← België

Arrest 189856 - Plannen van aanleg - 28/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.856 Rolnummer: A. 125209/X-11074 Zaak: Arrest 189856 - Plannen van aanleg - 28/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-13 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 15:32 Fiche Arrest nr 189.856 van 28 januari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.856 van 28 januari 2009 in de zaak A. 125.209/X-11.

  1. In zake : de n.v. OPENBAAR SLACHTHUIS, die woonplaats kiest bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen :
  2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg 160,
  3. de gemeente HEIST-OP-DEN-BERGH, die woonplaats kiest bij advocaten P. LUYPAERS en H.-K. CAREME, kantoor houdende te 3001 HEVERLEE, Industrieweg 4, bus
  4. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. OPENBAAR SLACHTHUIS op 9 augustus 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 24 mei 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg “Zonevreemde Bedrijven” genaamd, van de gemeente Heist-op-den-Berg, bestaande uit dertien deelplannen van de bestaande toestand en dertien bestemmingsplannen met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften, met uitsluiting van de met een blauwe rand omzoomde plandelen en de daarop betrekking hebbende stedenbouwkundige voorschriften, bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 juni 2002; Gelet op het arrest nr. 121.294 van 3 juli 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; X-11.074-1/11 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 7 augustus 2003 ingediend door de verzoekende partij; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 1 december 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 14 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. VALKENIERS, die loco advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat A. CLAES, die loco advocaat J. CLAES verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat S. BROUWERS, die loco advocaten P. LUYPAERS en H.-K. CAREME verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  5. Feiten 1.
  6. Op 2 december 1997 beslist de gemeenteraad van de gemeente Heist-op-den-Berg over te gaan tot het opstellen van een bijzonder plan van aanleg “zonevreemde bedrijven”, naar aanleiding van de omzendbrief RO 97/01 over zonevreemde bedrijven. X-11.074-2/11 Er wordt een voorstudie gemaakt door het bureau n.v. Technum. In die voorstudie worden de bedrijven die in aanmerking zouden kunnen komen voor het bijzonder plan van aanleg in vijf categorieën onderverdeeld: - categorie 1: bestaande vergunde activiteiten kunnen voortgezet worden - geen uitbreiding mogelijk - bij aflopen milieuvergunning dient er geherlocaliseerd te worden; - categorie 2: bedrijvigheid blijkt mogelijk ook voor de toekomst - beperkte uitbreiding is mogelijk - beperking worden opgelegd aan de activiteiten; - categorie 3: zoals 2 doch geen beperking wat de aard van de activiteiten betreft; - categorie 4: bedrijven die zich ruimtelijk kunnen ontwikkelen mits in achtname van randvoorwaarden - een nieuwe activiteit kan er komen onder strikte voorwaarden; - categorie 5: een bedrijvigheid die zich zowel ruimtelijk als naar aard verder kan ontwikkelen. 1.
  7. Op 21 november 2000 geeft de afdeling Ruimtelijke Planning een advies, waarin wordt opgemerkt dat de omzendbrief RO 97/01 vervangen is door de omzendbrief RO 2000/01 over het planologisch attest, het bedrijfs-BPA en het sectoraal BPA - zonevreemde bedrijven. Ook wordt gewezen op het feit dat het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan reeds voorlopig aanvaard is in maart 2000, reeds aan een openbaar onderzoek werd onderworpen en dat het slechts een kwestie van maanden is vooraleer de minister zijn goedkeuring kan verlenen aan een definitief goedgekeurd ruimtelijk structuurplan. Dit had kunnen inhouden dat de gemeente ruimtelijke uitvoeringsplannen had kunnen opstellen die meer mogelijkheden geven dan bijzondere plannen van aanleg. Voorts wijst de afdeling Ruimtelijke Planning er op dat het voorontwerp van bijzonder plan van aanleg onvoldoende rekening houdt met het later tot stand gekomen voorlopige gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, hetgeen betekent dat niet voldaan wordt aan de vereiste van een globale gemeentelijke benadering. Specifiek voor wat betreft het perceel van de verzoekende partij merkt de afdeling Ruimtelijke Planning op dat het bedrijf gelegen is in een kleine zone industriegebied, doch reeds ruim uitgebreid werd buiten deze zone in het omliggende woongebied en woonuitbreidingsgebied. In de toelichting wordt aangegeven dat het bedrijf heel wat hinder veroorzaakt en een visuele impact heeft op zijn omgeving en de ontsluiting via de woonkern gebeurt. Er wordt opgemerkt dat het voorliggend BPA weinig of geen garanties voor een verbetering van de situatie biedt; enkel wordt een verdere ontwikkeling mogelijk gemaakt conform X-11.074-3/11 categorie 5 (verder ontwikkelen zonder beperkingen op toekomstige activiteiten). Een herdenking van het bestemmingsplan is derhalve aangewezen. Evenmin wordt er uitsluitsel gegeven omtrent de mogelijke ontwikkeling van het woonuitbreidingsgebied. Het is aangewezen de ontwikkeling van dit bedrijf te bekijken in functie van de gewenste ontwikkeling voor dit gebied; met name kan een andere configuratie van de uitbreiding aangewezen zijn om de toekomstige ontwikkeling van het binnengebied niet te hypothekeren. 1.
  8. Op 20 maart 2001 beslist de gemeenteraad tot de voorlopige aanvaarding van het ontwerp waar veertien bedrijven bij betrokken zijn. 1.
  9. Van 3 april 2001 tot 4 mei 2001 wordt een openbaar onderzoek georganiseerd. 1.
  10. Op 20 juni 2001 brengt de gemeentelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening een gunstig advies uit. 1.
  11. Op 4 september 2001 beraadslaagt de gemeenteraad over de bezwaren en beslist hij tot de definitieve aanneming van het bijzonder plan van aanleg. Voor één bedrijf wordt het plan slechts gedeeltelijk aanvaard; voor een ander bedrijf wordt het plan niet aanvaard. Met betrekking tot het bedrijf van de verzoekende partij, waarvoor het plan ongewijzigd werd aanvaard, wordt overwogen dat het deels in milieubelastend industriegebied is gelegen en vervolgens uitbreidde in het woongebied en in het woonuitbreidingsgebied, dat voor een optimale functionering van het bedrijf een beperkte uitbreiding in het woonuitbreidingsgebied vereist is, dat volgens een behoeftenstudie een aansnijding van het woonuitbreidingsgebied niet noodzakelijk is, dat in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan een invulling met kleinstedelijke functies (o.a. lokale bedrijventerrein) mogelijk is zodat de voorliggende uitbreiding kadert in de globale gemeentelijk visie, en dat er geen nieuwe ontsluitingsweg wordt voorzien voor het betrokken bedrijf zodat de mogelijke hinder niet verplaatst wordt. Het bijzonder plan van aanleg omvat op het bestemmingsplan “HI+W+WU12 N.V. Openbaar Slachthuis” een zone van ongeveer 34.000 m² groot. Die zone is volgens het gewestplan Mechelen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976, ten dele bestemd als industriegebied en ten dele als woongebied en woonuitbreidingsgebied. Ze wordt bestemd als zone voor industrie (27.514 m²), X-11.074-4/11 grotendeels omringd door een zone voor buffer (6.646 m²). De zone voor ontsluiting omvat een weg (521 m²) die aansluit op de Mechelsesteenweg. Per deelplan is er een bundel met stedenbouwkundige voorschriften, een toelichting en een verantwoording voor de afwijking van het gewestplan. Hierin wordt de bestaande activiteit van de nv Openbaar Slachthuis als volgt omschreven: slachten van hoofdzakelijk varkens en runderen en in mindere mate paarden, kalveren, lammeren en andere dieren, aanvullende nevenbedrijven. Artikel 7 van de stedenbouwkundige voorschriften bepaalt wat met betrekking tot inplanting, bouwwijze en bedrijvigheid mogelijk is in de zone voor industrie. Bij de toelichting wordt vermeld dat de bestaande bebouwing gedeeltelijk is vergund, namelijk de verhardingen en een beperkt gedeelte van de gebouwen zijn onvergund. Voorts wordt gesteld dat het bedrijf gecatalogiseerd wordt onder categorie
  12. Na stopzetting van de activiteiten van het huidig bedrijf kan er een nieuwe bedrijvigheid komen zonder beperking aangaande activiteiten. 1.
  13. Op 11 oktober 2001 brengt de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen advies uit. Inzake het betrokken deelplan merkt zij het volgende op : “Het gewestplan bestemt het gebied deels als woongebied, deels als industriegebeid en deels als woonuitbreidingsgebied. Er wordt een uitbreiding voorzien in woonuitbreidingsgebied. Het bedrijf is grotendeels vergund en ruimtelijk beperkt aanvaardbaar. De bestendige deputatie heeft gedeeltelijk gunstig advies uitgebracht over het plan; een zeer beperkte uitbreiding is mogelijk in functie van de sectorale wetgeving”. 1.
  14. De gewestelijk planologisch ambtenaar brengt op 14 november 2001 advies uit. Over het betrokken deelplan stelt hij het volgende : “Hoewel volgens het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan het omliggende woonuitbreidingsgebied wordt bevroren tot 2007, wordt naar een latere ontwikkeling van dit woonuitbreidingsgebied geen visie gegeven. Geen verdere fundamentele opmerkingen bij het ontwerpBPA”. 1.
  15. Op 24 mei 2002 keurt de minister het bijzonder plan van aanleg “zonevreemde bedrijven” van de gemeente Heist-op-den-Berg goed, bestaande uit dertien deelplannen van de bestaande toestand en dertien bestemmingsplannen met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften, met uitsluiting van de met een blauwe rand omzoomde plandelen en de daarop betrekking hebbende stedenbouwkundige voorschriften. X-11.074-5/11 Op het betrokken bestemmingsplan “HI+W+WU12 N.V. Openbaar Slachthuis” wordt daarmee het achterliggend gedeelte van het bedrijfsterrein uitgesloten. In het bestreden besluit wordt overwogen dat is voldaan aan de twee voorwaarden van artikel 14 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, voor wat betreft de afwijkingsmogelijkheid ten aanzien van het gewestplan. Enerzijds is het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan bij ministerieel besluit van 19 juni 2001 goedgekeurd, anderzijds is er een ruimtelijke afweging gebeurd die strookt met de principes van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Specifiek met betrekking tot het betrokken deelplan wordt het volgende overwogen: “Overwegende dat het bestemmingsplan en bijhorende stedenbouwkundige voorschriften voor het deelplan HI+W+WU12: Openbaar Slachthuis, voorziet in een bestemmingswijziging ter bestendiging en uitbreiding van het bestaand bedrijf; dat uit de toelichting bij het dossier blijkt dat het bedrijf slecht scoort op een de meeste criteria die relevant zijn bij de ruimtelijke afweging; dat het bedrijf gelegen is in een woonuitbreidingsgebied en omgeven door woongebied; dat bovendien wordt vastgesteld dat het bestemmingsplan met deze ongunstige afweging nauwelijks rekening houdt gezien de indeling in categorie 5 wat een verdere ontwikkeling zonder beperkingen mogelijk maakt; dat in het gemeenteraadsbesluit van definitieve aanvaarding in antwoord op de bezwaarschriften zelf sprake is van een beperkte uitbreiding in woonuitbreidingsgebied; dat voorliggend bestemmingsplan een bijna verdubbeling van de bedrijfsoppervlakte mogelijk maakt en moeilijk kan beschouwd worden als een beperkte uitbreiding; dat anderzijds dit behoorlijk vergund bedrijf historisch op deze locatie gegroeid is; dat in het intussen goedgekeurd gemeentelijk ruimtelijk structuurplan het woonuitbreidingsgebied, waarin het bedrijf gelegen is, een woonbestemming in de toekomst niet wenselijk wordt geacht gezien de ligging van dit gebied langsheen de drukke N10; dat in die optiek het wenselijk is dat de grootschalige uitbreiding voorzien in dit bestemmingsplan wordt gefaseerd en gekoppeld aan de verdere ordening van dit binnengebied met het oog op een optimaal ruimtegebruik in het gebied; dat derhalve het bestemmingsplan slechts gedeeltelijk kan worden goedgekeurd met name voor de percelen 265z en 265b2 goed te keuren en de overige percelen (253 en delen van 234, 227 en 226a) van goedkeuring te onthouden.”
  16. Ten gronde 2.1.
  17. In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 21, derde lid en 19, zevende lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), alsook bevoegdheidsoverschrijding. Zij stelt dat het bestreden besluit, door het betrokken deelplan gedeeltelijk goed te keuren, artikel 21, derde lid van het gecoördineerde decreet X-11.074-6/11 heeft miskend, aangezien het plan volgens die decretale bepaling enkel kan worden goedgekeurd of van goedkeuring kan worden onthouden. In tegenstelling tot de gedeeltelijke goedkeuring van een bijzonder plan van aanleg is een gedeeltelijke goedkeuring van een deelplan niet mogelijk zonder in de plaats te treden van de betrokken gemeente. Bovendien worden daardoor de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf van de verzoekende partij sterk beperkt. Indien de gemeente zelf in het bijzonder plan van aanleg een dergelijke aanpassing zou hebben aangebracht, zou het bedrijf ondergebracht zijn in een lagere categorie dan categorie 5 en zou een nieuw openbaar onderzoek moeten worden georganiseerd. Aldus wordt de verzoekende partij haar bezwaarrecht in het kader van een dergelijk openbaar onderzoek ontnomen. 2.1.
  18. De eerste verwerende partij repliceert dat het bijzonder plan van aanleg ten dele wordt goedgekeurd en ten dele niet wordt goedgekeurd, overeenkomstig de toepasselijke decretale bepalingen. Het betrokken bedrijf blijft behoren tot categorie 5, alleen wordt de ruimtelijke uitbreiding enigszins beknot omwille van de goede ruimtelijke ordening van het woonuitbreidingsgebied. 2.1.
  19. De verzoekende partij dupliceert dat de categorie van het bedrijf weliswaar niet formeel is gewijzigd, maar dat de beperking van de uitbreidingsmogelijkheden daar inhoudelijk wel op neerkomt. Het feit dat wordt verwezen naar de ligging in een woonuitbreidingsgebied toont juist aan dat het bestreden besluit voorbijgaat aan het nieuwe decretale toetsingskader inzake zonevreemde bedrijven, waarbij het bijzonder plan van aanleg kan afwijken van de voorschriften van het gewestplan wanneer het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan uitdrukkelijk voor die mogelijkheid opteert, wat in dezen het geval is. In de motivering van het bestreden besluit wordt overigens verwezen naar een fasering van de uitbreiding, wat denkbaar is in de context van ruimtelijke uitvoeringsplannen, maar wat voor bijzondere plannen van aanleg niet mogelijk is. 2.1.
  20. Overeenkomstig artikel 21, derde en vierde lid van het gecoördineerde decreet, kan de minister, bevoegd voor Ruimtelijke Ordening een bijzonder plan van aanleg dat definitief is aanvaard door de gemeenteraad, goedkeuren of de goedkeuring onthouden. In het laatste geval moet het besluit met redenen omkleed worden. Uit het loutere feit dat de goedkeuring wordt onthouden voor wat betreft een aantal percelen en de goedkeuring wordt verleend voor wat betreft een aantal andere percelen van hetzelfde deelplan, blijkt nog niet dat de minister in de X-11.074-7/11 plaats is getreden van de gemeentelijke overheden. De gedeeltelijke goedkeuring heeft enkel tot gevolg dat enkele percelen niet de bestemming krijgen die door de gemeenteraad was aanvaard. Door het bestreden besluit wordt geen andere bestemming gegeven aan de betrokken percelen en worden evenmin de bestemmingsvoorschriften gewijzigd. In die omstandigheden kan niet worden aangenomen dat door de gedeeltelijke goedkeuring in die mate wordt ingegrepen in de draagwijdte van het bijzonder plan van aanleg dat de minister zich in de plaats zou hebben gesteld van de gemeentelijke overheid. Dat de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf van de verzoekende partij door die gedeeltelijke onthouding van goedkeuring sterk worden beperkt, zoals zij voorhoudt, is een nadeel dat de verzoekende partij ondervindt door het bestreden besluit, maar het kan op zich niet met goed gevolg worden aangevoerd om de onwettigheid van het besluit aan te tonen. Het feit dat het bijzonder plan van aanleg een oplossing wil bieden, naar aanleiding van een mogelijkheid die de decreetgever ter zake heeft geboden, voor zonevreemde bedrijven, impliceert nog niet dat de minister geen rekening mag houden met de bestaande gewestplanbestemming en met overwegingen van goede ruimtelijke ordening bij de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring. Die overwegingen moeten overigens worden opgenomen in het betrokken besluit en kunnen door de administratieve rechter worden getoetst op hun deugdelijkheid. Uit het feit dat in de motivering van het bestreden besluit wordt verwezen naar een mogelijke fasering van de uitbreiding (van de zone voor industrie) kan niet worden afgeleid dat het bestreden besluit de gemeentelijke overheid op enige wijze verplicht of machtigt om die uitbreiding in een volgend bijzonder plan van aanleg op te nemen. 2.1.
  21. Het eerste middel is niet gegrond. 2.2.
  22. In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 14, voorlaatste lid en 21, vierde lid van het gecoördineerde decreet, met toepassing van artikel 159 van de Grondwet. Zij betoogt dat het bestreden besluit gedeeltelijk de goedkeuring onthoudt van het bijzonder plan van aanleg, maar dat de decretaal vereiste motivering enkel gebaseerd is op de omzendbrief RO 2000/01 over het planologisch attest, het bedrijfs-BPA en het sectoraal BPA - zonevreemde bedrijven. Die omzendbrief mag geen voorwaarden toevoegen aan het decreet en in de mate dat het X-11.074-8/11 bestreden besluit er op gebaseerd is, moet de omzendbrief buiten toepassing worden gelaten overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet. 2.2.
  23. De eerste verwerende partij repliceert dat de bijstellingen door het bestreden besluit zijn ingegeven door de bemerkingen van de adviserende instanties en dat met uitzondering van de van goedkeuring onthouden delen ook voldaan is aan de formele en inhoudelijke eisen van de omzendbrief RO 2000/
  24. De niet goedgekeurde delen zijn in strijd met de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en met het provinciaal ruimtelijk structuurplan Antwerpen. De motivering is dus zeker niet enkel en alleen gebaseerd op de omzendbrief RO 2000/
  25. 2.2.
  26. De verzoekende partij dupliceert dat het bestreden besluit geen motieven kan putten uit de betrokken omzendbrief en dat de stelling dat er nog andere draagkrachtige motieven zouden zijn, niet ter zake is. 2.2.
  27. Uit artikel 14, vijfde lid van het gecoördineerd decreet kan niet worden opgemaakt dat een bijzonder plan van aanleg door de goedkeurende overheid enkel mag worden getoetst aan het feit dat een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan werd opgesteld, enerzijds, en aan een ruimtelijke afweging op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, anderzijds, zonder dat met andere overwegingen van stedenbouwkundige aard rekening mag worden gehouden. Het feit dat het bestreden besluit voor de onthouding van goedkeuring verwijst naar redenen van stedenbouwkundige aard, waarvan de verzoekende partij overigens de pertinentie niet betwist, kan dan ook niet met goed gevolg worden aangevoerd als een schending van de betrokken decretale bepalingen. Het verband van die motivering met de omzendbrief RO 2000/01 wordt door de verzoekende partij niet aangetoond, laat staan dat daaruit zou kunnen blijken dat die omzendbrief door het bestreden besluit als zijnde een bindende rechtsregel zou zijn toegepast. 2.2.
  28. Het tweede middel is niet gegrond. 2.3.
  29. In een derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 14, voorlaatste lid en 21, vierde lid van het gecoördineerde decreet, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de materiële motiveringsplicht. X-11.074-9/11 Zij stelt dat het bestreden besluit overweegt dat een bestendiging van de woonbestemming in de toekomst niet wenselijk is, maar tegelijk de bestemmingswijziging tot gebied voor industrie slechts gedeeltelijk goedkeurt en wel “gefaseerd en gekoppeld aan de verdere ordening van dit binnengebied”. Deze motivering is tegenstrijdig en dubbelzinnig en dus niet afdoende, terwijl anderzijds de goedkeuring niet geweigerd kon worden omwille van de omzendbrief RO 2000/
  30. Bovendien is de “fasering” en “koppeling” waarvan in het bestreden besluit gewag wordt gemaakt, niet geregeld in artikel 14 van het gecoördineerde decreet, zodat die decretale bepaling eveneens is geschonden. 2.3.
  31. De eerste verwerende partij repliceert dat dit middel een herhaling is van het tweede middel en om dezelfde redenen ongegrond moet worden bevonden. De motivering waarnaar de verzoekende partij verwijst heeft niets te maken met artikel 14, maar wel met artikel 21, vierde lid van het gecoördineerde decreet. 2.3.
  32. Het bestreden besluit geeft uitwerking aan een bijzonder plan van aanleg, dat een rechtshandeling is met een verordenend karakter, die niet onder de toepassing valt van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Dit neemt niet weg dat een plan van aanleg, zoals elke bestuurshandeling, onderworpen is aan de materiële motiveringsverplichting, hetgeen inhoudt dat het moet worden gedragen door rechtens verantwoorde motieven die kunnen blijken, hetzij uit het goedkeuringsbesluit zelf, hetzij uit de stukken van het dossier. Het bestreden besluit onthoudt ten dele de goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg op grond van de overweging dat de bestemmingswijziging met de voorgestelde omvang niet wenselijk is omwille van de slechte score van het bedrijf bij de ruimtelijke afweging, maar ook niet volledig geweigerd kan worden, omdat de bestaande bestemming als woon(uitbreidings)gebied in de zienswijze van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan evenmin kan blijven worden gehandhaafd. Er wordt besloten tot een gedeeltelijke herbestemming ten gunste van het betrokken bedrijf, maar tevens tot een gedeeltelijke weigering van de herbestemming om de herbestemming voor dat gedeelte in een latere fase vast te leggen. Het valt dan ook niet in te zien hoe de woorden “gefaseerd en gekoppeld aan de verdere ordening van dit binnengebied” in deze context als tegenstrijdig of dubbelzinnig kunnen worden beschouwd, zoals de verzoekende partij voorhoudt. Het feit dat die woorden niet letterlijk voorkomen in de decretale regeling inzake de goedkeuring van bijzondere plannen van aanleg, betekent nog X-11.074-10/11 niet dat ze geen onderdeel kunnen vormen van een draagkrachtige motivering, gebaseerd op overwegingen van goede ruimtelijke ordening. 2.3.
  33. Het derde middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  34. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  35. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig januari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.074-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.856 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.121.294 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.