id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.765 Rolnummer: A. 140507/IX-3896 Zaak: Arrest 189765 - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen - 26/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-29 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 15:03 Fiche Arrest nr 189.765 van 26 januari 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.765 van 26 januari 2009 in de zaak A. 140.507/IX-3896. In zake : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Gerard Davidstraat 46 bus 1, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Werk, die woonplaats kiest bij advocaat P. PEETERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177 bus 6. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de Vlaamse Gemeenschap op 18 augustus 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 juni 2003; Gelet op het arrest nr. 125.623 van 24 november 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 17 december 2003 door de verzoekster; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 2 maart 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-3896-1/14 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 30 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P.-J. STAELENS, die verschijnt voor de verzoekster, en van advocaat P. PEETERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Gegevens van de zaak 1.1. In het Belgisch Staatsblad van 16 juni 2003 wordt het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers (hierna: het koninklijk besluit van 28 mei 2003) bekendgemaakt. Dit koninklijk besluit is van toepassing op de werkgevers en de werknemers evenals op de daarmee gelijkgestelde personen, bedoeld in artikel 2 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk (hierna de wet van 4 augustus 1996). Het regelt het gezondheidstoezicht op de werknemers, dat tot doel heeft de gezondheid van de werknemers te bevorderen en te behouden door risico’s te voorkomen (afdeling 2). Daartoe bepaalt het de verplichtingen van de werkgever in verband met de toepassing en de uitvoering van het gezondheidstoezicht (afdeling 3), de preventieve handelingen en de specifieke verplichtingen van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer (afdeling 4), de verschillende vormen van gezondheidsbeoordeling (afdeling 5), de beslissing van de preventieadviseur- IX-3896-2/14 arbeidsgeneesheer betreffende de beoordeling van de gezondheid (afdeling 6), de algemene bepalingen betreffende de inentingen en tuberculinetests (afdeling 7), het gezondheidsdossier (afdeling 8) en de aangifte van de beroepsziekten (afdeling 9). Het voorziet tevens in de behandeling van meningsverschillen of moeilijkheden die uit de bepalingen van dit koninklijk besluit kunnen voortvloeien, door de geneesheren-arbeidsinspecteurs van de Medische Arbeidsinspectie (afdeling 10). Het besluit bevat ten slotte een aantal wijzigings- en opheffingsbepalingen (afdeling 11) en slotbepalingen (afdeling 12). Dit koninklijk besluit maakt het voorwerp uit van het voorliggende beroep tot nietigverklaring. 1.2. Het bestreden koninklijk besluit zoekt, luidens zijn aanhef, rechtsgrond in de wet van 4 augustus 1996, in het bijzonder in artikel 4, §1, van deze wet, gewijzigd bij de wetten van 7 april 1999 en 11 juni 2002, dat toen het bestreden besluit werd genomen, als volgt luidde: “De Koning kan aan de werkgevers en de werknemers alle maatregelen opleggen die nodig zijn voor het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. Het welzijn wordt nagestreefd door maatregelen die betrekking hebben op: 1/ de arbeidsveiligheid; 2/ de bescherming van de gezondheid van de werknemers op het werk; 3/ de psychosociale belasting veroorzaakt door het werk; 4/ de ergonomie; 5/ de arbeidshygiëne; 6/ de verfraaiing van de arbeidsplaatsen; 7/ de maatregelen van de onderneming inzake leefmilieu, wat betreft hun invloed op de punten 1/ tot 6/; 8/ de bescherming van de werknemers tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk. De Koning kan bijzondere maatregelen vaststellen om rekening te houden met de specifieke toestand van inzonderheid de thuiswerkers, de kleine en middelgrote ondernemingen, de krijgsmacht, de politiediensten en de diensten voor burgerbescherming, met het oog op het bereiken van een gelijkwaardig beschermingsniveau.” Grond van de zaak 2.1.1. De verzoekster voert in een eerste middel de schending aan van artikel 5, § 1, I, 2/, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna: BWHI). IX-3896-3/14 Zij betoogt dat artikel 128, § 1, van de Grondwet de gemeenschappen bevoegd maakt voor de regeling van “de persoonsgebonden aangelegenheden”, die door de bijzondere wetgever nader moeten worden bepaald. Het begrip “persoonsgebonden aangelegenheden” mag niet restrictief worden geïnterpreteerd, omdat anders “de logica van artikel 128 van de Grondwet” wordt miskend. Artikel 5, §1, I, 2/, BWHI bepaalt dat, wat het gezondheidsbeleid betreft, persoonsgebonden aangelegenheden zijn: de gezondheidsopvoeding, alsook de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg, met uitzondering van de nationale maatregelen inzake profylaxis. Gezondheid heeft echter invloed op en hangt samen met tal van andere domeinen, zodat bij de beoordeling van de vraag welke overheid bevoegd is om in de regelgeving te voorzien, steeds moet worden nagegaan waar het zwaartepunt van de regelgeving ligt. Dat het geheel van het beleid inzake de gezondheidsopvoeding en inzake de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg tot de bevoegdheid van de gemeenschappen behoort, is ook door het Grondwettelijk Hof aangenomen in zijn arrest nr. 69/92 van 12 november 1992. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft in zijn advies nr. 34.339/AV over een voorontwerp van decreet “betreffende het preventieve gezondheidsbeleid” hetzelfde standpunt ingenomen, met de toevoeging dat de bepalingen van de bijzondere wet evolutief moeten worden geïnterpreteerd, in die zin dat de gemeenschappen “nieuwe activiteiten en diensten tot ontwikkeling [kunnen] brengen” voor zover daarmee het bevoegdheidsdomein van een andere overheid niet wordt betreden. De verzoekster argumenteert voorts dat artikel 3 van het bestreden koninklijk besluit de doelstelling van het gezondheidstoezicht op de werknemers omschrijft als het bevorderen en behouden van de gezondheid van de werknemers door risico’s te voorkomen en dat in de volgende bepalingen van het besluit een uitgebreid stelsel van preventieve gezondheidszorg wordt uitgewerkt met verplichtingen voor de werkgever. De federale regelgever heeft aldus expliciet uiting gegeven aan zijn bedoeling om te voorzien in activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg. Hij miskent derhalve de bevoegdheid van de gemeenschappen om een beleid te voeren inzake activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg. Artikel 4, § 1, van de wet van 4 augustus 1996 kan geen rechtsgrond vormen voor het bestreden koninklijk besluit, aangezien de Belgische Staat zich geen bevoegdheid mag toeëigenen op het vlak van de preventieve gezondheidsbescherming. Indien die rechtsgrond toch zou worden aanvaard, dan is er reden om aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: IX-3896-4/14 “Is de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, in het bijzonder artikel 4, § 1, zoals gewijzigd bij de wetten van 7 april 1999 en 11 juni 2002, geïnterpreteerd in die zin dat de Belgische Staat daaraan de bevoegdheid zou ontlenen om te voorzien in regelgeving met betrekking tot het beleid inzake de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg, bestaanbaar met artikel 128 van de Grondwet en met artikel 5 § 1, I, 2/, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen?” 2.1.2. In haar memorie van antwoord laat de verwerende partij gelden dat luidens artikel 6, § 1, VI, laatste lid, 12/, BWHI, als uitzondering op de bevoegdheid van de gewesten inzake economie, enkel de federale overheid bevoegd is voor het arbeidsrecht en de sociale zekerheid. Artikel 6, §1, II, eerste lid, 3/, BWHI bepaalt dat de gewesten bevoegd zijn voor de politie van de gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven, onder voorbehoud van de maatregelen van interne politie die betrekking hebben op de arbeidsbescherming. Uit deze bepalingen blijkt volgens de verwerende partij, zoals ook de Raad van State overwoog in zijn arrest nr. 125.623 van 24 november 2003 over verzoeksters vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden koninklijk besluit, dat de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is voor de gezondheidsopvoeding, alsook voor de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg, maar dat de federale overheid bevoegd is voor het arbeidsrecht en in het bijzonder de arbeidsbescherming. Het nemen van preventieve maatregelen tot bescherming van de gezondheid van werknemers is een zaak van arbeidsbescherming en dus een federale bevoegdheid. De verwerende partij zet voorts uiteen dat het bestreden koninklijk besluit zijn rechtsgrond vindt in artikel 4, §1, van de wet van 4 augustus 1996 en dat de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies nr. 24.143/1 van 16 maart 1995 over het voorontwerp van wet dat de genoemde wet is geworden, heeft gesteld dat de ontworpen regeling aangelegenheden betrof die ter regeling staan van de federale overheid. Uit het advies nr. 34.339/AV van 29 april 2003 van de afdeling wetgeving over een voorontwerp van decreet “betreffende het preventieve gezondheidsbeleid” blijkt dat de bevoegdheid van de gemeenschappen inzake de preventieve gezondheidszorg principieel beperkt is, terwijl in het advies nr. 34.251/1 van 8 april 2003 over het ontwerp van koninklijk besluit dat het thans bestreden koninklijk besluit is geworden, geen enkele opmerking over de bevoegdheid van de federale overheid werd gemaakt. IX-3896-5/14 2.1.3. De verzoekster repliceert in haar memorie van wederantwoord dat zij zich ervan bewust is dat het gezondheidsbeleid een onmiddellijke weerslag heeft op de arbeidsbescherming, maar dat dit niet ertoe kan leiden dat de arbeidsbescherming zo ruim wordt uitgebreid tot het gezondheidsbeleid dat daardoor bijna het volledige domein van de preventieve gezondheidszorg door de federale overheid wordt bezet, zolang degene ten aanzien van wie in preventieve gezondheidszorg wordt voorzien maar werknemer is. De verzoekster meent dat er geen reden is om de voorgestelde prejudiciële vraag niet aan het Grondwettelijk Hof te stellen. 2.1.4.1. De regeling betreffende de persoonsgebonden aangelegenheden, die de verzoekster bij het middel betrekt, is de volgende: - artikel 128, §1, van de Grondwet bepaalt: “De Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, ieder wat hem betreft, bij decreet de persoonsgebonden aangelegenheden, alsook, voor deze aangelegenheden, de samenwerking tussen de gemeenschappen en de internationale samenwerking, met inbegrip van het sluiten van verdragen. Een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid, stelt deze persoonsgebonden aangelegenheden vast, alsook de vormen van samenwerking en de nadere regelen voor het sluiten van verdragen.” - artikel 5, §1, I, 2/, BWHI bepaalt: “De persoonsgebonden aangelegenheden bedoeld in [artikel 128, § 1,] van de Grondwet, zijn: I. Wat het gezondheidsbeleid betreft: [...] 2/ De gezondheidsopvoeding alsook de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg, met uitzondering van de nationale maatregelen inzake profylaxis.” Naast die vaststelling van de persoonsgebonden aangelegenheden, moet ook rekening worden gehouden met artikel 6 BWHI, waarin de bevoegdheid van de gewesten wordt geregeld, maar ook een aantal aan de federale overheid voorbehouden aangelegenheden worden genoemd. Zo brengt artikel 6, § 1, II, eerste lid, 3/, BWHI onder de bevoegdheid van de gewestelijke organen: “De politie van de gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven onder voorbehoud van de maatregelen van interne politie die betrekking hebben op de arbeidsbescherming”. IX-3896-6/14 In de loop van de parlementaire behandeling van de wijziging die door de bijzondere wet van 8 augustus 1988 in artikel 6, §1, II, eerste lid, 3/, BWHI is aangebracht, wees de bevoegde minister erop dat het begrip “interne politie” uitsluitend betrekking heeft op de arbeidsbescherming in ruimere zin, waarvoor de federale overheid bevoegd is gebleven, en dat alle andere aspecten die betrekking hebben op de hinder die een inrichting met zich kan brengen voor de omgeving (ook gesitueerd binnen de inrichting) onder de “externe politie” vallen en derhalve tot de bevoegdheid van de gewesten behoren (Gedr. St., Kamer, B.Z. 1988, nr. 516/6, blz. 115). Artikel 6, § 1, VI, BWHI dat betrekking heeft op “de economie”, bevat als laatste lid de volgende bepaling: “Bovendien is alleen de federale overheid bevoegd voor: [...]; 12/ het arbeidsrecht en de sociale zekerheid.” 2.1.4.2. Uit de voormelde bepalingen volgt dat de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is voor de gezondheidsopvoeding en voor de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg, maar dat de federale overheid bevoegd is voor het arbeidsrecht en in het bijzonder voor de arbeidsbescherming. Het eerste middel doet de vraag rijzen of de aangelegenheden die het bestreden koninklijk besluit regelt, behoren tot het domein van de gezondheidsopvoeding en de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg, dan wel of zij behoren tot het domein van de arbeidsbescherming. Het bestreden koninklijk besluit zoekt, zoals gezegd, luidens zijn aanhef rechtsgrond in artikel 4, §1, van de wet van 4 augustus 1996. Artikel 2 van de genoemde wet omschrijft het toepassingsgebied van de wet als volgt: “§ 1. Deze wet is toepasselijk op de werkgevers en de werknemers. Voor de toepassing van deze wet worden gelijkgesteld met: 1/ werknemers:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.