 27 februari 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 11 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 december 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-30.119-1/15 Gehoord de opmerkingen van Advocaat St. BUYSSE die, loco Advocaat M. VAN DEN BROECK verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché R. LARNO, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Iraanse nationaliteit, komt op 20 augustus 2006 België binnen en vraagt op 15 december 2006 om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
  4. Deze aanvraag wordt op 12 september 2007 door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
  5. Verzoekster tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 2 oktober 2007 hoger beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
  6. Op de zitting van 11 december 2007 van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen worden verzoekster, bijgestaan door Advocaat M. KALIM, loco Advocaat P. MASUREEL, en Attaché P. VAN COSTENOBLE, die optreedt voor de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, gehoord waarna de debatten worden gesloten en de zaak in beraad wordt genomen. 1.
  7. Op 14 januari 2008 velt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest, waarbij aan verzoekster de vluchtelingen- en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd. XIV-30.119-2/15 Deze beslissing is als volgt gemotiveerd : “De voornaamste gegevens van de zaak kunnen als volgt worden samengevat: 1.
  8. Verzoekster kwam volgens haar verklaringen op 20 augustus 2006 het Rijk binnen en diende op 15 december 2006 een asielaanvraag in. Op 12 september 2007 werd een beslissing tot weigering van de hoedanigheid van vluchteling en tot weigering van de subsidiaire beschermingsstatus genomen. Het onderhavige beroep is gericht tegen deze beslissing. 1.
  9. Het asielrelaas wordt als volgt weergegeven in de bestreden beslissing: “U heeft de Iraanse nationaliteit en u bent afkomstig van Abadan. Volgens uw verklaringen was u officieel verloofd met ADAMIAT Sayed toen deze in 1380 (2001-2002 in de Gregoriaanse kalender) Iran verliet en op 3 oktober 2001 in België asiel aanvroeg. In het kader van de eerste asielaanvraag van uw toenmalige verloofde besliste het Commissariaat-generaal op 2 april 2002 tot een bevestigende beslissing van weigering van verblijf. Op 23 maart 2005 diende hij een tweede asielaanvraag in. Het Commissariaat-generaal nam op 18 november 2005 opnieuw een bevestigende beslissing van weigering van verblijf. Op 24 oktober 2006 diende hij een derde asielaanvraag in. De Dienst Vreemdelingenzaken besliste op 14 november 2006 tot een weigering van overwegingname van deze vluchtelingenverklaring. U verklaarde dat u in de herfst van 1381

(2002)op de universiteit van Arsanjan door drie agenten van de Ettelaat ondervraagd werd over Sayed. Op dezelfde dag kregen ook uw vriendinnen vragen over u. Nadien had u voortdurend het gevoel dat men u in de gaten hield. In de tweede maand van 1383 (mei 2004) werd u op de universiteitscampus opnieuw door dezelfde agenten ondervraagd. Deze keer werd u ook weggeleid naar de Revolutionaire Rechtbank, waar u gedurende vier dagen vragen over Sayed diende te beantwoorden. Men wilde vooral weten waar hij zich bevond. U verklaarde geen contact meer met hem te hebben hoewel jullie nog steeds verloofd waren en jullie wel degelijk contact onderhielden. U kreeg foto's te zien van zijn deelname aan een manifestatie in Shiraz. Zelf werd u van niets beschuldigd of verdacht. Uiteindelijk bent u na tussenkomst van uw vader op vrije voeten gesteld. Na uw vrijlating werd u echter medegedeeld dat u van de universiteit was ontslagen omwille van de belangstelling die het Ministerie van Informatie (Ettela'at) voor u bleek te hebben. Er ontstond vervolgens een conflict tussen u en uw familie, vooral met uw vader en uw broer die bij de Bassij (Mobilisatie der Verdrukten) werkzaam was. U werd zelfs zo hard geslagen dat u voor drie dagen in het ziekenhuis belandde. Toen u zich terug thuis bevond eiste uw familie dat u zou afzien van uw keuze voor Sayed. U bleef echter bij uw keuze en u trok bij zijn familie in. Enkel uw moeder was hiervan op de hoogte. In de vijfde maand van 1383 (augustus 2004) trouwde u met Sayed terwijl deze zich nog steeds in België bevond. Jullie betaalden hiervoor een corrupte notaris. De man van de tante van Sayed, die bij de Ettela'at werkte, liet weten dat er ondertussen ook op u een verdenking rustte vanwege de Ettela'at. Op het einde van 1383 (begin 2005) vond een huiszoeking plaats in uw ouderlijke huis omwille van uw band met Sayed. Eind 1384 (begin 2006) overleed een zus van Sayed. Op haar begrafenis werd Sayeds moeder en sommige omstaanders opnieuw over Saeyed's verblijfplaats ondervraagd. Uiteindelijk vond u ook een smokkelaar die u met valse documenten naar België zou kunnen brengen. U kwam in België aan op 20 augustus 2006 en u diende op 14 december 2006 in België een asielaanvraag in. U verklaarde nog dat uw vader een maand na uw vertrek een klacht tegen u zou hebben neergelegd bij de Ettela'at omwille van uw illegale huwelijk en uw illegale uitreis uit Iran. Ter staving van uw asielrelaas legde u uw huwelijksboekje neer, een attest van de universiteit, stukken uit uw medisch dossier en foto's en een medisch XIV-30.119-3/15 attest van uw echtgenoot in het kader van zijn deelname aan een hongersta- king. Op 14 augustus 2007 stuurde u een fax van een convocatie dd. 1/9/2006 om u op 14 oktober 2006 aan te bieden op de Algemene rechtbank te Shiraz en een fax van een convocatie dd. 13/9/2006 op naam van uw schoonmoeder om zich op 21 oktober 2006 op dezelfde rechtbank te melden. Verder stuurde u ook nog bijkomende stukken uit uw medisch dossier (beeldmateriaal van diverse scans) na.” 1.
  1. De feiten worden niet betwist door de verzoekende partij. Ten gronde.
  2. Inzake beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, beschikt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over volheid van rechtsmacht, d.w.z. dat de Raad het geschil in zijn geheel aan een nieuw onderzoek onderwerpt en hij als administratieve rechter in laatste aanleg uitspraak doet over de grond van het geschil, waarbij hij de bevoegd- heid heeft tot hervorming of tot bevestiging van de door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen genomen beslissingen ongeacht het motief waarop de Commissaris-generaal de bestreden beslissing heeft gesteund (Wetsontwerp nr. 2479/001 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van de Raad voor vreemdelingenbetwistingen, Parl. St. Kamer 2005-2006, p. 95). Door de devolutieve werking van het beroep is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet gebonden door de motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund.
  3. Verzoekster legt haar Shenaznameh en huwelijksboekje neer. Verzoekster toont niet aan haar land illegaal verlaten te hebben. Verzoeksters bewering dat zij met het vliegtuig van Teheran naar Wenen is gevlogen en vandaar is meegereden met een personenwagen naar België, wordt niet gestaafd. Evenmin toont verzoeker aan door een boarding pass of ander reisbescheiden, dat ze gebruik gemaakt heeft van twee vervalste Iraanse paspoorten en geholpen werd door een smokkelaar. Haar verklaringen over haar reisweg zijn ongeloofwaardig. Nopens de status van vluchteling.
  4. Verzoekster “meent dat de motieven van de bestreden beslissing inadequaat zijn en dat zij voldoende elementen kan aanbrengen waaruit blijkt dat in zijn hoofde een gegronde, actuele vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie bestaat, minstens dat zij voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van het statuut van subsidiaire bescherming.” 4.
  5. De bestreden beslissing stelt: “Eerst en vooral moet worden vastgesteld dat uw motieven om te vluchten uit Iran het gevolg zijn van de problemen die uw man in Iran gehad zou hebben met de autoriteiten. U verklaarde immers dat u voorheen nooit problemen met het regime had gehad (zie CGVS, p.5) en dat u enkel en alleen over hem (en zijn activisme in Iran) bent ondervraagd in 1381
(2002)(zie CGVS, p.6,7) en 1383
(2004)(zie CGVS, p.9-10). Volgens uw eigen verklaringen bent u zelf nooit in de negatieve belangstelling van het regime gekomen (zie CGVS, p.7, 10-11). In het kader van de asielaanvraag van Adamiat Sayed werd door de Vaste Beroepscommissie voor Vluchteling- en echter besloten tot een weigering van het vluchtelingenstatuut omdat er aan zijn asielmotieven geen enkel geloof kon worden gehecht. In het kader van zijn tweede asielaanvraag besloot ik tot een bevestigende beslissing van weigering van verblijf omdat er opnieuw enkele bedrieglijke elementen werden vastgesteld met betrekking tot zijn initiële vluchtmotieven. Hierdoor komt de geloofwaardigheid van uw asielrelaas ernstig in het gedrang. Bovendien moet worden vastgesteld dat u geen enkel (begin van) bewijs heeft naar gelegd waaruit zou kunnen blijken dat u inderdaad van de universiteit zou ontslagen geweest zijn (zie CGVS, p.6) en dat u – twee jaar na de feiten - niet de minste concrete informatie kon geven over het lot van de vrienden van XIV-30.119-4/15 uw echtgenoot die omwille van hem gearresteerd zouden geweest zijn (zie CGVS, p. 11-12).” 4.
  1. Uit de lezing van verzoeksters asielmotieven blijkt dat ze zich wel steunt op de situatie van haar man en ze zelf geen problemen had met het Iraanse regime tenzij deze verbonden aan de acties van haar echtgenoot. Het is dus niet ernstig te stellen “dat zij haar asielaanvraag steunt op heel andere feiten die haar echtgenoot had ingeroepen. (…) Ze verklaart zelf in haar feitenrelaas dat ze maar een keer ondervraagd is vlak nadat haar echtgenoot Iran ontvlucht was en dat ze amper problemen had met het regime. (…) Haar eigen problemen met het regime begonnen toen haar echtgenoot hier in Europa begon deel te nemen aan protestacties tegen het Iraans regime. Zo nam hij deel aan betogingen te Brussel, Parijs en Berlijn en kwam hij zelfs met foto in de krant.” 4.
  2. Verzoekster beweert voor het eerste in 2002 een aanvaring met de ettelaat gehad te hebben. Verzoekster heeft nadien nog jaren verder gestudeerd aan de universiteit. Hieruit blijkt niet dat verzoekster in de negatieve aandacht stond van haar overheid. Daar is bovendien geen aanleiding toe aangezien verzoekster tijdens haar verhoor stelt “persoonlijk was ik niet tegen het regime…. Ik werd het slachtoffer van de activiteiten van Sayid.” en dat verzoekster stelt dat ze haar ondervragingen exclusief over haar verloofde en latere man gingen en zijzelf niet verdacht was of ten laste gelegd werd. Het is dan ook niet aannemelijk dat verzoekster zonder de nodige reisdocumenten naar België is gekomen.
  3. De bewijslast ligt in beginsel bij de kandidaat-vluchteling, die in de mate van het mogelijke elementen dient aan te brengen ter staving van zijn relaas. Bij het ontbreken van dergelijke elementen dient hij hiervoor een aannemelijke verklaring te geven (UNHCR, Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status, 1992, nr. 196). De vrees van verzoekende partij moet tevens gegrond zijn, dit wil zeggen dat zij niet alleen subjectief bij haar aanwezig moet zijn maar ook moet kunnen worden geobjectiveerd (R.v.St., X, nr. 118.506, 22 april 2003). 5.
  4. Verzoekster verwijst naar haar vluchtrelaas, dat ze opgesloten en geslagen werd, van de universiteit verbannen, in conflict kwam met haar familie die haar zelfs wou uitleveren, en vervolgens besloot naar België te vluchten. Verzoekster meent dat het “bijgevolg niet logisch [is] dat de CGVS de asielaanvraag van mevrouw (….) ongeloofwaardig acht omdat haar problemen los staan van de problemen van haar echtgenoot. “ Verzoekster stelt verder dat het wel aannemelijk is dat ze geen bewijs kan voorleggen van haar ontslag uit de universiteit, omdat alleen haar vader door de directeur van de universiteit werd ontvangen en haar ontslag bevestigd kreeg. Deze ontslagbrief bevindt zich bij haar vader in de kluis waardoor verzoekster hem onmogelijk kan bemachtigen. 5.
  5. Verzoekster legt een document neer van haar inschrijving aan de universiteit in 2002 maar toont niet aan ontslagen te zijn. Haar verklaring dat een dergelijke brief bij haar vader ligt is onvoldoende aangezien verzoekster minstens had kunnen aantonen dat ze na 2002 nog met succes examen heeft afgelegd en verder gestudeerd heeft. Verzoekster toont niet aan dat ze aan de universiteit was en aldus ook aan deze universiteit problemen kreeg. 5.
  6. Hoedanook voor zover verzoekster nog jaren aan de universiteit studeerde kan hieruit slechts worden besloten dat ze niet in de negatieve aandacht stond van haar autoriteiten en wijst dit – voor zover de beweringen waarachtig zijn- minstens op het geringe belang dat de autoriteiten aan deze kwestie hechten. 5.
  7. Verzoekster legt twee kopieën van faxen van convocaties neer. De Commissaris-generaal meent dat de convocaties die verzoekster neerlegde geen bewijswaarde hebben omdat de: ”u over beide convocaties met geen woord gerept tijdens uw gehoor op het Commissariaat-generaal. U maakte XIV-30.119-5/15 enkel melding van de klacht die uw vader tegen u zou neergelegd hebben. U sprak nergens van een klacht tegen uw schoonmoeder of van de door u nagestuurde convocaties.” en omdat de nummering niet logisch is daar kan verwacht worden dat een rechtbank “de dossiers van haar kamers (in casu kamer 2) in chronologische volgorde zal doornummeren” 5.4.
  8. Verzoekster werpt op dat de nummering van de convocaties wel klopt, “aangezien het Commissariaat-generaal verkeerdelijk stelt dat het nummer van de tweede convocatie “206” is. In werkelijkheid betreft het echter nummer “906”. Ze beweert dat de eerste convocatie van 29/08/2006 nr. 862 een klacht tegen haar schoonmoeder is en dat de tweede convocatie van 7/10/2006 nr. 906 een klacht is tegen haarzelf. Verzoekster stelt tijdens het interview begrepen te hebben dat kopieën voldoende waren en vindt het ook logisch dat de originelen zich in Iran bevinden. “In Iran is er heel wat controle op de post naar het buitenland, wat eigen is aan een ondemocratische staat. De ontdekking van gerechtelijke documenten in een omslag bestemd voor het buitenland zou zware gevolgen gehad hebben voor de verzoekers. Het is dan ook begrijpelijk dat de stukken per fax werden verzonden.” Verzoekster stelt ook dat ze “nooit [heeft] gezegd dat er geen convocaties waren. Zij wist het gewoon niet en moest het navragen bij haar moeder. “ en dat ze “alleen telefonisch contact had met haar moeder en deze zo weinig mogelijk vertelde over de problemen daar om haar dochter niet ongerust te maken. 5.4.
  9. Er kan op zich geen geloof gehecht worden aan de kopieën (zie inventaris der documenten in het administratieve dossier). Kopieën kunnen immers met allerhande knip- en plakwerk gemakkelijk vervalst worden (zie in deze ook R.v.St., X, nr. 142.624, 24 maart 2005; R. v. St., X, nr. 133.135, 25 juni 2004). Bovendien is merkwaardig/onlogisch dat verzoeksters vader een klacht indiende tegen zijn eigen dochter omwille van een illegaal huwelijk en niet tegen haar echtgenoot. Verzoeksters vader is immers tot haar huwelijk haar voogd en verantwoordelijk voor haar, ook voor het gerecht. Verzoeksters vader zal aldus zelf verantwoording moeten afleggen voor haar gedrag. Aan de neergelegde kopieën kan aldus geen geloof worden gehecht. 5.4.
  10. Ten overvloede kan worden gesteld dat verzoekster de vertaling van de nummering betwist maar geen beëdigde vertalingen neerlegt om haar beweringen te staven. De neergelegde verwittigingen of oproepingen stellen dat haar vader een klacht zou hebben ingediend doch zeggen niets over de aard van deze klacht te meer daar het niet beantwoorden van deze oproeping zal leiden tot een arrestatie. Voor zover het toch het afsluiten van een illegaal huwelijk betreft zou ook de notaris die het huwelijk heeft afgesloten en de getuigen, betrokken worden in de zaak. Het is dan ook niet aannemelijk dat verzoekster hierover geen objectieve stukken kan neerleggen. Verzoeksters verklaringen zijn dan ook niet geloofwaardig. Haar problemen met haar vader zijn ook hierom niet aangetoond noch aannemelijk. 5.
  11. De bestreden beslissing stelt ten slotte terecht dat verzoekster pas “vier maanden na uw aankomst in België asiel heeft aangevraagd.” Dit is inderdaad een indicatie dat verzoekster internationale bescherming niet dringend noodzakelijk achtte. Haar hoop op een regularisatie van haar echtgenoot was speculatief en versterkt de veronderstelling dat verzoekster een regularisatie en verblijf op het oog had en geen bescherming. 5.
  12. In acht genomen wat voorafgaat, kan in hoofde van de verzoekende partij geen vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A
(2), van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, in aanmerking worden genomen.
  1. Wat betreft de subsidiaire bescherming.
  2. Verzoekster beroept zich voor de toekenning van de subsidiaire bescherming op dezelfde feiten als voor de vluchtelingenstatus. Verzoekster toont niet aan in de specifieke negatieve aandacht te staan van haar overheid waardoor haar vrees voor vervolging niet wordt aangetoond. Zij toont evenmin aan dat er XIV-30.119-6/15 bepaalde elementen zouden zijn, waaruit zou kunnen blijken dat in hoofde van verzoekster zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat zij een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4 § 2 van de wet van 15 december 1980 met betrekking tot de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus, zoals ingevoegd bij artikel 26 van de wet van 15 september 2006, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 6 oktober
  3. De andere middelen kunnen de Raad niet in een andere zin doen besluiten. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Artikel 1 De vluchtelingenstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd. Artikel 2 De subsidiaire beschermingsstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd.”.
  4. Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.1.
  5. Overwegende dat verzoekster als eerste middel aanvoert: “EERSTE MIDDEL: Schending van het recht van verdediging zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutio- nele tradities van de lidstaten. Verzoekster betoogt dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geenszins voldoet aan de waarborgen zoals vastgesteld in bovenvermelde rechten. Verzoekster meent dat zij recht heeft op een beroep met volle rechtsmacht en dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hieraan niet voldoet. Verzoekster zal in eerste instantie uiteenzetten dat zij zich rechtstreeks kan beroepen op de grondrechten zoals die voortvloeien uit de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten. Verzoekster zal in tweede instantie uiteenzetten dat zij conform bovenvermelde principes recht heeft op een onderzoek van de feiten door het jurisdictioneel orgaan dat zijn beroep behandelt en dit omwille van het feit dat de natuur van een asielaanvraag een actuele beoordeling dient in te houden van zijn asielaanvraag op het moment van de finale beslissing. Dat dit recht beperkt wordt gezien verzoekster na het indienen van onderhavig beroep geen nieuwe stukken kan aanbrengen en geen geactualiseerde memorie/conclusie kan bijbrengen. Dat geenszins sprake kan zijn van een jurisdictio- neel orgaan dat volle rechtsmacht heeft. Verzoekster zal aantonen dat het begrip "volle rechtsmacht" een bijzondere betekenis heeft en dat de betekenis varieert van materie tot materie. Verzoekster zal tenslotte in derde instantie aantonen dat de processuele waarborgen van het Europees gemeenschapsrechten volledig afwezig zijn en dit ondanks het feit dat de ganse materie van asiel thans onder het Europees recht.
  6. Grondrechten zoals die voortvloeien uit de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten hebben rechtstreekse werking De kern van het afdwingen van procedurele regels in het nationale recht met betrekking tot het EU gemeenschapsrecht is vervat in de Rewe Comet formule (...). “In the absence of Community rules governing the matter, it is for the domestic Legal system of each Member State to designate the courts and tribunals having jurisdiction and to lay down the detailed procedural rules governing actions for safeguarding rights which individuals derive from the direct effect of Community law. However, such rules must not be less favourable than those governing similar domestic actions, nor render virtually impossible or excessively difficult the exercise of rights conferred by XIV-30.119-7/15 Community law". ( ECJ. 33/76 Rewe-Zentralfinanz eG & rewe-Zentral AG v. landwirtschafstskammer fur das Saarland, 1976 ; ECJ 45/76 Comet BVv Produktschap voor Siergewassen Eigen vertaling: Wanneer het Gemeenschapsrecht de materie niet behandelt, dient het eigen rechtsysteem van elk van de lidstaten de hoven en rechtbanken aan te duiden en dient zij gedetailleerde procedurele regels voor te schrijven die instaan voor de waarborg van de rechten waarop individuele personen zich kunnen beroepen op grond van de directe werking van het Gemeenschapsrecht. Echter deze regels mogen enerzijds niet minder gunstig zijn dan gelijkaardige rechten in het eigen rechtssysteem noch mogen zij de uitoefening van de rechten afgeleid uit het Gemeenschapsrecht virtueel onmogelijk of overdreven moeilijk maken. Richtlijn 2004/83 biedt effectief processuele grondrechten voor individuen. De richtlijn verwijst naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de "grondrechten" eigen aan het EU recht. Dat processuele grondrechten hier eveneens onder vallen. Overweging 10 stelt: Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In het bijzonder tracht deze richtlijn de menselijke waardigheid, het recht op asiel van asielzoekers en hun begeleidende familieleden en de bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering op grond van de artikelen 1, 18 en 19 van het Handvest ten volle te eerbiedigen. Dat het begrip grondrechten duidt op de grondrechten zoals het Europees Hof van Justitie deze erkend in de rechtspraak of "grondrechten zoals zij uit de gemeenschappe- lijke constitutionele tradities van de lidstaten voorvloeien als beginselen van Gemeen- schapsrecht”. Het EHJ heeft reeds verschillende keren geoordeeld dat de algemene rechtsbeginselen waartoe ook de grondrechten behoren integraal deel uitmaken van het gemeenschaps- recht (...). Welke grondrechten juist deel uitmaken van het gemeenschapsrecht bepaalt het EHJ niet. Er bestaat geen lijst van grondrechten. Het achterliggende beginsel dat het EHJ gebruikt in zijn rechtspraak over grondrechten is de bescherming van de waarheid en de vrijheid van de menselijke persoon (...). Het EHJ haalt deze grondrechten en fundamentele vrijheden uit de constitutionele tradities welke aan de Lidstaten gemeen zijn (...), alsook uit de internationale verklaringen inzake de bescherming van de rechten van de mens waaraan de Lidstaten hun medewerking hebben verleend of waartoe ze later zijn toegetreden (...). Zo heeft het EHJ al enkele keren een grondrecht uit het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten als integraal deel uitmakend van het gemeenschaps- recht aanvaard (...). De bescherming van de grondrechten als integraal onderdeel van het gemeenschaps- recht geldt niet enkel met betrekking van de maatregelen van de EU zelf. De bescherming geldt ook voor maatregelen die de Lidstaten mogen of moeten nemen uit hoofde van het gemeenschapsrecht (...). Zodat in casu de Vreemdelingenwet voor zover zij handelt inzake materies die geregeld worden door het Europees Gemeenschapsrecht waaronder het asielrecht in overeenstemming dient te zijn met deze grondrechten. Dat in elk geval deze grondrechten rechtstreekse werking hebben en de rechtstreekse werking ervan . Dat het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie een samenvatting vormt van deze grondrechten. De rechtsleer stelt onder andere: "Het Handvest voegt dus strikt genomen geen rechte toe, maar visualiseert enerzijds de bekende op neutrale wijze en expliciteert anderzijds de potentie van de het gemeen- schappelijk constitutioneel erfgoed en de internationale verplichtingen van de lidstaten, onder de vorm van zogenaamde nieuwe rechten. (...)" De preambule van het Handvest laat over de bedoeling ervan geen twijfel bestaan: "Onder eerbiediging van de bevoegdheden en taken van de Gemeenschap en de Unie en van het subsidiariteitsbeginsel, bevestigt dit Handvest de rechten die met name XIV-30.119-8/15 voortvloeien uit de gemeenschappelijke constitutionele verdragen, uit het EVRM, uit de door de Gemeenschap en de Raad van Europa aangenomen sociale handvesten, alsook uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie en van het Europees Hof voor de rechten van de Mens. Verzoekster verwijst naar de zaak 222/86 (Heylens) waarin voormeld principe van de rechten van verdediging bevestigd wordt. 2 . AANGEZIEN DE VRIJE TOEGANG TOT HET ARBEIDSPROCES EEN FUNDAMENTEEL RECHT IS DAT HET VERDRAG AAN IEDERE WERKNEMER VAN DE GEMEENSCHAP INDIVIDUEEL TOEKENT, IS DE MOGELIJKHEID VAN BEROEP IN RECHTE TEGEN IEDERE BESLISSING VAN EEN NATIONA- LE INSTANTIE WAARBIJ DE UITOEFENING VAN DAT RECHT WORDT GEWEIGERD, VAN WEZENLIJK BELANG OM DE PARTICULIER EEN DOELTREFFENDE BESCHERMING VAN ZIJN RECHT TE WAARBORGEN. DIT VEREISTE VORMT EEN ALGEMEEN BEGINSEL VAN GEMEENSCHAPS- RECHT, DAT VOORTVLOEIT UIT HET CONSTITUTIONELE ERFGOED DAT ALLE LID-STATEN GEMEEN HEBBEN EN DAT EVENEENS IS NEERGELEGD IN DE ARTIKELEN*6 EN*13 VAN HET EUROPEES VERDRAG TOT BESCHER- MING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS Dat de rechten van verdediging in elk geval grondrechten zijn die gegarandeerd worden door het gemeenschapsrecht. Dat verzoekster ook betoogt dat het recht op een beroep in volle rechtsmacht een grondrecht is dat wordt gegarandeerd door het gemeenschapsrecht.
  7. Volle rechtsmacht Verzoekster stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volle rechtsmacht dient te hebben en thans niet voldoet aan deze vereiste. Dat de principes van het recht van verdediging eveneens te ontwaren vallen art. 6 EVRM welke uiteraard ook een grondrecht vormt in het gemeenschapsrecht. Dat voor zover verzoekster verwijst naar art. 6 EVRM, zij dit enkel doet om het begrip volle rechtsmacht nader uiteen te zetten. Dat zij derhalve geen schending van het artikel op zich inroept door het asielrecht in de huidige stand van de rechtspraak niet van toepassing is op asielaanvragen. Verzoekster betoogt dat het principe dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen eigen onderzoek kan stellen in strijd is met het begrip "full jurisdiction" volle rechtmacht zoals vastgelegd in het EVRM en dus indirect van toepassing zijn door het feit dat dit een grondrecht uitmaakt in het gemeenschapsrecht. ‘Full jurisdiction' Van belang is om te beginnen dat artikel 6 lid 1 EVRM niet alleen toegang tot een rechter garandeert maar ook eisen stelt aan de rechterlijke toetsing van overheidsoptre- den. In het kader van een procedure moet op grond van vaste jurisprudentie ten minste één rechterlijke instantie met volledige rechtsmacht (‘full jurisdiction') de betreffende besluiten kunnen controleren (...). De eis van 'full jurisdiction' houdt in dat de betreffende rechter de bevoegdheid moet hebben: 'to examine all questions of fact and law relevant to the dispute before it.’ (...) De rechter moet op grond van artikel 6 lid 1 EVRM dus alle voor het betreffende geschil relevante vragen van juridische en feitelijke aard kunnen onderzoeken. Het is belangrijk om expliciet te constateren dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen rechtsvragen en feitelijke vragen (...). Uit het voorgaande volgt dat de rechter om te voldoen aan de eisen van artikel 6 EVRM dus ook moet kunnen oordelen over de vaststelling van de feiten als deze relevant zijn in het geschil. Daarmee is van belang wat wordt bedoeld met 'facts relevant to the dispute'. Immers alleen met betrekking tot deze feiten geldt het vereiste van 'full jurisdiction'. Daarmee is de vraag aan de orde hoe intensief de rechter terzake moet kunnen toetsen. Uitgangspunt van de jurisprudentie van het EHRM lijkt te zijn dat de rechter een eigen oordeel over de feiten moet geven hetgeen impliceert dat hij de bestuurlijke feitenvast- stelling vol moet kunnen toetsen. Gewezen kan hier worden op de uitspraak van het XIV-30.119-9/15 EHRM in de zaak Terra Woningen t. Nederland. Daarin werd een schending van artikel 6 lid 1 EVRM aangenomen omdat de kantonrechter bij het vaststellen van een huurprijs niet zelfstandig wilde onderzoeken of er sprake was van bodemverontreiniging (een factor bij het bepalen van de huurprijs) en het standpunt van Gedeputeerde Staten daarover zonder meer overnam. Dit ondanks het feit dat partijen van mening verschilden over de vraag of er inderdaad sprake was van bodemverontreiniging. Uit het voorgaande zou kunnen worden afgeleid dat een meer terughoudende - marginale toetsing van de feitenvaststelling nooit door de beugel zou kunnen,365 maar uit de zaak Bryan t. Verenigd Koninkrijk blijkt dat het EHRM onder bepaalde omstandigheden daarmee wel genoegen neemt (...). Deze zaak betrof een handhavings- besluit op grond waarvan de heer Bryan twee huizen moest slopen en bouwmateriaal moest verwijderen. Daartegen kwam hij vergeefs op bij het bestuursorgaan dat het besluit nam, waarna er beroep werd ingesteld bij de rechter. Daar kon echter de juistheid van de vastgestelde feiten die de basis vormden van het besluit niet meer direct worden betwist. De rechter was alleen bevoegd ten aanzien van rechtsvragen en kon geen nader bewijs ontvangen. Wel had de rechter de bevoegdheid om te beoordelen of de procedure waarin de feiten waren vastgesteld rechtmatig was en of de feitenvaststel- ling 'perverse or irrational' was. Beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling bevinden zich dus 'in de gevarenzone van artikel 6 EVRM', maar zijn gelet op de zaak Bryan niet zonder meer ongeoorloofd. Voor dergelijke beperkingen moet wel een overtuigende rechtvaardigingsgrond bestaan, zoals de aard van het materiële rechtsgebied en de daaraan verbonden bestuurlijke vrijheid en het gespecialiseerde karakter van de feitenvaststelling. Daarbij is van belang dat de bestuurlijke feitenvaststelling in een met voldoende waarborgen omklede - quasirechterlijke gespecialiseerde administratieve voorprocedure heeft plaatsgevonden. Hieruit lijkt voort te vloeien dat het in dergelijke gevallen in het licht van artikel 6 EVRM ook mogelijk is grenzen te stellen aan het inbrengen van bepaald nieuw bewijsmateriaal in de rechterlijke procedure. Sommige bewijsmateriaal vergt immers een geheel nieuwe beoordeling door de rechter, iets waartoe hij echter juist niet in staat is gelet op, bijvoorbeeld, de daartoe vereiste specialisatie. De beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling mogen in leder geval nooit zo ver gaan dat de rechter zich geheel verlaat op het oordeel van het bestuur. Dat zou immers feitelijk betekenen dat de betrokkene opdat punt geen toegang heeft tot de rechter. Er moet in het kader van de rechterlijke procedure een debat kunnen worden gevoerd over de juistheid van het bestuurlijke feitenoordeel en de wijze waarop dat tot stand is gekomen. Het geheel uitsluiten daarvan kan blijkens de jurisprudentie van het EHRM niet door de beugel. Gewezen kan worden op de al genoemde zaak Terra Woningen t. Nederland en op de meer recente zaak Chevrol t. Frankrijk (...). Deze laatste zaak werd aan het EHRM voorgelegd nadat de Franse Raad van State (Conseil d'Etat) het beroep van verzoekster tegen de weigering haar Algerijnse artsexamen te erkennen had afgewezen. Daarbij heeft de Raad van State zijn eigen jurisprudentie gevolgd, waarbij hij, bij de beantwoording van de vraag of de betreffende verdragen toepasselijk waren, zich geheel heeft verlaten op het oordeel van een bestuursorgaan, ook waar dat de feitenvaststelling betrof. Het EHRM is daarover kritisch: ook al lijkt raadpleging van de minister door de Raad van State over de beoordeling van de voorwaarde van wederkerigheid bij de erkenning van diploma's noodzakelijk, door deze wijze van werken verplicht de Raad van State zich het oordeel te volgen van de minister, dat wil zeggen van een buiten de Raad staande en tot de uitvoerende macht behorende autoriteit, zonder het oordeel van die autoriteit aan kritiek of aan een contradictoir debat te onderwerpen. Het Hof is verder van oordeel dat met betrekking tot het inwinnen van het oordeel van de minister, dat bepalend zou zijn voor hetgeen in het geschil ter beslissing stond, voor appellante geen enkele voorziening openstond. Zij heeft geen enkele gelegenheid gekregen zich uit te spreken over het gebruik van het ministerieel oordeel, of over de formulering van de aan de minister gestelde vraag, of over de elementen van de beantwoording van die vraag. Appellante XIV-30.119-10/15 heeft aan de Raad van State verscheidene stukken overgelegd om aan te tonen dat de Algerijnse overheid de betreffende regelingen feitelijk wel degelijk toepaste. Deze stukken zijn zelfs niet onderzocht door de Raad, die derhalve niet heeft willen onderzoeken of zij een goede grondslag voor het betoog van appellante vormden. Aldus heeft de Raad zich gebonden geacht aan het oordeel van de minister, en zichzelf de bevoegdheid ontzegd om feitelijke gegevens die beslissend konden zijn voor het aan hem voorgelegde geschil in zijn beoordelingen te betrekken. Onder deze omstandighe- den kan volgens het EHRM niet worden gezegd dat appellante toegang heeft gehad tot een rechterlijke instantie die een toereikende bevoegdheid had, dan wel erkende dat zij een dergelijke bevoegdheid had, om zich te buigen over alle feitelijke en juridische kwesties die relevant waren om het geschil te beoordelen. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit evenwel niet heeft gedaan.
  8. Gebrek aan rechten van verdediging en volle rechtsmacht Toegepast op de beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, meent verzoekster dat deze procedure geenszins voldoet. Dat de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen ambtshalve dient over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor deze zaak. Meer bepaald dient zij zich ervan te vergewissen dat verzoekster geen enkel risico op een mensonterende behandeling zal ondergaan wanneer zij terug zou keren naar Iran. Dat het een schending van de rechten van verdediging is daar verzoekster van mening is dat zij zich dienstig moet kunnen verweren tegen de repliek van het Commissariaat- Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen. Dat deze mogelijkheid in casu verboden is. Dat verzoekster eveneens verzoekt aan de Raad voor State prejudiciële vragen te stellen aan het Europees Hof van Justitie die als volgt luiden: "Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en houdt art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of het algemeen rechtsbeginsel recht op verdediging en recht op een beroep met volle rechtsmacht in dat deze administratieve rechtscolleges over een eigen onderzoeksbevoegdheid te beschikken die hen toelaat tot op de dag van de eindbeslissing onderzoek te verrichten naar alle relevante feiten, die nuttig zijn om de zaak te beoordelen". "Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van. de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en houdt art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of het algemeen rechtsbeginsel recht op verdediging en recht op een beroep met volle rechtsmacht in dat eenieder het recht heeft om schriftelijk te antwoorden op de antwoordbesluiten van de Lidstaat".”; 2.1.
  9. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord integraal het in het inleidend verzoekschrift uiteengezette middel herhaalt en als volgt repliceert op het verweer van de tegenpartij: “Verzoekster antwoordt op de memorie van antwoord van verwerende partij als volgt: De verwijzing naar Belgische rechtspraak is voor het overgrote deel irrelevant gezien de materie ressorteert onder het Europees Gemeenschapsrecht. Dat het aspect “volle rechtsmacht" in overeenstemming dient te zijn met het begrip "volle rechtsmacht” zoals het geïnterpreteerd wordt door het gemeenschapsrecht. Verzoekster verwijst naar de arrest van het Europees Hof van Justitie in de zaak "Organisatie van Volksmujahedeen van Iran tegen de Raad van de Europese Unie' van 12.12.2006, zaak T
  10. Meer bepaald deriveert het arrest uit Richtlijn 2004/38 (Vrijheid van verkeer en niet 2004/83) rechtsbeginselen, (meer bepaald uit art. 31.3 van de Richtlijn) dat er "rechtsmiddelen dienen te worden voorzien met de mogelijkheid van XIV-30.119-11/15 onderzoek van de wettigheid van het besluit, alsmede van de feiten en omstandigheden die de voorgenomen maatregel rechtvaardigen”. Dat zulks in casu bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onmogelijk is.”; 2.1.
  11. Overwegende dat uit de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan, niet blijkt - en verzoekster ook niet beweert - dat zij voor de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen de in het middel vermelde grieven betreffende de beweerde miskenning van de rechten van verdediging heeft aangevoerd; dat deze grieven niet voor het eerst voor de Raad van State kunnen worden aangevoerd; dat het eerste middel niet ontvankelijk is; 2.2.
  12. Overwegende dat verzoekster als tweede middel aanvoert: “TWEEDE MIDDEL: Schending van art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie Verzoekster verwijst naar het eerste middel en stelt dat zijn recht op een beroep in volle rechtsmacht en zijn recht op verdediging eveneens grondrechten zijn welke door het Handvest worden gegarandeerd. Dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ondertekend werd op 12 december 2007 en dus vier dagen voor de indiening van huidig beroep. Dat het Handvest door verzoekster kan ingeroepen worden op grond van het adagium "patere legem quem ipsi fecisti" en dit enkel in de verticale wijze. Zij kan het met andere woorden inroepen ten aanzien van de Belgische Staat. Dat het Handvest thans gepubliceerd werd in het Publicatieblad van 14.12.2007 onder het kenmerk C 303/
  13. Zowel de Kwalificatierichtlijn (2004/83) als de Procedurerichtlijn verwijzen direct naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en dus ook naar art. 47 van het Handvest. Dat art. 47 als volgt luidt: Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordi- gen. Rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voorzover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen. Dat de invulling van art. 47 gelijklopend is met de invulling van art. 6 EVRM met het verschil dat het toepassingsgebied zich uitstrekt niet alleen over burgerlijke en strafrechtelijke materies maar ALLE materies die het Europees recht regelt waaronder dus ook het asielrecht. Dat de tekst zowel art. 13 EVRM als art. 6 EVRM incorporeert. Dat de toelichting bij het Handvest vermeld in het Publicatieblad van 14.12.2007 het volgende hieromtrent stelt: Toelichting ad artikel 47 - Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht De eerste alinea is gebaseerd op artikel 13 van het EVRM: "Eenieder wiens rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.”. Het recht van de Unie biedt echter een ruimere bescherming omdat het een recht op een XIV-30.119-12/15 doeltreffende voorziening in rechte waarborgt. Het Hof van Justitie heeft dit recht erkend als een algemeen beginsel van het recht van de Unie in zijn arrest van 15 mei 1986, Johnston, zaak 222/84, Jurispr. 1986, blz. 1651 ; zie ook de arresten van 15 oktober 1987 in zaak 222/86,Heylens, Jurispr. 1987, blz. 4097, en van 3 december 1992 in zaak C-97/91, Borelli, Jurispr. 1992, blz. I-
  14. Volgens het Hof is dit algemene beginsel van het recht van de Unie eveneens van toepassing op de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie toepassen. De verwerking van deze jurisprudentie in het Handvest had niet tot doel het systeem van rechterlijke toetsing van de verdragen, met name de ontvankelijkheidsregels voor rechtstreekse beroepen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, te wijzigen. De Europese Conventie heeft het mechanisme van de Unie voor rechterlijke toetsing en met name de ontvankelijkheids- regels bekeken, en heeft deze overgenomen, met enkele wijzigingen wat bepaalde aspecten betreft, zoals blijkt uit de artikelen 251 tot en met 281 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en in het bijzonder uit artikel 263, vierde alinea. Artikel 47 geldt ten aanzien van de instellingen van de Unie en de lidstaten wanneer deze het Unierecht toepassen en voor alle rechten die worden gewaarborgd door het Unierecht. De tweede alinea correspondeert met artikel 6, lid 1, van het EVRM, dat als volgt luidt: “Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé-leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.”. In het recht van de Unie is het recht op toegang tot de rechter niet alleen van toepassing op geschillen inzake civielrechtelijke rechten en verplichtingen. Dit is een consequentie van het feit dat de Unie een rechtsgemeenschap is, zoals het Hof heeft geconstateerd in zaak 294/83, Les Verts tegen Europees Parlement (arrest van 23 april 1986, Jurispr. 1986, blz. 1339). Met uitzondering van de werkingssfeer zijn de door het EVRM geboden waarborgen op dezelfde wijze van toepassing in de Unie. 14.12.2007 NL Publicatieblad van de Europese Unie C 303/29 Dat de rechtspraak ivm art. 6 EVRM dan ook relevant is ter beoordeling van het feit of dat onderhavig beroep voldoet aan de voorwaarde zoals gesteld in het Europees Handvest. Dat evenwel art. 47 van het Handvest geen vereiste stelt van burgerlijke of politieke rechten. Dat voor het overige verzoekster verwijst naar het eerste middel.”; 2.2.
  15. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord integraal het in het inleidend verzoekschrift uiteengezette middel herhaalt; 2.2.
  16. Overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - in tegenstelling tot hetgeen verzoekster meent - tot op heden geen bindende kracht heeft; dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in het arrest van 27 juni 2006 in de zaak C-540/03, waarnaar verzoekster verwijst, overigens uitdrukkelijk stelt dat XIV-30.119-13/15 “het Handvest geen bindend rechtsinstrument is”; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 2.3.
  17. Overwegende dat verzoekster als derde middel aanvoert: “DERDE MIDDEL: Schending van art. 144 Grondwet in combinatie met het gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in de art. 10, 11 en 24 Grondwet. Verzoekster betoogt dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geenszins voldoet aan de waarborgen zoals vastgesteld in bovenvermelde rechten. Verzoekster meent dat zij recht heeft op een beroep met volle rechtsmacht tegen een beslissing van verweerder. Dat verzoekster meent dat niettegenstaande het feit dat de wetgever toepassing heeft gemaakt van art. 146 van de G.W. en aldus een administratief rechtscollege heeft opgericht ter beslechting van de geschillen inzake verblijf, zij recht heeft op een beroep in volle rechtsmacht zoals voorzien in 144 GW en dit op basis van het gelijkheidsbegin- sel. Verzoekster meent dat die gelijkheid hem op onwettige wijze werd afgenomen door de wetgever die stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen enkel het administratief dossier kan bestuderen. Dat verzoekster de Raad van State verzoekt hierover een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, zoals geformuleerd in het beschikkend gedeelte. Dat de vraag relevant is in die zin dat indien bevestigend beantwoord wordt door het Grondwettelijk Hof de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen inzake ambtshalve diende over te gaan tot een onderzoek van alle aspecten en zelf kan komen tot een eigen beoordeling.”; 2.3.
  18. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord integraal het in het inleidend verzoekschrift uiteengezette middel herhaalt; 2.3.
  19. Overwegende dat artikel 144 van de Gecoördineerde Grondwet bepaalt dat geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting behoren tot de bevoegdheid van de rechtbanken en in casu niet van toepassing is; dat artikel 146 van de Grondwet bepaalt dat “(g)een rechtbank, geen met eigenlijke rechtspraak belast orgaan kan worden ingesteld dan krachtens een wet”; dat verzoekster niet betwist dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistin- gen werd opgericht krachtens een wet; dat niet kan worden ingezien - en verzoekster niet in het minst verduidelijkt - waarom zij recht zou hebben op een beroep in volle rechtsmacht zoals voorzien in artikel 144 van de Grondwet, dat bepaalt dat “(g)eschillen over burgerlijke rechten (...) bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken (behoren)” en “dit op basis van het gelijkheidsbeginsel”, temeer daar artikel 145 van de Grondwet uitdrukkelijk voorziet dat “geschillen over politieke rechten (...) bij uitsluiting behoren tot de bevoegdheid van de rechtbanken, behoudens de bij wet gestelde uitzonderingen” en het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 heeft overwogen dat tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een daadwerkelijk rechtsmid- del bij een rechtscollege, in casu de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, openstaat voor XIV-30.119-14/15 de asielzoekers; dat, zoals de verwerende partij terecht opmerkt, niet kan worden ingezien op welke wijze er een verschil in behandeling zou zijn, laat staan dat in onderhavig middel al een vergelijking zou gemaakt worden tussen twee situaties, die bovendien van elkaar verschillen; dat voor zover de schending wordt aangevoerd van artikel 24 van de Grondwet, evenmin kan worden ingezien op welke wijze dit artikel, dat betrekking heeft op de vrijheid van en het recht op onderwijs, zou kunnen zijn geschonden; dat het derde middel niet ontvankelijk is; 2.
  20. Overwegende dat het beroep bij gebrek aan een ontvankelijk middel, zelf niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  21. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  22. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig januari tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.119-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.662 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.