id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.724 Rolnummer: A. 184591/VII-37026 Zaak: Arrest 189724 - Milieuvergunningen - 22/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-30 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 14:52 Fiche Arrest nr 189.724 van 22 januari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.724 van 22 januari 2009 in de zaak A. 184.591/VII-37.026. In zake : de BVBA G. VAN BEEK EN ZN, die woonplaats kiest bij advocaat T. SWERTS, kantoor houdende te MECHELEN, Antwerpsesteenweg 18 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse rege- ring, dat woonplaats kiest bij advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-84. ------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat de BVBA G. VAN BEEK EN ZN op 23 juli 2007 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging en de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 21 mei 2007 waarbij haar beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 12 oktober 2006, houdende weigering van de vergunning voor het verder uitbaten en veranderen van een mestkalverenbedrijf, gelegen aan de Galgestraat 64A te Geetbets, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON , op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en op grond van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State; VII-37.026-1/13 Gelet op de beschikking van 5 november 2008, houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 11 december 2008; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. SWERTS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat S. CALLENS die, loco advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. De verzoekende partij heeft een bestaand mestkalverenbedrijf, gelegen aan de Galgestraat 64A te Geetbets, overgenomen van de BVBA VEEGA. Op dat ogenblik beschikt de inrichting over een vergunning van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Geetbets van 3 oktober 1990, voor de exploitatie van een kalverstal voor 630 dieren en de opslag van 1.293 m3 dierlijke mest. Deze vergunning blijkt te lopen tot 1 september 2011. 1.2. Op 31 maart 1994 heeft de bestendige deputatie van de provincie- raad van Brabant vergunning verleend voor de uitbreiding van de inrichting met een tweede stal voor 350 mestkalveren en de bijhorende opslag van 505 m3 dierlijke mest. Voormeld besluit is echter in beroep opgeheven door een besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 22 april 2000. Het beroep tegen dat besluit van 22 april 2000 - zaak bij de Raad van State gekend onder A. 91.859/VII-21.299 - is bij arrest nr. 189.723 van 22 januari 2009 verworpen. VII-37.026-2/13 1.3. Op 16 juni 2006 wordt de overname van de inrichting gemeld aan de bevoegde overheid, in casu de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant. Over die melding van overname brengt de Vlaamse Landmaatschappij (hierna VLM) op 8 september 2006 advies uit. In dat advies komt de VLM op grond van de aangiftegegevens bij de Mestbank tot de vaststelling dat de over te nemen vergunning voor het houden van 630 mestkalveren vervallen is wegens niet- exploitatie van de inrichting gedurende twee opeenvolgende jaren (toepassing van artikel 46, 3/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I)). Het bestuur blijkt nog geen akte te hebben genomen van deze melding. 1.4. Tegelijk met de melding van overname, en verwijzend naar de "rechtszekerheid", dient de verzoekende partij op 16 juni 2006 bij de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant een vergunningsaanvraag in voor het verder exploite- ren en veranderen van de veeteeltinrichting. Er wordt in concreto een vergunning gevraagd voor een inrichting, omvattende twee stallen voor in totaal 980 mestkalveren, de opslag van 1.798 m3 mengmest en een bovengrondse mazouttank met een capaciteit van 2.000 liter. 1.5. Bij besluit van 12 oktober 2006 weigert de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant de gevraagde milieuvergunning. De weigering van de vergunning steunt op de vaststelling dat de inrichting gedurende twee opeenvolgen- de jaren niet werd geëxploiteerd - voor de aanslagjaren 2003 en 2004 werd namelijk geen aangifte bij de Mestbank gedaan - zodat de vergunning met toepassing van artikel 46 van Vlarem I van rechtswege vervallen is. 1.6. Op 15 november 2006 stelt de verzoekende partij bij de Vlaamse minister van Leefmilieu beroep in tegen de in eerste aanleg genomen weigeringsbe- slissing. In het beroepschrift wordt het verval van de lopende vergunning betwist; niet alleen zou het verval afgeleid zijn uit administratieve tekortkomingen van de vorige exploitant waarvoor de overnemer geen enkele verantwoordelijkheid draagt, maar bovendien zou uit de zogenaamde Sanitelgegevens blijken dat de inrichting wel degelijk in exploitatie was in de productiejaren 2002 en 2003 (aanslagjaren 2003 en 2004). Het beroep wordt op 1 december 2006 ontvankelijk verklaard. VII-37.026-3/13 1.7. In het kader van de beroepsprocedure worden de volgende adviezen uitgebracht : (
- a)het Agentschap voor Natuur en Bos deelt op 15 december 2006 mee dat de exploitatie van de inrichting "naar alle waarschijnlijkheid geen significante gevolgen heeft op natuurwaarden waarvan de wijzigingen vergunningsplichtig (zijn) of op natuurgebieden die in uitvoering van het gewestelijk beleid als prioritair te beschermen beschouwd worden"; (
- b)het advies van de VLM van 2 januari 2007 is ongunstig. Er zou meer bepaald niet voldaan zijn aan de bepalingen van artikel 33ter van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffendecreet) (wegens het niet nakomen van de aangifteplicht bij de Mestbank, de met de aanvraag beoogde stijging van de mestproductie en de onduidelijkheid omtrent de verantwoorde mestafzet in het verleden) noch aan artikel 5.9.2.3 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II) (onvoldoende mestopslagcapaciteit). Met betrekking tot de mestbankaangifte en de geldigheid van de te hernieuwen vergunning (annex de vergunde mestproductie) wordt in het advies van de VLM het volgende gesteld : "(...) De mestbankaangifte De volgende aangiftegegevens zijn bekend bij de Mestbank: aanslagjaar 1993 1994 1995 1996 1997 B = bezet- B S B S B S B S B S ting S = stand- plaatsen mestkalveren 648 648 555 648 685 1011 931 1011 836 1011 aanslagjaar 1998 1999 2000 2001 B = bezet- B S B S B S B S ting S = stand- plaatsen mestkalveren 561 1011 948 1000 950 1011 968 1011 aanslagjaar 2002 2003 2004 2005 2006 B = bezet- B S B S B S B S B S ting S = stand- plaatsen mestkalveren 887 1011 303 985 651 1011 VII-37.026-4/13 Uit de Sanitel gegevens blijken echter volgende dierbezettingen : - AJ 2003: 867 mestkalveren - AJ 2004: 615 mestkalveren - AJ 2005: 263 mestkalveren - AJ 2006: 611 mestkalveren (...) Geldigheid van de vergunning Uitgaande van de aangifte bij de Mestbank (bezetting en standplaatsen), en de nieuwe bijkomende gegevens van Sanitel, de gekende vergunningsbeslis- singen, de diercategorieën, dieraantallen en mestopslagcapaciteit opgegeven in de aanvraag kan gesteld worden dat de gekende milieuvergunning nog volledig geldig is. Op basis van het vergunningenbesluit tot uitvoering van artikel 33ter van het mestdecreet en rekening houdend met de in de aanvraag opgegeven dierenaan- tallen bedraagt de vergunde mestproductie 2.268 kg P2O5 en 6.615 kg N, overeenkomstig 630 mestkalveren. De vergunde mestopslagcapaciteit bedraagt 1.293 m³"; (
- c)op 19 januari 2007 stelt de afdeling Milieuvergunningen voor om de gevraagde milieuvergunning te weigeren; (
- d)het advies van de afdeling Stedenbouwkundig Beleid van 30 januari 2007 is gunstig. De inrichting blijkt volgens het toepasselijke gewestplan Tienen-Landen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 24 maart 1978, gelegen te zijn in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied en ze wordt geacht verenigbaar te zijn met die bestemming; (
- e)door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt op 5 februari 2007 voorgesteld om het beroep ongegrond te verklaren en de beroepen beslissing te bevestigen. 1.8. Met een besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 21 mei 2007 wordt het beroep dat de verzoe- kende partij had ingesteld, ongegrond verklaard en wordt de beroepen beslissing tot weigering van de gevraagde milieuvergunning bevestigd. Dit is het bestreden besluit; het bevat volgende motieven : "Gelet op het ontvankelijk bevonden beroep van Gerrit Van Beek, Kapselse- steenweg 292 te 2930 Brasschaat, aangetekend tegen de beslissing nr. D/PMVC/06F23/06706 van 12 oktober 2006 van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende het weigeren van de vergunning aan G. Van Beek en Zn BVBA, Kapelsesteenweg 292, 2930 Brasschaat, voor het verder uitbaten en veranderen van het mestkalverenbedrijf gelegen te 3454 Geetbets, Galgestraat 64A, op de kadastrale percelen, afdeling 2, sectie E, perceelnrs. 22m3, 22e3, 22n3, 22n2 en 22t2, omvattende : - 2 stallen voor 980 mestkalveren; - een opslag van 1.798 m³ mengmest; - een bovengrondse mazouttank van 2.000 l; (...) Gelet op het feit dat voormelde beroepindiener de volgende aanspraken doet gelden: VII-37.026-5/13 - gelijktijdig met de aanvraag werd op 16 juni 2006 een melding van overname ingediend voor het mestkalverenbedrijf in exploitatie bij de BVBA Veega; tot op heden heeft de aanvrager nog geen uitsluitsel of deze melding al dan niet ontvankelijk is voor wat betreft de dieren; - het niet voldaan hebben aan de aangifteplicht slaat op administratieve verplichtingen van de overlater en niet van de overnemer; als overnemer kan de aanvrager niet verantwoordelijk gesteld worden voor het niet voldoen aan de aangifteplicht in het verleden; uit de Sanitelgegevens van 2002 en 2003 blijkt wel dat de stallen nog in gebruik waren zodat het vervallen van de vergunning uitgesloten is; de Sanitelgegevens werden ook overgemaakt aan de VLM zodat de voorwaarden betreffende de mestafzet in het verleden wel kunnen nagekeken worden; - op basis van het arrest nr. 90.853 van de Raad van State kan niet geconclu- deerd worden dat de vergunning voor de uitbreiding met 350 mestkalveren, zoals in eerste aanleg aangevraagd bij de bestendige deputatie in augustus 1993, inmiddels definitief geweigerd zou zijn; door dit arrest wordt enkel het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 22 april verworpen; - de huidige aanvraag betrof enkel de hernieuwing van een bestaande vergunning voor dieren en mestopslag; de beslissingen van 31 maart 1994, 7 oktober 1994 en 22 april 2000 meldden een tekort aan gronden voor mestafzet maar geen tekort aan mestopslagcapaciteit; de exploitant wenst zich in orde te stellen met de VLAREM-voorwaarden inzake de mestopslagcapaci- teit in functie van het aantal dieren; Gelet op het horen op 5 februari 2007 door de Gewestelijke Milieuvergun- ningscommissie van de aanvrager, die bij dit horen inzonderheid het volgende stelt: - de weigering is gebaseerd op het feit dat er voor 2 opeenvolgende jaren geen aangifte is gedaan, namelijk 2003 en 2004; - de Raad van State heeft de vraag tot schorsing verworpen, er wordt nog nagezien of de procedure bij de Raad van State wordt verder gezet; - een melding van overname is ingediend, doch de aankoop is gebeurd; - op 7 januari 2006 werd toegang gegeven aan de Mestbank voor Sanitel- gegevens en waaruit blijkt dat er dieren geweest zijn, er is ook nog een rectificatie voor de aangiften voor 2003 en 2004 ingediend bij de Vlaamse Landmaatschappij; - er kan geen discussie zijn over de geldigheid van de vergunning vermits de Sanitelgegevens gebruikt worden in het advies van de Vlaamse Landmaat- schappij; - er wordt nu enkel nog vergunning gevraagd voor 630 dieren en geen uitbreiding meer tot 980; (...) Overwegende dat de definitieve bouwvergunning werd verleend vóór 1 september 1991; dat de aangifte van het aanslagjaar 1993 werd ontvangen op 15 maart 1993, wat vóór 29 september 1993 is; dat er op die aangifte dieren werden vermeld; dat derhalve, overeenkomstig artikel 2, 7/, a van het mestdecreet, deze inrichting als een bestaande veeteeltinrichting kan be- schouwd worden; Overwegende dat het een mestkalverenbedrijf betreft; dat wat betreft kalverenbedrijven er geen verbods- en afstandsregels gelden in het kader van titel II van het VLAREM; Overwegende dat met het ministerieel besluit van 22 april 2000, de uitbreiding met 350 mestkalveren wordt geweigerd; dat bij het arrest van 16 november 2000 van de Raad van State het verzoek tot schorsing van vermeld ministerieel besluit werd verworpen; dat derhalve, in de huidige VII-37.026-6/13 situatie volgens het vermeld ministerieel besluit, slechts 630 mestkalveren in aanmerking komen voor vergunning; Overwegende dat de inrichting eveneens dient te voldoen aan alle bepaling- en van het mestdecreet; dat artikel 33ter, § 1, 1/, c), 3) van het mestdecreet stelt dat er bij het verlenen van de vergunning geen stijging van de vergunde mestproductie mag zijn; dat artikel 3 van het mestdecreet stelt dat de drie voorafgaande kalenderjaren moet voldaan zijn aan de aangifteplicht en dat de drie laatste kalenderjaren moet voldaan zijn aan de mestafzet; Overwegende dat, volgens de gegevens van de Vlaamse Landmaatschappij, er voor de productiejaren 2002 en 2003 geen aangifte is gedaan, zodat er gegevens ontbreken om te kunnen uitmaken of de mestproductie gedurende de drie kalenderjaren voorafgaande aan de aanvraag is afgezet conform de bepalingen van het mestdecreet; dat er dus niet kan nagegaan worden of er voldaan is aan vermeld artikel 3 van het mestdecreet; dat dit nogmaals bevestigd wordt in een aanvullende nota van 12 februari 2007; Overwegende dat volgens het ministerieel besluit van 22 april 2000 de inrichting vergund is voor 630 mestkalveren, wat overeenkomt met een vergunde mestproductie van 2.268 kg P2O5 en 6.6l5 kg N; dat de gewenste mestproductie 3.528 kg P2O5 en 10.290 kg N, bedraagt, overeenkomstig de gevraagde 980 mestkalveren; dat dus niet voldaan is aan de bepaling van artikel 33ter, §1, 1/, c), 3) van het mestdecreet; Overwegende dat in artikel 5.9.2.1bis, §l van titel II van het VLAREM wordt gesteld dat elke inrichting waar mengmest wordt geproduceerd over een mestopslagcapaciteit van minimaal 6 maand dient te beschikken; dat er dus minimaal 1.960 m³ opslagcapaciteit aanwezig moet zijn; dat er, gezien er maar een mestopslagcapaciteit van 1.798 m³ is, niet voldaan is aan deze bepaling; Overwegende evenwel dat zoals hoger vermeld, er 2 opeenvolgende kalenderjaren, namelijk 2003 en 2004, geen aangifte is gedaan bij de Mestbank; dat dus kan gesteld worden dat er gedurende 2 jaar geen exploitatie is gebeurd en dat derhalve, overeenkomstig 46 van titel I van het VLAREM de vergunning vervallen is; Overwegende dat gezien de vergunning als vervallen dient beschouwd te worden de aanvraag tot vroegtijdige hernieuwing zonder voorwerp is; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen". 2. De ontvankelijkheid 2.1.1. De verwerende partij stelt in haar nota met opmerkingen dat de verzoekende partij niet beschikt over de vereiste hoedanigheid. Zij gaat er van uit dat, aangezien het bedrijf reeds werd verkocht op 17 juli 2005, de melding van de overname - op 16 juni 2006 - te laat gebeurd is, met name na de aanvang van de exploitatie door de verzoekende partij. Zij vindt dat de verzoekende partij daarom de vereiste hoedanigheid mist om zich te verzetten tegen de weigering om de vergunning van de BVBA VEEGA te vernieuwen en uit te breiden. Zij vindt ook dat, zolang er geen kennis genomen is van de melding van de overname, de BVBA VEEGA nog altijd titularis is van de vergunning, zodat ook op dat vlak het gebrek aan hoedanigheid vastgesteld moet worden. VII-37.026-7/13 2.1.2.1. De verzoekende partij blijkt de inrichting op 17 juli 2005 van de BVBA VEEGA gekocht te hebben. Zij is sindsdien de nieuwe uitbater en heeft in die hoedanigheid op 16 juni 2006 enerzijds de overname van de inrichting aan de bevoegde overheid gemeld en anderzijds gevraagd om de vervroegde vernieuwing van de bestaande vergunning. Met het onderhavige beroep bestrijdt zij de beslissing waarbij het bestuur, beslissend in beroep, vaststelt dat de vraag tot vernieuwing van de vergunning geen voorwerp heeft omdat de overgedragen vergunning vervallen is. 2.1.2.2. Luidens artikel 19, 2/, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet) blijft in geval van overname van de inrichting door een andere exploitant de verleende vergunning geldig voor de duur van de lopende vergunning. De bepaling voorziet wel in de melding van de overname, vooraf, aan de vergunningverlenende overheid. Artikel 42 van Vlarem I neemt die bepaling over met de specificatie dat de overnemer de overname moet melden "vóór de datum van inwerkingtreding" van de overname. 2.1.2.3. De verplichting om een overname te melden doet geen afbreuk aan het in artikel 19 van het milieuvergunningsdecreet gestelde beginsel dat bij een overname de vergunning haar geldigheid behoudt. De inrichting mag verder geëxploiteerd worden. De overnemer heeft wel een meldingsplicht, maar nergens is bepaald dat de overnemer de kennisneming van de overnamemelding moet afwachten om de exploitatie aan te vatten. De bestaande vergunning loopt immers gewoon door. In dit geval heeft de verzoekende partij de overname aan het bestuur gemeld op 16 juni 2006 en de verwerende partij betwist niet dat de verzoekende partij de vergunde exploitatie van de BVBA VEEGA overgenomen heeft met inbegrip van de vergunning. De hoedanigheid om een annulatieberoep in te stellen vindt haar grondslag in deze overname. 2.1.2.4. Artikel 19 van het milieuvergunningsdecreet stelt geen sanctie op het feit dat de overnemer de overname niet meldt alvorens hij de exploitatie aanvangt of, in de termen van artikel 42, § 2, van Vlarem I, alvorens de overname in werking treedt. De voorafgaande melding is dan ook geen voorwaarde voor het voortduren van de bestaande vergunning. In de logica van het systeem blijkt de voorafgaande meldingsplicht eerder verband te houden met de bekommernis om het bestuur permanente duidelijkheid te bieden over de persoon die als exploitant van VII-37.026-8/13 de vergunde inrichting aangesproken kan worden, inzonderheid wat betreft het toezicht op de naleving van de toepasselijke milieuvoorwaarden. De zogenaamd laattijdige melding ontneemt aan de verzoekende partij de vereiste hoedanigheid niet. De exceptie wordt verworpen. 2.2.1. In een tweede exceptie werpt de verwerende partij op dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het beroep omdat het bestuur, na een vernietiging, de vernieuwing opnieuw zal moeten weigeren op grond van artikel 33ter, § 1, 3/, van het meststoffendecreet en artikel 3 van het uitvoeringsbe- sluit van de Vlaamse regering van 5 oktober 2001. 2.2.2. Na een vernietiging van het bestreden besluit zal de verwerende partij met een nieuwe rechtscheppende beslissing opnieuw uitspraak moeten doen over het beroep van de verzoekende partij tegen de weigeringsbeslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant. De reglementaire bepalingen waarop de verwerende partij alludeert verplichten haar niet het beroep te verwerpen; zij moet dat alleen doen wanneer de studie van de concrete gegevens van de zaak haar tot het inzicht brengen dat de inrichting niet voldoet aan de reglementaire voorwaarden voor het verlenen van de vernieuwing van de vergunning. Met andere woorden, de verwerende partij heeft na een vernietiging geen gebonden bevoegd- heid. De Raad van State mag niet anticiperen op het onderzoek dat de verwerende partij opnieuw zal moeten uitvoeren. De exceptie is niet gegrond. 2.3.1. In een derde exceptie werpt de verwerende partij op dat de verzoekende partij geen wettig belang heeft, aangezien de milieuvergunning sinds 15 maart 2005 vervallen is en haar belang er enkel in bestaat de onwettige toestand bestendigd te zien. 2.3.2. Deze exceptie raakt de grond van de zaak. In het eerste middel voert de verzoekende partij precies aan dat de vergunning op de inrichting die zij overgenomen heeft, niet vervallen is. 3. De grond van de zaak 3.1. In het eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 30, § 1, en 46 van Vlarem I, van het zorgvuldigheids- en het VII-37.026-9/13 redelijkheidsbeginsel en van de formele motiveringsverplichting, doordat het bestreden besluit de milieuvergunning voor haar inrichting vervallen verklaart omdat er gedurende twee jaren geen aangifte ingediend werd bij de Mestbank, doordat het besluit zonder nadere motivering afwijkt van het advies van de VLM, doordat de verwerende partij geen rekening gehouden heeft met alle feiten van het dossier en doordat de beslissing niet afdoende gemotiveerd is. Zij licht het middel op volgende wijze toe: de vergunning wordt verworpen omdat er in de jaren 2003 en 2004 geen aangifte gedaan is bij de Mestbank en er "dus kan gesteld worden dat er gedurende 2 jaar geen exploitatie is gebeurd", zodat de vergunning vervallen is. Maar daarmee wordt artikel 46 van Vlarem I, dat uitdrukkelijk verwijst naar de ontstentenis van een exploitatie, verkeerd toegepast. Het niet-indienen van een aangifte bij de Mestbank staat niet gelijk met het niet-exploiteren van de inrichting, want Vlarem I geeft aan het begrip "exploitatie" een eigen inhoud, te weten het "in werking stellen of houden, gebruiken, installeren of in stand houden van een inrichting (...)" en het niet- indienen van een aangifte valt daar zeker niet onder. Het bestuur had moeten nagaan of er in dit geval gedurende twee jaren niet geëxploiteerd is. Gedurende de jaren 2002 en 2003 is de inrichting wel degelijk in werking gehouden, zoals ontegenspre- kelijk blijkt uit de Sanitelgegevens over het bedrijf en zoals de VLM in haar advies van 2 januari 2007 ook heeft erkend. Het bestreden besluit miskent aldus de bewijskracht van de Sanitelgegevens en gaat voorbij aan het advies van de VLM. 3.2. De verwerende partij laat in haar nota met opmerkingen in essentie gelden dat de bestreden beslissing op "veelvuldige" motieven steunt waarvan het niet doen van een aangifte bij de Mestbank er slechts één vormt. De jaarlijkse aangifte bij de Mestbank is een essentiële verplichting voor de producen- ten van dierlijke meststoffen en het niet-voldoen aan die aangifteplicht wordt strafrechtelijk gesanctioneerd; bijgevolg mag de vergunningverlenende overheid uit de afwezigheid van aangifte afleiden dat de inrichting niet geëxploiteerd werd, op gevaar af de omissie van de exploitant zelf te gaan rechtzetten. Zij voegt daaraan toe dat het bestreden besluit niet afwijkt van het advies van 2 januari 2007 van de VLM. 3.3. De motieven van het bestreden besluit zijn sub 1.8 hiervoor geciteerd. Er wordt gesteld dat, volgens de gegevens van de VLM, er voor de jaren 2002 en 2003 geen aangifte bij de Mestbank gedaan is, dat bijgevolg niet kan worden uitgemaakt of de mestproductie in de drie laatste kalenderjaren conform het VII-37.026-10/13 meststoffendecreet afgezet is en dat er dus niet kan worden nagegaan of voldaan is aan artikel 3 van het meststoffendecreet, terwijl de vergunning slechts kan worden verleend wanneer de inrichting voldoet aan alle bepalingen van het meststoffende- creet. Er wordt ook gesteld dat de mestproductie, wegens de aangevraagde verhoging van het aantal mestkalveren van 630 naar 980, zal verhogen, hetgeen strijdig is met artikel 33ter, § 1, 1/, c), 3), van het meststoffendecreet en dat er, in strijd met artikel 5.9.2.1bis, § 1, van Vlarem II, geen mestopslagcapaciteit voor minstens zes maanden aanwezig is. Die motieven worden echter "overruled" door de laatste drie overwegingen, waarin de verwerende partij "evenwel" vaststelt dat er gedurende twee jaren geen aangifte bij de Mestbank gebeurd is en "dat dus kan gesteld worden dat er gedurende 2 jaar geen exploitatie is gebeurd", zodat de vergunning vervallen is en de vraag tot vroegtijdige hernieuwing "zonder voorwerp" is. Laatstgenoemde overwegingen vormen, gelet op het gebruik van het woord "evenwel", het dragende motief waarop het bestreden besluit moet worden afgerekend. Het is een apart motief dat niet in het verlengde van de voorgaande motieven ligt, aangezien het leidt tot de vaststelling dat de aangevraagde hernieuwing geen voorwerp heeft, terwijl de andere motieven het bestuur tot het besluit hadden kunnen brengen dat de aanvraag ten gronde niet voldeed - conclusie die de verwerende partij niet formeel verwoord heeft -. Het motief reikt ook verder dan de voorgaande, aangezien het de verzoekende partij confronteert met het juridisch gegeven dat haar vergunning vervallen is, terwijl de bestaande vergunning - volgens het advies van de VLM - nog liep tot 1 september 2011. Een en ander doet besluiten dat de verwerende partij, ongeacht de bedenkingen die zij heeft geformuleerd met betrekking tot de vraag of de aange- vraagde hernieuwing wel in te passen was in de regeling van het meststoffendecreet en Vlarem II, zich voor de verwerping van het beroep alleen maar gesteund heeft op de ontstentenis van exploitatie gedurende twee jaren. 3.4. Artikel 28, § 1, 3/, van het milieuvergunningsdecreet - overgeno- men in artikel 46, 3/, van Vlarem I - bepaalt dat de vergunning "van rechtswege (vervalt)" wanneer zij betrekking heeft op een inrichting die "gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd". Exploiteren is een begrip waar artikel 1, 5/, van Vlarem I een eigen inhoud aan geeft, met name het "in werking stellen of houden, gebruiken, installeren of in stand houden van een inrichting, VII-37.026-11/13 daaronder begrepen het lozen van afvalwater". Voor gevallen als het onderhavi- ge - de voortzetting van de uitbating van een veeteeltinrichting- betekent dit dat de vergunning vervalt wanneer het bedrijf gedurende twee jaren de facto en binnen de grenzen van de bestaande vergunning niet uitgebaat wordt. 3.5. Om tot het verval van de vergunning te kunnen besluiten moet het bestuur onderzoeken of deze vergunning gedurende twee jaren niet benut is. Het niet-indienen van een aangifte bij de Mestbank kan een indicatie daarvoor zijn, maar is, bij gebrek aan reglementaire bepaling terzake, zeker niet exclusief of decisief. 3.6. In het onderhavige geval had de VLM in haar advies van 2 januari 2007 erop gewezen dat de aangifte bij de Mestbank - waaruit bleek dat er geen gegevens ingediend werden voor de aanslagjaren 2003 en 2004 (productiejaren 2002 en 2003) - gerectificeerd moest worden met de voor die jaren beschikbare Sanitelgegevens en dat op grond van die gegevens, getoetst aan de bestaande vergunningen en de invulling die daaraan gegeven was, kon worden gesteld dat de "gekende milieuvergunning nog volledig geldig is". De verwerende partij heeft bij het treffen van het bestreden besluit dat advies over het hoofd gezien, zij heeft ook geen eigen onderzoek gedaan van de concrete omstandigheden waarin het mestkalverenbedrijf in de jaren 2002 en 2003 uitgebaat werd en zij heeft zich integendeel beperkt tot de vaststelling dat er voor die productiejaren geen aangifte bij de Mestbank gebeurd is. Aldus heeft zij geen correcte toepassing gemaakt van artikel 28, § 1, 3/, van het milieuvergunningsde- creet en artikel 46, 3/, van Vlarem I. Het eerste middel is gegrond. 3.7. De vernietiging van het bestreden besluit heeft tot gevolg dat de vordering tot schorsing die erbij gevoegd is, geen voorwerp meer heeft, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. VII-37.026-12/13 Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 21 mei 2007 waarbij het beroep van de BVBA G. VAN BEEK EN ZN ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 12 oktober 2006, houdende weigering van de vergunning voor het verder uitbaten en veranderen van een mestkalverenbedrijf, gelegen aan de Galgestraat 64A te Geetbets, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 4. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig januari tweeduizend en negen, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. A. VANDENDRIESSCHE. VII-37.026-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.724 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div