id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.838 Rolnummer: A. 129664/X-11195 Zaak: Arrest 189838 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-06 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 15:26 Fiche Arrest nr 189.838 van 27 januari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.838 van 27 januari 2009 in de zaak A. 129.664/X-11.195. In zake : Paul LEENAERTS, die woonplaats kiest bij advocaten R.VAN GOMPEL en M. HUYGAERTS, kantoor houdende te 2360 OUD-TURNHOUT, Dorp 8 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat C. MARINOWER, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Consciencestraat 7. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Paul LEENAERTS op 22 november 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 25 september 2002 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media waarbij het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt ingewilligd en de voorwaardelijke vergunning wordt verleend voor het wijzigen van een bodemreliëf te Hoogstraten, Paterspad, kadastraal bekend sectie C, nrs. 223/b en c; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 1 december 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 18 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; X-11.195-1/12 Gehoord de opmerkingen van advocaat R. VAN GOMPEL, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat K. BOSMANS, die loco advocaat C. MARINOWER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De rechtspleging De laatste memorie van de verzoeker is laattijdig en dient uit de debatten te worden geweerd. 2. De feiten 2.1. De verzoeker dient op 30 maart 1998 (datum van het ontvangst- bewijs) bij het gemeentebestuur van Hoogstraten een aanvraag in tot het wijzigen van het bodemreliëf aan het Paterspad en kadastraal bekend sectie C nr. 223/b en c. In de nota van toelichting bij de voormelde aanvraag wordt het volgende gesteld: “Huidige toestand : Het terrein ligt momenteel gemiddeld 30 à 40 cm hoger dan de omliggende akkers. Deze omliggende terreinen zijn namelijk in het verleden reeds geoptimaliseerd voor landbouwdoeleinden. In de ondergrond levert een harde (vrij dunne) tussenlaag problemen bij een goede waterhuishouding. Regenwater infiltreert slechts moeizaam door deze laag. Anderzijds heeft de onderliggende freatische laag weinig of geen capillaire werking door de zavellaag. (Het) grondwater zit ongeveer 1.30 m à 1.60 m onder het natuurlijk terrein. De terreinhoogtes werden opgenomen in een raster. Deze waarden zijn weergegeven op het grondplan en 2 profielen in bijlage. Doelstelling van de reliëfwijziging Dit kan geoptimaliseerd worden door de betreffende harde laag te verwijderen en het terrein te egaliseren in aansluiting op de omliggende akkers. Een beperkte ontzaveling kan hiermee gecombineerd worden uitgevoerd. Dit zal het niveau optimaal doen aansluiten op de omliggende wegenis en akkervelden. De ontworpen terreinhoogtes zijn eveneens weergegeven op het grondplan en de profielen in bijlage”. X-11.195-2/12 2.2. Het voornoemde perceel is overeenkomstig het gewestplan Turnhout, vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 september 1977, gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het is niet gelegen binnen een gebied waar een door de Koning -thans de Vlaamse Regering- goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat, en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 2.3. De gemachtigde ambtenaar verleent op 29 september 1998 een ongunstig advies. 2.4. Bij besluit van 12 oktober 1998 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Hoogstraten de gevraagde vergunning overeenkomstig het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. 2.5. Op 12 mei 1999 beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen het door de verzoeker tegen voornoemd weigeringsbesluit ingestelde beroep in te willigen en de vergunning te verlenen. Dit besluit is als volgt gemotiveerd : “Gelet op het besluit van 12 oktober 1998 van het college van burgemeester en schepenen van Hoogstraten, waarbij aan de heer Leenaerts Paul, wonende te Hoogstraten (Meerle), Rietweg 7, de vergunning wordt geweigerd tot het wijzigen van het bodemreliëf op een terrein, gelegen Paterspad, sectie C nr. 223b,c (...); Overwegende dat dit besluit aan betrokkene ter kennis gebracht werd op 30 oktober 1998; Gelet op het aangetekend schrijven van 24 november 1998 van de heer Van Gompel Rudi, advocaat, namens de heer Leenaerts Paul, waarbij, binnen de door de wet gestelde termijn, tegen voormeld besluit van het college van burgemeester en schepenen van Hoogstraten beroep wordt ingesteld; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen de vergunning weigerde op advies van de gemachtigde ambtenaar van het bestuur voor ruimtelijke ordening en luidend als volgt: ‘Ongunstig: De oorspronkelijke hoogte van het terrein met kadasternummer 223b dient te worden hersteld door grond aan te voeren en uit te spreiden. De aangebrachte grond dient vrij te zijn van toxische stoffen, of stoffen die de groei van de bomen kunnen schaden en moet in regel zijn met het Afvalstoffendecreet. De bovenste 30 cm van de aangebrachte grond dient hierbij uit teelaarde te bestaan. De herbebossing dient ten laatste tegen 31 maart 1999 te gebeuren.’ Overwegende dat het terrein volgens het gewestplan Turnhout, vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 september 1977, in agrarisch gebied gelegen is; dat dit gebied voor de landbouw in de ruime zin bestemd is; dat agrarisch gebied enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, naast verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en tevens para-agrarische bedrijven mag bevatten; X-11.195-3/12 Overwegende dat betrokkene middels onderhavig beroep vergunning vraagt voor een reliëfwijziging op een perceel (sectie C nr. c,b), die reeds gedeeltelijk werd uitgevoerd (op sectie C nr. b); Overwegende dat zowel de gemachtigde ambtenaar als het college van burgemeester en schepenen voor weigering van de vergunning verwijzen naar een procedure in verband met het kappen van bomen op dat bewuste perceel; dat deze procedures echter los van elkaar staan; Overwegende dat het perceel gelegen is in agrarisch gebied zodat, overeenkomstig de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, het advies van de administratie bevoegd voor landbouw richtinggevend is; dat deze dienst gunstig adviseerde omdat het een beperkte reliëfwijziging betreft die de landbouwkundige waarde van de grond zal verbeteren; Overwegende dat ook advies gevraagd werd aan de afdeling bos en groen; dat zowel de gemachtigde ambtenaar als het college van burgemeester en schepenen verwijzen naar een advies van deze dienst waarmee echter geen rekening kan worden gehouden; dat dit ‘advies’ immers slechts een aanmaningsschrijven betrof in het kader van de procedure voor kapvergunning; dat het schrijven zelfs van vóór onderhavige aanvraag dateert; Overwegende dat dan ook een nieuw (facultatief) advies gevraagd werd aan de afdeling bos en groen, hetwelk op 29 maart 1999 werd ontvangen; dat de woudmeester hierin opnieuw verwijst naar de procedure in verband met het kappen van bomen; dat hij dan ook onterecht stelt dat de aanvraag zonder voorwerp is; dat de procedure inzake kapvergunning immers haar vervolg zal kennen voor de rechtbank maar dat de bestendige deputatie nog steeds de bevoegdheid heeft te oordelen over de gevraagde reliëfwijziging; Overwegende dat de provinciale stedenbouwkundige de mening is toegedaan dat het slechts om zeer minieme wijzigingen gaat; dat ter plaatse nauwelijks terreinverschil kan worden vastgesteld tussen de reeds uitgevoerde werken, het nog te behandelen terrein en de omliggende akkers; Overwegende dat bos en groen geen argumenten tegen de reliëfwijziging aanbrengt en gezien het gunstig advies van de administratie landbouw en de provinciale stedenbouwkundige, kan vergunning worden verleend voor de reliëfwijziging mits naleving van het artikel 96 van het bosdecreet van 16 juni 1990 waarin een machtiging van de dienst bos en groen wordt voorgeschreven indien het een ingrijpend wijzigen van de bodem van het bos betreft; Overwegende trouwens dat ook het college van burgemeester en schepenen zowel in eerste aanleg als in beroep voorwaardelijk gunstig adviseerde; Gelet op het decreet betreffende de Ruimtelijke Ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, inzonderheid op artikel 53 § 1; Gehoord de heer P. Leenaerts, beroeper en de heer R. Van Gompel, advocaat beroeper, BESLUIT Artikel 1. - Het beroep van de heer Rudi Van Gompel, advocaat, namens de heer Paul Leenaerts tegen het besluit van 12 oktober 1998 van het college van burgemeester en schepenen van Hoogstraten tot weigering van de vergunning tot deels regularisatie deels nog uit te voeren reliëfwijziging van de bodem van een terrein, gelegen Paterspad, sectie C nr. 223 b, c, wordt ingewilligd en vergunning wordt verleend. Dit doet echter geen afbreuk aan de vergunningsplicht inzake ontbossing en de machtiging van bos en groen die wordt voorgeschreven in artikel 96 van het bosdecreet van 13 juni 1990 voor het ingrijpend wijzigen van de bodem van een bos. Artikel 2. - Van dit besluit zal bij aangetekend schrijven kennis worden gegeven aan belanghebbende. Kopie van onderhavig besluit zal tevens voor kennisneming gezonden worden aan het gemeentebestuur van Hoogstraten en aan de gemachtigde ambtenaar van het bestuur voor ruimtelijke ordening. Antwerpen, in zitting van 12 mei 1999”. X-11.195-4/12 2.6. Met een beroepschrift, gedagtekend op 24 juni 1999, dient de gemachtigde ambtenaar in toepassing van artikel 53, § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet) beroep aan tegen voornoemd besluit van 12 mei 1999. Dit beroepschrift stelt wat volgt : “(...) Mijnheer de Minister, De Bestendige Deputatie van de provincie Antwerpen willigde op 12.05.99 het bouwberoep in dat advocaat Van Gompel, aantekende namens de heer Leenaerts Paul. Dit besluit werd mij ter kennis gebracht bij aangetekend schrijven dd. 27.05.99 en heb ik ontvangen op 28.05.99. In toepassing van art. 53§2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22/10/96, teken ik beroep aan tegen die inwilliging. Mijn beroep is gegrond om hierna volgende redenen: De aanvraag betreft het wijzigen van het bodemreliëf van een goed dat gelegen is in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De reliëfwijziging is reeds gedeeltelijk wederrechterlijk uitgevoerd en heeft een oppervlakte van ± 2,1ha. Om de reliëfwijziging te kunnen uitvoeren werd het bebost gedeelte van het goed (ongeveer de helft van het goed) gekapt. Hiervoor heeft de aanvrager geen kapmachtiging bekomen van de afdeling Bos en Groen. Volgens de afdeling Bos en Groen heeft de afdeling niet tijdig gereageerd op de aanvraag tot kapmachtiging en kan de aanvrager wel op een wettige wijze de kaalkapping uitvoeren. Uiteraard heeft de aanvrager hiermee geen vergunning bekomen tot ontbossen van het goed. Kaalkap betekent het volledig kappen van het bestand, waarna herbebost wordt. Hij dient het goed terug te herbebossen zoals hij zelf aangeeft in zijn verzoekschrift bij de bestendige deputatie. De reliëfwijziging zou noodzakelijk zijn om ‘grondverbeteringswerken’ uit te voeren. In zijn beroepschrift bij de Bestendige Deputatie haalt dhr Lenaert het schrijven van de firma bvba Kennes dd. 08.04.98 aan. Hieruit blijkt dat de reden voor de reliëfwijziging de hoge en droge zandstreek is, zodat, mede door de harde lage in de ondergrond, er nauwelijks sprake is van capillaire opstijging. De kans op het mislukken van een gewas is dan ook er(
- g)groot, door uitdroging van de grond. Het goed is gelegen in een landschappelijk waardevol gebied. De aanduiding ‘Landschappelijk waardevol gebied’ is een overdruk van het landelijk gebied. Deze aanduiding overkoepelt zowel de agrarische gebieden als de bos- en natuurgebieden, natuurgebieden met wetenschappelijke waarde, parkgebieden en bufferzones. De bedoeling van de overdruk is in de eerste plaats het bestaande landschapskarakter zoveel mogelijk te bewaren en bijzondere aandacht te besteden aan de esthetische aspecten. Landschapsbepalende elementen (zoals hoogstammige bomen, hagen, houtwallen en dergelijke) dienen zoveel mogelijk gespaard. Het landschappelijk waardevolle zit hem juist in de specifieke samenstelling van de bodem en de hiermee samenhangende plantengroei. Deze plantengroei is helemaal niet gediend met het verbeteren van de grond, integendeel. De werken zijn maw in strijd met de voorschriften omdat ze niet gericht zijn op het bewaren van het bestaande landschapskarakter. Om die reden dient de bodem en het reliëf te worden hersteld. (De) Bestendige Deputatie neemt in haar besluit geen voorwaarden op die rekening houden met de bodem of teelaarde. Dit is in dit geval onontbeerlijk. Dit blijkt ook uit de herstelvordering van Bos en Groen. Gelet op het voorgaande kan ik niet akkoord gaan met de inwilliging van de Bestendige Deputatie. (...)”. X-11.195-5/12 2.7. Bij besluit van 25 september 2002 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media wordt dit beroep van de gemachtigde ambtenaar ingewilligd en verleent de verwerende partij de verzoeker een voorwaardelijke vergunning. Dit is het bestreden besluit. 3. Over de gegrondheid van het beroep 3.1.1. Het aangevoerde vierde middel De verzoeker voert in een vierde middel de schending aan van “artikel 53 § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996”. Hij betoogt dat de gemachtigde ambtenaar in beroep kon komen bij de gemachtigde ambtenaar binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van de bestendige deputatie maar dat hij, nu het schrijven van de gemachtigde ambtenaar ongedateerd was, niet kon nagaan of het beroep tijdig werd ingesteld, zodat hij in zijn rechten geschonden is en artikel 53, § 2 van het gecoördineerde decreet niet werd nageleefd. 3.1.2. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord wat volgt: “Dat dit middel, dat voor het eerst in het annulatieverzoek wordt ingeroepen, geenszins kan weerhouden worden; Dat het de verzoekende partij behoorde dit middel in te roepen tijdens de behandeling van het beroep ingesteld door de Gemachtigde Ambtenaar; Dat evenwel tijdens voormelde beroepsprocedure hij geen gewag maakte van een vermeende onregelmatigheid in het aantekenen van het hoger beroep, doch integendeel, uitdrukkelijk in zijn schrijven aan de verwerende partij dd. 17 augustus 1999 erkende ‘Deze laatste (lees: Gemachtigde Ambtenaar) tekende in toepassing van art. 53§2 van het Decreet betreffende de Ruimtelijke Ordening beroep aan tegen de inwilliging’; Dat het laatste middel dan ook iedere grondslag mist”; 3.1.3. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij nog wat volgt: “Dat in het vierde en laatste middel de verzoekende partij de schending van artikel 53§2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening inroept, doordat ‘het schrijven van de Gemachtigde Ambtenaar ongedateerd is, hij dan ook niet kan nagaan of het beroep tijdig ingesteld werd, zodat hij in zijn rechten geschonden is en artikel 53§2 niet nageleefd werd’; Dat in het verslag (...) meent te mogen besluiten dat door aan de verzoekende partij een ongedateerd schrijven te richten een substantieel vormvoorschrift werd geschonden en het beroep van de gemachtigde ambtenaar niet ontvankelijk is; X-11.195-6/12 Dat (...) in haar verslag op bladzijde 14 in voetnoot nummer 1 verwijst naar een reeks arresten van de Raad van State. Dat geen enkel van deze arresten zich uitspreekt over een middel waarin gesteld wordt dat ‘het schrijven van de gemachtigde ambtenaar ongedateerd is, waardoor (verzoekende partij) niet kan nagaan of het beroep tijdig ingesteld werd, zodat hij in zijn rechten geschonden is en artikel 53, §2 niet nageleefd werd’. Dat de (...) aangehaalde rechtspraak enkel de verplichting het beroepschrift zelve vestigt, d.i. de integrale tekst van het aangetekend schrijven met al zijn bijlagen ter kennis te brengen van de aanvragen (...). Dat deze rechtspraak vooral een voorheen bestaande bestuurspraktijk verwerpt waarbij aan de aanvrager enkel het blote feit dat beroep werd ingesteld ter kennis werd gebracht, zonder mededeling van de motieven waarop dit beroep rust en de eventuele bijlagen bij het beroepschrift. Dat deze rechtspraak beoogde te waarborgen dat de aanvrager kennis zou hebben van de motieven van het beroep doordat hem een afschrift werd medegedeeld van het beroepschrift zelf. Dat de mededeling van een afschrift van het beroepschrift de aanvrager ook inlicht van de datum vermeld op het beroepschrift dat aan de minister wordt toegezonden. Dat in deze zaak het beroepschrift blijkbaar niet gedagtekend (is), wat enkel kan wijzen op een vergetelheid, een materiële misslag. Dat de ingeroepen decretale bepaling evenwel niet uitdrukkelijk de dagtekening van het beroepschrift oplegt, maar enkel stelt dat het beroepschrift terzelfder tijd ter kennis van de aanvrager en de Minister wordt gebracht. Dat deze bepaling evenmin oplegt dat het beroepschrift moet verzonden worden de dag waarop het ondertekend wordt. Dat zelfs na inzage van het administratief dossier ter griffie, de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord niet aanvoert dat het bij de minister ingesteld beroep hem niet terzelfder tijd werd ter kennis gebracht. Dat het terzelfder tijd ter kennis brengen van het beroep aan de aanvrager en aan de Minister o.m. erop gericht is de aanvrager een juist zicht te verlenen op de termijn waarover de minister beschikt om een uitspraak te doen en deze ter kennis te brengen, zodat de aanvrager nauwkeurig kan bepalen vanaf welk ogenblik hij een rappelbrief kan versturen -zo hij meent dat het geen zin heeft nog langer te wachten op de betekening van de beslissing - zonder het risico te lopen dit voorbarig te hebben gedaan. Dat hoewel artikel 4 van het procedurereglement voor de afdeling administratie van de Raad van State oplegt dat het verzoekschrift wordt gedagtekend, heeft de rechtspraak steeds aangenomen dat de dagtekening van (het) verzoekschrift niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven en de aantekening ter post het verzoekschrift vaste datum verleent (...). Dat artikel 53, §2, eerste lid inhoudt dat de termijn om beroep in te stellen en de beroepsprocedure, indien beroep is ingesteld, een schorsend effect hebben op de beslissing waartegen beroep werd ingesteld. Dat het beroep aan de aanvrager en aan de minister terzelfder tijd bij aangetekend schrijven ter kennis moet worden gebracht, niet enkel om de begunstigde van de beslissing a quo toe te laten zijn verweer voor te bereiden, maar ook en in de eerste plaats opdat hij kennis zou hebben van het schorsend effect van dit beroep, t.t.z. van het verbod dat hem wordt opgelegd om de beslissing a quo tot uitvoering te brengen. Dat de aangehaalde rechtspraak van de Raad van State met betrekking tot het de artikel 169 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, waarvan de redactie en de betekenis niet verschillen van deze van artikel 53, §2, eerste lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, geen andere conclusie toelaat (...). X-11.195-7/12 Dat de beide gewestelijke wetgevingen immers hun oorsprong vinden in (...) artikel 55, §2, eerste lid van de we(
- t)van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, zoals gewijzigd door de wet van 22 december 1970. Dat het niet valt niet te betwisten dat de gemachtigde ambtenaar met een op 24 juni 1999 ter post aangetekende brief beroep heeft ingesteld bij de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij het administratief beroep ingesteld door de aanvrager (thans verzoekende partij) wordt ingewilligd. Dat uit stuk 13 van het dossier van de verwerende partij op onbetwistbare wijze blijkt dat de gemachtigde ambtenaar met een op dezelfde datum ter post aangetekende brief aan de aanvrager en aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Hoogstraten heeft medegedeeld beroep te hebben ingesteld bij de Vlaamse regering tegen de beslissing van de bestendige deputatie. Dat dit schrijven is gedateerd van 24 juni 1999. Dat door de verzoekende partij wordt niet betwist dat dit schrijven hem, binnen de termijn waarin de uitvoerbaarheid van de beslissing van de bestendige deputatie van rechtswege geschorst was, ter kennis bracht dat effectief beroep werd ingesteld en hij daardoor kennis kreeg van het feit dat de uitvoerbaarheid van het besluit van de bestendige deputatie verder zou geschorst blijven tot op het ogenblik dat een ministerieel besluit in de plaats zou komen van het besluit van de bestendige deputatie. Dat hoewel - naar het oordeel van de (...) - de vraag kan gesteld worden of het gedateerd zijn van de brief aan de verzoekende partij deze wel zou hebben ingelicht over de datum waarop de gemachtigde ambtenaar zijn beroep instelde, dient volgens de (...) in elk geval met de verzoeker vastgesteld dat deze wijze van kennisgeving verzoeker in het ongewisse laat over de datum waarop het beroep is ingesteld. Dat op grond van de in het verslag aangehaalde rechtspraak volgens de (...) dient vastgesteld te worden dat in de gegeven omstandigheden een substantieel vormvoorschrift werd geschonden en de minister derhalve het beroep niet ontvankelijk had moeten verklaren, aldus (...) ... omdat de verzoekende partij in het ongewisse bleef over de datum waarop beroep werd ingesteld. Dat de verzoekende partij niet in het ongewisse kon zijn over de datum waarop beroep werd ingesteld. Dit gebeurde op dezelfde dag waarop hem een afschrift van het beroep bij aangetekend schrijven werd toegezonden: op 24 juni 1999. Dat de dagtekening voorkomend op de brief waarmee een bepaalde zending wordt gedaan, niet bewijst dat de betekening ook effectief op die dag is gebeurd. (...). Dat naar Frans administratief recht de vermelding van de datum op een individuele beslissing geen substantieel vormvoorschrift uitmaakt, zo blijkt uit het arrest van de Raad van State van Frankrijk(...). De afwezigheid van de datum van het besluit van de prefect tot opvordering van een woning met het oog op de huisvesting van een kroostrijk gezin is geen schending van een substantieel vormvoorschrift, aldus dit arrest (...). Dat in een arrest van het Cour Administrative d’appel van Douai, uitgesproken op 13 november 2001 in zake Ministre de la Culture et de la Communication / Société Kennedy-Roussel, een besluit tot ingebrekestelling van een vennootschap om werken uit te voeren aan een geklasseerd gebouw wordt vernietigd, niet om reden van de afwezigheid van een dagtekening, kwestie die zelfs onaangeroerd wordt gelaten door de regeringscommissaris, X-11.195-8/12 maar om reden van de onvoldoende motivering uit het oogpunt van de wet van 11 juli 1979 (...). Dat uit de rechtspraak van de Raad van State inmiddels is gebleken dat een middel waarin de ontvankelijkheid van het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt betwist omdat het niet werd ingesteld op de wijze bepaald bij artikel 55, §2 van de wet van 29 maart 1962, uitgelegd in de zin van de (...) aangehaalde rechtspraak, niet de openbare orde raakt en derhalve niet ambtshalve kan opgeworpen worden. (...). Dat uit de rechtspraak van de Raad van State eveneens blijkt dat een middel waarin wordt opgeworpen dat de gemachtigde ambtenaar zijn beroep niet aan de Minister maar aan de Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu heeft verzonden, niet van openbare orde is (...). Dat (...) het verslag verwijst naar de decreetswijziging van 21 november 2003 die volgens haar de voorafgaande stelling over de gegrondheid van het vierde middel nog kracht bijzet. Dat deze regelgeving tot stand is gekomen om reden dat de rechtspraak bij herhaling het aan de Minister voor te leggen dossier waarop het administratief beroep tegen de beslissing van de bestendige deputatie betrekking had, bestempelde als een bijlage bij het beroepschrift, hoewel het geen enkel na de betekening van de beslissing van de bestendige deputatie opgesteld stuk bevatte waarin de motieven tegen het beroepen besluit verwoord werden. Dat met het decreet van 21 november 2003 werd gepoogd de door de rechtspraak opgelegde ontvankelijkheidvoorwaarden voor het beroep van de gemachtigde ambtenaar, te milderen. Dat anders dan (...) lijkt aan te nemen, deze regelgeving niet werd ingevoerd om de kans op niet-ontvankelijkheid van het beroep van de gemachtigde ambtenaar nog te verhogen. Dat integendeel het decreet beoogde de draagwijdte van de door de rechtspraak gehanteerde formule ‘het beroep zelve, d.i. de integrale tekst van het aangetekend schrijven met al zijn bijlagen’ op een meer praktisch hanteerbare en mindere risico’s veroorzakende wijze te omschrijven, door onder het begrip bijlagen enkel die stukken onder te brengen die opgesteld werden ter ondersteuning van het beroep en die er een integrerend deel van uitmaken. Dat dit oogmerk zijn neerslag vond in het nieuw artikel 53, §2, 1/ dat op straffe van nietigheid de kennisgeving aan de aanvrager oplegde, van ‘een afschrift van het beroepschrift, waaruit blijkt op welke datum het beroep werd ingesteld en welke de redenen zijn waarop het beroep is gegrond’. Dat de decreetwijziging van 21 november 2003 aansluiting zoch(
- t)bij de rechtspraak van het arrest nr. (...), waarin de vormvoorschriften werden omschreven, na te leven in geval van beroep van de gemachtigde ambtenaar of van het college van burgemeester en schepenen. Dat voormeld arrest stelde: • Artikel 55, §2, eerste lid, van de stedebouwwet legt aan de gemachtigde ambtenaar de verplichting op het beroepsschrift zelve ter kennis te brengen van de aanvrager. • Alleen de kennisgeving van het beroepsschrift stelt de aanvrager in de gelegenheid na te gaan of het beroep van de gemachtigde ambtenaar regelmatig werd ingesteld. • De mededeling van het beroepsschrift licht de aanvrager in over de datum van het beroep, de overheid bij dewelke het is ingesteld, of het op redenen is gesteund en welke die redenen zijn. Dat wanneer in de rechtspraak wordt aangenomen dat de mededeling van het beroepschrift de aanvrager inlicht over de datum van het beroep, daaronder dient begrepen dat de toezending van een afschrift van het beroepschrift zelve bij aangetekend schrijven gericht aan de aanvrager, deze inlicht over de datum X-11.195-9/12 waarop het beroep bij de Minister werd ingesteld. De kennisgeving van het beroep aan de aanvrager moet immers terzelfder tijd gebeuren als het instellen van het beroep bij de Minister. Dat de beide kennisgevingen terzelfder tijd worden uitgevoerd moet blijken uit het feit dat de beide aangetekende brieven op hetzelfde ogenblik ter post werden afgegeven, wat blijkt uit het afgiftebewijzen van de aangetekende zendingen. De datum vermeld op het afschrift van het beroepschrift zelve dat aan de aanvrager wordt medegedeeld kan niet aantonen dat de beide aangetekende zendingen terzelfder tijd werden verstuurd. Dat geen enkele decretale bepaling immers oplegt dat de aangetekende zendingen moeten verstuurd worden de dag zelf waarop het beroepschrift ondertekend en gedagtekend werd. Dat de huidige redactie van artikel 53 op argeloze wijze aansluiting heeft gezocht bij de rechtspraak en daardoor inderdaad, door de overbodige invoeging van de woorden ‘waaruit blijkt op welke datum het beroep werd ingesteld’ in artikel 53, §2, 1/, enigszins de indruk heeft gewekt dat uit het door de aanvrager ontvangen afschrift van het beroepschrift moet en kan blijken op welke datum het beroep werd ingesteld. Dat misverstanden volledig zouden uitgesloten zijn indien artikel 53, §2, tweede lid, volgende redactie had gekregen : ‘De kennisgeving waaruit blijkt op welke datum het beroep werd ingesteld, bevat minstens : 1/ op straffe van nietigheid, een afschrift van het beroepschrift waaruit blijkt welke de redenen zijn waarop het beroep is gegrond, met eventuele bijlagen, opgesteld ter ondersteuning van dit beroep en die er een integrerend deel van uitmaken’. Dat niets zich verzet tegen deze logische interpretatie van het decreet van 21 november 2003. Een aanpassing van de tekst is daarvoor geenszins vereist. Dat het vierde middel dan ook niet gegrond is”. 3.2. Beoordeling 3.2.1. Artikel 53, § 2, eerste lid van het gecoördineerde decreet luidde op het ogenblik van het bestreden besluit als volgt : “Het college van burgemeester en schepenen alsook de gemachtigde ambtenaar kunnen bij de Vlaamse Regering in beroep komen binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van de Bestendige Deputatie tot verlening van een vergunning. Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning. Het wordt terzelfder tijd ter kennis van de aanvrager en de Vlaamse regering gebracht (...)”. 3.2.2. De voormelde bepaling legt aan de gemachtigde ambtenaar de verplichting op het beroepschrift zelf ter kennis te brengen van de aanvrager. Alleen de kennisgeving van het beroepsschrift stelt de aanvrager in de gelegenheid na te gaan of het beroep van de gemachtigde ambtenaar regelmatig werd ingesteld. De mededeling van het beroepsschrift licht de aanvrager in over de datum van het beroep, de overheid bij dewelke het is ingediend, of het op redenen is gesteund en welke die redenen zijn. X-11.195-10/12 3.2.3. Het door de verzoeker voorgelegde origineel exemplaar van het hem toegezonden beroepschrift vermeldt geen dagtekening. Voorts blijkt uit geen enkel stuk van het dossier dat de verzoeker op het ogenblik van deze toezending over de datum van de indiening van het beroep werd ingelicht. Het door de verwerende partij bijgebrachte afschrift van het aan de verzoeker toegezonden beroepschrift, dat dezelfde dagtekening draagt als het beroepschrift aan de minister, volstaat daartoe niet. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de kennisgeving van het beroep aan de aanvrager en de minister terzelfder tijd moet gebeuren. De verwerende partij legt overigens de door haar vermelde afgiftebewijzen van de aangetekende zendingen, waaruit deze gelijktijdige verzending zou moeten blijken, niet voor. De omstandigheid dat de verzoeker de schending van de substantiële pleegvorm tot mededeling van de datum van het beroep voor de eerste maal opwerpt voor de Raad van State, heeft niet tot gevolg dat hij deze schending niet meer als annulatiemiddel kan inroepen. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 25 september 2002 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media waarbij het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt ingewilligd en de voorwaardelijke vergunning wordt verleend voor het wijzigen van een bodemreliëf te Hoogstraten, Paterspad, kadastraal bekend sectie C, nrs. 223/b en c. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. X-11.195-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig januari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-11.195-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.838 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div