← België

Arrest 189692 - Wegenwezen - 21/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.692 Rolnummer: A. 75420/X-7632 Zaak: Arrest 189692 - Wegenwezen - 21/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-02 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 14:44 Fiche Arrest nr 189.692 van 21 januari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Wegenwezen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.692 van 21 januari 2009 in de zaak A. 75.420/X-

  1. In zake : de n.v. MOLENS T’ KINDT, die woonplaats kiest bij advocaten S. BEELE en F. BUSSCHAERT, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 26a tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BOSSUYT, kantoor houdende te 8310 BRUGGE, Bossuytlaan
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. MOLENS T’ KINDT op 21 augustus 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 14 mei 1997 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het besluit van 16 januari 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen houdende afschaffing van de voetweg nr. 36 te Avelgem en verwerping van het voorstel tot afschaffing van het gedeelte A-B van de voetweg nr. 21 te Avelgem; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 10 januari 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; X-7632-1/11 Gelet op de beschikking van 24 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. SPRIET, die loco advocaat S. BEELE verschijnt voor de verzoekende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. De feiten 1.
  4. Bij notariële akte van 21 december 1995 verwerft de verzoekende partij een woonhuis met grond, gelegen te Avelgem, kadastraal bekend sectie B, nr. 237/p. 1.
  5. Op 5 maart 1996 dient de verzoekende partij bij de gemeente Avelgem een aanvraag in “tot afschaffing van de buurtweg nr. 21 en nr. 36 te Avelgem tussen de Kaaistraat en Ten Hove”. In die aanvraag stelt de verzoekende partij : “N.V. MOLENS T’KINDT is een maalderij voor voedingsgranen en aanverwanten. Haar inrichting bevindt zich te KERKHOVE tussen de Kaaistraat en Ten Hove op de hierna vermelde percelen kadastraal bekend : afdeling K sectie B nummer 221M, 221K, 224K, 235W, 235Z, 235X en 242L. Bij notariële akte verleden door Notaris Bob BULTERYES, verleden op 21 december 1995 kocht verzoekster het woonhuis op en met grond, gelegen Kaaistraat 20, kadastraal bekend onder nummer B237P van de voormalige eigenaars, de Heer en Mevrouw BOGAERT-BUYSSENS. Sindsdien strekt het erf van verzoekster zich uit vanaf perceel 235Z aan de westzijde tot perceel 242L aan de oostzijde (...). Doorheen het erf van verzoekster loopt de voetweg nr 21 langsheen het perceel 237 P. Deze voetweg verbindt de Kaaistraat met Ten Hove. Hierbij gevoegd vindt U een uittreksel uit de atlas van de buurtwegen (...) en een fotodossier (...) ter Uwer informatie. Bij dit verzoekschrift vraagt verzoekster aan het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente AVELGEM om de procedure tot afschaffing X-7632-2/11 van de voetweg nummer 21, gelegen te KERKHOVE-AVELGEM tussen de Kaaistraat en Ten Hove in toepassing van artikel 28 van de Wet dd. 10 april 1841 op de buurtwegen op te starten. Deze voetweg loopt immers, sinds de uitbreiding van het erf van verzoekster, uitsluitend nog over haar eigendom. Er zijn geen andere aangelanden. De voetweg wordt door het publiek bovendien niet meer gebruikt nu er voor de omwoners veel betere wegen ter beschikking zijn in de omgeving, zoals de Kaaistraat, de Brugstraat en Ten Hove. De voetweg is dienvolgens enkel nog dienstig voor het bedrijf van verzoekster zelf en is in feite een exploitatieweg geworden, die verzoekster echter niet dienstig is. Het heeft dan ook geen enkele zin deze voetweg verder te laten bestaan. In de hierboven geschetste omgeving ligt eveneens de voetweg nr. 36, die de voetweg nr. 21 kruist en evenwijdig loopt met de Kaaistraat ; Deze voetweg loopt grotendeels over de eigendom van mijn verzoekster en wordt evenmin gebruikt, nu er voor de omwoners veel betere wegen ter beschikking staan in de omgeving, zoals de Kaaistraat, de Brugstraat en Ten Hove. Mijn verzoekster vraagt de afschaffing van de buurtweg nr. 21 en nr. 36, zoals hierboven uiteengezet”. 1.
  6. Na het openbaar onderzoek over de voormelde aanvraag beslist de gemeenteraad van Avelgem op 24 juni 1996 aan de bestendige deputatie van de provincieraad van West Vlaanderen “te verzoeken het gedeelte van de voetweg nr. 21 (A-B) en de voetweg nr. 36 - (...) - gelegen tussen de Kaaistraat en Ten Hove te Avelgem (Kerkhove), af te schaffen”. 1.
  7. Op 16 januari 1997 beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen wat volgt : “De Bestendige Deputatie van de Provincieraad van West-Vlaanderen
  8. stelt vast dat : 1.1 de gemeenteraad van Avelgem op 24/06/1996 voorstelt om de voetweg nr. 36 te Avelgem (Kerkhove) en een gedeelte A-B van de voetweg nr. 21 te Avelgem (Kerkhove) af te schaffen; 1.2 het heropenen van tracé van voetweg nr. 36 praktisch niet meer mogelijk is, omdat het tracé van deze voetweg volledig is verdwenen, deels overbouwd en opgenomen in het industrieel complex van NV Molens ’t Kindt, terwijl het voorgestelde af te schaffen gedeelte van voetweg nr. 21 in een behoorlijke staat verkeert, verhard is en gebruikt wordt als valabele en nuttige verbindingsweg voor voetgangers en fietsers, tussen de buurtwegen nrs. 2 en 9 te Avelgem (Kerkhove), zodat dit gedeelte van voetweg nr. 21 nog steeds nuttig is als openbare verbindingsmogelijkheid en niet overbodig is geworden door altenatieve wegenis; 1.3 het openbaar onderzoek ‘de commodo et incommodo’ gehouden werd van 9/5/1996 tot en met 23/5/1996 en dat er één bezwaarschrift werd ingediend; dat dit bezwaarschrift door de gemeenteraad van Avelgem met hetzelfde besluit van 24/06/1996 als ongegrond werd verklaard daar de indiener, de heer Cogghe Jacques uit Gent beweert niet te weten dat op zijn eigendom een X-7632-3/11 voetweg gelegen is, maar dit volgens de atlas van de buurtwegen wel het geval is; 1.4 de Provinciale Technische Dienst in zijn verslag van 12/11/1996 een gunstig advies verleent wat het afschaffen van buurtweg nr. 36 te Avelgem (Kerkhove) betreft, maar een ongunstig advies verleent wat het afschaffen van het deel AB van voetweg nr. 21 te Avelgem (Kerkhove) betreft, omdat dit deel van voetweg nr. 21 nog steeds een valabele en nuttige verbinding vormt voor voetgangers en fietsers; 1.5 de hoofdingenieur-directeur van het Bestuur voor Ruimtelijke Ordening te Brugge in zijn brief van 6/12/1996, kenmerk 6/34003/142, mededeelt dat het hem toegestuurde ontwerpdossier geen aanleiding geeft tot opmerkingen;
  9. verwijst naar : 2.1 artikel 28 van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen; 2.2 het uittreksel uit de atlas van de buurtwegen opgemaakt door de Provinciale Technische Dienst op 15/2/1996; 2.3 het verslag van de heer F. Peuteman, bestendig afgevaardigde.
  10. beslist : 3.1 voetweg nr. 36 te Avelgem (Kerkhove) wordt afgeschaft zoals aangegeven op bijgevoegd uittreksel uit de atlas van de buurtwegen; 3.2 op het voorstel tot afschaffing van het gedeelte A-B van de voetweg nr. 21 te Avelgem (Kerkhove), wordt niet ingegaan 3.3 deze beslissing mee te delen aan het gemeentebestuur van Avelgem, aan de Provinciale Technische Dienst en aan de heer hoofdingenieur-directeur van het Bestuur voor Ruimtelijke Ordening te Brugge”. 1.
  11. Op 18 februari 1997 stelt de verzoekende partij tegen de voormelde beslissing het volgende beroep in : “
  12. Het is evident dat het heropenen van het tracé van voetweg nummer 36 praktisch niet meer mogelijk is. In die zin treedt N.V. MOLENS ’T KINDT de bestreden beslissing bij die hieromtrent moet worden bekrachtigd.
  13. De voetweg nummer 21 loopt sedert de uitbreiding van het erf van de N.V. MOLENS ’T KINDT nog uitsluitend over haar eigendom. Er zijn geen andere aangelanden. De voetweg is enkel nog dienstig voor het bedrijf van de N.V. MOLENS ’T KINDT zelf en is in feite een exploitatieweg geworden binnen het bedrijf. Binnen het bedrijf kan het erf beter worden ingericht zonder het bestaan van deze voetweg zodat mijn verzoekster terecht om de afschaffing van deze buurtweg vraagt. De beslissing van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van West-Vlaanderen is ingegeven door het (verkeerde) motief dat het deel A-B van voetweg 21 nog een valabele en nuttige verbinding zou vormen voor voetgangers en fietsers. Deze bedenking moet op een misverstand berusten. Hier wordt een loutere theoretische mogelijkheid vermeld, die echter in de praktijk door niemand wordt uitgeoefend. Dit houdt verband met de industriële bestemming van de onmiddellijke omgeving, enerzijds, de aanwezigheid van het bedrijf van concluante, de aanwezigheid van andere bedrijven in de onmiddellijke omgeving en het gebrek aan privatieve aangelanden. X-7632-4/11 Eénieder was dan ook vast overtuigd dat de aanvraag van de N.V. MOLENS ’T KINDT niet het minste probleem zou vormen zodat de gemeente AVELGEM reeds de rekening stuurde in verband met de vergoeding tot afschaffing van het deel van voetweg 21 en voetweg 36 zodat de N.V. MOLENS ’T KINDT reeds de vergoeding ten belope van 78.293 fr. heeft betaald.
  14. De erkenning, de afpaling, het onderhoud, de verbetering, de afschaffing van buurtwegen gebeurt overeenkomstig de Wet van 10 april 1841 op de buurtwegen. De gemeenteraad, de Bestendige Deputatie en de Koning spelen elk een rol. De onderscheidene bevoegdheden van de drie vermelde overheden worden afgebakend, zoals ondermeer uitgelegd in het arrest van de Raad van State dd. 9 mei 1985 (...). Sinds 1980 is de bevoegdheid van de Koning vervangen door deze van de executieve op grond van Artikel 6 §1.I van de Bijz. Wet van 08/08/1980 tot hervorming van de instellingen (...). Bij een aanvraag tot het afschaffen van een buurtweg zal de administratieve overheid, bij haar beslissing, rekening houden met het nut dat het gebruik van die weg voor het publiek oplevert (...). Een zekere afweging van belangen moet gebeuren. Uit de afweging van belangen, in casu, blijkt onomstootbaar dat kwestieuze buurtweg nummer 21 (deel A-B) geen nut meer heeft, zeker geen noemenswaardig nut in verhouding tot de omgeving, waarbij rekening moet worden gehouden met de veiligheid van de aangelanden, inclusief dit binnen het bedrijf van de N.V. MOLENS ’T KINDT”. 1.
  15. Op 14 mei 1997 beslist de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening de voormelde beslissing van 16 januari 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen goed te keuren, op grond van de volgende motieven : “Overwegende dat de betrokken voetwegen die in rode kleur zijn aangeduid op het betreffende plan ‘Uittreksel uit de Atlas der Buurtwegen’, volgens het gewestplan Kortrijk (K.B. 4.11.1977) als behorend tot het woongebied zijn te aanzien; dat betrokken voetwegen volgens voormeld plan voor een beperkt gedeelte grenzen aan een kleine zone voor milieubelastende nijverheid doet geen afbreuk aan het gegeven dat de betrokken voetwegen juridisch-planologisch hoofdzakelijk een woongebied bedienen; Overwegende dat het vanuit stedenbouwkundig oogpunt aangewezen is om bestaande voetwegen binnen een woongebied maximaal te bewaren; Overwegende dat de heropening van het tracé van voetweg nr. 36 praktisch onmogelijk is omwille van de reeds gedeeltelijke overbouwing ervan en dat deze voetweg reeds jaren geen gebruik meer kent; dat er geen bezwaren bestaan tegen de officiële afschaffing ervan; Overwegende dat het deel A-B van voetweg nr. 21 nog een bestaande voetweg in behoorlijke staat is die nog steeds een valabele en nuttige verbinding vormt voor voetgangers en fietsers; dat de beslissing van de Bestendige Deputatie van 16 januari 1997 om niet over te gaan tot afschaffing van het deel A-B van voetweg nr. 21 daarom wordt bijgetreden; Overwegende dat in het voormelde beroepsschrift geen argumenten worden aangehaald die primeren boven het algemeen belang tot behoud van het deel A-B van voetweg nr. 21”. Dit is het bestreden besluit. X-7632-5/11
  16. De ontvankelijkheid van het beroep De verwerende partij voert aan dat geen bewijs voorligt dat de raad van bestuur van de verzoekende partij tot de instelling van het annulatieberoep heeft beslist. De exceptie mist feitelijke grondslag en is ongegrond.
  17. De gegrondheid van het beroep 3.
  18. Eerste middel 3.1.
  19. Het aangevoerde eerste middel In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending van de hoorplicht aan: “Wanneer men zich voorneemt een beslissing te nemen zal men vooreerst de betrokkene horen. Het hoorrecht miskennen betekent meteen het recht van verdediging miskennen, wat reeds gesanctioneerd wordt zowel door de RAAD VAN STATE als door het HOF VAN CASSATIE. Het hoorrecht omvat verschillende aspecten waaronder ondermeer aan de betrokkene de mogelijkheid te bieden zijn standpunt met betrekking tot de voorgenomen maatregel kenbaar te maken en aan de betrokkene een redelijke termijn te bieden om zijn standpunt voor te bereiden. Bij het instellen van het beroep bij de Vlaamse Regering had mijn verzoekster er uitdrukkelijk om verzocht het beroep toe te lichten en gehoord te worden alvorens een beslissing zou genomen worden. Mijn verzoekster werd niet uitgenodigd, waardoor de bestreden beslissing moet worden vernietigd, nu zij niet genomen werd binnen het kader van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. 3.1.
  20. Beoordeling De hoorplicht houdt in dat de bestuurde tegen wie een ernstige maatregel wordt overwogen die van aard is zijn belangen zwaar aan te tasten en die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag, vooraf in de gelegenheid wordt gesteld om op nuttige wijze zijn standpunt ter zake te doen kennen. Om zich op de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur te kunnen beroepen, moet blijken dat de overheid een beslissing nam die gesteund is op het persoonlijk gedrag van de betrokkene. Dit is te dezen niet het geval. Het beroep dat wordt ingesteld tegen een door de bestendige deputatie genomen beslissing over de afschaffing van een buurtweg is voorts geen jurisdictioneel, maar een administratief beroep. De beroeper beschikt in een dergelijk geval, ter verdediging van zijn belangen, over geen andere X-7632-6/11 waarborgen dan die welke de wetten, decreten en reglementen hem uitdrukkelijk verlenen. Geen enkele bepaling van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen verplichtte de verwerende partij ertoe om de verzoekende partij voorafgaandelijk aan haar beslissing te horen. Dienvolgens was zij niet verplicht om in te gaan op het uitdrukkelijk verzoek van de verzoekende partij om gehoord te worden. Daarenboven was de verzoekende partij in de mogelijkheid om haar rechten te vrijwaren door haar standpunt uiteen te zetten in haar gemotiveerd beroepschrift. Het middel is niet gegrond. 3.
  21. Tweede middel 3.2.
  22. Het aangevoerde tweede middel In een tweede middel voert de verzoekende partij aan wat volgt : “Mijn verzoekster vertoonde voldoende belangstelling voor de behandeling door de Vlaamse Regering van het ingediende beroep. De raadsman van mijn verzoekster heeft herhaaldelijk telefonisch contact genomen met de diensten van de Heer Gouverneur van de Provincie WEST-VLAANDEREN, aan wie het beroep moest worden gericht en verder met de diensten van het Vlaamse Gewest maar kon geen evolutie bij de besluitvorming vernemen. Mijn verzoekster werd verrast door de bekendmaking van de beslissing volgens de inhoud van de brief gedateerd op 26 juni 1997 en moest vervolgens nog herhaalde malen aandringen bij de gemeente AVELGEM ten einde uiteindelijk de volledige tekst van het MB ter kennis te kunnen krijgen. Alsdan bleek dat in strijd met de inhoud van de bekendmaking op 26 juni 1997 het MB niet genomen werd op 30 januari 1997 maar wel op 14 mei 1997, hoewel men het telefonisch hield bij een beslissing van 30 januari
  23. Er zal moeten uitgemaakt worden wanneer de beslissing precies werd genomen en op welke wijze. De vormvereisten lijken niet nagekomen zodat de bestreden beslissing nietig is”. 3.2.
  24. Beoordeling Een middel bestaat uit de voldoende en duidelijke omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel of het geschonden geachte beginsel en van de wijze waarop die rechtsregel of dat beginsel naar het oordeel van de verzoekende partij door het bestreden besluit wordt geschonden. De verzoekende partij geeft te dezen geen voldoende en duidelijke omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel of het geschonden geachte beginsel. Het middel is onontvankelijk. X-7632-7/11 3.
  25. Derde middel 3.3.
  26. Het aangevoerde derde middel In een derde middel voert de verzoekende partij aan wat volgt : “De motivering van de beslissing kan niet worden bijgetreden. Zelfs de discretionaire bevoegdheid moet binnen de door de Wet bepaalde perken worden uitgeoefend. Discretionaire bevoegdheid is geen arbitraire macht en de handelingen van de Overheid blijven onderworpen aan het rechterlijk wettigheidstoezicht. Zo zal de Overheid slechts een beslissing kunnen treffen aan de hand van werkelijk bestaande feitelijke omstandigheden waarvan zij zich een duidelijke voorstelling heeft kunnen vormen, zodat zij slechts een beslissing neemt die naar recht en redelijkheid tot stand komt. In casu blijkt er geen twijfel te bestaan over de onjuistheid van het overheidsoptreden. Het bedrijf van concluante is gevestigd langs een waterloop. Naast haar bedrijf werden diverse andere bedrijven opgetrokken. Deze situatie bestaat sinds jaar en dag. Zij wordt bevestigd door de stedebouwkundige bestemming die deze percelen krijgen, ondermeer in het gewestplan. De Vlaamse Regering verwijst terecht naar het feit dat het bedrijf van concluante gelegen is in een zone voor milieubelastende nijverheid. Correcter zou zijn te verwijzen naar de onmiddellijke omgeving van vele andere bedrijven die door de nabijgelegen waterloop zich in de loop der jaren hebben kunnen vestigen conform aan het stedebouwkundig beleid, zodat deze verschillende bedrijven meteen eveneens van de Overheid de normale verwachting konden krijgen hun bedrijf verder bedrijfsmatig te kunnen uitoefenen. Het is correct dat deze industriële zone grenst aan een woongebied : beide zones liggen afgebakend en zijn het resultaat van een historische evolutie, zodat de omwonenden rekening houden met de sinds jaar en dag bestaande industrie, wanneer zij er zich komen vestigen. Mijn verzoekster heeft in de loop der jaren alles ondernomen om het evenwicht tussen beide zones te behouden. Zo kocht mijn verzoekster bij notariële akte verleden voor Notaris Bob BULTEREYS, verleden op 21 december 1985, het woonhuis met aanpalende erve gelegen aan de Kaaistraat 20, zoals hierboven uiteengezet van de toenmalige eigenaars, de Heer en Mevrouw BOGAERT-BUYSSENS. Deze en andere initiatieven waren ingegeven door de bezorgdheid om enerzijds de industriële bestemming veilig te stellen en anderzijds tot een juiste afbakening te komen van het woongebied; voor mijn verzoekster betekende dit een bijkomende en belangrijke investering en financiering die voornamelijk de omgeving ten goede kwam. Dit alles gebeurde in overleg met de gemeentelijke overheden. Op die wijze werd in de loop der jaren de voetweg nr. 21, althans voor het deel waarvoor de afschaffing wordt gevraagd, totaal onnuttig. Dit laatste was niet een doel op zichzelf maar het gevolg van de herschikking van de omgeving, die de omgeving precies ten goede kwam. Het deel van de voetweg nr. 21 A-B heeft thans geen nut meer als voetweg noch voor de aangelanden noch voor welke gebruiker ook. Deze voetweg wordt enkel nog gebruikt als dienstweg binnen het bedrijf zelf en het theoretisch gebruik van de voetweg lijkt zelfs af te raden gelet op de onmiddellijke omgeving, al was het maar uit veiligheidsoverwegingen. De huidige situatie waarbij de dienstweg ieder merkbaar nut heeft verloren, is het gevolg van de evolutie over de vele jaren heen, waarbij de verschillende bedrijven, gevestigd in de omgeving, eveneens hun bedrijven aanpassen aan de noodzaak hun bedrijfsgebouwen structureel en georganiseerd op te stellen, te schikken en uit te baten. X-7632-8/11 Het behouden van het deel A-B van de voetweg nr. 21 beantwoordt dienvolgens niet aan de principes die de Overheid in acht had moeten nemen bij het behandelen van de aanvraag tot afschaffing van dit deel van de buurtweg”. 3.3.
  27. Beoordeling 3.3.2.
  28. Artikel 28 van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen - gewijzigd door de wet van 20 mei 1863- luidt als volgt: “De aanleg, de afschaffing of de wijziging van een buurtweg moeten voorafgegaan zijn van een onderzoek. De beraadslagingen der gemeenteraden worden onderworpen aan de bestendige deputatie van de provinciale raad, welke beslist behoudens beroep bij de Koning vanwege de gemeente of van de belanghebbende derden. De beslissingen van de deputatie worden bekendgemaakt door de colleges van burgemeester en schepenen, van de zondag of na dezelver ontvangst en blijven gedurende acht dagen aangeplakt. Het beroep bij de Koning schorst de beslissingen. Het moet uitgeoefend en aan de gouverneur overgemaakt worden, binnen de vijftien dagen volgende op de in vorige paragraaf vermelde bekendmaking”. In dit geval staat buiten betwisting dat de bestendige deputatie haar beslissing gesteund heeft op de voormelde bepaling, dat de verzoekende partij als belanghebbende derde tegen dat besluit bij de Vlaamse regering beroep heeft ingesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 28, vierde lid, van de wet zodat het aan de Vlaamse regering of aan het door haar aangewezen lid toekwam zich uit te spreken over de goedkeuring van het besluit van 16 januari 1997 van de bestendige deputatie, wat gebeurd is met het thans bestreden besluit. 3.3.2.
  29. De vraag of een buurtweg moet worden opgeheven door de bevoegde overheid dient te worden beantwoord aan de hand van een belangenafweging, waarbij deze overheid in de eerste plaats het openbaar belang op het oog dient te hebben. De Raad van State vermag zich niet in de plaats van de bevoegde overheid te stellen en heeft te dezen een marginaal toetsingsrecht. Meer bepaald kan hij nagaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Met de verwerende partij moet worden vastgesteld dat het betoog van de verzoekende partij neerkomt op een eigen feitelijk verhaal nopens de noodzaak om tot de afschaffing van de kwestieuze buurtweg te besluiten. De door haar aangebrachte gegevens en beweringen volstaan niet om aan te tonen dat de X-7632-9/11 verwerende partij haar besluit op verkeerd beoordeelde feiten heeft gegrond of niet in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Het middel is niet gegrond. 3.
  30. Vierde middel 3.4.
  31. Het aangevoerde vierde middel In een vierde middel voert de verzoekende partij het volgende aan : “Het bestreden MB moet dienvolgens wegens onwettigheid, machtsoverschrijding en machtsafwending vernietigd worden. Het bestreden besluit strookt niet met de wettelijke schikkingen en de algemene rechtsprincipes; de bestreden beslissing lijkt duidelijk gesteund op een verkeerde motivering en een verkeerd oogmerk”. 3.4.
  32. Beoordeling Zoals hoger, bij de bespreking van het tweede middel, werd uiteengezet, bestaat een middel uit de voldoende en duidelijke omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel of het geschonden geachte beginsel en van de wijze waarop die rechtsregel of dat beginsel naar het oordeel van de verzoekende partij door het bestreden besluit wordt geschonden. De verzoekende partij geeft te dezen geen voldoende en duidelijke omschrijving van de wijze waarop de door haar geschonden geachte rechtsregels of beginselen worden geschonden. Het middel is onontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  33. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  34. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-7632-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig januari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-7632-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.692 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.