id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.663 Rolnummer: A. 187135/XIV-30143 Zaak: Arrest 189663 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 20/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-02 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-29 14:34 Fiche Arrest nr 189.663 van 20 januari 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.663 van 20 januari 2009 in de zaak A. 187.135/XIV-30.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat St. BUYSSE, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 597 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Syrische nationaliteit, op 18 februari 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr 5709 van 14 januari 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. é1 van 12 maart 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 11 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 december 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-30.143-1/15 Gehoord de opmerkingen van Advocaat St. BUYSSE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché R. LARNO, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX, van Syrische nationaliteit, komt op 29 maart 2005 België binnen en vraagt op dezelfde dag om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
- Deze aanvraag wordt op 12 oktober 2007 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
- Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 25 oktober 2007 beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
- Op de zitting van 11 december 2007 van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen worden verzoeker, bijgestaan door Advocaat D. DUMERY, loco Advocaat S. BUYSSE, en Attaché E. DEWIL, die optreedt voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, gehoord, waarna de debatten worden gesloten en de zaak in beraad wordt genomen. 1.
- Op 14 januari 2008 velt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest, waarbij aan verzoeker de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd. XIV-30.143-2/15 Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: “De voornaamste gegevens van de zaak kunnen als volgt worden samengevat: 1.
- Verzoeker kwam volgens zijn verklaringen op 29 maart 2005 het Rijk binnen en diende op diezelfde dag een asielaanvraag in. Op 12 oktober 2007 werd een beslissing tot weigering van de hoedanigheid van vluchteling en tot weigering van de subsidiaire beschermingsstatus genomen. Het onderhavige beroep is gericht tegen deze beslissing. 1.
- Het asielrelaas wordt als volgt weergegeven in de bestreden beslissing: “U, een Syrische staatsburger van Koerdische origine en afkomstig uit Qameshli, begon uw legerdienst op 1 juni
- Naar aanleiding van de Koerdische opstand in maart 2004 trad u in discussie met een medesoldaat die uw volk beledigde. U repliceerde dat zijn stadsgenoten uit Deir az-Zor de Koerden geprovoceerd hadden. De volgende dag bracht hij de majoor die eveneens uit deze stad afkomstig was, op de hoogte van het dispuut. Als straf werd u gedurende zeven dagen opgesloten en mishandeld en kreeg u een verlofverbod opgelegd. Toen de majoor in oktober 2004 het leger een week verliet, maakte u van de gelegenheid gebruik om aan kapitein Ali verlof te vragen. Hij kende u dit informeel toe, maar bij uw terugkeer bleek dat de majoor zijn verlof onderbroken had. Hij stuurde u opnieuw naar de gevangenis en liet u gedurende een maand mishandelen. De bedreiging van uw majoor met zijn pistool was de druppel die de emmer deed overlopen en u besliste te deserteren. Toen uw kapitein u op 7 december opdroeg om voedsel te gaan halen in de stad, ontsnapte u en dook u onder Omdat uw familie werd opgezocht door de militaire veiligheidsdienst en staatsveiligheid en uw broer werd meegenomen voor ondervraging, verliet u op 17 januari 2005 uw thuisland en reisde via Turkije naar België waar u op 29 maart 2005 aankwam en onmiddellijk het statuut van vluchteling aanvroeg. Na uw vertrek werd uw broer nog één keer opgepakt maar toen uw vader de veiligheidsdiensten vertelde dat u in het buitenland was, lieten ze hem met rust.” 1.
- De feiten worden niet betwist door de verzoekende partij. Ten gronde.
- Inzake beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, beschikt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over volheid van rechtsmacht, d.w.z. dat de Raad het geschil in zijn geheel aan een nieuw onderzoek onderwerpt en hij als administratieve rechter in laatste aanleg uitspraak doet over de grond van het geschil, waarbij hij de bevoegdheid heeft tot hervorming of tot bevestiging van de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen genomen beslissingen ongeacht het motief waarop de Commissaris-generaal de bestreden -beslissing heeft gesteund (Wetsontwerp nr. 2479/001 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van de Raad voor vreemdelingenbetwistingen, Parl. St. Kamer 2005-2006, p. 95). Door de devolutieve werking van het beroep is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet gebonden door de motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund. De bewijslast ligt in beginsel bij de kandidaat-vluchteling, die in de mate van het mogelijke elementen dient aan te brengen ter staving van zijn relaas. Bij het ontbreken van dergelijke elementen dient hij hiervoor een aannemelijke verklaring te geven (UNHCR, Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status, 1992, nr. 196). De vrees van verzoekende partij moet tevens gegrond zijn, dit wil zeggen dat zij niet alleen subjectief bij haar aanwezig moet zijn maar ook moet kunnen worden geobjectiveerd (R.v.St., X, nr. 118.506, 22 april 2003). Identiteit en reisweg.
- Verzoeker toont zijn identiteit niet aan met authentieke documenten. Hij stelt dat zijn identiteitskaart is "ingenomen toen ik legerdienst deed en mijn vervangkaart is bij mijn verantwoordelijke gebleven." Het is minstens merkwaardig dat een XIV-30.143-3/15 soldaat niet de nodige documenten heeft om zich te legitimeren te meer daar verzoeker in opdracht de kazerne verliet. Verzoeker stelt zelf dat zonder militaire kaart in de stad rondlopen strafbaar is (verhoor 16 november 2005). Zijn verklaringen op dit punt dat de officier dit doelbewust deed kunnen niet overtuigen daar ook de verantwoordelijke officier desnoods wegens nalatigheid zal aangesproken worden. Hoedanook is niet aannemelijk dat verzoeker, zonder aannemelijke verklaring, geen enkel identiteitsstuk neerlegt om een begin van bewijs aan te brengen (geboortecertificaat, diploma's, rijbewijs, familiesamen- stelling ... ). Dit hypothekeert ernstig zijn geloofwaardigheid. 3.
- Verzoeker bewijst evenmin zijn reisweg, noch toont hij aan wanneer hij zijn land verliet, waar hij verbleef voor zijn komst naar België en wanneer hij in België toekwam. Dit tast zijn geloofwaardigheid verder aan. Nopens de status van vluchteling.
- In een enig middel voert verzoeker dat de schending aan van de motiverings- plicht, meer bepaald de artikelen 2 en 3 van de uitdrukkelijke motiveringswet van 29 juli 1991, alsmede de schending van het artikel 62 van de Wet van 15 december
- Wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, heeft de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandeling- en tot doel de betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt. Hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemde- lingenwet (Azerbeidzjan, RvV, nr. 895 van 20 juli 2007; VB/063941/w12.518 van 27 maart 2007). Aangezien verzoeker voor het overige in zijn middel tracht de motieven van de bestreden beslissing te weerleggen, wordt dit middel verder vanuit het oogpunt van een eventuele schending van de materiële motiverings- plicht onderzocht.
- Verweerder wijst er terecht op dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker niet in staat is de door hem aangehaalde gebeurtenissen aan te tonen met coherente verklaringen, noch met de nodige stukken die zijn beweringen zouden ondersteunen. 6.
- Verzoeker laat niet enkel na zijn identiteit aan te tonen hij legt ook geen enkel element neer dat zijn militaire dienstplicht aantoont. Verzoeker was bovendien reeds 24 jaar toen hij zijn legerdienst zou hebben aangevangen en zijn studies reeds 4 jaar waren afgelopen. Hij verklaart niet waarom hij pas in 2003 zou zijn opgeroepen. Verzoekers laattijdige militaire dienst is minstens twijfelachtig.
- Verzoeker was nooit politiek actief (zie verklaring dienst vreemdelingenzaken) en is nooit betrokken geweest bij sociale of culturele organisaties (zie vragen- lijst). Verzoeker zou in een discussie met een medesoldaat gesteld hebben dat de Arabieren uit Deir az-Zor de Koerden geprovoceerd hadden. Verzoeker zou hiervoor 7 dagen worden opgesloten. Voor zover deze verklaringen waarachtig zouden zijn, wijzen ze niet op een systematische vervolging in de zin van het vluchtelingenverdrag. Vooreerst stelt verzoeker dat hij mishandeld werd door een medesoldaat, een dienstplichtige, die de gevangenis bewaakte, waardoor zijn verdenking om politieke redenen niet kan overtuigen (er was geen onderzoek, ik werd gewoon gemarteld [...] beledigd (zie verhoor 16 november 2005)). Daarenboven stelt verzoeker zelf dat hij hiervoor niet vervolgd werd en reeds na 7 dagen vrijgekomen was. 7.
- Verzoeker heeft nadien een tweede overtreding begaan en is opnieuw gearres- teerd omdat hij tijdens zijn ingetrokken verlof toch de kazerne verliet. Uit zijn verklaringen blijkt niet dat hij omwille van zijn herkomst een onevenredige straf heeft gekregen. Verzoeker toont niet aan dat hij bij het verlaten van zijn land vervolgd was in de zin van het vluchtelingenverdrag. De problemen die zijn XIV-30.143-4/15 familie achteraf zou hebben gekregen blijven loutere (bovendien tegenstrijdige) verklaringen waarvan het causaal verband niet wordt aangebracht en waarvan de gegrondheid niet wordt aangetoond.
- Verzoeker verklaart gedeserteerd te hebben. Inzake desertie moet een evenwicht worden gezocht tussen het onvervreemdbaar recht van een staat om zich te verdedigen -en waarvan de militaire dienstplicht een onderdeel is- en het evenzeer onvervreemdbaar recht van het individu op vrijheid van denken, geweten en godsdienst zoals bepaald in artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (New York, 19 december 1966 (Wet van 15.5.81 - BS, 6.VII. 1983)). 8.
- Voor zover verzoeker inderdaad zijn dienstplicht vervulde stelt hij “Het probleem is niet dat ik gedeserteerd ben maar ze hebben er een politieke zaak van gemaakt maar in Syrië wordt niets op papier gezet mbt vervolging of het feit dat ik gezocht word(t).” 8.
- Verzoekers problemen zouden hun oorsprong vinden in de conversatie met een medesoldaat over de gebeurtenissen in Deir az-Zor. Zoals hoger gesteld toont verzoeker niet aan vervolgd te zijn omwille van deze uitspraak en kan aldus niet weerhouden worden dat hij omwille van politieke redenen desertie zou gepleegd hebben. 8.
- Een persoon die de militaire dienst weigert of deserteert, kan zich niet beroepen op internationale bescherming indien hij dit louter doet omwille van persoonlijke redenen tenzij hij om redenen zoals bepaald in artikel 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet voor een onevenredige of discriminatoire bestraffing of tenuitvoerlegging van de straf wegens dienstplichtweigering of desertie vreest. Verzoeker had geen bezwaren tegen het vervullen van zijn dienstplicht. Hij toont niet aan zich onttrokken te hebben aan de dienstplicht omwille van ernstige onoverkomelijke gewetensbezwaren op grond van een diepgewortelde overtuiging. Voor zover aan verzoekers verklaringen enig geloof kan worden gehecht, blijkt geen onevenredig zware bestraffing omwille van zijn Koerdische herkomst of aangemeten overtuiging. 8.
- In acht genomen wat voorafgaat, kan in hoofde van de verzoekende partij geen vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A
(2), van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, in aanmerking worden genomen. 8.
- De overige middelen kunnen de Raad niet in andere zin doen besluiten.
- Wat betreft de subsidiaire bescherming.
- Verzoeker beroept zich op dezelfde feiten en gebeurtenissen als diegene hij heeft ingeroepen voor het bekomen van de vluchtelingenstatus. Verzoeker toont niet aan het voorwerp geweest te zijn van een onredelijke bestraffing. Gelet daarenboven op het feit dat zijn voorgehouden dienstplicht en desertie twijfe- lachtig zijn en niet bewezen worden, toont hij geen reëel risico aan op ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4 § 2 van de Vreemdelingenwet.
- Het middel is ongegrond. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Artikel 1 De vluchtelingenstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd. Artikel 2 De subsidiaire beschermingsstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd.”. XIV-30.143-5/15
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “EERSTE MIDDEL: Machtsoverschrijding; Schending van het recht van verdediging zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten. Doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen meent dat de verzoeker niet als vluchteling erkend dient te worden; Terwijl de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het in volheid van rechtsmacht had dienen te onderzoeken en een beslissing nam tegen de wet. Dat de Raad dienaangaande in de bestreden beslissing stelt: Ten gronde.
- Inzake beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, beschikt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over volheid van rechtsmacht, d.w.z. dat de Raad het geschil in zijn geheel aan een nieuw onderzoek onderwerpt en hij als administratieve rechter in laatste aanleg uitspraak doet over de grond van het geschil, waarbij hij de bevoegdheid heeft tot hervorming of tot bevestiging van de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen genomen beslissingen ongeacht het motief waarop de Commissaris-generaal de bestreden beslissing heeft gesteund (Wetsontwerp nr. 2479/001 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van de Raad voor vreemdelingenbetwistingen, Parl. St. Kamer 2005-2006, p. 95). Door de devolutieve werking van het beroep is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet gebonden door de motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund. De bewijslast ligt in beginsel bij de kandidaat-vluchteling, die in de mate van het mogelijke elementen dient aan te brengen ter staving van zijn relaas. Bij het ontbreken van dergelijke elementen dient hij hiervoor een aannemelijke verklaring te geven (UNHCR, Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status, 1992, nr. 196). De vrees van verzoekende partij moet tevens gegrond zijn, dit wil zeggen dat zij niet alleen subjectief bij haar aanwezig moet zijn maar ook moet kunnen worden geobjectiveerd (R.v,St., X, nr. 118.506, 22 april 2003). Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingevolge de bepalingen van het art. 39/2 enkel de volgende bevoegdheid zou hebben met betrekking tot de beslissing van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan meer bepaald: 1/ bevestigen of hervormen; 2/ vernietigen omwille van substantiële onregelmatigheden of vernietigen omwille van het ontbreken van essentiële elementen gezien de Raad voor Vreemdelingenbetwistin- gen hierdoor niet kan komen tot de bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen. Dat de huidige Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen enkele appreciatiebevoegd- heid meer opneemt. Dat dit onder het oud wetgevend kader wel het geval was, doch actueel nog steeds nodig en verplicht is gelet op het onderstaande. Verzoekende partij betoogt dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geenszins voldoet aan de waarborgen zoals wettelijk vastgesteld in aangehaalde middelen. Verzoekende partij meent dat zij recht heeft op een beroep met volle rechtsmacht tegen een beslissing van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen. Verzoekende partij meent dat zij conform bovenvermelde principes recht heeft op een onderzoek van de feiten door het jurisdictioneel orgaan dat haar beroep behandelt en dit omwille van het feit dat de natuur van een asielaanvraag een actuele beoordeling dient in te houden van zijn asielaanvraag op het moment van de finale beslissing. Dat dit recht beperkt wordt gezien verzoekende partij na het indienen van onderhavig XIV-30.143-6/15 beroep geen (geen) geactualiseerde memorie kan bijbrengen. Dat geenszins sprake kan zijn van een jurisdictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft. Verzoeker zal in eerste instantie uiteenzetten dat hij zich rechtstreeks kan beroepen op de grondrechten zoals die voortvloeien uit de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten. Verzoeker zal in tweede instantie uiteenzetten dat hij conform bovenvermelde principes recht heeft op een onderzoek van de feiten door het jurisdictioneel orgaan dat zijn beroep behandelt en dit omwille van het feit dat de natuur van een asielaanvraag een actuele beoordeling dient in te houden van zijn asielaanvraag op het moment van de finale beslissing. Dat dit recht beperkt wordt gezien verzoeker na het indienen van onderhavig beroep geen geactualiseerde memorie/conclusie kan bijbrengen. Dat geenszins sprake kan zijn van een jurisdictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft. Verzoeker zal aantonen dat het begrip "volle rechtsmacht" een bijzondere betekenis heeft en dat de betekenis varieert van materie tot materie. Verzoeker zal tenslotte in derde instantie aantonen dat de processuele waarborgen van het Europees gemeenschapsrechten volledig afwezig zijn en dit ondanks het feit dat de ganse materie van asiel thans onder het Europees recht.
- schending van de Grondrechten zoals die voortvloeien uit de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten hebben rechtstreekse werking. Doordat de kern van het afdwingen van procedurele regels in het nationale recht met betrekking tot het EU gemeenschapsrecht is vervat in de Rewe Comet formule (...). “In the absence of Community rules governing the matter, it is for the domestic Legal system of each Member State to designate the courts and tribunals having jurisdiction and to lay down the detailed procedural rules governing actions for safeguarding rights which individuals derive from the direct effect of Community law. However, such rules must not be less favourable than those governing similar domestic actions, nor render virtually impossible or excessively difficult the exercise of rights conferred by Community law”. ( ECJ. 33/76 Rewe-Zentralfinanz eG & rewe-Zentral AG v. landwirtschafstskammer fur das Saarland, 1976; ECJ 45176 Comet BVv Produktschap voor Siergewassen Eigen vertaling: Wanneer het Gemeenschapsrecht de materie niet behandelt, dient het eigen rechtsysteem van elk van de lidstaten de hoven en rechtbanken aan te duiden en dient zij gedetailleerde procedurele regels voor te schrijven die instaan voor de waarborg van de rechten waarop individuele personen zich kunnen beroepen op grond van de directe werking van het Gemeenschapsrecht. Echter deze regels mogen enerzijds niet minder gunstig zijn dan gelijkaardige rechten in het eigen rechtssysteem noch mogen zij de uitoefening van de rechten afgeleid uit het Gemeenschapsrecht virtueel onmogelijk of overdreven moeilijk maken. Richtlijn 2004/83 biedt effectief processuele grondrechten voor individuen. De richtlijn verwijst naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de "grondrechten" eigen aan het EU recht. Dat processuele grondrechten hier eveneens onder vallen. Overweging 10 stelt: Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In het bijzonder tracht deze richtlijn de menselijke waardigheid, het recht op asiel van asielzoekers en hun begeleidende familieleden en de bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering op grond van de artikelen 1, 18 en 19 van het Handvest ten volle te eerbiedigen. Dat het begrip grondrechten duidt op de grondrechten zoals het Europees Hof van Justitie deze erkend in de rechtspraak of "grondrechten zoals zij uit de gemeenschappe- lijke constitutionele tradities van de lidstaten voorvloeien als beginselen van Gemeenschapsrecht". Het EHJ heeft reeds verschillende keren geoordeeld dat de algemene rechtsbeginselen waartoe ook de grondrechten behoren integraal deel uitmaken van het gemeenschaps- recht (...). XIV-30.143-7/15 Welke grondrechten juist deel uitmaken van het gemeenschapsrecht bepaalt het EHJ niet. Er bestaat geen lijst van grondrechten. Het achterliggende beginsel dat het EHJ gebruikt in zijn rechtspraak over 9 rondrechten is de bescherming van de waarheid en de vrijheid van de menselijke persoon (...). Het EHJ haalt deze grondrechten en fundamentele vrijheden uit de constitutionele tradities welke aan de Lidstaten gemeen zijn (...), alsook uit de internationale verklaringen inzake de bescherming van de rechten van de mens waaraan de Lidstaten hun medewerking hebben verleend of waartoe ze later zijn toegetreden (...). Zo heeft het EHJ al enkele keren een grondrecht uit het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten als integraal deel uitmakend van het gemeenschaps- recht aanvaard (...). De bescherming van de grondrechten als integraal onderdeel van het gemeenschaps- recht geldt niet enkel met betrekking van de maatregelen van de EU zelf. De bescherming geldt ook voor maatregelen die de Lidstaten mogen of moeten nemen uit hoofde van het gemeenschapsrecht (...). Zodat in casu de Vreemdelingenwet voor zover zij handelt inzake materies die geregeld worden door het Europees Gemeenschapsrecht waaronder het asielrecht in overeenstemming dient te zijn met deze grondrechten. Dat in elk geval deze grondrechten rechtstreekse werking hebben. Dat het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie een samenvatting vormt van deze grondrechten. De rechtsleer stelt onder andere: "Het Handvest voegt dus strikt genomen geen rechte toe, maar visualiseert enerzijds de bekende op neutrale wijze en expliciteert anderzijds de potentie van de het gemeen- schappelijk constitutioneel erfgoed en de internationale verplichtingen van de lidstaten, onder de vorm van zogenaamde nieuwe rechten. (...)" De preambule van het Handvest laat over de bedoeling ervan geen twijfel bestaan: "Onder eerbiediging van de bevoegdheden en taken van de Gemeenschap en de Unie en van het subsidiariteitsbeginsel, bevestigt dit Handvest de rechten die met name voortvloeien uit de gemeenschappelijke constitutionele verdragen, uit het EVRM, uit de door de Gemeenschap en de Raad van Europa aangenomen sociale handvesten, alsook uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie en van het Europees Hof voor de rechten van de Mens. Verzoeker verwijst naar de zaak 222/86 (Heylens) waarin voormeld principe van de rechten van verdediging bevestigd wordt. 2 . AANGEZIEN DE VRIJE TOEGANG TOT HET ARBEIDSPROCES EEN FUNDAMENTEEL RECHT IS DAT HET VERDRAG AAN IEDERE WERKNEMER VAN DE GEMEENSCHAP INDIVIDUEEL TOEKENT, IS DE MOGELIJKHEID VAN BEROEP IN RECHTE TEGEN IEDERE BESLISSING VAN EEN NATIONA- LE INSTANTIE WAARBIJ DE UITOEFENING VAN DAT RECHT WORDT GEWEIGERD, VAN WEZENLIJK BELANG OM DE PARTICULIER EEN DOELTREFFENDE BESCHERMING VAN ZIJN RECHT TE WAARBORGEN . DIT VEREISTE VORMT EEN ALGEMEEN BEGINSEL VAN GEMEENSCHAPS- RECHT DAT VOORTVLOEIT UIT HET CONSTITUTIONELE ERFGOED DAT ALLE LID-STATEN GEMEEN HEBBEN EN DAT EVENEENS IS NEERGELEGD IN DE ARTIKELEN*6 EN*13 VAN HET EUROPEES VERDRAG TOT BESCHER- MING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS Dat de rechten van verdediging in elk geval grondrechten zijn die gegarandeerd worden door het gemeenschapsrecht. Dat verzoeker ook betoogt dat het recht op een beroep in volle rechtsmacht een grondrecht is dat wordt gegarandeerd door het gemeenschapsrecht. Volle rechtsmacht Doordat verzoeker stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volle rechtsmacht dient te hebben en thans niet voldoet aan deze vereist. Dat de behandelingstermijn ter zitting amper 2 minuten betrof. Dat de principes van het recht van verdediging eveneens te ontwaren vallen art. 6 EVRM welke uiteraard ook een grondrecht vormt in het gemeenschapsrecht. XIV-30.143-8/15 Terwijl voor zover verzoekster verwijst naar art. 6 EVRM, zij dit enkel doet om het begrip volle rechtsmacht nader uiteen te zetten. Dat zij derhalve geen schending van het artikel op zich inroept daar het asielrecht in de huidige stand van de rechtspraak niet van toepassing is op asielaanvragen. Zodat betoogt dat het principe dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen eigen onderzoek kan stellen in strijd is met het begrip "full jurisdiction" volle rechtmacht zoals vastgelegd in het EVRM en dus indirect van toepassing zijn door het feit dat dit een grondrecht uitmaakt in het gemeenschapsrecht. 'Full jurisdiction' Van belang is om te beginnen dat artikel 6 lid 1 EVRM niet alleen toegang tot een rechter garandeert maar ook eisen stelt aan de rechterlijke toetsing van overheidsoptre- den. In het kader van een procedure moet op grond van vaste jurisprudentie ten minste één rechterlijke instantie met volledige rechtsmacht ('fuil jurisdiction') de betreffende besluiten kunnen controleren (...). De eis van 'full jurisdiction' houdt in dat de betreffende rechter de bevoegdheid moet hebben: 'to examine all questions of fact and law relevant to the dispute before it.’ (...) De rechter moet op grond van artikel 6 lid 1 EVRM dus alle voor het betreffende geschil relevante vragen van juridische en feitelijke aard kunnen onderzoeken. Het is belangrijk om expliciet te constateren dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen rechtsvragen en feitelijke vragen (...). Uit het voorgaande volgt dat de rechter om te voldoen aan de eisen van artikel 6 EVRM dus ook moet kunnen oordelen over de vaststelling van de feiten als deze relevant zijn in het geschil. Daarmee is van belang wat wordt bedoeld met 'facts relevant to the dispute'. Immers alleen met betrekking tot deze feiten geldt het vereiste van 'full jurisdiction'. Daarmee is de vraag aan de orde hoe intensief de rechter terzake moet kunnen toetsen. Uitgangspunt van de jurisprudentie van het EHRM lijkt te zijn dat de rechter een eigen oordeel over de feiten moet geven hetgeen impliceert dat hij de bestuurlijke feitenvast- stelling vol moet kunnen toetsen. Gewezen kan hier worden op de uitspraak van het EHRM in de zaak Terra Woningen t. Nederland. Daarin werd een schending van artikel 6 lid 1 EVRM aangenomen omdat de kantonrechter bij het vaststellen van een huurprijs niet zelfstandig wilde onderzoeken of er sprake was van bodemverontreini- ging (een factor bij het bepalen van de huurprijs) en het standpunt van Gedeputeerde Staten daarover zonder meer overnam. Dit ondanks het feit dat partijen van mening verschilden over de vraag of er inderdaad sprake was van bodemverontreiniging. Uit het voorgaande zou kunnen worden afgeleid dat een meer terughoudende - marginale toetsing van de feitenvaststelling nooit door de beugel zou kunnen,365 maar uit de zaak Bryan L Verenigd Koninkrijk blijkt dat het EHRM onder bepaalde omstandigheden daarmee wel genoegen neemt (...). Deze zaak betrof een handhavings- besluit op grond waarvan de heer Bryan twee huizen moest slopen en bouwmateriaal moest verwijderen. Daartegen kwam hij vergeefs op bij het bestuursorgaan dat het besluit nam, waarna er beroep werd ingesteld bij de rechter. Daar kon echter de juistheid van de vastgestelde feiten die de basis vormden van het besluit niet meer direct worden betwist. De rechter was alleen bevoegd ten aanzien van rechtsvragen en kon geen nader bewijs ontvangen. Wel had de rechter de bevoegdheid om te beoordelen of de procedure waarin de feiten waren vastgesteld rechtmatig was en of de feitenvaststel- ling 'perverse or irrational’ was. Beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling bevinden zich dus 'in de gevarenzone van artikel 6 EVRM', maar zijn gelet op de zaak Bryan niet zonder meer ongeoorloofd. Voor dergelijke beperkingen moet wel een overtuigende rechtvaardigingsgrond bestaan, zoals de aard van het materiële rechtsgebied en de daaraan verbonden bestuurlijke vrijheid en het gespecialiseerde karakter van de feitenvaststelling. Daarbij is van belang dat de bestuurlijke feitenvaststelling in een met voldoende waarborgen omklede - quasirechterlijke gespecialiseerde administratieve voorprocedure heeft plaatsgevonden. Hieruit lijkt voort te vloeien dat het in dergelijke gevallen in het licht van artikel 6 EVRM ook mogelijk is grenzen te stellen aan het XIV-30.143-9/15 inbrengen van bepaald nieuw bewijsmateriaal in de rechterlijke procedure. Sommige bewijsmateriaal vergt immers een geheel nieuwe beoordeling door de rechter, iets waartoe hij echter juist niet in staat is gelet op, bijvoorbeeld, de daartoe vereiste specialisatie. De beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling mogen in ieder geval nooit zo ver gaan dat de rechter zich geheel verlaat op het oordeel van het bestuur. Dat zou immers feitelijk betekenen dat de betrokkene opdat punt geen toegang heeft tot de rechter. Er moet in het kader van de rechterlijke procedure een debat kunnen worden gevoerd over de juistheid van het bestuurlijke feitenoordeel en de wijze waarop dat tot stand is gekomen. Het geheel uitsluiten daarvan kan blijkens de jurisprudentie van het EHRM niet door de beugel. Gewezen kan worden op de al genoemde zaak Terra Woningen L Nederland en op de meer recente zaak Chevrol t. Frankrijk (...). Deze laatste zaak werd aan het EHRM voorgelegd nadat de Franse Raad van State (Conseil d’Etat) het beroep van verzoekster tegen de weigering haar Algerijnse artsexamen te erkennen had afgewezen. Daarbij heeft de Raad van State zijn eigen jurisprudentie gevolgd, waarbij hij, bij de beantwoording van de vraag of de betreffende verdragen toepasselijk waren, zich geheel heeft verlaten op het oordeel van een bestuursorgaan, ook waar dat de feitenvaststelling betrof. Het EHRM is daarover kritisch: ook al lijkt raadpleging van de minister door de Raad van State over de beoordeling van de voorwaarde van wederkerigheid bij de erkenning van diploma's noodzakelijk, door deze wijze van werken verplicht de Raad van State zich het oordeel te volgen van de minister, dat wil zeggen van een buiten de Raad staande en tot de uitvoerende macht behorende autoriteit, zonder het oordeel van die autoriteit aan kritiek of aan een contradictoir debat te onderwerpen. Het Hof is verder van oordeel dat met betrekking tot het inwinnen van het oordeel van de minister, dat bepalend zou zijn voor hetgeen in het geschil ter beslissing stond, voor appellante geen enkele voorziening openstond. Zij heeft geen enkele gelegenheid gekregen zich uit te spreken over het gebruik van het ministerieel oordeel, of over de formulering van de aan de minister gestelde vraag, of over de elementen van de beantwoording van die vraag. Appellante heeft aan de Raad van State verscheidene stukken overgelegd om aan te tonen dat de Algerijnse overheid de betreffende regelingen feitelijk wel degelijk toepaste. Deze stukken zijn zelfs niet onderzocht door de Raad, die derhalve niet heeft willen onderzoeken of zij een goede grondslag voor het betoog van appellante vormden. Aldus heeft de Raad zich gebonden geacht aan het oordeel van de minister, en zichzelf de bevoegdheid ontzegd om feitelijke gegevens die beslissend konden zijn voor het aan hem voorgelegde geschil in zijn beoordelingen te betrekken. Onder deze omstandighe- den kan volgens het EHRM niet worden gezegd dat appellante toegang heeft gehad tot een rechterlijke instantie die een toereikende bevoegdheid had, dan wel erkende dat zij een dergelijke bevoegdheid had, om zich te buigen over alle feitelijke en juridische kwesties die relevant waren om het geschil te beoordelen. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit evenwel niet heeft gedaan. Gebrek aan rechten van verdediging en volle rechtsmacht Zodat toegepast op de beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, meent verzoeker dat deze procedure geenszins voldoet. Dat de Raad voor Vreemdelin- genbetwistingen ambtshalve dient over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor deze zaak. Meer bepaald dient zij zich ervan te vergewissen dat verzoeker geen enkel risico op een mensonterende behandeling zal ondergaan wanneer hij terug zou keren naar zijn land van herkomst. Dat het een schending van de rechten van verdediging is daar verzoeker van mening is dat hij zich dienstig moet kunnen verweren tegen de repliek van het Commissariaat- Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen. Dat deze mogelijkheid in casu verboden is. Dat verzoeker eveneens verzoekt aan de Raad voor State prejudiciële vragen te stellen aan het Europees Hof van Justitie die als volgt luiden: "Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en houdt art. 47 van het XIV-30.143-10/15 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of het algemeen rechtsbeginsel recht op verdediging en recht op een beroep met volle rechtsmacht in dat deze administratieve rechtscolleges over een eigen onderzoeksbevoegdheid te beschikken die hen toelaat tot op de dag van de eindbeslissing onderzoek te verrichten naar alle relevante feiten, die nuttig zijn om de zaak te beoordelen". "Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en houdt art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of het algemeen rechtsbeginsel recht op verdediging en recht op een beroep met volle rechtsmacht in dat eenieder het recht heeft om schriftelijk te antwoorden op de antwoordbesluiten van de Lidstaat".”; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord integraal het in het inleidend verzoekschrift uiteengezette middel herhaalt; 2.1.
- Overwegende dat uit de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan, niet blijkt - en verzoeker ook niet beweert - dat hij voor de Raad voor Vreemdelin- genbetwistingen de in het middel vermelde grieven betreffende de beweerde miskenning van de rechten van verdediging heeft aangevoerd; dat deze grieven niet voor het eerst voor de Raad van State kunnen worden aangevoerd; dat het eerste middel niet ontvankelijk is; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “TWEEDE MIDDEL: Schending van art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Verzoeker verwijst naar het eerste middel en stelt dat zijn recht op een beroep in volle rechtsmacht en zijn recht op verdediging eveneens grondrechten zijn welke door het Handvest worden gegarandeerd. Doordat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ondertekend werd op 12 december
- Dat het Handvest door verzoeker kan ingeroepen worden op grond van het adagium “patere legem quem ipsi fecisti" en dit enkel in de verticale wijze. Hij kan het met andere woorden inroepen ten aanzien van de Belgische Staat. Doordat de Kwalificatierichtlijn (2004/83) als de Procedurerichtlijn verwijzen direct naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en dus ook naar art. 47 van het Handvest. In juni 2006 citeerde het Europees Hof van Justitie het Charter derwijze dat het zijn rechtstreekse werking bevestigde. Het stelde dat de vermelding in de preambule in de richtlijn voldoende was om het Charter van toepassing te maken (...). Een Advocaat Generaal van het Europees Hof van Justitie stelde dat het Handvest de uitdrukking is van het hoogste niveau , van een democratisch gevestigde politiek consensus welke thans beschouwd moet worden als een catalogus van fundamentele rechten gewaarborgd in het Gemeenschapsrecht. Dat ook het UNHCR deze visie is toegedaan. Dat verzoeker verwijst naar “The European asylum procedures directive in Legal context." Research Paper No.
- p. 20 ev. (www.unhcr.org) Dat de toepassing van art. 47 van het Handvest dan ook gewaarborgd dient te worden in alle zaken die de Europese Unie regelt waaronder het asielrecht. Dat art. 47 als volgt luidt: Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht XIV-30.143-11/15 Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordi- gen. Rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voorzover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen. Terwijl de invulling van art. 47 gelijklopend is met de invulling van art. 6 EVRM met het verschil dat het toepassingsgebied zich uitstrekt niet alleen over burgerlijke en strafrechtelijke materies maar ALLE materies die het Europees recht regelt waaronder dus ook het asielrecht. Dat de tekst zowel art. 13 EVRM als art. 6 EVRM incorporeert. Zodat de rechtspraak ivm art. 6 EVRM dan ook relevant is ter beoordeling van het feit of dat onderhavig beroep voldoet aan de voorwaarde zoals gesteld in het Europees Handvest. Dat evenwel art. 47 van het handvest geen vereiste stelt van burgerlijke of politieke rechten. Dat voor het overige verzoeker verwijst naar het eerste middel.”; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord integraal het in zijn inleidend verzoekschrift uiteengezette middel herhaalt en op het einde van zijn “samenvattende memorie” enkel stelt dat hij “kennis neemt van het verweer van verwerende partij”, “(d)at dit verweer geen afbreuk doet aan de opgeworpen middelen in al haar onderdelen” en “(d)at verzoeker volhardt in zijn middelen”; 2.2.
- Overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - in tegenstelling tot hetgeen verzoeker meent - tot op heden geen bindende kracht heeft; dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in het arrest van 27 juni 2006 in de zaak C-540/03, waarnaar verzoeker verwijst, overigens uitdrukkelijk stelt dat “het Handvest geen bindend rechtsinstrument is”; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert: “DERDE MIDDEL: Schending van het artikel 39/56 van de Vreemdelingenwet. Schending van het artikel 39/59 van de Vreemdelingenwet. Schending van het artikel 3 van het Koninklijk besluit houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelin- genbetwistingen. Doordat Art. 39/56 van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: "Art. 39/
- De beroepen bedoeld in artikel 39/2 kunnen voor de Raad worden gebracht door de vreemdeling die doet blijken van een benadeling of van een belang. De Minister of diens gemachtigde kan een beroep instellen tegen een beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die hij strijdig acht met de wet of met de Koninklijke besluiten die ermee in verband staan. De partijen mogen zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door advocaten die ingeschreven zijn op de tabel van de Orde der Advocaten of op de lijst van de stagiairs, alsook, volgens de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, door de onderdanen van XIV-30.143-12/15 een lidstaat van de Europese Unie die gerechtigd zijn om het beroep van advocaat uit te oefenen. Onverminderd deze mogelijkheid, wordt bij een beroep tegen een beslissing van de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, deze partij vertegenwoordigd door de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, door een van de adjuncten of door een door de Commissaris-Generaal aangewezen gemachtigde." Terwijl op de zitting van de Raad was de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen in casu beweerdelijk vertegenwoordigd door een attaché. Uit geen enkel stuk uit het administratief dossier blijkt dat de attaché een aangewezen gemachtigde van de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen zou zijn. Verzoeker is van mening dat elkeen die beweert gemachtigd te zijn door de Commissa- ris Generaal voor de Vluchtelingen en verschijnt voor de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen hiervan bewijs dient te leveren op de zitting zelf, of minstens dat het dossier zelf een spoor bevat van deze machtiging. Ondergeschikt meent verzoeker dat een dergelijke machtiging een procedurestuk betreft dat in elk dossier dient te worden bijgevoegd zodat het controleerbaar is. Verzoeker stelt vast dat van de opgeworpen procedurekwestie geen spoor in het arrest hieromtrent te vinden. Derhalve kan geen machtiging worden aangetoond. Dat zulks een machtiging een procedurestuk betreft dat zich in het dossier dient te bevinden. Dat een algemene machtiging niet kan en indien er zulks een algemene machtiging zou bestaan dan diende de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen zulks een bewijs ten laatste op de zitting voor te brengen. Zodat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dan ook toepassing had moeten maken van het artikel 39/59 § 2 van de Vreemdelingenwet. Dit artikel 39/59 §2 luidt als volgt: "§
- Alle partijen verschijnen ter terechtzitting of zijn er vertegenwoordigd. Wanneer de verzoekende partij noch verschijnt noch vertegenwoordigd is, wordt het beroep verworpen. De andere partijen die niet zijn verschenen of niet vertegenwoordigd zijn, worden geacht in te stemmen met de vordering of het beroep. In elke kennisgeving van een beschikking tot vaststelling van de rechtsdag wordt melding gemaakt van deze paragraaf." De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had dus moeten vaststellen dat de Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen niet geldig was vertegen- woordigd en dat het artikel 39/59 volle uitwerking diende te krijgen, met name dat er ingestemd werd met de vordering. Terwijl, toegepast op de beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwisting- en, Verzoekende partij meent dat deze procedure geenszins voldoet omwille van het feit dat er geen enkel onderzoek is gevoerd in feiten. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ambtshalve dient over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor deze zaak. Meer bepaald dient zij zich ervan te vergewissen dat verzoekende partij geen enkel risico op een mensonterende behande- ling zal ondergaan wanneer zij terug zou keren naar het land van herkomst. Uiteraard schendt dit het recht van verdediging. Volgens de rechtspraak van Uw Raad dient ook de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen zich zorgvuldig te gedragen bij het nemen van zijn beslissingen. Dat het middel derhalve gegrond is. Dat verzoeker ook aantoont dat er een schending is. Er is een schending van de wet en een machtsoverschrijding. Dat door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen grondige controle naar het onderzoek van het Commissariaat Generaal werd doorgevoerd naar de mogelijke vervolging van verzoeker, in de zin van de Vluchtelingenconventie, en in de zin van de subsidiaire bescherming bij een terugkeer naar zijn land. Dat de motivatie in de bestreden beslissing, die besluit tot de ongegrondheid van verzoekers ingestelde beroep, niet afdoende en onwettig is. XIV-30.143-13/15 Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nalaat de situatie van de mensenrechten grondig te beoordelen, waardoor de zorgvuldigheidsverplichting geschonden wordt. Dat derhalve verzoeker wegens zijn vlucht, wordt vervolgd bij een terugkeer naar zijn land waardoor zijn vrees en ressorteert onder de Vluchtelingenconventie. Dat de Raad van State niet oordeelt in feiten maar wel dient na te gaan of de overheid de feiten correct heeft vastgesteld. Dat de feiten hier niet werden vastgesteld. Dat de bestreden beslissing volgens de wet en hogere rechtsnormen zoals reeds uiteengezet hierdoor schendt. Dat verweerder derhalve een fout maakte en de bestreden beslissing, genomen ten aanzien van verzoeker, niet afdoende motiveerde en de wetgeving schond.”; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord integraal het in zijn inleidend verzoekschrift uiteengezette middel herhaalt en op het einde van zijn “samenvattende memorie” enkel stelt dat hij “kennis neemt van het verweer van verwerende partij”, “(d)at dit verweer geen afbreuk doet aan de opgeworpen middelen in al haar onderdelen” en “(d)at verzoeker volhardt in zijn middelen”; 2.3.
- Overwegende dat uit het proces-verbaal van de zitting van 11 december 2007 en uit de bestreden beslissing van 14 januari 2008 blijkt dat verzoeker en zijn raadsman zonder enig voorbehoud op voormelde zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn verschenen; dat niet blijkt dat zij opmerkingen of voorbehoud hebben geformuleerd omtrent de vertegenwoordiging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat verzoeker in een administratief cassatieberoep geen rechtsmiddel kan doen gelden dat hij niet vooraf heeft onderworpen aan het administratief rechtscollege waarvan hij de beslissing bestrijdt; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker overigens meent, er geen verplichting bestaat het machtigingsbesluit in het administratief dossier op te nemen; dat voor zover verzoeker meent dat door de Raad voor Vreemdelingen-betwistingen “geen grondige controle naar het onderzoek van het Commissariaat Generaal werd doorgevoerd naar de mogelijke vervolging van verzoeker, in de zin van de Vluchtelin-genconventie, en in de zin van de subsidiaire bescherming bij een terugkeer naar zijn land”, uit de motivering van de bestreden beslissing genoegzaam blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft onderzocht of verzoeker in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus, hetgeen, haars inziens, in casu evenwel niet het geval is; dat het derde middel, in de mate dat het al ontvankelijk zou zijn, niet gegrond is, XIV-30.143-14/15 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig januari tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.143-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.663 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div