id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.725 Rolnummer: Zaak: Arrest 189725 - Milieuvergunningen - 22/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-28 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-29 14:53 Fiche Arrest nr 189.725 van 22 januari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Samenvoeging Afstand van geding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.725 van 22 januari 2009 in de zaken I. A. 140.518/VII-30.531 II. A. 141.577/VII-30.
- In zake : Edgard WOUTERS, die woonplaats kiest bij advocaten P. FLAMEY en P. J. VERVOORT, kantoor houdende te ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : I. de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN ALSENOY, kantoor houdende te BRUSSEL, A. Dansaertstraat 92, II. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Edgard WOUTERS op 18 augustus 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 12 juni 2003 waarbij zijn beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Boutersem van 25 februari 2003, houdende weigering van de milieuvergunning voor het verder uitbaten van de zeefinstallatie, gelegen aan de Molenweg te Boutersem, zonder voorwerp wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt opgeheven (A. 140.518/VII-30.531); Gezien het verzoekschrift dat Edgard WOUTERS op 15 september 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van het afdelingshoofd van de afdeling Milieuvergunningen van 16 juli 2003 houdende de onontvankelijkverklaring van zijn administratief beroep ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant VII-30.531 en 30.690-1/6 van 24 april 2003, houdende weigering van aktename voor het opvullen van de zandgroeve, gelegen aan de Molenweg te Boutersem, met niet-verontreinigde grond (A. 141.577/VII-30.690); Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord in de beide zaken; Gezien de verslagen opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikkingen van 8 mei 2007 die de neerlegging ter griffie van de verslagen en van de dossiers gelasten; Gelet op de kennisgevingen van de verslagen aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories in de zaak A. 140.518/VII-30.531 en de laatste memorie van verzoeker in de zaak A. 141.577/VII-30.690; Gelet op de beschikkingen van 30 oktober 2008 waarbij wordt bepaald dat de zaken met toepassing van artikel 90, § 1, derde lid, van de gecoördi- neerde wetten op de Raad van State, door één lid van de kamer worden behandeld; Gelet op de beschikkingen van 5 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. J. VERVOORT, die verschijnt voor verzoeker in de beide zaken, van advocaat K. LEFEVER die, loco advocaat K. VAN ALSENOY, verschijnt voor de verwerende partij in de eerste zaak, en van advocaat S. CALLENS die, loco advocaat J. BERGÉ, verschijnt voor de verwerende partij in de tweede zaak; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-30.531 en 30.690-2/6 OVERWEEGT WAT VOLGT:
- De samenvoeging van de zaken Rekening houdend met de hiernavermelde ontwikkeling in de beide zaken, is er reden om de dossiers te voegen.
- De feiten 2.
- Op 14 november 2002 vraagt verzoeker aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Boutersem de hernieuwing aan van de milieuvergunning "voor het verder exploiteren van een zeefinstallatie". De aanvraag heeft tot doel de op 21 juni 2001 verleende vergunning "strekkende tot het veranderen van een zandgroeve" te vernieuwen. 2.
- Op 25 februari 2003 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Boutersem de gevraagde vergunning. 2.
- Verzoeker dient administratief beroep in tegen het weigeringsbesluit en op 12 juni 2003 heft de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de beslissing van 25 februari 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Boutersem op en verklaart zij het administratief beroep zonder voorwerp. Die beslissing, die het voorwerp vormt van het beroep in de zaak A. 140.518/VII-30.531, steunt op het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie van 14 mei 2003, dat luidt : "De aanvraag voor de hervergunning van de zeefinstallatie werd bij de gemeente ingediend als klasse 2-inrichting. Echter als kadastrale percelen waarop de zeefinstallatie zou uitgebaat worden werd nagenoeg de volledige omschrijving van de zandwinning opgegeven. Deze winning, meer dan l ha, is ingedeeld in klasse 1 en valt in eerste aanleg onder de beslissingsbevoegdheid van de bestendige deputatie. De vergunningen voor de zandwinning zijn nog geldig tot 01/09/
- De hervergunningsaanvraag voor de zeefinstallatie werd bij de gemeente ingediend op 10 december
- Op 24 december 2002 werd echter bij de bestendige deputatie een aanvraag conform art. 38 van Vlarem I ingediend voor het opvullen van de zandgroeve met niet-verontreinigde grond. De gevraagde rubriek 60.2 is ingedeeld in klasse 1 aangezien meer dan 10.000 m³ grond gevraagd werd voor de opvulling. De aanvulling van de indelingslijst met rubriek 60 in het BVR van 13.05.2002 werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 19.06.2002 en was van kracht sinds 29.06.
- Bijgevolg moest de hervergunningsaanvraag voor de zeefinstallatie ook bij de bestendige deputatie ingediend worden en is de VII-30.531 en 30.690-3/6 beslissing van het College van Boutersem van 25/02/2003 niet rechtsgeldig en dient ze opgeheven te worden. Een inhoudelijke evaluatie van de aanspraken van het beroepschrift en van de hoorzitting is bijgevolg niet vereist". 2.
- Op 24 april 2003 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de door verzoeker op 24 december 2002 gevraagde milieuvergunning voor het opvullen van de zandgroeve met niet- verontreinigde uitgegraven bodem. Er wordt vastgesteld dat de groeve volledig uitgegraven is en dat tijdens het plaatsbezoek van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij vastgesteld is dat de groeve "nog steeds wordt opgevuld met bouw- en sloopafval". 2.
- Op 2 juni 2003 stelt verzoeker bij de Vlaamse minister van Leefmilieu administratief beroep in tegen de weigering om de zandgroeve op te vullen. Hij voegt daar het bewijs bij dat hij opdracht gegeven heeft om 125 euro op de rekening van de afdeling Milieuvergunningen over te schrijven. 2.
- Na de mededeling van de administratie -op 5 juni 2003- dat het bedrag van de dossiertaks 247,89 euro bedraagt en dat binnen de veertien dagen het bewijs van volledige betaling overgemaakt moet worden, laat verzoeker op 6 juni 2003 aan het bestuur weten dat hij die dag 122 euro gestort heeft. Op 12 juni 2003 stort hij nog eens 0,89 euro. 2.
- Op 16 juli 2003 deelt het afdelingshoofd van de afdeling Milieuvergunningen aan verzoeker mede dat zijn administratief beroep van 2 juni 2003 onontvankelijk is omdat het juiste bedrag van de dossierkosten "niet binnen de gevraagde termijn betaald (is) en (het beroep) bijgevolg definitief onontvankelijk (is)". Deze beslissing vormt het voorwerp van het beroep in de zaak A. 141.577/VII-30.
- De ontvankelijkheid van de beroepen 3.
- In zijn laatste memories stelt verzoeker dat hij inmiddels, op 30 juni 2004, een milieuvergunning verkregen heeft voor het verder uitbaten van de betreffende zeefinstallatie en voor het opvullen van de zandgroeve met niet- verontreinigde grond, en dat die vergunning op 13 april 2007 uitvoerbaar geworden is. Hij stelt dat de beide beroepen dienvolgens geen voorwerp meer hebben. De verwerende partij beaamt dat het voorwerp van het beroep teloorgegaan is. VII-30.531 en 30.690-4/6 3.
- De uiteenzetting van verzoeker wordt begrepen als een afstand van de gedingen. De dossiers bevatten geen gegeven dat zich tegen de bewilliging in de afstand verzet. 3.
- Met de beslissing van 30 juni 2004 heeft de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur uitspraak gedaan over het beroep dat verzoeker ingesteld heeft tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 25 maart 2004, waarbij hem de milieuvergunning geweigerd is voor het verder uitbaten van de zeefinstallatie en het opvullen van de zandgroeve met niet-verontreinigde grond. Uit de laatste memorie van de verwerende partij blijkt dat die beslissing het eindpunt is van de procedure die verzoeker op gang gebracht heeft met een nieuwe aanvraag van 10 oktober
- 3.
- Het teloorgaan van het voorwerp van de beroepen of de afstand van de gedingen zijn het gevolg van een nieuwe beslissing van het bestuur. De Raad van State ziet evenwel geen reden om de kosten van de gedingen om die reden ten laste van de verwerende partij te leggen, nu de nieuwe beslissing inhoudelijk niet gezien kan worden als een rechtzetting in het licht van de argumentatie die aan de Raad van State was voorgelegd, maar het resultaat is van een geheel nieuw onderzoek van een nieuwe aanvraag van verzoeker, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE: Artikel
- De zaken A. 140.518/VII-30.531 en A. 141.577/VII-30.690 worden gevoegd. Artikel
- De afstand van de gedingen wordt vastgesteld. Artikel
- De kosten van de beroepen, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoeker. VII-30.531 en 30.690-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig januari tweeduizend en negen, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. A. VANDENDRIESSCHE. VII-30.531 en 30.690-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.725 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div