← België

Arrest 189858 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.858 Rolnummer: A. 187168/XIV-30160 Zaak: Arrest 189858 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-02 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 15:33 Fiche Arrest nr 189.858 van 28 januari 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.858 van 28 januari 2009 in de zaak A. 187.168/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat St. BUYSSE, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 597 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 20 februari 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 5949 van 18 januari 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 2385 van 19 maart 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 11 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 december 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-30.160-1/16 Gehoord de opmerkingen van Advocaat St. BUYSSE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché R. LARNO, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Russische nationaliteit, komt op 12 september 2005 België binnen en vraagt op 13 september 2005 om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
  4. Deze aanvraag wordt op 3 mei 2006 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
  5. Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 16 mei 2006 beroep aan bij de (toenmalige) Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
  6. Op 31 januari 2007 dient verzoeker overeenkomstig artikel 235, § 3, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een verzoek tot voortzetting in. 1.
  7. Op de zitting van 12 december 2007 van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen worden verzoeker, bijgestaan door Advocaat S. BUYSSE, loco Advocaat E. VAN DE COTTE, en Attaché K. GOOSSENS, die optreedt voor de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, gehoord, waarna de debatten worden gesloten en de zaak in beraad wordt genomen. XIV-30.160-2/16 1.
  8. Op 18 januari 2008 velt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest, waarbij aan verzoeker de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd. Dit arrest is als volgt gemotiveerd: “
  9. De bestreden beslissing luidt als volgt "A. Vluchtrelaas Tijdens dit gehoor verklaarde u dat u een Russisch staatsburger bent van Tsjetsjeense afkomst met propiska in Tsjetsjenië. Op zeerjonge leeftijd keerde u uit Oezbekistan terug naar uw thuisland, Tsjetsjenië. Na uw legerdienst in de jaren zeventig vestigde u zich samen met uw ouders in de regio Stavropol tot u in 1980 opnieuw naar Tsjetsjenië verhuisde. Vijfjaar later liet u zich registreren in Volgograd, maar u bleef op en af reizen tussen deze stad en Grozny. Tijdens de eerste oorlog verbleef u een halfjaar bij uw ouders in Tsjetsjenië. Na uw terugkeer uit het oorlogsgebied werd u in Volgograd verschillende keren opgepakt en verweten dat u zou meegevochten hebben. Ook de burgerbevolking werd wantrouwiger ten aanzien van Tsjetsjenen. Zo werd op 13 februari 1996 uw woning in brand gestoken; al uw documenten gingen in vlammen op. Omwille van deze problemen keerde u in 1999 samen met uw gezin definitief terug naar Grozny. Aan het begin van de tweede oorlog bracht u uw gezin naar Ingoesjetië waar ze bleven tot het najaar van
  10. Op 27 november 2001 werd uw zoon uit uw eerste huwelijk opgepakt, mishandeld en beschuldigd van meervoudige moord, gewapende overvallen, wapenhandel en drugsbezit. Enkele maanden later werd hij veroordeeld tot zes maanden celstraf wegens drugsbezit. Toen u de onschuld van uw zoon probeerde te bewijzen, werd u bedreigd door Tsjetsjeense militairen, In het voorjaar van 2002 pakten ze u op, mishandelden u en raadden u aan uw juridische strijd te staken. Rond deze periode werd uw zoon overgebracht naar Chernokozovo en van daaruit naar Rostov. Zijn rechtszaak was opgesplitst in twee afzonderlijke zaken zodat hij zeker niet vrijgesproken zou worden. Tijdens de processen werd de nadruk gelegd op de schuldbekentenis die uw zoon, weliswaar onder druk, had ondertekend en werd geen rekening gehouden met de eisen van uw advocaten. Uiteindelijk werd hij veroordeeld tot tweeëntwintig jaar gevangenisstraf De beroepen bij het hooggerechtshof in Moskou mochten niet baten. Daarop diende u klacht in bij het Hof van Straatsburg, maar u hebt er nooit iets van vernomen. Sindsdien verblijft uw zoon in de gevangenis van Alexandriskoye. In april 2003 keerde u terug naar Tsjetsjenië en vernam u dat Kadyrovtsi uw huis doorzochten en vroegen naar uw verblijfplaats. Sindsdien wisselden u en uw gezin telkens van onderduikadres. Omdat u niet langer in angst wilde leven, verliet u Tsjetsjenië op 1 augustus
  11. U kwam in België aan op 12 september 2005 en vroeg er de volgende dag het statuut van vluchteling aan. U bent in het bezit van een rijbewijs, een diploma en twee geboorteaktes van uw kinderen. B. Motivering Volgens uw verklaringen verbleef u meerdere keren gedurende lange tijd in Tsjetsjenië en was u er vanaf 1999 officieel geregistreerd. Ook de problemen die u in Volgograd kende, hadden rechtstreeks betrekking op uw trips naar Tsjetsjenië. Gezien de weinig plausibele verklaringen die u aflegde en het gebrek aan bewijsmateri- aal dat u aanbracht, kan u deze verklaringen echter niet aannemelijk maken. Zo legde u geen enkel document voor dat in Tsjetsjenië werd opgemaakt of een verwijzing naar uw verblijf in deze republiek bevatte, ondanks uw beweringen dat een groot deel van XIV-30.160-3/16 uw leven zich in Tsjetsjenië afspeelde: u hebt drie kinderen die daar geboren werden (dvz, p. 5) en u studeerde daar (cgvs, p. 5). Uw vader verblijft sinds 1989 permanent in Tsjetsjenië en ook uw beide gezinnen wonen er al minstens zeven jaar. Gezien deze vaststellingen, is het niet logisch dat u enkel documenten uit Volgograd kon voorleggen, namelijk uw rijbewijs, een diploma en de geboorteaktes van uw twee dochters die in Volgograd geboren werden. Verder bracht u geen enkel bewijsstuk aan betreffende de cruciale elementen in uw asielrelaas, hoewel u herhaaldelijk gewezen werd op het belang van zulke documenten, u vanuit België contact had met uw vrouw in Tsjetsjenië en er stukken werden opgestuurd (dvz, p. 18 en cgvs, p. 2, 4). Ten eerste zou u zich uitgeschreven hebben in Volgograd omdat de algemene sfeer en de handelswijze van de autoriteiten ten aanzien van Tsjetsjenen te wensen overliet. Uw huis werd er bijvoorbeeld in brand gestoken. Ondanks het feit dat u zelf aanhaalde dat u over een attest van dit incident beschikt, legde u geen bewijsstuk voor. Ten tweede werd u gearresteerd en nadien vervolgd in Tsjetsjenië omdat u niets onverlet liet om de onschuld van uw zoon te bewijzen. Desbetreffende heeft u eveneens verschillende documenten, namelijk klachten, notulen van de hoorzittingen, vonnissen en kwitanties. Ofschoon u reeds bij de Dienst Vreemdelingenzaken beloofde om deze documenten in Tsjetsjenië op te vragen, ontbreekt nog steeds elk bewijsstuk aangaande dit proces in uw dossier (dvz, p. 18 en cgvs, p. 2). Daarbij komt nog dat u vage verklaringen aflegde over uw bijdrage aan de oorlog: terwijl u bij de Dienst Vreemdelingenzaken ontkende ooit gevochten te hebben (dvz, p. 14), waren uw uitspraken op het Commissariaat-generaal veel genuanceerder (cgvs, p. 10, 12). Aanvankelijk vertelde u er dat u zich verdedigde door weg te lopen; nadien luidde het: "Als zij me aanvallen, moet ik me toch verdedigen. " U maakte echter meerdere malen toespelingen op een grotere betrokkenheid bij de Tsjetsjeense strijd: "In een moment van woede kan alles.”, “Je moet niet naar de bergen om te strijden, dat is zwaar om in de bergen te moeten lopen.” en "Ik zeg niet dat ik piano aan het spelen was in Tsjetsjenië." Op deze manier wekte u de indruk belangrijke aspecten te verbergen, waardoor het onmogelijk wordt om een juist inzicht te verwerven in uw problemen. Tenslotte is het zeer opmerkelijk dat u zich vergiste van geboorteland en dat u zich niet herinnerde wanneer u naar Tsjetsjenië verhuisde (cgvs, p. 5). Eerst verklaarde u dat u al in uw eerste levensjaar

(1953)terugkeerde naar Tsjetsjenië; nadien blijkt dat u uw geboorteplaats verliet na de toegestane terugkeer in
  1. Daarbij sprak u verkeerdelijk over Kazachstan in plaats van Oezbekistan. Bijgevolg kan na een onderzoek ten gronde in uw hoofde geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van art. 1, par A, lid 2 van de Conventie van Genève van 28 juli 1951 weerhouden worden. De door u neergelegde documenten, namelijk twee geboorteaktes, een diploma en een rijbewijs, kunnen bovenstaande conclusie niet wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, kom ik tot de vaststelling dat u niet voldoet aan de criteria die werden vastgelegd in het Vluchtelingenverdrag (Conventie van Genève van 28 juli 1951) en bijgevolg niet als Vluchteling kan worden erkend. "
  2. De verklaringen van de asielzoeker kunnen een voldoende bewijs zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, geloofwaardig en eerlijk zijn (J. HATHAWAY, The Law of Refugee Status, Butterworths, Toronto-Vancouver, 1991, 84). De verklaringen moeten plausibel zijn en niet in strijd met algemeen bekende feiten. De bewijslast berust in beginsel bij de asielzoeker die in de mate van het mogelijke elementen dient aan te brengen ter staving van zijn relaas en bij het ontbreken van dergelijke elementen, hiervoor een aannemelijke verklaring dient te geven. Het voordeel van de twijfel kan slechts worden verleend indien alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen (UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1992, 54). XIV-30.160-4/16 3.
  3. Aangaande de bemerking betreffende de afwezigheid van documenten voert verzoeker aan dat hij uit een land in oorlog komt waar men zich geenszins druk maakt omtrent papieren. Hij wijst er ook op dat zijn huis in Volgograd in brand werd gestoken en dat al zijn documenten werden vernietigd. 3.
  4. Uit de verklaringen van verzoeker blijkt dat hij, alsook andere familieleden, reeds lange tijd verbleven in Tsjetsjenië. Er kan dus worden verwacht dat verzoeker documenten kan voorleggen. De Raad vindt het significant dat verzoeker geen enkel document voorlegde met betrekking tot de arrestatie en opsluiting van zijn zoon, terwijl hij verklaarde dat hij hierover in zijn thuisland over documenten beschikte en dat hij deze verwachtte (zie gehoorverslag van 2 februari 2006 p. 2). Verzoeker toont noch zijn recent verblijf in Tsjetsjenië, noch zijn beweerde problemen naar aanleiding van de arrestatie van zijn zoon, aan. De documenten die verzoeker toendertijd aan de Vaste Beroepscommissie toezond zijn fotokopieën waaraan de Raad geen bewijswaarde hecht, gezien fotokopieën gemakkelijk te vervalsen zijn; verzoeker legde de originele documenten trouwens niet voor. Wat betreft de kwitanties van de verstuurde poststukken, wordt opgemerkt dat het ook hier om fotokopieën gaat, die bovendien op zichzelf niets bewijzen, te meer daar verzoeker zelf stelde te beschikken -maar deze evenmin bijbracht- over de klachten ingediend bij verschillende instanties, alsook over vonnissen en notulen van hoorzit- tingen (zie gehoorverslag van 26 en 30 september 2005, p. 18). De Raad is van oordeel dat verzoeker door hier in gebreke te blijven, zijn geloofwaar- digheid verliest. 3.
  5. Met betrekking tot de vastgestelde "vage verklaringen" omtrent zijn betrokkenheid bij de Tsjetsjeense oorlog, laat verzoeker gelden dat hij zich steeds op een "nogal lyrische wijze" uitlaat. 3.
  6. Dergelijk excuus vormt geen degelijk verweer om een motivering te weerleggen. Een asielzoeker dient de waarheid te vertellen. Antwoorden op vragen naar zijn betrokkenheid in de oorlog, als "ik sta niet graag onder een commandant; je moet niet naar de bergen om te strijden, het is zwaar om in de bergen te moeten lopen; ik zeg niet dat ik piano aan het spelen was in Tsjetsjenië" (zie het gehoorverslag van 2 februari 2006, p. 12) zijn niet van aard om de Commissaris- generaal toe te laten zich dienaangaande een beeld te vormen en dragen in belangrijke mate bij om het relaas van verzoeker als ongeloofwaardig te bestempelen. 3.
  7. Verzoeker wijst er op dat zijn Tsjetsjeense origine vaststaat en dat hij geruime tijd woonachtig was in Tsjetsjenië. Hij verwijst naar een arrest van de Raad van State waarin wordt verwezen naar rechtspraak van de Vaste Beroepscommissie die stelt dat elke Tsjetsjeen die zijn gewone verblijfplaats had in Tsjetsjenië en die geen deel uitmaakt van de pro-Russische overheidsstructuren, kan vrezen voor vervolging op basis van zijn afkomst. Verzoeker merkt op dat de Commissaris-generaal niet heeft aangetoond dat hij niet recent in Tsjetsjenië heeft verbleven. 3.
  8. In de continentale traditie hebben beslissingen van een rechtscollege geen precedentswaarde gezien elke asielaanvraag in concreto wordt beoordeeld. Verzoeker laat na aan te tonen hoe deze beslissing de conclusie van de bestreden beslissing zou kunnen wijzigen, te meer daar reeds hoger werd vastgesteld dat verzoekers recente verblijfplaats helemaal niet vaststaat. Het is inderdaad niet aan de Commissaris-generaal om de lacunes in de bewijsvoering van verzoeker aan te vullen. 3.
  9. In acht genomen wat voorafgaat, is het relaas van verzoeker niet geloofwaardig en is er derhalve geen reden om het te toetsen aan het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 (R.v.St., Polat, 12 januari 1999, nr. 78.054).
  10. Verzoeker vraagt om de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus, zoals blijkt, overeenkomstig artikel 48/4, § 2, b van de wet van 15 december
  11. 4.
  12. Aangezien verzoekers relaas niet geloofwaardig is, kan hij niet langer steunen op de elementen aan de basis van dat relaas teneinde aannemelijk te maken dat hij in geval XIV-30.160-5/16 van een terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico op ernstige schade zou lopen zoals bedoeld in voormeld artikel 48/4, § 2, b. Een enkele vage verwijzing naar een mensenrechtenrapport is onvoldoende om een dergelijk risico aan te tonen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Artikel 1 De vluchtelingenstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd. Artikel 2 De subsidiaire beschermingsstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd.”.
  13. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  14. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “EERSTE MIDDEL: Machtsoverschrijding; Schending van het recht van verdediging zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten. Doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen meent dat de verzoeker niet als vluchteling erkend dient te worden; in acht genomen wat voorafgaat, is het relaas van verzoeker niet geloofwaardig en is er derhalve geen reden om het te toetsen aan het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 (R, v. St., Polat, 12 januari 1999, nr. 78.054). en tevens de subsidiaire bescherming wordt geweigerd. 4.
  15. Aangezien verzoekers relaas niet geloofwaardig is, kan hij niet langer steunen op de elementen aan de basis van dat relaas teneinde aannemelijk te maken dat hij in geval van een terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico op ernstige schade zou lopen zoals bedoeld in voormeld artikel 48/4, § 2, b. Een enkele vage verwijzing naar een mensenrechtenrapport is onvoldoende om een dergelijk risico aan te tonen. Terwijl de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het in volheid van rechtsmacht had dienen te onderzoeken en een beslissing nam tegen de wet. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingevolge de bepalingen van het art. 39/2 enkel de volgende bevoegdheid zou hebben met betrekking tot de beslissing van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan meer bepaald: 1/ bevestigen of hervormen; 2/ vernietigen omwille van substantiële onregelmatigheden of vernietigen omwille van het ontbreken van essentiële elementen gezien de Raad voor Vreemdelingenbetwisting- en hierdoor niet kan komen tot de bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen. Verzoekende partij betoogt dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geenszins voldoet aan de waarborgen zoals wettelijk vastgesteld in aangehaalde middelen. Verzoekende partij meent dat zij recht heeft op een beroep met volle rechtsmacht tegen een beslissing van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen. Verzoekende partij meent dat zij conform bovenvermelde principes recht heeft op een onderzoek van de feiten door het jurisdictioneel orgaan dat haar beroep behandelt en dit omwille van het feit dat de natuur van een asielaanvraag een actuele beoordeling dient in te houden van zijn asielaanvraag op het moment van de finale beslissing. Dat dit recht beperkt wordt gezien verzoekende partij na het indienen van onderhavig beroep geen geactualiseerde memorie kan bijbrengen. Dat geenszins sprake kan zijn van een jurisdictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft. XIV-30.160-6/16 Verzoeker zal in eerste instantie uiteenzetten dat hij zich rechtstreeks kan beroepen op de grondrechten zoals die voortvloeien uit de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten. Verzoeker zal in tweede instantie uiteenzetten dat hij conform bovenvermelde principes recht heeft op een onderzoek van de feiten door het jurisdictioneel orgaan dat zijn beroep behandelt en dit omwille van het feit dat de natuur van een asielaanvraag een actuele beoordeling dient in te houden van zijn asielaanvraag op het moment van de finale beslissing. Dat dit recht beperkt wordt gezien verzoeker na het indienen van onderhavig beroep geen geactualiseerde memorie/conclusie kan bijbrengen. Dat geenszins sprake kan zijn van een jurisdictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft. Verzoeker zal aantonen dat het begrip "volle rechtsmacht" een bijzondere betekenis heeft en dat de betekenis varieert van materie tot materie. Verzoeker zal tenslotte in derde instantie aantonen dat de processuele waarborgen van het Europees gemeenschapsrechten volledig afwezig zijn en dit ondanks het feit dat de ganse materie van asiel thans onder het Europees recht.
  16. schending van de Grondrechten zoals die voortvloeien uit de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten hebben rechtstreekse werking. Doordat de kern van het afdwingen van procedurele regels in het nationale recht met betrekking tot het EU gemeenschapsrecht is vervat in de Rewe Comet formule (...). “In the absence of Community rules governing the matter, it is for the domestic Legal system of each Member State to designate the courts and tribunals having jurisdiction and to lay down the detailed procedural rules governing actions for safeguarding rights which individuals derive from the direct effect of Community law. However, such rules must not be less favourable than those governing similar domestic actions, nor render virtually impossible or excessively difficult the exercise of rights conferred by Community law". ( EW 33/76 Rewe-Zentralfinanz eG & rewe-Zentral AG v. landwirtschafstskammer fur das Saarland, 1976 ; ECJ 45/76 Comet BVv Produktschap voor Siergewassen Eigen vertaling: Wanneer het Gemeenschapsrecht de materie niet behandelt, dient het eigen rechtsysteem van elk van de lidstaten de hoven en rechtbanken aan te duiden en dient zij gedetailleerde procedurele regels voor te schrijven die instaan voor de waarborg van de rechten waarop individuele personen zich kunnen beroepen op grond van de directe werking van het Gemeenschapsrecht. Echter deze regels mogen enerzijds niet minder gunstig zijn dan gelijkaardige rechten in het eigen rechtssysteem noch mogen zij de uitoefening van de rechten afgeleid uit het Gemeenschapsrecht virtueel onmogelijk of overdreven moeilijk maken. Richtlijn 2004/83 biedt effectief processuele grondrechten voor individuen. De richtlijn verwijst naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de "grondrechten" eigen aan het EU recht. Dat processuele grondrechten hier eveneens onder vallen. Overweging 10 stelt: Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In het bijzonder tracht deze richtlijn de menselijke waardigheid, het recht op asiel van asielzoekers en hun begeleidende familieleden en de bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering op grond van de artikelen 1, 18 en 19 van het Handvest ten volle te eerbiedigen. Dat het begrip grondrechten duidt op de grondrechten zoals het Europees Hof van Justitie deze erkend in de rechtspraak of "grondrechten zoals zij uit de gemeenschappe- lijke constitutionele tradities van de lidstaten voorvloeien als beginselen van Gemeenschapsrecht". Het EHJ heeft reeds verschillende keren geoordeeld dat de algemene rechtsbeginselen waartoe ook de grondrechten behoren integraal deel uitmaken van het gemeenschaps- recht (...). Welke grondrechten juist deel uitmaken van het gemeenschapsrecht bepaalt het EHJ niet. Er bestaat geen lijst van grondrechten. Het achterliggende beginsel dat het EHJ XIV-30.160-7/16 gebruikt in zijn rechtspraak over .9 rondrechten is de bescherming van de waarheid en de vrijheid van de menselijke persoon (...). Het EHJ haalt deze grondrechten en fundamentele vrijheden uit de constitutionele tradities welke aan de Lidstaten gemeen zijn (...), alsook uit de internationale verklaringen inzake de bescherming van de rechten van de mens waaraan de Lidstaten hun medewerking hebben verleend of waartoe ze later zijn toegetreden (...). Zo heeft het EHJ al enkele keren een grondrecht uit het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten als integraal deel uitmakend van het gemeenschaps- recht aanvaard (...). De bescherming van de grondrechten als integraal onderdeel van het gemeenschaps- recht geldt niet enkel met betrekking van de maatregelen van de EU zelf. De bescherming geldt ook voor maatregelen die de Lidstaten mogen of moeten nemen uit hoofde van het gemeenschapsrecht (...). Zodat in casu de Vreemdelingenwet voor zover zij handelt inzake materies die geregeld worden door het Europees Gemeenschapsrecht waaronder het asielrecht in overeenstemming dient te zijn met deze grondrechten. Dat in elk geval deze grondrechten rechtstreekse werking hebben. Dat het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie een samenvatting vormt van deze grondrechten. De rechtsleer stelt onder andere: "Het Handvest voegt dus strikt genomen geen rechte toe, maar visualiseert enerzijds de bekende op neutrale wijze en expliciteert anderzijds de potentie van de het gemeen- schappelijk constitutioneel erfgoed en de internationale verplichtingen van de lidstaten, onder de vorm van zogenaamde nieuwe rechten.(...)" De preambule van het Handvest laat over de bedoeling ervan geen twijfel bestaan: "Onder eerbiediging van de bevoegdheden en taken van de Gemeenschap en de Unie en van het subsidiariteitsbeginsel, bevestigt dit Handvest de rechten die met name voortvloeien uit de gemeenschappelijke constitutionele verdragen, uit het EVRM, uit de door de Gemeenschap en de Raad van Europa aangenomen sociale handvesten, alsook uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie en van het Europees Hof voor de rechten van de Mens. Verzoeker verwijst naar de zaak 222/86 (Heylens) waarin voormeld principe van de rechten van verdediging bevestigd wordt. 2 . AANGEZIEN DE VRIJE TOEGANG TOT HET ARBEIDSPROCES EEN FUNDAMENTEEL RECHT IS DAT HET VERDRAG AAN IEDERE WERKNEMER VAN DE GEMEENSCHAP INDIVIDUEEL TOEKENT, IS DE MOGELIJKHEID VAN BEROEP IN RECHTE TEGEN IEDERE BESLISSING VAN EEN NATIONA- LE INSTANTIE WAARBIJ DE UITOEFENING VAN DAT RECHT WORDT GEWEIGERD, VAN WEZENLIJK BELANG OM DE PARTICULIER EEN DOELTREFFENDE BESCHERMING VAN ZIJN RECHT TE WAARBORGEN. DIT VEREISTE VORMT EEN ALGEMEEN BEGINSEL VAN GEMEENSCHAPS- RECHT, DAT VOORTVLOEIT UIT HET CONSTITUTIONELE ERFGOED DAT ALLE LIDSTATEN GEMEEN HEBBEN EN DAT EVENEENS IS NEERGELEGD IN DE ARTIKELEN*6 EN*13 VAN HET EUROPEES VERDRAG TOT BESCHER- MING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS Dat de rechten van verdediging in elk geval grondrechten zijn die gegarandeerd worden door het gemeenschapsrecht. Dat verzoeker ook betoogt dat het recht op een beroep in volle rechtsmacht een grondrecht is dat wordt gegarandeerd door het gemeenschapsrecht. Volle rechtsmacht Doordat verzoeker stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volle rechtsmacht dient te hebben en thans niet voldoet aan deze vereist. Dat de principes van het recht van verdediging eveneens te ontwaren vallen art. 6 EVRM welke uiteraard ook een grondrecht vormt in het gemeenschapsrecht. Terwijl voor zover verzoekster verwijst naar art. 6 EVRM, zij dit enkel doet om het begrip volle rechtsmacht nader uiteen te zetten. Dat zij derhalve geen schending van het artikel op zich inroept daar het asielrecht in de huidige stand van de rechtspraak niet van toepassing is op asielaanvragen. XIV-30.160-8/16 Zodat betoogt dat het principe dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen eigen onderzoek kan stellen in strijd is met het begrip “full jurisdiction" volle rechtmacht zoals vastgelegd in het EVRM en dus indirect van toepassing zijn door het feit dat dit een grondrecht uitmaakt in het gemeenschapsrecht. 'Full jurisdiction' Van belang is om te beginnen dat artikel 6 lid 1 EVRM niet alleen toegang tot een rechter garandeert maar ook eisen stelt aan de rechterlijke toetsing van overheidsoptre- den. In het kader van een procedure moet op grond van vaste jurisprudentie ten minste één rechterlijke instantie met volledige rechtsmacht ('full jurisdiction') de betreffende besluiten kunnen controleren (...). De eis van 'full jurisdiction' houdt in dat de betreffende rechter de bevoegdheid moet hebben: 'to examine all questions of fact and law relevant to the dispute before it.' (...) De rechter moet op grond van artikel 6 lid 1 EVRM dus alle voor het betreffende geschil relevante vragen van juridische en feitelijke aard kunnen onderzoeken. Het is belangrijk om expliciet te constateren dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen rechtsvragen en feitelijke vragen (...). Uit het voorgaande volgt dat de rechter om te voldoen aan de eisen van artikel 6 EVRM dus ook moet kunnen oordelen over de vaststelling van de feiten als deze relevant zijn in het geschil. Daarmee is van belang wat wordt bedoeld met 'facts relevant to the dispute'. Immers alleen met betrekking tot deze feiten geldt het vereiste van 'full jurisdiction'. Daarmee is de vraag aan de orde hoe intensief de rechter terzake moet kunnen toetsen. Uitgangspunt van de jurisprudentie van het EHRM lijkt te zijn dat de rechter een eigen oordeel over de feiten moet geven hetgeen impliceert dat hij de bestuurlijke feitenvast- stelling vol moet kunnen toetsen. Gewezen kan hier worden op de uitspraak van het EHRM in de zaak Terra Woningen t. Nederland. Daarin werd een schending van artikel 6 lid 1 EVRM aangenomen omdat de kantonrechter bij het vaststellen van een huurprijs niet zelfstandig wilde onderzoeken of er sprake was van bodemverontreini- ging (een factor bij het bepalen van de huurprijs) en het standpunt van Gedeputeerde Staten daarover zonder meer overnam. Dit ondanks het feit dat partijen van mening verschilden over de vraag of er inderdaad sprake was van bodemverontreiniging. Uit het voorgaande zou kunnen worden afgeleid dat een meer terughoudende - marginale - toetsing van de feitenvaststelling nooit door de beugel zou kunnen,365 maar uit de zaak Bryan t. Verenigd Koninkrijk blijkt dat het EHRM onder bepaalde omstandigheden daarmee wel genoegen neemt (...). Deze zaak betrof een handhavings- besluit op grond waarvan de heer Bryan twee huizen moest slopen en bouwmateriaal moest verwijderen. Daartegen kwam hij vergeefs op bij het bestuursorgaan dat het besluit nam, waarna er beroep werd ingesteld bij de rechter. Daar kon echter de juistheid van de vastgestelde feiten die de basis vormden van het besluit niet meer direct worden betwist. De rechter was alleen bevoegd ten aanzien van rechtsvragen en kon geen nader bewijs ontvangen. Wel had de rechter de bevoegdheid om te beoordelen of de procedure waarin de feiten waren vastgesteld rechtmatig was en of de feitenvaststel- ling 'perverse or irrational' was. Beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling bevinden zich dus 'in de gevarenzone van artikel 6 EVRM', maar zijn gelet op de zaak Bryan niet zonder meer ongeoorloofd. Voor dergelijke beperkingen moet wel een overtuigende rechtvaardigingsgrond bestaan, zoals de aard van het materiële rechtsgebied en de daaraan verbonden bestuurlijke vrijheid en het gespecialiseerde karakter van de feitenvaststelling. Daarbij is van belang dat de bestuurlijke feitenvaststelling in een met voldoende waarborgen omklede - quasirechterlijke -gespecialiseerde administratieve voorprocedure heeft plaatsgevonden. Hieruit lijkt voort te vloeien dat het in dergelijke gevallen in het licht van artikel 6 EVRM ook mogelijk is grenzen te stellen aan het inbrengen van bepaald nieuw bewijsmateriaal in de rechterlijke procedure. Sommige bewijsmateriaal vergt immers een geheel nieuwe beoordeling door de rechter, iets waartoe hij echter juist niet in staat is gelet op, bijvoorbeeld, de daartoe vereiste specialisatie. XIV-30.160-9/16 De beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling mogen in ieder geval nooit zo ver gaan dat de rechter zich geheel verlaat op het oordeel van het bestuur. Dat zou immers feitelijk betekenen dat de betrokkene opdat punt geen toegang heeft tot de rechter. Er moet in het kader van de rechterlijke procedure een debat kunnen worden gevoerd over de juistheid van het bestuurlijke feitenoordeel en de wijze waarop dat tot stand is gekomen. Het geheel uitsluiten daarvan kan blijkens de jurisprudentie van het EHRM niet door de beugel. Gewezen kan worden op de al genoemde zaak Terra Woningen t. Nederland en op de meer recente zaak Chevrol t. Frankrijk (...). Deze laatste zaak werd aan het EHRM voorgelegd nadat de Franse Raad van State (Conseil d’Etat) het beroep van verzoekster tegen de weigering haar Algerijnse artsexamen te erkennen had afgewezen. Daarbij heeft de Raad van State zijn eigen jurisprudentie gevolgd, waarbij hij, bij de beantwoording van de vraag of de betreffende verdragen toepasselijk waren, zich geheel heeft verlaten op het oordeel van een bestuursorgaan, ook waar dat de feitenvaststelling betrof. Het EHRM is daarover kritisch: ook al lijkt raadpleging van de minister door de Raad van State over de beoordeling van de voorwaarde van wederkerigheid bij de erkenning van diploma's noodzakelijk, door deze wijze van werken verplicht de Raad van State zich het oordeel te volgen van de minister, dat wil zeggen van een buiten de Raad staande en tot de uitvoerende macht behorende autoriteit, zonder het oordeel van die autoriteit aan kritiek of aan een contradictoir debat te onderwerpen. Het Hof is verder van oordeel dat met betrekking tot het inwinnen van het oordeel van de minister, dat bepalend zou zijn voor hetgeen in het geschil ter beslissing stond, voor appellante geen enkele voorziening openstond. Zij heeft geen enkele gelegenheid gekregen zich uit te spreken over het gebruik van het ministerieel oordeel, of over de formulering van de aan de minister gestelde vraag, of over de elementen van de beantwoording van die vraag. Appellante heeft aan de Raad van State verscheidene stukken overgelegd om aan te tonen dat de Algerijnse overheid de betreffende regelingen feitelijk wel degelijk toepaste. Deze stukken zijn zelfs niet onderzocht door de Raad, die derhalve niet heeft willen onderzoeken of zij een goede grondslag voor het betoog van appellante vormden. Aldus heeft de Raad zich gebonden geacht aan het oordeel van de minister, en zichzelf de bevoegdheid ontzegd om feitelijke gegevens die beslissend konden zijn voor het aan hem voorgelegde geschil in zijn beoordelingen te betrekken. Onder deze omstandighe- den kan volgens het EHRM niet worden gezegd dat appellante toegang heeft gehad tot een rechterlijke instantie die een toereikende bevoegdheid had, dan wel erkende dat zij een dergelijke bevoegdheid had, om zich te buigen over alle feitelijke en juridische kwesties die relevant waren om het geschil te beoordelen. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit evenwel niet heeft gedaan. Gebrek aan rechten van verdediging en volle rechtsmacht Zodat toegepast op de beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, meent verzoeker dat deze procedure geenszins voldoet. Dat de Raad voor Vreemdelin- genbetwistingen ambtshalve dient over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor deze zaak. Meer bepaald dient zij zich ervan te vergewissen dat verzoeker geen enkel risico op een mensonterende behandeling zal ondergaan wanneer hij terug zou keren naar zijn land van herkomst. Dat verzoeker een foto van zijn verwonde rug toonde tijdens de hoorzitting. Dat het voor elke etnisch Tsjetsjeen gevaarlijk is. Dat Heer Bodaert Eerste Voorzitter van de voormalige VBC meldde dat op middellange termijn de situatie in de noord-Kauskaus nog uiterste onstabiel is. Dat de Nederlandstalige kamers van de VBC nog op 28 november 2006 oordeelden (stuk 2) Dat appellant weliswaar niet op alle vragen met betrekking tot concrete gebeurtenissen in Achkoi Martan een antwoord kan verstrekken, maar dat er rekening gehouden moet worden met zijn jeugdige leeftijd, Dat alle mensenrechtenrapporten en publieke bronnen ... bevestigen dat de veiligheids- situatie in Tsjetsjenië uitermate precair blijft; dat de Russische federale troepen geen volledige controle hebben over de deelrepubliek,' dat Tsjetsjeense strijders hun acties XIV-30.160-10/16 verder voeren; dat van alle zijden niet enkel militaire doelwitten worden getroffen maar dat zowel van de kant van de Russische troepen als van de kant van de Tsjetsjeense strijdende partijen regelmatig sprake is van ernstige mensenrechtenschendingen en gewelddadige acties waarvan Tsjetsjeense burgers slachtoffer werden; Dat appellant dan ook een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4, §2 c) van de wet van 15 december 1980 in gevat van terugkeer naar Tsjetsjenië, OM DEZE REDENEN: verklaart het beroep ontvankelijk doch ongegrond en weigert derhalve aan Achmatov Tmur de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling, kent de subsidiaire beschermingsstatus toe aan X. " Dat door het zich niet in volheid van rechtsmacht kunnen verdedigen op de opmerkin- gen van het Commissariaat Generaal ivm de nota en het verblijf van verzoeker in Tsjetsjenië zijn rechten zijn geschonden. Dat hij wel degelijk in Tsjetsjenië heeft verbleven. Dat dit in volheid van rechtsmacht moet kunnen gecontroleerd worden door hem bijvoorbeeld vragen dienaangaande te stellen. Dat dit niet gebeurd is. Dat het een schending van de rechten van verdediging is daar verzoeker van mening is dat hij zich dienstig moet kunnen verweren tegen de repliek van het CommissariaatGe- neraal voor de Vluchtelingen en Staatlozen. Dat deze mogelijkheid in casu verboden is. Dat verzoeker eveneens verzoekt aan de Raad voor State prejudiciële vragen te stellen aan het Europees Hof van Justitie die als volgt luiden: “Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en houdt art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of het algemeen rechtsbeginsel recht op verdediging en recht op een beroep met volle rechtsmacht in dat deze administratieve rechtscolleges over een eigen onderzoeksbevoegdheid te beschikken die hen toelaat tot op de dag van de eindbeslissing onderzoek te verrichten naar alle relevante feiten, die nuttig zijn om de zaak te beoordelen". "Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en houdt art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of het algemeen rechtsbeginsel recht op verdediging en recht op een beroep met volle rechtsmacht in dat eenieder het recht heeft om schriftelijk te antwoorden op de antwoordbesluiten van de Lidstaat".”; 2.1.
  17. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord integraal het in het inleidend verzoekschrift uiteengezette middel herhaalt; 2.1.
  18. Overwegende dat uit de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan, niet blijkt - en verzoeker ook niet beweert - dat hij voor de Raad voor Vreemdelin- genbetwistingen de in het middel vermelde grieven betreffende de beweerde miskenning van de rechten van verdediging heeft aangevoerd; dat deze grieven niet voor het eerst voor de Raad van State kunnen worden aangevoerd; dat het eerste middel niet ontvankelijk is; 2.2.
  19. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “TWEEDE MIDDEL: Schending van art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. XIV-30.160-11/16 Verzoeker verwijst naar het eerste middel en stelt dat zijn recht op een beroep in volle rechtsmacht en zijn recht op verdediging eveneens grondrechten zijn welke door het Handvest worden gegarandeerd. Doordat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ondertekend werd op 12 december
  20. Dat het Handvest door verzoeker kan ingeroepen worden op grond van het adagium "patere legem quem ipsi fecisti" en dit enkel in de verticale wijze. Hij kan het met andere woorden inroepen ten aanzien van de Belgische Staat. Doordat de Kwalificatierichtlijn (2004/83) als de Procedurerichtlijn verwijzen direct naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en dus ook naar art. 47 van het Handvest. In juni 2006 citeerde het Europees Hof van Justitie het Charter derwijze dat het zijn rechtstreekse werking bevestigde. Het stelde dat de vermelding in de preambule in de richtlijn voldoende was om het Charter van toepassing te maken (...). Een Advocaat Generaal van het Europees Hof van Justitie stelde dat het Handvest de uitdrukking is van het hoogste niveau, van een democratisch gevestigde politiek consensus welke thans beschouwd moet worden als een catalogus van fundamentele rechten gewaarborgd in het Gemeenschapsrecht. Dat ook het UNHCR deze visie is toegedaan. Dat verzoeker verwijst naar "The European asylum procedures directive in Legal context." Research Paper No.
  21. p. 20 ev. (www.unhcr.org) Dat de toepassing van art. 47 van het Handvest dan ook gewaarborgd dient te worden in alle zaken die de Europese Unie regelt waaronder het asielrecht. Dat art. 47 als volgt luidt: Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordi- gen. Rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voorzover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen. Terwijl de invulling van art. 47 gelijklopend is met de invulling van art. 6 EVRM met het verschil dat het toepassingsgebied zich uitstrekt niet alleen over burgerlijke en strafrechtelijke materies maar ALLE materies die het Europees recht regelt waaronder dus ook het asielrecht. Dat de tekst zowel art. 13 EVRM als art. 6 EVRM incorporeert. Zodat de rechtspraak ivm art. 6 EVRM dan ook relevant is ter beoordeling van het feit of dat onderhavig beroep voldoet aan de voorwaarde zoals gesteld in het Europees Handvest. Dat evenwel art. 47 van het handvest geen vereiste stelt van burgerlijke of politieke rechten. Dat voor het overige verzoeker verwijst naar het eerste middel.”; 2.2.
  22. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord integraal het in zijn inleidend verzoekschrift uiteengezette middel herhaalt; 2.2.
  23. Overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - in tegenstelling tot hetgeen verzoeker meent - tot op heden geen bindende kracht heeft; dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in het arrest van 27 juni XIV-30.160-12/16 2006 in de zaak C-540/03, waarnaar verzoeker verwijst, overigens uitdrukkelijk stelt dat “het Handvest geen bindend rechtsinstrument is”; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 2.3.
  24. Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert: “DERDE MIDDEL: Schending van het artikel 39/56 van de Vreemdelingenwet. Schending van het artikel 39/59 van de Vreemdelingenwet. Schending van het artikel 3 van het Koninklijk besluit houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelin- genbetwistingen. Doordat Art. 39/56 van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: "Art. 39/
  25. De beroepen bedoeld in artikel 39/2 kunnen voor de Raad worden gebracht door de vreemdeling die doet blijken van een benadeling of van een belang. De Minister of diens gemachtigde kan een beroep instellen tegen een beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die hij strijdig acht met de wet of met de Koninklijke besluiten die ermee in verband staan. De partijen mogen zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door advocaten die ingeschreven zijn op de tabel van de Orde der Advocaten of op de lijst van de stagiairs, alsook, volgens de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, door de onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie die gerechtigd zijn om het beroep van advocaat uit te oefenen. Onverminderd deze mogelijkheid, wordt bij een beroep tegen een beslissing van de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, deze partij vertegenwoordigd door de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, door een van de adjuncten of door een door de Commissaris-Generaal aangewezen gemachtigde." Terwijl op de zitting van de Raad was de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen in casu beweerdelijk vertegenwoordigd door een attaché. Uit geen enkel stuk uit het administratief dossier blijkt dat de attaché een aangewezen gemachtigde van de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen zou zijn. Verzoeker is van mening dat elkeen die beweert gemachtigd te zijn door de Commissa- ris Generaal voor de Vluchtelingen en verschijnt voor de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen hiervan bewijs dient te leveren op de zitting zelf, of minstens dat het dossier zelf een spoor bevat van deze machtiging. Ondergeschikt meent verzoeker dat een dergelijke machtiging een procedurestuk betreft dat in elk dossier dient te worden bijgevoegd zodat het controleerbaar is. Verzoeker stelt vast dat van de opgeworpen procedurekwestie geen spoor in het arrest hieromtrent te vinden. Derhalve kan geen machtiging worden aangetoond. Dat zulks een machtiging een procedurestuk betreft dat zich in het dossier dient te bevinden. Dat een algemene machtiging niet kan en indien er zulks een algemene machtiging zou bestaan dan diende de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen zulks een bewijs ten laatste op de zitting voor te brengen. Zodat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dan ook toepassing had moeten maken van het artikel 39/59 § 2 van de Vreemdelingenwet. Dit artikel 39/59 §2 luidt als volgt: "§
  26. Alle partijen verschijnen ter terechtzitting of zijn er vertegenwoordigd. Wanneer de verzoekende partij noch verschijnt noch vertegenwoordigd is, wordt het beroep verworpen. De andere partijen die niet zijn verschenen of niet vertegenwoordigd zijn, worden geacht in te stemmen met de vordering of het beroep. In elke kennisgeving van een beschikking tot vaststelling van de rechtsdag wordt melding gemaakt van deze paragraaf." De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had dus moeten vaststellen dat de Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen niet geldig was vertegen- XIV-30.160-13/16 woordigd en dat het artikel 39/59 volle uitwerking diende te krijgen, met name dat er ingestemd werd met de vordering. Terwijl, toegepast op de beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwisting- en, Verzoekende partij meent dat deze procedure geenszins voldoet omwille van het feit dat er geen enkel onderzoek is gevoerd in feiten. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ambtshalve dient over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor deze zaak. Meer bepaald dient zij zich ervan te vergewissen dat verzoekende partij geen enkel risico op een mensonterende behande- ling zal ondergaan wanneer zij terug zou keren naar het land van herkomst. Uiteraard schendt dit het recht van verdediging. Volgens de rechtspraak van Uw Raad dient ook de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen zich zorgvuldig te gedragen bij het nemen van zijn beslissingen. Dat het middel derhalve gegrond is. Dat verzoeker ook aantoont dat er een schending is. Er is een schending van de wet en een machtsoverschrijding. Dat door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen grondige controle naar het onderzoek van het Commissariaat Generaal werd doorgevoerd naar de mogelijke vervolging van verzoeker, in de zin van de Vluchtelingenconventie, en in de zin van de subsidiaire bescherming bij een terugkeer naar zijn land. Dat de motivatie in de bestreden beslissing, die besluit tot de ongegrondheid van verzoekers ingestelde beroep, niet afdoende en onwettig is. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nalaat de situatie van de mensenrechten grondig te beoordelen, waardoor de zorgvuldigheidsverplichting geschonden wordt. Dat derhalve verzoeker wegens zijn vlucht, wordt vervolgd bij een terugkeer naar zijn land waardoor zijn vrees en ressorteert onder de Vluchtelingenconventie. Dat de Raad van State niet oordeelt in feiten maar wel dient na te gaan of de overheid de feiten correct heeft vastgesteld. Dat de feiten hier niet werden vastgesteld. Dat de bestreden beslissing volgens de wet en hogere rechtsnormen zoals reeds uiteengezet hierdoor schendt. Dat verweerder derhalve een fout maakte en de bestreden beslissing, genomen ten aanzien van verzoeker, niet afdoende motiveerde en de wetgeving schond.”; 2.3.
  27. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord integraal het in zijn inleidend verzoekschrift uiteengezette middel herhaalt; 2.3.
  28. Overwegende dat uit het proces-verbaal van de zitting van 12 december 2007 en uit het bestreden arrest van 18 januari 2008 blijkt dat verzoeker en zijn raadsman zonder enig voorbehoud op voormelde zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn verschenen; dat niet blijkt dat zij opmerkingen of voorbehoud hebben geformuleerd omtrent de vertegenwoordiging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat verzoeker in een administratief cassatieberoep geen rechtsmiddel kan doen gelden dat hij niet vooraf heeft onderworpen aan het administratief rechtscollege waarvan hij de beslissing bestrijdt; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker overigens meent, er geen verplichting bestaat het machtigingsbesluit in het administratief dossier op te nemen; dat voor zover verzoeker meent dat door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “geen grondige controle naar het onderzoek van het Commissariaat Generaal werd doorgevoerd naar de mogelijke vervolging van verzoeker, in de zin van de Vluchtelingenconventie, en in XIV-30.160-14/16 de zin van de subsidiaire bescherming bij een terugkeer naar zijn land”, uit de motivering van het bestreden arrest genoegzaam blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft onderzocht of verzoeker in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus, hetgeen, haars inziens, in casu evenwel niet het geval is; dat voor het overige verzoeker zich beperkt tot enkele vage, algemene zinsneden zonder in concreto toe te lichten op welke wijze de motivering van het bestreden arrest “niet afdoende en onwettig is” en welke “feiten hier niet werden vastgesteld”; dat voor zover verzoeker aanvoert dat hij wel degelijk wordt vervolgd en derhalve ressorteert onder de Vluchtelin-genconventie, het middel niet in aanmerking kan worden genomen, vermits het niet aan de Raad van State toekomt het oordeel van de feitenrechter over de grond van de zaak over te doen; dat de Raad immers geen tweede instantiegerecht is dat de zaak opnieuw ten gronde onderzoekt, doch als administratieve cassatierechter enkel de wettigheid van de hem voorgelegde beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen mag nagaan; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling bestuursrechtspraak in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf”treedt; dat het derde middel, in de mate dat het al ontvankelijk zou zijn, niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  29. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  30. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-30.160-15/16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwin- tig januari tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.160-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.858 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.