← België

Arrest 189704 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 22/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.704 Rolnummer: A. 191048/XII-5680 Zaak: Arrest 189704 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 22/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-22 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 14:51 Fiche Arrest nr 189.704 van 22 januari 2009 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.704 van 22 januari 2009 in de zaak A. 191.048/XII-

  1. In zake : Thiéry TACHEL, die woonplaats kiest bij advocaat Chr. Vangeel, kantoor houdende te Antwerpen, Lange Lozanastraat 24 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door Scholengroep 28 Westhoek, dat woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Amerikalei 220, bus
  2. tussenkomende partij : Fanny BEERENS, die woonplaats kiest bij het Vrij Syndicaat Openbaar Ambt - Groep Onderwijs, met zetel te Brussel, Boudewijnlaan 20-
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Thiéry Tachel op 14 januari 2009 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van : “- De beslissing van 17 december 2008 waarbij de kandidatuur van verzoekende partij werd afgewezen - De beslissing waarbij mevrouw Fanny Beerens werd weerhouden als kandidaat voor de aanstelling van waarnemend directeur CVO De Panne”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 14 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 januari 2009, om 9.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-5680-1\5 Gehoord de opmerkingen van advocaat Chr. Vangeel, die verschijnt voor verzoeker, van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor verwerende partij, en van Fanny Beerens, verzoekster in tussenkomst; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT :
  4. Met een verzoekschrift van 20 januari 2009 heeft Fanny Beerens gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Zij wordt genoemd als begunstigde van de tweede bestreden beslissing zodat er reden is om haar verzoek in te willigen.
  5. Verzoeker, F. Beerens en E.V. zijn kandidaat voor een aanstelling tot waarnemend directeur voor de duur van maximum zestig dagen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 50, § 6, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, als directeur van het CVO De Panne. Op 15 december 2008 beslist de raad van bestuur van de scholen- groep Westhoek van het Gemeenschapsonderwijs om de kandidatuur van verzoeker “gemotiveerd af te wijzen” en om F. Beerens aan te stellen.
  6. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.
  7. Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen XII-5680-2\5 verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
  8. Verzoeker doet met betrekking tot de derde schorsingsvoorwaarde als nadeel gelden wat volgt : “
  9. Het nadeel voor verzoekende partij is evident : door de onterechte aanstelling misloopt hij zelf de aanstelling. Hij lijdt hierdoor een financieel nadeel, maar bovenal hypothekeert deze onterechte motivering zijn loopbaan en miszegt deze hem een belangrijke ervaring in zijn loopbaan.
  10. Het ernstig nadeel van verzoekende partij is ook moeilijk te herstellen, nu na afloop van de zestig dagen er geen mogelijkheid bestaat om de misgelopen ervaring op enige andere manier te bekomen. Het ernstig nadeel dat verzoekende partij inroept is om die reden moeilijk te herstellen”.
  11. Een financieel nadeel is in beginsel herstelbaar. Verzoeker laat na ook maar enige becijfering te doen van dit nadeel, wat toch de minimale inspanning is die hij moet leveren om de Raad van State er van te overtuigen het in zijn concrete zaak anders te zien. Overigens wordt verzoeker door de bestreden beslissing niets ontnomen, maar wordt hem slechts een kans op een financiële verbetering misgund, dan nog gedurende een periode van ten hoogste zestig dagen. Hoe dit nadeel als ernstig bestempeld moet worden is voor de Raad van State zonder meer niet te begrijpen. Ter terechtzitting verklaart verzoeker -en bevestigt verwerende partij- dat binnenkort een procedure zal worden gestart voor een aanstelling in dezelfde betrekking voor een periode van meer dan zestig dagen. Eerder dan de ernst en het onherstelbaar karakter van het aangevoerde nadeel te ondersteunen, spreekt dit nieuwe gegeven dit tegen. Op korte termijn immers krijgt verzoeker reeds een nieuwe kans op een aanstelling, van zelfs langere duur, waarin hij de ervaring kan opdoen die hij nu vreest te zullen missen. De Raad van State kan slechts herhalen wat hij reeds in tal van arresten heeft overwogen, namelijk dat wie zich voor een benoeming c.q. waarnemende aanstelling in een openbaar ambt kandidaat stelt er rekening mee moet houden dat hij wordt voorbijgezien, dat het moreel nadeel dat hiermee gepaard gaat in de regel voldoende hersteld wordt door de morele genoegdoening die een, overigens met terugwerkende kracht geldende, nietigverklaring van een benoeming of aanstelling verleent, dat het dan ook niet moeilijk herstelbaar voorkomt en dat XII-5680-3\5 verzoeker door de vernietiging normaal gezien een nieuwe kans heeft om in het geambieerde ambt te worden aangesteld. Daarenboven gaat het te dezen niet eens om een vaste benoeming, maar om een uiterst tijdelijke waarnemende aanstelling. Het gebrek aan stabiliteit van een dergelijke tijdelijke, precaire aanstelling sluit normaal uit dat het mislopen van wat slechts een kans is op zo een aanstelling, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan onderbouwen. Het valt aan verzoeker toe om de Raad ervan te overtuigen dat het in dit geval uitzonderlijk anders moet zijn en, zoals gezien, heeft hij daartoe weinig -te weinig- moeite gedaan door slechts zijn nadeel “evident” te noemen waar het dat allerminst is.
  12. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.
  13. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. De Raad van State hoeft dan ook niet te onderzoeken of te dezen argumenten voorhanden zijn die kunnen vergoelijken waarom verzoeker méér dan drie weken heeft gedraald bij het instellen van de vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid, en of hij door zo te handelen niet zelf de spoedeisendheid van zijn vordering en dus het vervuld zijn van de eerste grondvoorwaarde tegenspreekt. XII-5680-4\5 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  14. Het verzoek tot tussenkomst van Fanny Beerens in de schorsingsprocedure wordt ingewilligd. Artikel
  15. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  16. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig januari 2009, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5680-5\5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.704 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.