id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.802 Rolnummer: A. 99220/X-10056 Zaak: Arrest 189802 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 27/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-04 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 15:19 Fiche Arrest nr 189.802 van 27 januari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.802 van 27 januari 2009 in de zaak A. 99.220/X-10.
- In zake : de n.v. BEAULIEU, die woonplaats kiest bij advocaat M. DENYS, kantoor houdende te 1560 HOEILAART, de Quirinilaan 2 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. BEAULIEU op 9 januari 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse regering van 17 juli 2000 houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse op het grondgebied van de gemeenten Affligem, Asse, Beersel, Dilbeek, Drogenbos, Galmaarden, Grimbergen, Halle, Herne, Kampenhout, Kapelle-Op-Den-Bos, Kraainem, Lennik, Liedekerke, Londerzeel, Machelen, Merchtem, Overijse, Pepingen, Roosdaal, Sint-Genesius-Rode, Sint-Pieters-Leeuw, Steenokkerzeel, Ternat, Vilvoorde, Wemmel, Zaventem en Zemst, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 11 november 2000, ?onder andere en meer in het bijzonder voor gronden gelegen op het grondgebied van de gemeente Machelen (kaartblad 31/4), eigendom van tegenpartij en waaromtrent met beroepster een erfpachtovereenkomst werd afgesloten”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 18 november 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-10.056-1/8 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 13 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 april 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. VANDENBERGHE, die loco advocaat M. DENYS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat F. van DIEVOET, die loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De verzoekende partij is erfpachthouder van een onroerend goed omvattende het kasteel Beaulieu met ondergrond en omliggend terrein gelegen te Machelen, Woluwelaan 100, dat eigendom is van de verwerende partij. Het kasteel van Beaulieu werd deels beschermd als monument. 1.
- Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse was het kasteel gelegen in buffergebied. 1.
- In een verklarende nota naar aanleiding van de gedeeltelijke 15de herziening van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse wordt een wijziging van buffergebied (1,2 ha) naar zone met cultuurhistorische waarde voorgesteld om volgende redenen: X-10.056-2/8 “Opdat het beschermd monument, kasteel van Beaulieu, kan worden geherwaardeerd, is een functioneel hergebruik noodzakelijk. Momenteel is gebruikswijziging niet vergunbaar in de bufferzone. Ter herwaardering van het beschermd monument is een bestemmingswijziging derhalve noodzakelijk en verantwoord binnen het principe van behoud en uitbouw van cultureel- maatschappelijke en historische waardevolle elementen in de stedelijke gebieden”. 1.
- Bij besluit van de Vlaamse regering van 25 mei 1999 wordt het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse op het grondgebied van de gemeenten Affligem, Asse, Beersel, Dilbeek, Drogenbos, Galmaarden, Grimbergen, Halle, Herne, Kampenhout, Kapelle-Op-Den-Bos, Kraainem, Lennik, Liedekerke, Londerzeel, Machelen, Merchtem, Overijse, Pepingen, Roosdaal, Sint-Genesius-Rode, Sint-Pieters-Leeuw, Steenokkerzeel, Ternat, Vilvoorde, Wemmel, Zaventem en Zemst, voorlopig vastgesteld. Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 augustus
- Het kasteel Beaulieu wordt hierin bestemd tot “zone met cultuurhistorische waarde”. In de bijlage 20 tot dit besluit wordt als een aanvullend stedenbouwkundig voorschrift een artikel 4 opgenomen luidend als volgt : “Artikel
- Zone met cultuurhistorische waarde Zones met cultuurhistorische waarde zijn gebieden met gebouwen die beschermd zijn als monument of gebouwen die deel uitmaken van een beschermd stads- of dorpsgezicht of van een beschermd landschap en die een cultuurhistorisch waardevol geheel vormen. In deze gebieden zijn slechts deze werken en handelingen toegelaten die verenigbaar zijn met de cultuurhistorische identiteit van het gebied en de aanwezige waardevolle gebouwen wat moet blijken uit het advies van de bevoegde overheid gegeven met toepassing van de regelgeving inzake monumenten- en landschapszorg. Het oprichten van nieuwe gebouwen is er niet toegelaten”. 1.
- De gemeente Machelen brengt over de voorgestelde wijziging een gunstig advies uit : “Het opnemen van het kasteel van Beaulieu in deze zone wordt gunstig beoordeeld. Het optrekken van nieuwe gebouwen kan best niet helemaal worden uitgesloten. Het herstellen van deze cultuurhistorische site in zijn oorspronkelijke toestand kan ondermeer inhouden dat één van de verdwenen torens of de stallingen opnieuw worden opgetrokken. Dit kan uiteraard slechts gebeuren onder de voorwaarde zoals bepaald in het voorschrift : In deze gebieden zijn slechts deze werken en handelingen toegelaten die verenigbaar zijn met de cultuurhistorische identiteit van het gebied en de aanwezige X-10.056-3/8 waardevolle gebouwen wat moet blijken uit het advies van de bevoegde overheid gegeven met toepassing van de regelgeving inzake monumenten- en landschapszorg”. 1.
- Op 17 februari 2000 brengt de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant volgend advies uit: “(...) Overwegende dat deze herziening noodzakelijk is om de herwaardering van dit zonevreemd monument mogelijk te maken; dat een gebruikswijziging immers niet toegestaan kan worden in buffergebied adviseert: gunstig ten aanzien van deze bestemming van het ontwerpgewestplan, zoals voorgesteld door de Vlaamse regering”. 1.
- Op 17 april 2000 brengt de regionale commissie van advies een gunstig advies uit, luidend als volgt: “advies : gunstig Om de herwaardering van dit zonevreemd monument mogelijk te maken is deze gewestplanherziening nodig. Een gebruikswijziging kan immers niet toegestaan worden in buffergebied”. 1.
- Op 6 juli 2000 brengt de afdeling wetgeving van de Raad van State, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2/ van de gecoördineerde wetten op de Raad van State advies uit. 1.
- Bij het bestreden besluit van 17 juli 2000 van de Vlaamse regering wordt het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse op het grondgebied van de gemeenten Affligem, Asse, Beersel, Dilbeek, Drogenbos, Galmaarden, Grimbergen, Halle, Herne, Kampenhout, Kapelle-Op-Den-Bos, Kraainem, Lennik, Liedekerke, Londerzeel, Machelen, Merchtem, Overijse, Pepingen, Roosdaal, Sint-Genesius-Rode, Sint-Pieters-Leeuw, Steenokkerzeel, Ternat, Vilvoorde, Wemmel, Zaventem en Zemst definitief vastgesteld. De in het ontwerpplan opgenomen wijziging van de bestemming van het kasteel Beaulieu tot “zone met cultuurhistorische waarde” blijft daarin behouden. 1.
- Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 11 november
- Ontvankelijkheid X-10.056-4/8 2.
- De verzoekende partij vordert de nietigverklaring van het bestreden besluit “onder andere en meer in het bijzonder voor gronden gelegen op het grondgebied van de gemeente Machelen (kaartblad 31/4), eigendom van tegenpartij en waaromtrent met beroepster een erfpachtovereenkomst werd afgesloten”. 2.
- Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verzoekende partij erfpachthouder is van het kasteel Beaulieu op en met grond en aanhorigheden, gelegen aan de Woluwelaan 100 te Machelen, kadastraal bekend sectie A, nrs. 459/t4, 459/f5, 459/d4, 459/ n4, 459/m3, 459/s5 en 499/b. De verzoekende partij geeft niet aan waarin haar belang bij een eventuele vernietiging van het bestreden besluit in zijn geheel is gelegen. Uit de gegevens van de zaak blijkt niet dat een eventuele vernietiging van het bestreden besluit beperkt is tot de percelen waarop de verzoekende partij een zakelijk recht heeft de algemene economie van de gewestplanwijziging in zijn geheel zou aantasten. De verwerende partij werpt dan ook terecht op dat het belang van de verzoekende partij bij een eventuele vernietiging van het bestreden besluit moet worden beperkt tot deze percelen. Het beroep is slechts ontvankelijk in zover het deze percelen betreft.
- Ten gronde 3.
- Uiteenzetting van het enig middel In een enig middel voert de verzoekende partij de schending aan “van de artikelen 10 en 11 van het Europees Verdrag ter bescherming van het bouwkundig erfgoed van Europa, opgemaakt te Granada op 3 oktober 1985 en goedgekeurd bij wet van 8 juni 1992 (B.S. 29 oktober 1993)”, “Doordat het bestreden besluit het kasteel Beaulieu in een zone met cultuurhistorische waarde van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse legt, waarvan de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften bepalen dat de oprichting van nieuwe gebouwen er niet is toegelaten, Terwijl artikel 10 van het Verdrag van Granada iedere verdragssluitende partij ertoe verplicht een geïntegreerd beleid te voeren dat is gericht op het behoud van het architectonisch erfgoed en dat o.a. de bescherming van het architectonische erfgoed aanvaardt als een essentieel doel van de ruimtelijke X-10.056-5/8 ordening en de stadsplanning en waarbij ervoor wordt gezorgd dat met dit vereiste rekening wordt gehouden in de diverse stadia, zowel bij de planologische uitwerking als bij de procedures voor het verlenen van vergunningen voor de uit te voeren werkzaamheden, en terwijl het bestreden gewestplanvoorschrift een beperking inhoudt van het nieuwe artikel 195bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en bijgevolg getuigt van een intern tegenstrijdig beleid op het vlak van het behoud van het architectonisch erfgoed, nl. een strijdigheid tussen de planologische uitwerking enerzijds en de reglementering van de procedures voor het verlenen van vergunningen anderzijds, en terwijl artikel 11 van het Verdrag van Granada iedere Verdragssluitende Partij verplicht tot het bevorderen van het gebruik van de beschermde goederen, rekening houdend met de behoeften van het hedendaagse leven, alsook tot het zodanig aanpassen van oude gebouwen dat deze voor nieuwe doeleinden kunnen worden gebruikt, en terwijl het verbod tot oprichting van nieuwe gebouwen, zeker indien het tevens zou slaan op de heroprichting van oude, thans afgebroken gebouwen, nefast is voor het gebruik van de beschermde goederen, rekening houdend met de behoeften van het hedendaagse leven, en terwijl de aanpassing van oude gebouwen, zodanig dat deze voor nieuwe doeleinden kunnen worden gebruikt, vaak onmogelijk is zonder de oprichting van nieuwe gebouwen die complementair zijn aan de oude beschermde gebouwen, en terwijl het betrokken gewestplanvoorschrift bijgevolg het gebruik en de aanpassing van het architectonisch erfgoed, rekening houdend met de hedendaagse behoeften en het streven naar nieuwe bestemmingen (zoals overigens opgelegd in de erfpachtovereenkomst van 6 juni 1994), dreigt onmogelijk te maken, in strijd met de aangehaalde Verdragsbepalingen”. 3.
- Onderzoek van het middel 3.2.
- In een enig middel roept de verzoekende partij de schending in van de artikelen 10 en 11 van de “Overeenkomst inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa”, opgemaakt te Granada op 3 oktober 1985 in het kader van de Raad van Europa, en goedgekeurd bij de wet van 8 juni
- 3.2.
- Ingevolge de voorrang in de interne rechtsorde van internationale bepalingen met directe werking, moet de Raad van State een nationale wettelijke bepaling die strijdig is met dergelijke internationale bepalingen buiten toepassing laten. Er dient bijgevolg vooreerst te worden onderzocht of de door de verzoekende partij ingeroepen artikelen directe werking hebben in de interne rechtsorde. Een regel van internationaal of supranationaal recht bezit directe werking indien hij, zonder enige substantiële interne uitvoeringsmaatregel, kan worden toegepast in de rechtsorde waar deze regel van kracht is. Een regel van internationaal of supranationaal recht bezit daarentegen geen directe werking, wanneer hij aan de Staat de verplichting oplegt te handelen, of niet te handelen, volgens de principes X-10.056-6/8 die vervat zijn in de regel. Verdragsbepalingen die geen directe werking hebben bezitten geen normerend karakter in de interne rechtsorde, maar leggen alleen verplichtingen op aan de verdragsluitende partijen. De individuele burger kan er geen rechten aan ontlenen en erdoor aan geen verplichtingen worden onderworpen; De artikelen 10 en 11, van de “Overeenkomst inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa”, opgemaakt te Granada op 3 oktober 1985, luiden als volgt : “Art.
- Iedere partij verplicht zich ertoe een geïntegreerd beleid te voeren dat is gericht op het behoud van het architectonische erfgoed en dat : 1/ de bescherming van het architectonische erfgoed aanvaardt als een essentieel doel van de ruimtelijke ordening en de stadsplanning en waarbij ervoor wordt gezorgd dat met dit vereiste rekening wordt gehouden in de diverse stadia, zowel bij de planologische uitwerking, als bij de procedures voor het verlenen van vergunningen voor de uit te voeren werkzaamheden; 2/ de opstelling van programma’s voor restauratie en onderhoud van het architectonische erfgoed bevordert; 3/ het behoud, de bevordering en de verbetering van het architectonische erfgoed maakt tot één van de pijlers van het beleid inzake cultuur, milieubeheer en ruimtelijke ordening; 4/ wanneer zulks mogelijk is, bij de ruimtelijke ordening en de stadsplanning, het behoud en het gebruik bevordert van gebouwen waarvan het eigenlijke belang geen bescherming rechtvaardigt in de zin van artikel 3, eerste lid, van deze Overeenkomst, maar die van belang zijn gezien vanuit het standpunt van het milieu van stad en platteland en vanuit dat van de kwaliteit van het bestaan; 5/ de toepassingen de ontwikkeling van de traditionele technieken en materialen bevordert in het belang van de toekomst van het architectonische erfgoed. Art.
- Rekening houdend met de architectonische en historische aard van het erfgoed, verplicht iedere Partij zich tot het bevorderen van : - het gebruik van de beschermde goederen, rekening houdend met de behoeften van het hedendaagse leven; - het zodanig aanpassen van oude gebouwen dat deze voor nieuwe doeleinden kunnen worden gebruikt”. 3.3.
- Deze bepalingen leggen de Verdragsluitende Staten alleen de verplichting op te handelen overeenkomstig de erin vervatte principes. Dit blijkt niet alleen uit de voormelde artikelen, luidens welke “iedere partij (zich) verplicht (tot) het voeren van een geïntegreerd beleid (...)” en “iedere partij zich (verplicht) tot het bevorderen van (...)”, maar ook uit de bepaling van artikel
- 1/ van dezelfde Overeenkomst, waarbij iedere partij zich verplicht “een wettelijke regeling op te stellen ter bescherming van het architectonisch erfgoed”. De genoemde “Overeenkomst ter bescherming van het bouwkundig erfgoed van Europa” heeft derhalve geen directe werking in de interne Belgische rechtsorde. X-10.056-7/8 3.2.
- De verzoekende partij kan zich om deze reden niet met goed gevolg op een schending van de bepalingen van voormelde Overeenkomst beroepen. Het enig middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig januari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.056-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.802 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div