← België

Arrest 189857 - Plannen van aanleg - 28/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.857 Rolnummer: A. 125293/X-11075 Zaak: Arrest 189857 - Plannen van aanleg - 28/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-13 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 15:33 Fiche Arrest nr 189.857 van 28 januari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.857 van 28 januari 2009 in de zaak A. 125.293/X-11.075. In zake : Pieter PAUWELS, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : 1. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg 160. 2. de gemeente HEIST-OP-DEN-BERG, dat woonplaats kiest bij advocaten P. LUYPAERS en H.-K. CAREME, kantoor houdende te 3001 HEVERLEE, Industrieweg 4 bus 1. tussenkomende partij : de b.v.b.a. DE ROOVER EN ZONEN, die woonplaats kiest bij advocaat P. JONGBLOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Pieter PAUWELS op 12 augustus 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van: 1. het besluit van 24 mei 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende gedeeltelijke goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg “zonevreemde bedrijven”, van de gemeente Heist-op-den-Berg, “doch enkel voor wat betreft het deelplan ‘B9-BVBA DE ROOVER’” (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 juni 2002), en 2. Het deelplan “B9-BVBA DE ROOVER” van het sectoraal bijzonder plan van aanleg “zonevreemde bedrijven”, definitief aangenomen door de gemeenteraad van X-11.075-1/14 de gemeente Heist-op-den-Bergh op 4 september 2001, en bestaande uit een plan van de bestaande toestand (terreinopname en juridische toestand), een bestemmingsplan en bijhorende stedenbouwkundige voorschriften; Gelet op het arrest nr. 121.295 van 3 juli 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 4 augustus 2003 ingediend door de verzoeker; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 3 september 2003 ingediend door de b.v.b.a. De Roover en Zonen; Gelet op de beschikking van 17 september 2003 die de tussenkomst van de b.v.b.a. De Roover en Zonen toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 1 december 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 14 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. EYSKENS, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoeker, van advocaat A. CLAES, die loco advocaat J. CLAES verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat S. BROUWERS, die loco advocaten P. LUYPAERS en H-.K. CAREME verschijnt voor de tweede verwerende partij; X-11.075-2/14 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. Op 2 december 1997 beslist de gemeenteraad van de gemeente Heist-op-den-Berg over te gaan tot het opstellen van een bijzonder plan van aanleg “zonevreemde bedrijven”, naar aanleiding van de omzendbrief RO 97/01 over zonevreemde bedrijven. Er wordt een voorstudie gemaakt door het bureau n.v. Technum. In die voorstudie worden de bedrijven die in aanmerking zouden kunnen komen voor het bijzonder plan van aanleg in vijf categorieën onderverdeeld: - categorie 1: bestaande vergunde activiteiten kunnen voortgezet worden - geen uitbreiding mogelijk - bij aflopen milieuvergunning dient er geherlocaliseerd te worden; - categorie 2: bedrijvigheid blijkt mogelijk ook voor de toekomst - beperkte uitbreiding is mogelijk - beperking worden opgelegd aan de activiteiten; - categorie 3: zoals 2 doch geen beperking wat de aard van de activiteiten betreft; - categorie 4: bedrijven die zich ruimtelijk kunnen ontwikkelen mits in achtname van randvoorwaarden - een nieuwe activiteit kan er komen onder strikte voorwaarden; - categorie 5: een bedrijvigheid die zich zowel ruimtelijk als naar aard verder kan ontwikkelen. 1.2. Op 21 november 2000 geeft de afdeling Ruimtelijke Planning een advies, waarin wordt opgemerkt dat de omzendbrief RO 97/01 vervangen is door de omzendbrief RO 2000/01 over het planologisch attest, het bedrijfs-BPA en het sectoraal BPA - zonevreemde bedrijven. Ook wordt gewezen op het feit dat het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan reeds voorlopig aanvaard is in maart 2000, reeds aan een openbaar onderzoek werd onderworpen en dat het slechts een kwestie van maanden is vooraleer de minister zijn goedkeuring kan verlenen aan een definitief goedgekeurd ruimtelijk structuurplan. Dit had kunnen inhouden dat de X-11.075-3/14 gemeente ruimtelijke uitvoeringsplannen had kunnen opstellen die meer mogelijkheden geven dan bijzondere plannen van aanleg. Voorts wijst de afdeling Ruimtelijke Planning er op dat het voorontwerp van bijzonder plan van aanleg onvoldoende rekening houdt met het later tot stand gekomen voorlopige gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, hetgeen betekent dat niet voldaan wordt aan de vereiste van een globale gemeentelijke benadering. Specifiek voor wat betreft het perceel van de tussenkomende partij merkt de afdeling Ruimtelijke Planning op dat het een totaal onvergunde toestand inzake verhardingen en opslag van materialen betreft en dat de enige vergunningen werden verkregen binnen landelijk woongebied. Ze stelt dat ten hoogste een bevestiging van de bestaande toestand kan worden aanvaard, mits sanering van de stortplaats aan de noordzijde van de Twaalfbunders en zonder uitbreiding van de stapelplaats tot tegen de Spaanderstraat. 1.3. Op 20 maart 2001 beslist de gemeenteraad tot de voorlopige aanvaarding van het ontwerp waar veertien bedrijven bij betrokken zijn. 1.4. Van 3 april 2001 tot 4 mei 2001 wordt een openbaar onderzoek georganiseerd. 1.5. Op 20 juni 2001 brengt de gemeentelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening een gunstig advies uit. 1.6. Op 4 september 2001 beraadslaagt de gemeenteraad over de bezwaren en beslist hij tot de definieve aanneming van het bijzonder plan van aanleg. Dit is het tweede bestreden besluit. Voor één bedrijf wordt het plan slechts gedeeltelijk aanvaard; voor een ander bedrijf wordt het plan niet aanvaard. Voor het bedrijf van de verzoekende partij, waarvoor het plan ongewijzigd werd aanvaard, bevat het besluit geen specifieke overweging. Het bijzonder plan van aanleg omvat op het bestemmingsplan “BLW9 BVBA De Roover” een zone van 10.457 m² groot. Die zone is volgens het gewestplan Mechelen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976, ten dele bestemd als landelijk woongebied en ten dele als agrarisch gebied. Ze wordt door het bijzonder plan van aanleg bestemd als zone voor lokale bedrijvigheid (6.027 m²), grotendeels omringd door een zone voor buffer (3.208 m²). Er wordt ook X-11.075-4/14 voorzien in een strook voortuin (155 m²). Het gebied is gelegen tussen de Schrieksesteenweg, de Twaalfbunders en de Spaanderstraat, die de eerste twee wegen verbindt. Terwijl het gebied volgens de bestaande toestand ontsloten wordt via de Schrieksesteenweg en de Twaalfbunders, zou het volgens het bestemmingsplan enkel nog ontsloten worden via de Schrieksesteenweg. Er wordt voorzien in een buffer met een minimale breedte van ongeveer acht meter rond het achterliggend bedrijfsterrein. Per deelplan is er een bundel met stedenbouwkundige voorschriften, een toelichting en een verantwoording voor de afwijking van het gewestplan. Hierin wordt de bestaande activiteit van het bedrijf als volgt omschreven: een klein bedrijf dat reeds sinds 1950 bestaat met 8 à 10 werknemers. Artikel 7 van de stedenbouwkundige voorschriften bepaalt wat met betrekking tot inplanting, bouwwijze en bedrijvigheid mogelijk is in de zone voor lokale bedrijvigheid. Bij de toelichting wordt vermeld dat de bestaande bebouwing slechts beperkt is vergund. De verhardingen, de opgerichte loodsen en een gedeelte van het magazijn zijn niet vergund. Op 26 juni 1990 werd een stedenbouwkundige vergunning verleend voor het verbouwen van een magazijn tot toonzaal en het slopen van een kleine toonzaal. Het bedrijf beschikt voor de activiteit klasse 2 over een milieuvergunning van 15 juni 1993, geldig voor twintig jaar. Voorts wordt in de toelichting gesteld dat het bedrijf gecatalogiseerd wordt onder categorie 4: de bedrijvigheid kan er zich verder ontwikkelen zowel ruimtelijk als naar aard van de activiteiten. Voor wat betreft de elementen van de ruimtelijke structuur vermeldt de toelichting dat het bedrijf gelegen is in een woonlint, aansluitend bij de kern. Er wordt geconcludeerd dat het bedrijf ruimtelijk inpasbaar is, mits de nodige maatregelen met betrekking tot buffering worden genomen. De toelichting vermeldt dat het bijzonder plan van aanleg beantwoordt aan de criteria van de rechtspraak van de Raad van State ten aanzien van de afwijking van het gewestplan. Inzake de afweging van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan wordt gesteld dat dit plan weinig specifieks inhoudt voor het betrokken gebied en dat er geen specifieke aanduiding met betrekking tot het bedrijf in voorkomt. 1.7. Op 11 oktober 2001 brengt de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen advies uit. Inzake het betrokken deelplan merkt zij het volgende op : X-11.075-5/14 “Het betreft een handel in bouwmaterialen. Het gewestplan is deels gelegen in woongebied met landelijk karakter en deels (

  1. in)agrarisch gebied. Er wordt een uitbreiding voorzien in het achterliggend agrarisch bedrijf. Het bedrijf is slechts gedeeltelijk vergund en de voorziene uitbreiding is ruimtelijk beperkt aanvaardbaar. De bestendige deputatie heeft gedeeltelijk gunstig advies over het plan uitgebracht; een zeer beperkte uitbreiding kan worden toegestaan en nieuwe activiteiten zijn mogelijk indien ze minder storend zijn”. 1.8. De gewestelijk planologisch ambtenaar brengt op 14 november 2001 advies uit. Over het betrokken deelplan stelt hij het volgende: “Geen fundamentele opmerkingen”. 1.9. Op 24 mei 2002 keurt de minister het bijzonder plan van aanleg “zonevreemde bedrijven” van de gemeente Heist-op-den-Berg goed, bestaande uit dertien deelplannen van de bestaande toestand en dertien bestemmingsplannen met bijbehorende stedenbouwkundige voorschriften, met uitsluiting van de met een blauwe rand omzoomde plandelen en de daarop betrekking hebbende stedenbouwkundige voorschriften. Dit is het eerste bestreden besluit. Het betrokken bestemmingsplan “BLW9 BVBA De Roover” wordt daarmee volledig goedgekeurd. In het eerste bestreden besluit wordt overwogen dat is voldaan aan de twee voorwaarden van artikel 14 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, voor wat betreft de afwijkingsmogelijkheid ten aanzien van het gewestplan. Enerzijds is het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan bij ministerieel besluit van 19 juni 2001 goedgekeurd; anderzijds is er een ruimtelijke afweging gebeurd die strookt met de principes van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Specifiek met betrekking tot het betrokken deelplan wordt het volgende overwogen: “Overwegende dat het bestemmingsplan en bijbehorende stedenbouwkundige voorschriften voor het deelplan BLW9: De Roover, voorziet in een bestemmingswijziging ter bestendiging van het bestaande bedrijf; dat het bedrijf gelegen is tussen en achter een landelijk woonlint; dat de achterliggende zone planologische kan worden verantwoord gelet op het versnipperd karakter van dit gebied; dat het bestemmingsplan ten aanzien van het voorontwerp werd beperkt tot de bestaande toestand; dat deze bestaande toestand voornamelijk opslag in open lucht vertegenwoordigt; dat met dit bestemmingsplan een ruime buffering wordt voorzien en de ontsluiting van het terrein wordt beperkt tot de hoofdtoegang aan (
  2. de)Schrieksesteenweg; dat derhalve dit bestemmingsplan kan worden goedgekeurd”. X-11.075-6/14 2. Ontvankelijkheid 2.1.1. De tweede verwerende partij en de tussenkomende partij betwisten de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring voor wat betreft het tweede bestreden besluit, omdat het een voorbereidende handeling betreft en, subsidiair, omdat het beroep tegen dat besluit laattijdig werd ingesteld. 2.1.2. Het bijzonder plan van aanleg krijgt eerst uitvoerbare kracht door de goedkeuring door de Vlaamse regering. Het is bijgevolg die laatste beslissing die aanvechtbaar is voor de Raad van State en niet de eraan voorafgaande definitieve aanneming van het plan door de betrokken gemeenteraad. Dit neemt niet weg dat de verzoeker naar aanleiding van een beroep tot nietigverklaring, ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit, elke onregelmatigheid van de voorbereidende procedure, met inbegrip van de aanneming door de gemeenteraad, kan aanvoeren die de wettigheid van het goedkeuringsbesluit kan aantasten. De excepties zijn gegrond; het beroep is slechts ontvankelijk in de mate dat het is gericht tegen het eerste bestreden besluit. 2.2.1. De tussenkomende partij werpt op dat het besluit waartegen het beroep is gericht, onvoldoende duidelijk is geïdentificeerd, nu op het einde van het verzoekschrift wordt gevraagd “het bestreden besluit te vernietigen” en de tussenkomende partij daardoor niet weet waartegen zij zich moet verdedigen. 2.2.2. Uit de bewoordingen van het verzoekschrift blijkt duidelijk dat het is gericht tegen beide beslissingen. Nog afgezien van de onontvankelijkheid van het beroep voor wat betreft de tweede bestreden beslissing, kan er geen redelijke twijfel bestaan omtrent het voorwerp van het door de verzoeker ingestelde beroep tot nietigverklaring. De exceptie is niet gegrond. 2.3.1. De tussenkomende partij stelt dat het beroep onontvankelijk is inzoverre het is gericht tegen het eerste bestreden besluit, nu het beroep is beperkt tot een gedeelte van dat besluit, met name het deelplan “BLW9 BVBA De Roover”. Hierdoor gaat de verzoeker immers in tegen de principiële ondeelbaarheid van de X-11.075-7/14 betrokken administratieve rechtshandeling, zoals ook het geval is voor stedenbouwkundige vergunningen. 2.3.2. Nu het beroep tot nietigverklaring in wezen is gericht tegen een bijzonder plan van aanleg dat verscheidene deelplannen omvat die weliswaar een gemeenschappelijke aanleiding vertonen, met name het bieden van een oplossing voor zonevreemde bedrijven, maar die voor het overige vanuit planologisch opzicht splitsbaar zijn, vermocht de verzoeker zijn beroep te beperken tot het deelplan dat de bestemmingswijziging bevat die hem persoonlijk grieft. De exceptie is niet gegrond. 2.4.1. De tweede verwerende partij werpt op dat de verzoeker geen bezwaar heeft ingediend naar aanleiding van het openbaar onderzoek. 2.4.2. Het feit dat de verzoeker tijdens het openbaar onderzoek geen gebruik heeft gemaakt van het recht een bezwaarschrift in te dienen, ontneemt hem niet het belang voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring van het eerste bestreden besluit. De exceptie is niet gegrond. 2.5.1. De tweede verwerende partij stelt dat de percelen van de verzoeker niet palen aan de perimeter van het betrokken deelplan, dat ertussen andere bebouwde percelen zijn gelegen en dat het bedrijf bovendien is afgeschermd door een bufferzone van acht tot tien meter met onder meer heesters en hoogstammig groen. 2.5.2. De stelling van de verzoeker dat hij op vijftig meter van de betrokken percelen van de tussenkomende partij woont wordt door de overige partijen niet tegengesproken. In die omstandigheden moet worden aangenomen dat het bestreden besluit door een bestemmingswijziging in de onmiddellijke omgeving van de verzoeker diens situatie op negatieve wijze kan beïnvloeden. De exceptie is niet gegrond. 3. Ten gronde 3.1. In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 14, vierde en vijfde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, X-11.075-8/14 gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), van artikel 19, § 3 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), van de omzendbrief RO 2000/01 over het planologisch attest, het bedrijfs-BPA en het sectoraal BPA - zonevreemde bedrijven, van de richtinggevende bepalingen van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, van de bestemmingen woongebied met landelijk karakter en agrarisch gebied van het bij het koninklijk besluit van 5 augustus 1976 vastgestelde gewestplan Mechelen, van artikel 159 van de Grondwet en van het zorgvuldigheidsbeginsel. In een derde onderdeel van dat middel stelt de verzoeker dat het eerste bestreden besluit afwijkt van de aangehaalde gewestplanbestemmingen zonder een minimale ruimtelijke afweging te maken die strookt met de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en dat zonder motivering wordt afgeweken van het richtinggevend gedeelte van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, terwijl artikel 19, § 3 DRO die afweging en die motivering vereist. Er wordt bovendien afbreuk gedaan aan de duurzame ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke draagkracht en de ruimtelijke kwaliteit van het betrokken landelijk woongebied en agrarisch gebied, wat eveneens indruist tegen de aangehaalde decretale bepaling. Door het feit dat de overheid aldus haar beslissing niet zorgvuldig heeft voorbereid, is het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. 3.2. De tweede verwerende partij repliceert dat in het eerste bestreden besluit wel degelijk wordt vermeld dat “een ruimtelijke afweging gebeurde die strookt met de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen”. In het tweede bestreden besluit wordt de afwijking van het gewestplan omstandig verantwoord. Uit niets kan worden opgemaakt dat het door de gemeenteraad aangenomen bijzonder plan van aanleg manifest zou afwijken van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen. De eerste verwerende partij ontwikkelt op summiere wijze een gelijklopende argumentatie. 3.3. De tussenkomende partij stelt dat het middelonderdeel erop lijkt neer te komen dat het tweede bestreden besluit niet voldoende uitdrukkelijk zou zijn gemotiveerd voor wat betreft de toetsing van het ontwerp van bijzonder plan van aanleg aan de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen. In het middel wordt evenwel niet de schending aangevoerd van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, zodat dit middelonderdeel niet als gegrond kan worden beschouwd. X-11.075-9/14 3.4. De verzoeker dupliceert dat het verweer tegen dit middelonderdeel blijkbaar neerkomt op een verwijzing naar een passage uit de toelichting bij de beslissing van de gemeenteraad waarvan de verzoeker net de deugdelijkheid bestrijdt. Die toelichting bevat immers geen bijzonderheden omtrent de toetsing aan de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen. Het eerste bestreden besluit bevat enkel de loutere affirmatie dat die toetsing is gebeurd. 3.5. De tweede verwerende partij stelt in haar laatste memorie nog dat de ruimtelijke afweging volgens artikel 14, vierde lid van het gecoördineerde decreet mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen moet gebeuren. Er bestaat geen verplichting om die afweging in het tweede bestreden besluit op te nemen. De opname van die afweging in de toelichting bij de beslissing volstaat. In die toelichting komen de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen uitdrukkelijk en uitvoerig aan bod. De betrokken principes hebben overigens niet altijd dezelfde draagkracht. Na onderzoek werd besloten dat het bedrijf van de tussenkomende partij zich verder kon ontwikkelen op de betrokken terreinen mits een aantal randvoorwaarden worden nageleefd. De ruimtelijke implicaties van een herlocalisatie moesten derhalve niet worden onderzocht en uit het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen kan ook worden opgemaakt dat die implicaties enkel moeten worden onderzocht als de herlocalisatie mogelijk is. 3.6. Artikel 14, vierde en vijfde lid van het gecoördineerde decreet luidde ten tijde van de uitvaardiging van het bestreden besluit als volgt: “Wanneer een streek-, gewest- of algemeen plan bestaat, richt het bijzonder plan zich naar de aanwijzingen en bepalingen ervan, en vult ze aan. Het kan er desnoods van afwijken. Gedurende een periode van vijf jaar na de inwerkingtreding van deze bepaling, kan het bijzonder plan van aanleg afwijken van de voorschriften van het gewestplan wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, zoals bedoeld in artikel 20, § 1, van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning of artikel 32, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, en op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen”. Het bestreden bijzonder plan van aanleg werd opgemaakt, aangenomen en goedgekeurd overeenkomstig de in het vijfde lid geregelde mogelijkheid om met een bijzonder plan van aanleg af te wijken van de gewestplanbestemming, onder de dubbele voorwaarde dat de betrokken gemeente X-11.075-10/14 beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan en dat bij de opmaak van het bijzonder plan van aanleg een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen. Deze decretale bepaling is als een afwijkingsregeling geconcipieerd, hetgeen impliceert dat de toepassing ervan uitzonderlijk dient te blijven, en dat zij beperkend en restrictief gehanteerd en geïnterpreteerd dient te worden. De toepassing van deze afwijkingsregel vergt dus op zich juridisch nadere motivering. Hieruit vloeit voort dat duidelijk dient te blijken dat voldaan is aan de twee voorwaarden die decretaal bepaald zijn om een afwijkend sectoraal BPA te kunnen goedkeuren. Uit de motivering ter aanneming en goedkeuring van een sectoraal bijzonder plan van aanleg dient dus met name te blijken dat een voldoende toetsing is gebeurd van de planopties aan zowel het bindend als het richtinggevend gedeelte van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen. Minstens moet die toetsing blijken uit de stukken van het dossier. 3.7.1. Het bestreden besluit overweegt over de toetsing aan het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen enkel het volgende: “Overwegende dat voor de deelplannen van het voorliggende bijzonder plan van aanleg, zoals blijkt uit de toelichting bij het plan, een ruimtelijke afweging gebeurde die strookt met de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen; dat daarmee voor de goedgekeurde planonderdelen is voldaan aan de tweede voorwaarde in toepassing van (...) artikel 14 (van het gecoördineerde decreet)”. Voor wat betreft de toetsing aan het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen bevat de motivatie van het bestreden besluit voorts geen inhoudelijke elementen. Specifiek met betrekking tot het betrokken deelplan wordt wel nog het volgende overwogen: “Overwegende dat het bestemmingsplan en bijbehorende stedenbouwkundige voorschriften voor het deelplan BLW9: De Roover, voorziet in een bestemmingswijziging ter bestendiging van het bestaande bedrijf; dat het bedrijf gelegen is tussen en achter een landelijk woonlint; dat de achterliggende zone planologisch kan worden verantwoord gelet op het versnipperd karakter van dit gebied; dat het bestemmingsplan ten aanzien van het voorontwerp werd beperkt tot de bestaande toestand; dat deze bestaande toestand voornamelijk opslag in open lucht vertegenwoordigt; dat met dit bestemmingsplan een ruime buffering wordt voorzien en de ontsluiting van het terrein wordt beperkt tot de hoofdtoegang aan (
  3. de)Schrieksesteenweg; dat derhalve dit bestemmingsplan kan worden goedgekeurd”. X-11.075-11/14 3.7.2. In een voorstudie van januari 2001, kennelijk uitgevoerd door of in opdracht van de tweede verwerende partij, worden enkele bladzijden gewijd aan een overzicht van de relevante onderdelen van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, maar dat overzicht wordt nauwelijks betrokken op het bijzonder plan van aanleg, laat staan dat er een toetsing van het betrokken deelplan aan het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen in voorkomt. 3.7.3. In de toelichting bij het bijzonder plan van aanleg wordt een beschrijving gegeven van het bedrijf en van het probleem van zonevreemdheid. Vervolgens wordt een zogenaamde criteria-analyse uitgevoerd aan de hand van structureel-ruimtelijke kenmerken, omgevingskenmerken, socio-economische aspecten en beleidsopties, waaruit wordt besloten dat het betrokken bedrijf in categorie 4 kan worden ondergebracht en dat het in het bijzonder plan van aanleg kan worden opgenomen. Vervolgens worden de bestemmingsvoorschriften toegelicht. In dit onderdeel komt geen toetsing voor aan het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen. In de verantwoording voor de afwijking van het gewestplan wordt de herbestemming van de betrokken percelen verantwoord vanuit planologisch oogpunt en (op summiere wijze) ten opzichte van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. In tegenstelling tot wat de tweede verwerende partij voorhoudt, kan deze tekst niet worden beschouwd als een toetsing aan het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, nu impliciet noch expliciet aan relevante onderdelen van het richtinggevend of bepalend gedeelte van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen wordt gerefereerd. 3.8. De aangehaalde elementen uit het bestreden besluit en uit de stukken van het dossier blijken niet in te gaan op het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, laat staan dat er uit zou kunnen worden opgemaakt dat er een toetsing zou zijn gebeurd aan de principes van dit plan overeenkomstig artikel 14, vijfde lid, van het gecoördineerde decreet. Het bestreden besluit miskent dan ook de betrokken decretale bepaling. 3.9. Het derde onderdeel van het eerste middel is gegrond. X-11.075-12/14 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 24 mei 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende gedeeltelijke goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg “zonevreemde bedrijven”, van de gemeente Heist-op-den-Berg, in zoverre het het deelplan “B9-BVBA DE ROOVER” betreft. Artikel 2. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel 3. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het eerste vernietigde besluit. Artikel 4. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partijen, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-11.075-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig januari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.075-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.857 Gerelateerde publicatie(
  4. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.121.295 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.