← België

Arrest 189805 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.805 Rolnummer: A. 85688/X-9088 Zaak: Arrest 189805 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-10 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 15:20 Fiche Arrest nr 189.805 van 27 januari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.805 van 27 januari 2009 in de zaak A. 85.688/X-

  1. In zake :
  2. de n.v. R.D.B.,
  3. de n.v. H & D, thans de c.v.a. H & D, die woonplaats kiezen bij advocaat J. LONGEVILLE, kantoor houdende te 8020 OOSTKAMP, Sint-Pietersplein 6E tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat Y. FRANCOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat
  4. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. R.D.B. en de n.v. H & D op 23 juli 1999 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 22 april 1999 van de minister vice-president van de Vlaamse regering en Vlaams minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van hun beroep ingesteld tegen het besluit van 18 december 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij de vergunning is geweigerd voor de regularisatie van een bergloods voor landbouwmachines op een perceel gelegen te Izegem, Schardouwstraat, kadastraal bekend sectie D, nrs. 1409/b, 1589/c en 1590/a; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 12 mei 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; X-9088-1/8 Gelet op de beschikking van 19 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. CLEMENT; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. LONGEVILLE, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat Y. FRANCOIS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  5. Feiten 1.
  6. De verzoekende partijen zijn sedert april 1995 eigenaar van percelen, gelegen langs de Schardouwstraat te Izegem, kadastraal bekend sectie D, nrs. 1409/b, 1589/c en 1590/a. Deze gronden zijn volgens de bestemmings- voorschriften van het gewestplan Roeselare-Tielt gelegen in agrarisch gebied. Ze zijn niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg/ruimtelijk uitvoeringsplan, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 1.
  7. De rechtsvoorganger van de verzoekende partijen, Guido Vanhollebeke, heeft op 2 augustus 1994 en 8 augustus 1995 (gewijzigde inplanting) van het college van burgemeester en schepenen van de stad Izegem een bouwvergunning verkregen om op de betrokken percelen een bergloods voor landbouwmachines op te richten, als uitbreiding bij zijn landbouwbedrijf. De vergunning voorziet in twee poorten in de zijgevel van de loods. Het bouwwerk beschikt echter over slechts één poort, in de voorgevel. Op 13 maart 1996 wordt hiervan proces-verbaal opgesteld . 1.
  8. Op 5 september 1997(datum van het ontvangstbewijs) dienen de verzoekende partijen een aanvraag tot “regularisatie voor een bergloods voor het X-9088-2/8 bergen van landbouwmachines bij een bestaand landbouw-loonwerkbedrijf: 1 poort in de voorgevel in plaats van 2 poorten in de zijgevel” in bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Izegem. De aanvraag wordt geweigerd op 16 september 1997 omdat “de aanvragers geen loonwerkersbedrijf uitbaten; dat de loods dan ook niet gebruikt wordt voor de berging van landbouwwerkmachines maar voor werk- en bergplaats van metaalbewerkingsmachines; dat dit gebruik strijdig is met de voorziene bestemming van het gewestplan; dat de vergunning derhalve dient geweigerd te worden”. 1.
  9. Op 18 december 1997 verwerpt de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen het administratief beroep tegen de voornoemde weigering omdat “de loods niets met landbouwactiviteiten van doen heeft”. 1.
  10. Op 22 april 1999 verwerpt de Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening het administratief beroep van de verzoekende partijen tegen laatstgenoemde weigeringsbeslissing om de volgende redenen: “Overwegende dat appellant een aanvraag doet voor de regularisatie van het niet conform de vergunning plaatsen van een poort in een bergloods; dat belanghebbende stelt dat het perceel oorspronkelijk in eigendom was van de heer Van Hollebeke, die een landbouw- en loonwerkbedrijf runt; dat de heer Van Hollebeke zijn gronden gesitueerd langs de A17 heeft doorverkocht aan de Vennootschap R.D.B.; dat R.D.B., de aanvrager, zelf een metaalverwerkend bedrijf HACO heeft, zij hebben echter, volgens eigen zeggen, niet de intentie om te gaan produceren in betrokken loods; dat de heer Van Hollebeke de landbouwloods huurt van appellant en deze gebruikt in functie van zijn landbouwbedrijf; dat de loods in kwestie op 8 augustus 1995 werd vergund als bergplaats voor zijn landbouwmaterieel; dat de plaatsing van de poorten echter niet werd uitgevoerd zoals voorzien werd op de bouwplannen; dat één poort in de voorgevel werd geplaatst in plaats van 2 poorten in de zijgevel; Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Roeselare - Tielt, vastgesteld bij koninklijk besluit van 17 december 1979, gelegen is in het agrarisch gebied; dat zulk gebied, overeenkomstig artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, bestemd is voor de landbouw in de ruime zin en behoudens bijzondere bepalingen enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen alsmede de woning van de exploitanten mag bevatten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt en ook de para-agrarische bedrijven; Overwegende dat het terrein in kwestie niet gesitueerd is binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling; dat wegens het ontbreken van enig gedetailleerd ordeningsplan de vergunningverlenende overheid de voorliggende vraag dient te evalueren aan de hand van de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het vigerend gewestplan; X-9088-3/8 Overwegende dat uit het stedenbouwkundig-technisch onderzoek blijkt dat op 26 april 1996 een proces-verbaal van vaststelling werd opgemaakt waarin ondermeer wordt gesteld dat bewuste constructie slechts op 14,10 m van de woning werd ingeplant i.p.v. de in de vergunning vermelde 15,00 m; dat verder werd vastgesteld dat de loods voor drie vierden wordt gebruikt voor het plaatsen van machines die in eigendom zijn van de N.V. H&D en N.V. R.D.B.; dat er volgens dit proces-verbaal tot een gebruikswijziging werd overgegaan zonder hiervoor voorafgaandelijk een vergunning voor aan te vragen; Overwegende dat na een onderzoek ter plaatse op 26 maart 1999, door de vertegenwoordiger van de Technische Dienst van de gemeente het volgende werd vastgesteld : ‘...Deze morgen zijn wij de kwestieuze loods gaan bezoeken. Wij hebben vastgesteld dat in de loods een zevental metaalbewerkingsmachines (freesmachines-boormachines) zijn opgeslagen. Er is tevens een zeer grote rolbrug aanwezig. De resterende oppervlakte wordt ingenomen door landbouwmachines. De oorspronkelijke eigenaar, Guido Vanhollebeke, is loonwerker...’; Overwegende dat de verplaatsing en aanpassing van de 2 vergunde poorten in de zijgevel naar één poort in de voorgevel uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is en de plaatselijke aanleg niet in het gedrang zal brengen; dat door deze ingreep de loods in kwestie beter bereikbaar wordt vanop de straat; dat de aanvraag evenwel maar voor vergunning vatbaar kan zijn indien de betrokken loods enkel voor het plaatsen van landbouwmaterieel wordt gebruikt zoals voorzien in de bouwvergunning van 8 augustus 1995; dat uit de hierboven vermelde vaststelling ter plaatse echter blijkt dat dit niet het geval is; dat immers duidelijk is dat de loods niet louter in functie staat van een agrarische of para-agrarische activiteit; dat de aanvraag derhalve niet te vergunnen is; dat het beroep van de particulier wordt verworpen”; Dit is het bestreden besluit.
  11. Ontvankelijkheid 2.
  12. De verwerende partij werpt een eerste exceptie op, die luidt als volgt: “De verzoekende partijen zijn handelsvennootschappen onder de vorm van een nv die derhalve normaliter zouden moeten ingeschreven zijn in het handelsregister te Kortijk (art. 4 van het K. B. van 20 juli 1964 tot coördinering van de wetten betreffende het handelsregister, B.S., 8 augustus 1964). Krachtens art. 40 en 41 van datzelfde K.B. moet elke dagvaarding op straffe van onontvankelijkheid het nummer van de inschrijving in het handelsregister vermelden. In haar arrest dd. 25.06.96 heeft de Raad van State aangenomen dat deze verplichting en sanctie ook geldt voor de gedinginleidende akten in de procedures voor de Raad van State (...). In het verzoekschrift dd. 22.07.99 wordt van dergelijk inschrijvingsnummer echter geen melding gemaakt, zodat het verzoekschrift onontvankelijk is”. Artikel 40 van de wetten betreffende het handelsregister, gecoördineerd op 20 juli 1964, bepaalt: X-9088-4/8 “Elk op verzoek van een handelaar betekend dagvaardingsexploot vermeldt, wanneer de vordering haar oorzaak vindt in een daad van koophandel, het nummer, waaronder de verzoeker in het handelsregister is ingeschreven”. Artikel 41 luidt als volgt: “Bij gebreke van vermelding van het nummer der inschrijving in het handelsregister in het exploot van dagvaarding en behoudens verantwoording van die inschrijving op de datum, waarop de eis werd ingesteld binnen de door de rechtbank gestelde termijn, verklaart deze de eis van ambtswege niet ontvankelijk”. Uit de artikelen blijkt dat de niet-vermelding van het nummer van de inschrijving in het handelsregister in de gedinginleidende akte, in de loop van de procedure kan worden goedgemaakt. De oorspronkelijke tekortkoming werd te dezen rechtgezet, zodat de exceptie niet gegrond is. 2.
  13. De verwerende partij werpt de volgende tweede exceptie op: “Blijkens de inventaris van de stukken die aan het verzoekschrift gehecht is, wordt door de verzoekende partijen de statuten niet overgelegd. Er wordt blijkbaar evenmin enig stuk overgelegd waaruit zou moeten blijken dat op geldige wijze het besluit binnen het bevoegde orgaan van de verzoekende partijen genomen werd om een procedure voor de Raad van State in te stellen. Het verzoekschrift is ook op die grond onontvankelijk (...)”. Uit de door de verzoekende partijen neergelegde aanvullende stukken blijkt dat hun bevoegd orgaan op 15 juli 1999 besloten heeft het beroep in te stellen. De exceptie is ongegrond.
  14. Ten gronde 3.
  15. De verzoekende partijen formuleren een tweede middel als volgt: “Tweede middel : schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en in het bijzonder artikel 2 van deze wet / machtsoverschrijding door feitelijk onjuiste en juridisch niet pertinente motieven ter schraging van de bestreden beslissing”. In een onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen in het beroep tot nietigverklaring het volgende aan: X-9088-5/8 “Overeenkomstig voormelde wet van 29 juli 1991 moet de bestreden beslissing - een eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking en uitgaande van een administratieve overheid - niet alleen uitdrukkelijk gemotiveerd zijn, ze moet tevens afdoende gemotiveerd zijn, d.w.z. melding maken van feitelijk correcte en juridisch pertinente motieven die de beslissing schragen. Weliswaar is de bestreden beslissing uitdrukkelijk gemotiveerd, doch niet alle motieven blijken feitelijk correct of juridisch pertinent: - (...) - Voorts heeft de vaststelling dat de loods bij voormelde controle op 26.03.1999 bezet is met een zevental rnetaalbewerkings-machines, geen enkele pertinentie, laat staan stedenbouwkundige pertinentie opzichtens het voorwerp van de vergunningaanvraag, zijnde een regularisatie-aanvraag om één poort in de voorgevel vergund te zien in plaats van twee poorten in de zijgevel. Voor zover inderdaad rechtmatig en correct werd vastgesteld dat de loods wederrechtelijk wordt bestemd (voor m.n. niet-agrarische doeleinden), kan daaromtrent P.V. worden opgesteld, kunnen vervolgens herstelmaatregelen worden gevorderd, kunnen eventueel zegels worden gelegd, ... doch deze vaststelling kan nooit de weigering staven van een in se stedenbouwkundige correcte aanvraag (zoals trouwens uitdrukkelijk erkend in de bestreden beslissing) tot een beperkte bouwfysische ingreep. Kortom, een agrarische constructie dat middels vergunning voordien principieel en thans onaantastbaar geacht werd in overeenstemming te zijn met de bestemming agrarisch gebied (cf. de stukken 3, 4, 5 en 6), kan nooit geacht worden van die bestemming af te wijken door het eenvoudige feit een poort in de voorgevel aan te willen brengen i.p.v. in de zijgevel (...)”. 3.
  16. De verzoekende partijen steunen hun middelonderdeel op een schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Artikel 6 van deze wet bepaalt echter dat ze “slechts van toepassing (is) op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : het gecoördineerde decreet) dat van toepassing was op het bestreden besluit, heeft een eigen, niet minder strenge verplichting tot motivering. Artikel 53, §3 van het decreet stelt namelijk: “De beslissingen van de bestendige deputatie en van de Vlaamse regering worden met redenen omkleed. De vergunning kan worden geweigerd om dezelfde redenen, worden verleend onder de voorwaarden of kan de afwijkingen toestaan, bedoeld in de artikelen 43, 44 en 49”. Het middel dient dus gelezen te worden als zijnde genomen uit de schending van voormelde bepaling uit het gecoördineerde decreet. 3.
  17. De bestreden beslissing weigert de door de verzoekende partijen aangevraagde “regularisatie van een bergloods voor landbouwmachines”. De X-9088-6/8 bindende kracht van de plannen van aanleg brengt mee dat de vergunningverlenende overheid ook bij het beoordelen van een aanvraag die slechts een beperkte verbouwing van een bouwwerk tot voorwerp heeft, nagaat of de bestemming van dit bouwwerk overeenstemt met de planologische voorschriften. Alhoewel in de eerste plaats de aanvrager de constructie kwalificeert waarvoor hij de vergunning aanvraagt, komt het nadien de vergunningverlenende overheid toe uit te maken wat het werkelijke gebruik is waartoe de bouwwerken bestemd zijn en mede daarop steunende, de aanvraag zowel in feite als in rechte op haar toelaatbaarheid uit stedenbouwkundig en planologisch oogpunt te toetsen. Het feit dat de bergloods gebruikt wordt voor de opslag van metaalbewerkingsmachines is pertinent voor het beoordelen van de toelaatbaarheid uit planologisch oogpunt. Het middelonderdeel is niet gegrond. Het auditoraatsverslag is beperkt tot dit middelonderdeel. Er is grond om een aanvullend onderzoek van het andere onderdeel van het tweede middel en van de andere middelen te bevelen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  18. De debatten worden heropend. Artikel
  19. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. X-9088-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig januari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-9088-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.805 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.194 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.