← België

Arrest 189801 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.801 Rolnummer: A. 116157/X-10775 Zaak: Arrest 189801 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-05 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 15:19 Fiche Arrest nr 189.801 van 27 januari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.801 van 27 januari 2009 in de zaak A. 116.157/X-10.775. In zake : 1. Lidwine CAIGNIE, 2. Paul LAMBRECHT, die woonplaats kiezen bij advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te 9000 GENT, Voskenslaan 301 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat Y. FRANÇOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat 10. tussenkomende partij : de n.v. ZEEKANAAL EN WATERGEBONDEN GRONDBEHEER VLAANDEREN, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Lidwine CAIGNIE en Paul LAMBRECHT op 28 januari 2002 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 26 november 2001 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende afgifte van de stedenbouwkundige vergunning aan de n.v. ZEEKANAAL EN WATERGEBONDEN GRONDBEHEER VLAANDEREN voor het bouwen van een containerterminal langsheen de Leie op een perceel gelegen te Wielsbeke, Ooigemstraat, kadastraal bekend “sectie A, nr. 801/a”; Gelet op het arrest nr. 108.934 van 5 juli 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; X-10.775-1/10 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 14 augustus 2002 ingediend door de verzoekende partijen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 18 oktober 2002 ingediend door de n.v. Zeekanaal en Watergebonden Grondbeheer Vlaanderen; Gelet op de beschikking van 24 oktober 2002 die de tussenkomst van de n.v. Zeekanaal en Watergebonden Grondbeheer Vlaanderen toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 20 mei 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 17 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 mei 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VERMEIRE, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat Y. FRANÇOIS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat H. SEBREGHTS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-10.775-2/10 OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Op 26 april 2001 (datum van het ontvangstbewijs) dient de tussenkomende partij bij de diensten van AROHM West-Vlaanderen een aanvraag in tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een containerterminal langsheen de linkeroever van de Leie op percelen gelegen te Wielsbeke aan de Ooigemstraat, kadastraal bekend “sectie B-C, nrs. 460/2, 475/b, 456/e-312/g, 307/2/a,2/b”. De werken houden in dat over een lengte van 255 m een kaaimuur wordt aangelegd, met aansluitend een betonoppervlakte voor het plaatsen van containers van 276 m lang en 58 m breed. Ook is de aanpassing van een bestaande toegangsweg vanaf de Ooigemstraat over een lengte van 270 m voorzien. De aanvraag vermeldt voorts dat de werken noodzaken dat over een oppervlakte van 2,86 hectare ontbossing dient te gebeuren, en dat desbetreffende een compenserende bebossing zal worden uitgevoerd nabij een Leiearm te Sint-Baafs-Vijve. 1.2. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 4 november 1977 vastgestelde gewestplan Kortrijk is de bouwplaats gelegen in een gebied voor milieubelastende industrie. 1.3. Tijdens het openbaar onderzoek, dat wordt gehouden van 20 juni 2001 tot en met 20 juli 2001, worden drie bezwaarschriften ingediend, waaronder één dat onder meer medeondertekend is door de verzoekende partijen. In dat bezwaarschrift betogen onder meer de verzoekende partijen dat voor dergelijk project een hoorzitting welkom ware geweest, dat geen milieu- effectenrapport voorhanden is, dat een ontbossing van 1 hectare gerealiseerd zal worden waardoor schade aan de natuur zal worden berokkend, dat het gebied door het gewestplan ten onrechte tot industriegebied is bestemd, dat de goede ruimtelijke ordening in gevaar komt en dat de verlegging van het langs de Leie gelegen fietspad niet aangewezen is. 1.4. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wielsbeke heeft op 29 augustus 2001 over de ingediende bezwaren beraadslaagd en deze ontvankelijk doch ongegrond verklaard en het dossier vervolgens met gunstig advies overgemaakt aan de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar. X-10.775-3/10 1.5. Op 9 november 2001 brengt de afdeling Bos en Groen van AMINAL West-Vlaanderen een gunstig advies uit en verklaart ze zich akkoord met de noodzakelijke ontbossing, op voorwaarde dat er voor de voorgestelde compensatiemaatregelen (bebossing) een vergunning wordt verleend. 1.6. In zitting van 14 november 2001 keurt het college van burgemeester en schepenen van Wielsbeke de aanvraag van de tussenkomende partij goed om tot bebossing over te gaan van terreinen gelegen aan de oude Leiearm te Sint-Baafs-Vijve. 1.7. Op 26 november 2001 verleent de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de gevraagde stedenbouwkundige vergunning. Dit besluit vermeldt onder meer wat volgt: “(...) BESCHRIJVING VAN DE BOUWPLAATS, DE OMGEVING EN DE AANVRAAG De aanvraag situeert zich tussen de voormalige Leiemeander en de linkeroever van de rechtgetrokken Leie, binnen een industriegebied, dat zich ook ten noorden uitstrekt. Het betreft een braakliggend perceel dat deels begroeid is met struikgewas en bos (± 1 ha te ontbossen ter plaatse van de in te planten terminal, 2,86 ha voor het geheel van het terrein). Op het aanpalend perceel, bereikbaar via dezelfde toegangsweg van op de Ooigemstraat bevindt zich het gemeentelijk afvalcontainerpark. Het jaagpad langsheen de waterloop wordt gebruikt als fietspad, dat deel uitmaakt van een netwerk van lange afstand fietsroutes. Het ontwerp behelst het bouwen van een kaaimuur met een lengte van 255 m, de aansluiting op de naastliggende oeververdediging, het bouwen van een containerplein in betonklinkers (± 276 m x 58

  1. m)met een bijhorende pontonbodem, het uitvoeren van een toegangsweg van ± 270 m in staalvezelbeton en het opbreken van het bestaande en het aanleggen van een nieuw fietspad in asfalt rondom de terminal. De uitgegraven grond voor het containerpark wordt tijdelijk opgeslagen op het niet te verharden deel van het terrein. De veiligheid van het geheel wordt gegarandeerd door het plaatsen van vangrails en afsluitingen en door het voorzien van ladders in de kaaiconstructie BEOORDELING VAN DE GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING Met de aanvraag wordt de aanleg van een in-land-containerterminal R.T.W. op de linkeroever van het Leiekanaal beoogd, waardoor het vervoer te water kan verdergezet worden vanaf de haven van Antwerpen. Het fietspad wordt verlegd langsheen de oude Leiearm en sluit op twee punten aan op het bestaand jaagpad langs de waterloop. Langs het nieuwe tracé wordt een landschappelijke inkleding van 5 m (volgens het aangepast plan nr 935-01 en de bijkomende nota) voorzien, als visuele afscherming van de industriële activiteiten. De uitvoering gebeurt in eerste fase van de voorbereidende werken. De te ontbossen zone wordt gecompenseerd op 4 deelzones passend in een inrichtingsplan voor dit gebied waar, onder de zorg van de afdeling Bos en Groen eveneens wegenaanleg in dolomiet en het plaatsen van banken voorzien X-10.775-4/10 wordt. De compensatie beslaat 64.775 m²; dit is een oppervlakte meer dan dubbel zo groot als de te rooien oppervlakte, in toepassing van het Besluit van de Vlaamse regering van 16.2.2001 tot vaststelling van de nadere regels inzake compensatie van ontbossing. De bebossing gebeurt aan het jaagpad aan de Leie- arm nabij de Ooigemstraat te Sint Baafs Vijve, op gronden in de Lindestraat, in de Sparrestraat en in de nabijheid van de Lindestraat. Het beplantingsplan wordt opgemaakt door de afdeling Bos en Groen. De voorgestelde werken situeren zich in een geëigende bestemmingszone van het gewestplan. De aanvraag past in het kader van het mobiliteitsbeleid en het globaal beleidsplan voor de binnenvaart van de Vlaamse Regering, dat mede erop gericht is de wegen te ontlasten door minder goederenvervoer via de weg te laten verlopen. Volgens het gemeentebestuur biedt de overschakeling van wegtransport naar watertransport een uitstekend alternatief om de hoge verkeersdruk rond Wielsbeke te reduceren en zo de leefbaarheid van de gemeente te verhogen. ALGEMENE CONCLUSIE Uit bovenstaande motivering blijkt dat de aanvraag in overeenstemming is (of kan gebracht worden mits het opleggen van de nodige voorwaarden) met de wettelijke bepalingen, alsook met de goede plaatselijke aanleg en met zijn onmiddellijke omgeving. (....)”. 1.8. Met een brief van 28 november 2001 worden de verzoekende partijen in kennis gesteld van de verleende stedenbouwkundige vergunning. 2. Ontvankelijkheid 2.1. Nietigheid van het verzoekschrift 2.1.1. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat het verzoekschrift nietig is omdat meerdere talen in het verzoekschrift werden gebruikt zonder daarvan noch de vertaling, noch de zakelijke inhoud in het Nederlands weer te geven. 2.1.2. In de laatste memorie heeft de verwerende partij afstand gedaan van deze exceptie. 2.2. Belang 2.2.1. De tussenkomende partij werpt een exceptie van niet ontvankelijkheid op wegens gebrek aan belang in hoofde van de verzoekende partijen. Zij stelt dat de verzoekende partijen zelf in het industriegebied wonen en derhalve “zonevreemd” zijn, dat het hinderniveau dat zij stellen te vrezen derhalve reeds bestaat, dat de afstand tot de bouwplaats meer dan 200 m bedraagt, dat zij X-10.775-5/10 bijgevolg geen “rechtstreekse” hinder zullen ondervinden van het gebruik van de vergunde constructies, dat de vordering neerkomt op een “citizens suit” die in het Belgische recht niet mogelijk is, en dat vele van de opgesomde nadelen en hinderaspecten voortkomen uit “fantasieën” in hoofde van de verzoekende partijen. In de memorie van antwoord sluit de verwerende partij zich aan bij deze exceptie. 2.2.2. Uit de neergelegde stukken en foto’s blijkt dat de verzoekende partijen wonen in de nabijheid van het perceel waarop de bestreden stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft en dat ze vanuit hun eigendom een rechtstreeks, vrij en onbelemmerd uitzicht hebben over het bouwterrein. In de gegeven omstandigheden en gelet op de aard en de omvang van de vergunde bouwwerken is een afstand van 200 m tot het bouwterrein niet van aard om de verzoekende partijen het vereiste belang te ontzeggen. De omstandigheid dat de verzoekende partijen zelf in het industriegebied woonachtig zijn is ter zake niet relevant. De excepties zijn niet gegrond. 3. Ten gronde - derde middel 3.1. Uiteenzetting van het middel In het derde middel voeren de verzoekende partijen onder meer de schending aan van artikel 16 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna: het decreet natuurbehoud) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Ze zetten dat middelonderdeel uiteen als volgt: “Omdat de bouwvergunning een handeling of toestemming is in de zin van dit artikel 16. Dus diende de AROHM na te gaan of de vergunning diende te worden geweigerd, dan wel of er specifieke voorwaarden dienden te worden opgelegd om de natuurschade te beperken, of te herstellen,... Niets van dit alles! Het woordje natuur komt in de vergunning zelfs niet voor. Blijkbaar ging de verwerende partij ervan uit dat de natuur van geen belang is in een industriegebied, maar art. 16 is bestemmingsonbepaald. Daarmee is ook de formele en concrete draagkrachtige motivering in de zin van art. 2 en 3 van de motiveringswet zoek. Dit onderdeel van het middel is kennelijk gegrond. Dit klemt temeer gezien het deficit aan natuur en bos in Wielsbeke. Econnection schrijft in haar rapport (...) : X-10.775-6/10 ‘Het verdwijnen van dit gebied betekent dus een verlies aan biodiversiteit voor deze reeds natuurarme streek’”. 3.2.1. Artikel 16 van het natuurdecreet, zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit, bepaalt ondermeer wat volgt : “§1. Als voor een activiteit op grond van wetten, decreten of besluiten een vergunning of toestemming van de overheid, dan wel een kennisgeving of melding aan de overheid vereist is, draagt deze overheid er zorg voor door het opleggen van voorwaarden of het weigeren van de vergunning of toestemming dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan. §2. (...) (...) §5. De beslissing van de overheid omtrent de vermijdbare (...) schade wordt met redenen omkleed. De overheid deelt haar beslissing mee: 1/ aan de aanvrager, op dezelfde wijze als de beslissing op de aanvraag wordt meegedeeld; 2/ (...)”. In de Memorie van Toelichting (Parl.St. Vl. Parl. 1996-97, nr. 690/1, 11) wordt omtrent deze bepaling onder meer gesteld wat volgt: “Dit artikel geeft uitvoering aan het principe van de integratie. Dit betekent dat in de besluitvorming op andere beleidsterreinen van het Vlaamse Gewest en van de ondergeschikte besturen steeds rekening gehouden wordt met de ‘natuur’ en omgekeerd. Het natuurbeleid geeft de randvoorwaarden aan die de andere beleidsdomeinen in acht dienen te nemen, wil een effectieve realisering van het natuurbeleid mogelijk zijn. In de besluitvorming moet er alleszins zorg voor gedragen worden dat er op geen enkele wijze vermijdbare schade aan de natuur ontstaat. Bij elk afwegingsproces moet deze bekommernis steeds worden meegenomen. (...)”. Zoals de bevoegde minister voor de parlementaire commissie verklaarde (Parl. St. Vl. Parl. 1996-97, nr. 690/9, p. 6-7), wordt met deze verplichting het voeren van een “horizontaal beleid” beoogd krachtens hetwelk overwegingen van natuurbehoud een rol dienen te spelen bij elke beslissing die gevolgen kan hebben voor de natuur. Inzake hoofdstuk IV “Algemene maatregelen ter bevordering van het natuurbehoud” van het decreet natuurbehoud, waaronder artikel 16 is opgenomen, zet de minister ondermeer uiteen wat volgt : “Het hoofdstuk met horizontale maatregelen definieert ook een algemene zorgplicht, waarbij alle nodige maatregelen verplicht te nemen zijn die redelijkerwijze kunnen worden gevraagd om de vernietiging van of schade aan natuurwaarden te voorkomen, te beperken of te herstellen. Dit wordt verder vorm gegeven in de toets bij vergunningen door de overheden dat vermijdbare schade aan natuur moet worden vermeden. X-10.775-7/10 Dit artikel geeft uitvoering aan het principe van de integratie en betekent dat in de besluitvorming op andere beleidsterreinen van het Vlaamse Gewest en van de provinciale en lokale besturen steeds met de natuur moet rekening gehouden worden”. Gelet op zijn decretaal vastgelegde horizontale werking is voormeld artikel 16 ook van toepassing ingeval van een aanvraag om stedenbouwkundige vergunning. 3.2.2. De verwerende en de tussenkomende partij voeren aan dat de verzoekende partijen artikel 9 van het decreet natuurbehoud “vergeten” (tussenkomende partij), dat zou “primeren” (verwerende partij) nu dit voorschrijft dat maatregelen van natuurbehoud de verwezenlijking van bestemmingen van ruimtelijke ordening niet vermogen te verhinderen. Die bepaling, zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit, luidt als volgt : “De maatregelen bedoeld in artikel 8, artikel 13 en Hoofdstuk VI kunnen beperkingen opleggen doch evenwel geen erfdienstbaarheden vaststellen die in absolute zin werken of handelingen verbieden of onmogelijk maken die met de uitvoeringsplannen, van kracht in de ruimtelijke ordening, overeenstemmen, noch in absolute zin de verwezenlijking van die plannen en hun bestemmingsvoorschriften verhinderen. (...)”. Uit voormelde bepaling blijkt dat het verbod om in absolute zin werken of handelingen te verbieden die krachtens de plannen van ruimtelijke ordening wel kunnen, enkel geldt voor de “maatregelen ter aanvulling van de bestaande regelgeving” inzake natuurbehoud (artikel 8 van het decreet), diverse maatregelen die “de Vlaamse regering” kan nemen voor het natuurbehoud (artikel 13 van het decreet) en de maatregelen die “de Vlaamse regering” kan treffen voor de bescherming van plant- en diersoorten en van hun levensgemeenschappen (hoofdstuk VI van het decreet). Die beperkende bepaling geldt derhalve niet voor de integratiebepaling van artikel 16 van het decreet natuurbehoud. De natuurtoets voorgeschreven door artikel 16, §1 van het decreet natuurbehoud dient derhalve te geschieden, ongeacht het feit dat de beoogde handelingen en werken verenigbaar zijn met de planologische bestemming van het betrokken gebied. 3.2.3. In het bezwaarschrift dat door onder meer de verzoekende partijen tijdens het openbaar onderzoek werd ingediend, werd er door hen op gewezen dat de voorgenomen werken “schade aan de natuur” zouden berokkenen, dat de stedenbouwkundige aanvraag nergens melding maakt van de boomsoorten die X-10.775-8/10 ingevolge de door te voeren ontbossing zouden moeten verdwijnen en dat uit een studie opgemaakt door het milieuadviesbureau Econnection (gevoegd bij het bezwaarschrift als bijlage 1) onder meer blijkt dat het gebied wordt bevolkt door tal van vogelsoorten en dat het “valleikarakter” van het gebied zal teloorgaan. Voorts maakt de bedoelde studie ook nog gewag van waardevolle vegetatie en het voorkomen van allerlei amfibieën en vlindersoorten. Evenwel blijkt noch uit het bestreden besluit, noch uit de stukken van het administratief dossier dat de verwerende partij bij het beoordelen van de aanvraag die aspecten die verband houden met de impact van voorgenomen handelingen en werken op de natuur, mee in overweging heeft genomen. 3.2.4. Dat, zoals door de verwerende partij en de tussenkomende partij wordt aangevoerd, de door te voeren ontbossing wordt gecompenseerd door een bebossing voor meer dan het dubbele van de oppervlakte op een andere plaats langs de Oude Leie te Sint-Baafs-Vijve, kan in dat verband niet als afdoende worden beschouwd om te dezen aan te nemen dat dit als natuurtoets kan gelden. In het bestreden besluit wordt immers gesteld dat deze compenserende bebossing gebeurt “in toepassing van het Besluit van de Vlaamse regering van 16.2.2001 tot vaststelling van de nadere regels inzake compensatie van ontbossing”. Het gaat hier derhalve om het naleven van een verplichting die voortvloeit uit artikel 90 bis van het bosdecreet van 13 juni 1990. In tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij in haar laatste memorie stelt kan uit het voldoen aan de bepalingen van het bosdecreet niet worden afgeleid dat de aanvraag ook aan de natuurtoets in de zin van artikel 16 van het natuurdecreet is onderworpen geweest. Wat die nieuwe bebossing betreft, wordt in het bestreden besluit onder de hoofding “beoordeling van de goede ruimtelijke ordening” overigens bepaald dat door de afdeling Bos en Groen van AMINAL een beplantingsplan dient te worden opgemaakt, wat inhoudt dat de precieze modaliteiten ervan op het ogenblik van het bestreden besluit nog niet vaststonden. Voorts blijkt dienaangaande dat het dossier geen enkele aanwijzing bevat dat de overheid heeft onderzocht of met de nieuwe bebossing de op het betrokken terrein aan de natuur berokkende schade kan worden geneutraliseerd. 3.2.5. Het middelonderdeel is in de aangegeven mate gegrond. X-10.775-9/10 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 26 november 2001 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende afgifte van de stedenbouwkundige vergunning aan de n.v. ZEEKANAAL EN WATERGEBONDEN GRONDBEHEER VLAANDEREN voor het bouwen van een containerterminal langsheen de Leie op een perceel gelegen te Wielsbeke, Ooigemstraat, kadastraal bekend sectie A, nr. 801/a. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 700 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig januari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.775-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.801 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.108.934 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.