← België

Arrest 189859 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.859 Rolnummer: A. 187169/XIV-30161 Zaak: Arrest 189859 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-02 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 15:33 Fiche Arrest nr 189.859 van 28 januari 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.859 van 28 januari 2009 in de zaak A. 187.169/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat St. BUYSSE, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 597 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 20 februari 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 5950 van 18 januari 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 2386 van 19 maart 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 11 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 december 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-30.161-1/19 Gehoord de opmerkingen van Advocaat St. BUYSSE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché R. LARNO, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Russische nationaliteit, komt op 26 maart 2007 België binnen en vraagt op 27 maart 2007 om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
  4. Deze aanvraag wordt op 29 augustus 2007 door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
  5. Verzoekster tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 17 september 2007 beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
  6. Op de zitting van 12 december 2007 van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen worden verzoekster, bijgestaan door Advocaat S. BUYSSE, en Attaché K. GOOSSENS, die optreedt voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, gehoord, waarna de debatten worden gesloten en de zaak in beraad wordt genomen. 1.
  7. Op 18 januari 2008 velt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest, waarbij aan verzoekster de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd. XIV-30.161-2/19 Dit arrest is als volgt gemotiveerd: “
  8. De bestreden beslissing luidt als volgt: "A. Feitenrelaas U, een Russisch staatsburger van Tsjetsjeense afkomst, verklaart omwille van de volgende redenen uw land van herkomst te zijn ontvlucht. In 1990 huwde u met uw man XXX (
  9. V. 5.809.252) en gingen jullie wonen in Volgograd. In 1999 trokken jullie naar Grozny. Bij het begin van het tweede Tsjetsjeense conflict bracht uw man u en de kinderen naar Ingoesjetië waar jullie bleven tot het einde van de zomer van
  10. Jullie huis in de Staropromislovsky wijk was verwoest en jullie waren genoodzaakt om afwisselend bij uw ouders in Prigorodnoye en bij uw schoonouders in de 1ste Molsovkhoze (= Oktjabrskoje, in de rand van Grozny) te gaan wonen. In november 2001 werd de zoon uit het eerste huwelijk van uw man opgepakt, mishandeld en valselijk beschuldigd. Uiteindelijk werd hij veroordeeld tot tweeëntwintig jaar gevangenisstraf De beroepen bij het hooggerechtshof in Moskou mochten niet baten. Daarop diende uw man klacht in bij het Hof van Straatsburg. Toen uw man de onschuld van zijn zoon probeerde te bewijzen, werd hij bedreigd door de autoriteiten. In april 2002 pakten ze uw man op, mishandelden hem en raadden hem aan zijn juridische strijd te staken. Sindsdien woonde uw man met zijn gezin op verschillende adressen. De autoriteiten zochten uw man, zowel op het adres van uw ouders als op dit van uw schoonouders. In augustus 2005 verliet uw man zijn land van herkomst en vroeg op 13 september 2005 asiel aan in België. Na het vertrek van uw man kwamen de autoriteiten nog dikwijls informeren naar uw man. U werd bedreigd en er vonden huiszoekingen plaats waarbij u werd geduwd en enkele klappen kreeg. Ook uw kinderen en uw ouders werden toen brutaal behandeld. In augustus 2006 ontvluchtte u samen met uw kinderen uw land van herkomst U diende asiel aan te vragen in Polen maar kwam in maart 2007 illegaal naar België waar u op 27 maart 2007 uw asielprocedure startte. U bent in het bezit van een attest van propiska, een rijbewijs, een diploma en bijlage ervan, drie geboorteaktes van uw kinderen, een kopie van uw huwelijksakte, twee brieven van de school in Prigorodnoye, en uittreksels uit de medische dossiers van uw kinderen. Na uw gehoor heeft het Commissariaat-generaal uw internationaal paspoort en deze van uw kinderen uit Polen laten overkomen. B. Motivering De situatie in Tsjetsjenië en de situatie voor Tsjetsjenen in Rusland is problematisch, maar tevens complex (cfr bronnen bijgevoegd in het administratief dossier). Het risico bij terugkeer is afhankelijk van tal van factoren. Vandaar het belang om de individuele situatie van elke persoon goed te kennen. De situatie in Tsjetsjenië is sinds het begin van de oorlog in 1999 sterk geëvolueerd. Hoewel er zich nog regelmatig gewelddadige incidenten voordoen (doelgerichte aanslagen door Tsjetsjeense strijders en veelvuldige schendingen van de mensenrechten in de vorm van illegale arrestaties en vasthouding- en, ontvoeringen, verdwijningen en folteringen, waaraan de lokale ordetroepen, bestaande uit en geleid door Tsjetsjenen, zich vaak schuldig maken), is er nu niet langer sprake van een grootschalig militair offensief door het Russische leger op gans het Tsjetsjeense grondgebied. Gevechtshandelingen tussen het federale leger en de Tsjetsjeense strijders zijn geconcentreerd in bepaalde regio's en beperken zich doorgaans tot kortstondige schermutselingen. Het lokale bestuur en de ordehandhaving zijn grotendeels opnieuw aan Tsjetsjenen overgelaten en steeds vaker zijn de Tsjetsjenen verantwoordelijk voor de gewelddadige incidenten. Bijgevolg kan men niet beweren dat elke Tsjetsjeen per definitie slachtoffer is in dit conflict of bij terugkeer een risico loopt. Voorts is de situatie in Rusland niet van die aard dat er voor personen die Tsjetsjenië verlaten hebben per definitie in Rusland een intern vluchtalternatief bestaat. Ook wat dit aspect betreft is de situatie, de mogelijkheid tot (her)vestiging en het risico bij terugkeer sterk afhankelijk van persoon tot persoon. Verschillende factoren kunnen XIV-30.161-3/19 hierop een invloed hebben en bepalen of een individuele Tsjetsjeen meer of minder risico loopt: de plaats en periode waar hij verbleven heeft, de aanwezigheid van een sociaal netwerk waarop hij kan terugvallen, de eigen financiële situatie, de politieke en socio-economische situatie in een bepaalde plaats of regio die bepalend is voor de mate waarin spanningen voorkomen, en dergelijke meer. Bijgevolg kan er evenmin gesteld worden dat vestiging elders in de Russische Federatie in alle gevallen uitgestoten is. De vrees van vervolging of het risico op ernstige schade die een Tsjetsjeen in Tsjetsjenië of elders in de Russische Federatie loopt is dus afhankelijk van waar, wanneer en in welke omstandigheden hij ergens verbleven heeft en welke feiten men er beleefd heeft. Daarom blijft het belangrijk om steeds de reële individuele situatie van elke persoon te kennen en evalueren. Uit uw verklaringen blijkt dat u zich grotendeels baseert op dezelfde vluchtmotieven als diegene die werden aangehaald door uw echtgenoot XXX (O.V 5.809.252). In het kader van zijn asielaanvraag heb ik een beslissing tot weigering van de hoedanigheid van vluchteling genomen. Gezien de weinig plausibele verklaringen die uw man aflegde en het gebrek aan bewijsmateriaal dat hij aanbracht, kon hij zijn verklaringen niet aannemelijk maken. Zo werd er onder andere bij uw man opgemerkt dat hij geen enkel document kon voorleggen dat in Tsjetsjenië werd opgemaakt of een verwijzing naar jullie verblijf in deze republiek bevatte. In het kader van uw asielaanvraag brengt u een geboorteakte dd. 19/03/2001 uitgereikt in Prigorodnoye aan, een attest dd. 2810712006 dat uw propiska sedert 1999 in Prigorodnoye is, twee brieven dd. 27/07/2006 van de school van uw kinderen in Prigorodnoye, en uittreksels uit de medische dossiers van uw kinderen dd. 2310&2006 uitgereikt in Grozny. Vooreerst moet worden opgemerkt dat deze documenten niet aantonen als zou u en uw man effectief en permanent tijdens de door jullie opgegeven periode (sinds 1999) in Tsjetsjenië hebben verbleven. Verder moet worden vastgesteld dat u met betrekking tot uw documenten een aantal incoherente en onaannemelijke verklaringen aflegt waardoor de bewijswaarde ervan wordt ondermijnd. Zo verklaart u (CG VS p. 10- 11) dat u op 15 juli 1990 officieel in het huwelijk trad met uw man en dat u in bezit bent van een duplicaat van jullie huwelijksakte (u kon deze huwelijksakte tijdens uw gehoor voor het Commissariaat- generaal evenwel niet voorleggen maar stelde dat u dit document bij de Dienst Vreemdelingenzaken heeft getoond) waaruit blijkt dat jullie toen voor de ZAGS zijn gehuwd. Uw man heeft echter eerder verklaard (CGVS man p. 4-5; DVZ man p. 4) dat jullie nooit officieel huwden. Na confrontatie (CGVS p. 23) stelt u dat uw man misschien bedoelde dat er in jullie nieuw Paspoort geen stempel van huwelijk is geplaatst, hetgeen echter niet te verenigen valt met zijn verklaringen. Deze vaststelling ondermijnt de authenticiteit van de huwelijksakte die u in uw bezit zou hebben. Bijgevolg wordt ook de authenticiteit van de overige door u aangebrachte documenten ondermijnd. Verder kan u van de geboorteakte dd. 19/03/2001 enkel een kopie voorleggen, waardoor de authenticiteit ervan niet kan worden nagegaan, terwijl u van de twee andere geboorteaktes (uitgereikt in 1992 en 1996 te Volgograd) wel de originele stukken voorlegt. Uw verklaring (CGVS p. 11) dat het origineel van de geboortakte dd. 19/03/2001 zich nog in Prigorodnoye bevindt en u dit niet heeft meegenomen omdat u niet wist welk document u zou nodig hebben, is ontoereikend. Ook moet worden vastgesteld dat u een aantal documenten (propiska attest, uittreksels uit de medische dossiers van uw kinderen, twee brieven van de school van uw kinderen) pas tijdens uw gehoor voor het Commissariaat-generaal voorlegt, dit terwijl u verklaart (CG VS p. 11 & 13) dat u in het bezit was van deze documenten toen u naar België kwam. Uw motivering dat de Dienst Vreemdelingenzaken weigerde deze documenten te aanvaarden en te attesteren, omdat ze niet werden beschouwd als documenten of omdat u geen vertaling van deze documenten had, is onaannemelijk. Ook verklaart u (CGVS p. 12) dat uw intern paspoort zich nog in Prigorodnoye bevindt en u dit niet heeft meegebracht omdat uw internationaal paspoort voldoende is. Het is echter eigenaardig dat u, die verklaart (CGVS p. 17) dat u sinds april 2002 samen met uw man en kinderen ondergedoken leefde, het risico neemt een document dd. 28/07/2006 bij de autoriteiten te gaan halen dat attesteert dat uw propiska sedert 1999 in Prigorodnoye is, XIV-30.161-4/19 terwijl u dit eenvoudig weg kon aantonen door het voorleggen van uw intern paspoort. Uw bewering dat u sinds april 2 002 met uw gezin ondergedoken leefde valt verder moeilijk te rijmen met uw verklaring (CGVS p. 18) dat wanneer u tijdens deze periode met uw kinderen in Prigorodnoye was, u hen daar school liet lopen. Ook verklaart u (CG VS p. 16) dat toen uw man in de weer was om de belangen van zijn zoon te verdedigen hij vaak naar Grozny is gegaan maar dat hij nood de Tsjetsjeense republiek heeft verlaten. Uw man verklaarde daarentegen (CGVS man p. 10,DVZ man p. 17) dat hij in 2002-2003 vaak naar Piatigorsk en Rostov getrokken is om er de rechtszittingen van zijn zoon bij te wonen, en dat hij in totaal toen ongeveer 6 maanden uit Tsjetsjenië was weggeweest. Deze vaststelling ondermijnt bijkomend jullie verklaringen over jullie verblijf in Tsjetsjenië. Verder werd er in de beslissing die werd genomen in hoofde van uw man op gewezen dat hij geen enkel bewijsstuk aanbracht betreffende de cruciale elementen van zijn asielrelaas, zijnde jullie problemen in Volgograd en zijn problemen in Tsjetsjenië omdat hij niets onverlet liet om de onschuld van zijn zoon te bewijzen. Nu, meer dan een jaar later, hebben jullie nog steeds geen dergelijke overtuigingsstuk- ken aangebracht. Meer nog, u verklaart (CGVS p. 23) dat er zich documenten betreffende de rechtszaken van uw stiefzoon in België bevinden, misschien bij een tolk, maar drie maanden na uw gehoor voor het Commissariaat-generaal heeft u ons nog steeds geen dergelijke documenten bezorgd. Concluderend moet worden opgemerkt dat de door u aangebrachte elementen in het kader van uw asielaanvraag niet van die aard dat ze de beslissing genomen in hoofde van uw man kunnen wijzigen. Aangezien u zich beroept op dezelfde vluchtmotieven kan er bijgevolg ook wat u betreft niet besloten worden tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève, of een reëel risico op het lijden van ernstige schade zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming. Bijkomend verklaart u voor het Commissariaat-generaal (CGVS p. 2-4) dat uw broer Zelirnchan Karimov, die volgens uw verklaringen een bekende veldcommandant was die in januari 2000 om het leven kwam, mede aanleiding was voor de problemen die u en uw man ondervonden. U verklaart verder (CGVS p. 6-10) dat u omwille van het feit dat uw broer een veldcommandant was geweest geen werk vond, dat u tussen 2000 en 2005 constant thuis werd gecontroleerd door de federalen waarbij u met de dood werd bedreigd en u en uw man klappen kregen, dat men u fysisch wou vernietigen, en dat u anno 2005-2006 door het parket werd geconvoceerd waar men op basis van hun informatie vroeg of u leden van de groep van uw broer herkende. U verklaart (CG VS p. 8) dat u na het vertrek van uw man nog werd lastig gevallen omwille van de activiteiten van uw broer en stelt dat indien uw broer geen veldcommandant was geweest u, ondanks de problemen omwille van uw man, zich misschien wel in Tsjetsjenië zou hebben kunnen beredderen. Er dient echter te worden opgemerkt dat u bij de Dienst Vreemdelingenzaken geen melding maakte als zou uw broer een veldcommandant zijn geweest en dat dit gegeven een reden tot vervolging van u en uw man zou zijn geweest. Uw motivering (CG VS p. 2) dat men bij de Dienst Vreemde- lingenzaken vooral vroeg naar de problemen van uw man en dat men geen vragen stelde over uw persoonlijke problemen, kan niet worden aanvaard. U verklaart ook (CGVS p. 25) dat u niet bij uw zus in Volgograd kan intrekken omdat de autoriteiten er u mede omwille van het feit dat uw broer een veldcommandant was zouden kunnen zoeken. Wederom geconfronteerd waarom u bij de Dienst Vreemdelingenzaken geen melding maakte van de problemen die u ondervond omwille van uw broer, stelt u (CG VS p. 26) dat u dit niet heeft verteld omdat u bang was te worden teruggestuurd naar Polen. Niet alleen is deze motivering ontoereikend, maar ze valt ook niet te rijmen met uw eerdere verklaringen (CGVS p. 2) waarin u liet uitschijnen dat u geen melding kon maken van de problemen ten gevolge van uw broer omdat men bij de Dienst Vreemdelingenzaken geen vragen stelde over uw persoonlijke problemen. Verder moet ook worden vastgesteld dat uw man noch bij de Dienst Vreemdelingenzaken noch bij het Commissariaat-generaal (zie kopies van de verhoorverslagen van uw man) melding maakte dat jullie omwille van dit gegeven zouden zijn geviseerd. Gelet op uw verklaring dat uw broer een veldcommandant was en dat dit mede de reden was waarom XIV-30.161-5/19 u en uw man werden geviseerd, en gelet op uw verklaring (CGVS p. 8) dat indien u enkel problemen had ondervonden omwille van de zoon van uw man, u wel in Tsjetsjenië zou hebben kunnen blijven wonen, kan niet worden aanvaard dat u hiervan geen melding maakte bij de Dienst Vreemdelingenzaken, en is het gelet op het belang van deze verklaringen ongeloofwaardig dat uw man hiervan geen melding zou maken tijdens zijn procedure voor de Belgische asielinstanties. Deze vaststellingen ondermij- nen op fundamentele wijze de geloofwaardigheid van jullie asielrelaas. De vaststelling dat u voor het Commissariaat-generaal verklaart (CGVS p. 4 & 6 & 8) dat u soms fysisch werd belaagd (geslagen, blauwe plekken) en dat uw jongste broer in december 2004 tien dagen werd vastgehouden, toen onherkenbaar was geslagen en met elektriciteit was gefolterd, terwijl u van deze ernstige feiten geen melding maakte bij de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ p. 13-15), komt ook de geloofwaardigheid van uw verklaringen niet ten goede. Door uw houding laat u niet toe de waarheid met betrekking tot uw reële individuele situatie te achterhalen. Bijgevolg geeft u de Belgische autoriteiten niet de kans om in uw hoofde een vrees voor vervolging of risico op ernstige schade vast te stellen. De drie internationale paspoorten kunnen evenmin deze conclusie wijzigen aangezien u verklaart (CGVS p. 24) dat jullie deze in Volgograd hebben bekomen. Wat betreft de argumenten die uw advocaat aanhaalt in zijn dringend beroep verzoekschrift dd. 20/04/2007 moet worden opgemerkt dat de loutere verwijzing naar twee beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geen bewijs is van de aangehaalde feiten of situatie in een bepaald land of regio. Elke asielaanvraag moet individueel onderzocht worden rekening houdend met de specifieke gegevens eigen aan de aanvraag en de persoon van de asielzoeker U maakt niet aannemelijk dat de vermelde beslissingen betrekking hebben op een persoon in een gelijkaardige situatie. Inzake de door uw advocaat aangebrachte informatie over de algemene situatie in Tsjetsjenië wijs ik er ook op dat rekening werd gehouden met de heersende toestand daar. U slaagt er echter niet in de individualisering van uw vrees aan te tonen, hetgeen een essentieel element is bij het beoordelen van uw asielverzoek C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, kom ik tot de vaststelling dat u niet als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet kan worden erkend. Verder komt u niet in aanmerking voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet. " 2.
  11. Verzoekster beroept zich op een schending van artikel 1,A

(2)van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de algemene rechtsbeginselen en beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek de rechten van verdediging en de zorgvuldigheidsverplichting, en op een manifeste beoordelingsfout. Verder beroept zij zich op een schending van de artikelen 2 en 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en van artikel 33 van het Verdrag van Genève van 28 juli
  1. 2.
  2. Verzoeksters verwijzing naar de artikelen 2 en 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens in het kader van een uitzetting is niet relevant. De bevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in volle rechtsmacht, dit wil zeggen het al dan niet toekennen van de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus zonder een verwijderingsmaatregel te nemen, laat ter zake immers niet toe tot een beoordeling over te gaan (R.v.St., Gaelic, nr. 119.876, 26 mei 2003). Hetzelfde geldt voor artikel 33 van het Verdrag van Genève van 28 juli
  3. 2.
  4. Wat betreft de beweerde schending van artikel 52 van de wet van 15 december 1980, stelt de Raad vast dat verzoekster op geen enkele wijze uitwerkt hoe de bestreden beslissing deze wetsbepaling schendt. 2.
  5. Met betrekking tot de rechten van verdediging werd reeds meermaals beslist dat de procedure voor de Commissaris-generaal geen jurisdictionele procedure is, maar een administratieve. De rechten van verdediging zijn niet onverkort van toepassing op XIV-30.161-6/19 beslissingen die in het kader van de Vreemdelingenwet worden genomen door de Commissaris-generaal. 2.
  6. Aangaande het zorgvuldigheidsbeginsel merkt verweerder op dat dit beginsel de Commissaris-generaal oplegt zijn beslissingen zorgvuldig voor te bereiden en deze te stoelen op een correcte feitenvinding. De Commissaris-generaal heeft zich voor het nemen van de bestreden beslissing gesteund op alle gegevens van het administratieve dossier, op de algemeen bekende gegevens over het voorgehouden land van herkomst van verzoekster en op alle dienstige stukken. Dat de bestreden beslissing zou voortvloeien uit incorrecte feitenvinding of onzorgvul- dig zou zijn voorbereid is niet correct. Uit het administratieve dossier blijkt verder dat verzoekster op het Commissariaat- generaal werd gehoord. Tijdens het verhoor kreeg zij de mogelijkheid haar asielmotie- ven uiteen te zetten, haar argumenten kracht bij te zetten, kon zij nieuwe en/of aanvullende stukken neerleggen en kon zij zich laten bijstaan door een advocaat of door een andere persoon van haar keuze, dit alles in aanwezigheid van een tolk. Verweerder meent dan ook dat de Commissaris-generaal zorgvuldig tewerk is gegaan. 2.
  7. De Raad stelt vast dat verzoekster nalaat precies aan te geven hoe de Commissaris- generaal onzorgvuldig te werk is gegaan, laat staan hoe deze beweerde handelswijze de conclusie van de bestreden beslissing zou kunnen wijzigen. 2.
  8. Wat betreft verzoeksters verwijzing naar een schending van de algemene rechtsbeginselen, van de beginselen van behoorlijk bestuur en naar de manifeste beoordelingsfout, merkt de Raad op dat dergelijke algemene verwijzingen onvoldoende zijn; verzoekster dient de schending in concreto aan te tonen. 2.
  9. Verzoekster voert aan dat de problemen en het verblijf in Tsjetsjenië van haar en van haar echtgenoot, kunnen bevestigd worden door een getuige die zich in België bevindt. 2.
  10. Dergelijke enkele bewering weerlegt de motivering van de bestreden beslissing niet. 2.
  11. Verzoekster werpt op dat de neergelegde stukken wel degelijk het verblijf in Tsjetsjenië aantonen. Zij stelt dat zij die stukken kon verkrijgen zonder het voorleggen van een paspoort om reden dat zij immers niet geviseerd werd door de dorpsadministra- tie, het bestuur van de school of van het ziekenhuis. Verder merkt zij op dat zij wel officieel gehuwd is, maar dat er geen stempel omtrent de gezinssituatie werd gezet in de nieuwe paspoorten die zij en haar man verkregen nadat de oude vernietigd werden door de brand in hun huis. Tot slot beweert verzoekster dat zij bij haar eerste verhoor bepaalde documenten wou neerleggen maar haar dit niet werd toegestaan door de asieldienst. 2.
  12. De Raad meent dat verzoekster de motivering van de bestreden beslissing op deze punten niet degelijk weerlegt. De motivering overweegt immers op verschillende gronden dat de bewijswaarde van de documenten wordt ondermijnd, onder meer doordat slechts twee van de drie geboorteaktes in origineel worden voorgelegd, zonder dat daar een aannemelijke verklaring voor is en dat verzoekster een attest ging halen met betrekking tot haar propiska terwijl daar geen reden voor was aangezien zij dit kon aantonen aan de hand van haar intern paspoort -dat zelf niet werd voorgelegd. Deze vaststellingen doen sterk twijfelen aan de authenticiteit van de documenten. Met betrekking tot het huwelijk stelt de Raad vast dat de man van verzoekster uitdrukkelijk verklaarde dat er geen stempel in zijn paspoort stond omdat "hij het proper wilde houden, alles volgens de traditie" (zie zijn verhoorverslag van 24 mei 2007, p. 4- 5). Aldus zijn de verklaringen van beide partners, wat dit betreft, tegenstrijdig. De bewering dat sommige stukken niet werden aanvaard door de administratie is niet dienstig gezien verzoekster nog de gelegenheid had om deze voor te leggen aan het Commissariaat-generaal. Daarbij is deze overweging in de motivering slechts één element waarop de Commissaris-generaal zich baseert om de bewijswaarde van de stukken in twijfel te trekken; de eventuele weerlegging van deze overweging is onvoldoende is om de XIV-30.161-7/19 bewijswaarde van alle stukken te herstellen. Er zijn immers meer doorslaggevende overwegingen opgenomen in de motivering van de bestreden beslissing. 2.
  13. Verzoekster voert ook aan dat zij wel degelijk tijdens haar eerste verhoor melding heeft gemaakt van de problemen omtrent haar broer. 2.
  14. Uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster bij het verhoor bij de Dienst Vreemdelingenzaken niets vertelde over deze problemen. Hoe dan ook, het feit blijft dat verzoekster dit wel vermeldde, terwijl haar echtgenoot dit niet deed. 2.
  15. De Raad stelt vast dat verzoekster zich in haar verzoekschrift voor het overige beperkt tot grotendeels theoretische beschouwingen zonder het verband van deze met de bestreden beslissing en de belangrijkste motieven van deze beslissing, zijnde het niet aannemelijk recent verblijf in Tsjetsjenië en het ongeloofwaardige relaas met betrekking tot de vervolging van haar stiefzoon, aan te tonen. 2.
  16. Tot besluit moet worden vastgesteld dat verzoekster zich deels baseert op het asielrelaas van haar man, waarvan in het arrest nummer 5949 van 18 januari 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen werd beslist dat het ongeloofwaardig was. Verder wordt vastgesteld dat er tegenstrijdigheden zijn tussen de verklaringen van verzoekster en deze van haar echtgenoot. Verzoekster brengt geen bewijzen aan met betrekking tot de problemen omwille van haar broer, en haar verklaringen samengelezen met die van haar man ondermijnen de geloofwaardigheid van deze beweringen. Aan de bewijswaarde van de neergelegde documenten wordt sterk getwijfeld. 3.
  17. Verzoekster vraagt in ondergeschikte orde om toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus. Zij stelt dat de beslissing haar deze status weigert "op basis van een algemene stijlformule" en laat gelden dat "haar rechten in haar land van herkomst niet gevrijwaard zijn." (zie het verzoekschrift, p. 11). Zij voegt bij haar verzoekschrift een afschrift van een recent mensenrechtenrapport. Verzoekster is van mening dat zij wel degelijk een reëel risico op het lijden van ernstige schade loopt in de zin van een onmenselijke en vernederende behandeling, zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming. Zij stelt dat de veiligheidssituatie van personen van Tsjetsjeense origine die, ruim geïnterpreteerd, hun verblijfplaats hadden in Tsjetsjenië, uitermate precair blijft. 3.
  18. Voor de toepassing van artikel 48/4, § 2, b van de wet van 15 december 1980 kan algemeen worden gesteld dat de bewijslast bij verzoekster ligt, en dat zij specifieke elementen moet aandragen die aantonen dat zij een reëel risico op ernstige schade loopt. Aangezien verzoeksters asielrelaas niet geloofwaardig is kan zij niet langer steunen op de elementen aan de basis van dat relaas teneinde aannemelijk te maken dat zij in geval van een terugkeer naar haar land van herkomst een reëel risico op ernstige schade zou lopen zoals bedoeld in artikel 48/4, § 2 van de voormelde wet. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Artikel 1 De vluchtelingenstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd. Artikel 2 De subsidiaire beschermingsstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd.”. 2.1.
  19. Overwegende dat verzoekster als eerste middel aanvoert: “EERSTE MIDDEL: Machtsoverschrijding; Schending van het recht van verdediging zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten. Doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen meent dat de verzoeker niet als vluchteling erkend dient te worden; Immers volgens de raad: XIV-30.161-8/19 2.
  20. Verzoekster werpt op dat de neergelegde stukken wel degelijk het verblijf in Tsjetsjenië aantonen. Zij stelt dat zij die stukken kon verkrijgen zonder het voorleggen van een paspoort om reden dat zij immers niet geviseerd werd door de dorpsadministra- tie, het bestuur van de school of van het ziekenhuis. Verder merkt zij op dat zij wel officieel gehuwd is, maar dat er geen stempel omtrent de gezinssituatie werd gezet in de nieuwe paspoorten die zij en haar man verkregen nadat de oude vernietigd werden door de brand in hun huis. Tot slot beweert verzoekster dat zij bij haar eerste verhoor bepaalde documenten wou neerleggen maar haar dit niet werd toegestaan door de asieldienst. 2.
  21. De Raad meent dat verzoekster de motivering van de bestreden beslissing op deze punten niet degelijk weerlegt. De motivering overweegt immers op verschillende gronden dat de bewijswaarde van de documenten wordt ondermijnd, onder meer doordat slechts twee van de drie geboorteaktes in origineel worden voorgelegd, zonder dat daar een aannemelijke verklaring voor is en dat verzoekster een attest ging halen met betrekking tot haar propiska terwijl daar geen reden voor was aangezien zij dit kon aantonen aan de hand van haar intern paspoort -dat zelf niet werd voorgelegd. Deze vaststellingen doen sterk twijfelen aan de authenticiteit van de documenten. Met betrekking tot het huwelijk stelt de Raad vast dat de man van verzoekster uitdrukkelijk verklaarde dat er geen stempel in zijn paspoort stond omdat "hij het proper wilde houden, alles volgens de traditie" (zie zijn verhoorverslag van 24 mei 2007, p. 4-5). Aldus zijn de verklaringen van beide partners, wat dit betreft, tegenstrijdig. De bewering dat sommige stukken niet werden aanvaard door de administratie is niet dienstig gezien verzoekster nog de gelegenheid had om deze voor te leggen aan het Commissariaat-generaal. Terwijl de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het dossier in volheid van rechtsmacht had dienen te onderzoeken en vragen hierover had dienen te stellen en dus zodoende een beslissing nam tegen de wet. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingevolge de bepalingen van het art. 39/2 enkel de volgende bevoegdheid zou hebben met betrekking tot de beslissing van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan meer bepaald: 1/ bevestigen of hervormen; 2/ vernietigen omwille van substantiële onregelmatigheden of vernietigen omwille van het ontbreken van essentiële elementen gezien de Raad voor Vreemdelingenbetwisting- en hierdoor niet kan komen tot de bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen. Verzoekende partij betoogt dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geenszins voldoet aan de waarborgen zoals wettelijk vastgesteld in aangehaalde middelen. Verzoekende partij meent dat zij recht heeft op een beroep met volle rechtsmacht tegen een beslissing van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen. Verzoekende partij meent dat zij conform bovenvermelde principes recht heeft op een onderzoek van de feiten door het jurisdictioneel orgaan dat haar beroep behandelt en dit omwille van het feit dat de natuur van een asielaanvraag een actuele beoordeling dient in te houden van zijn asielaanvraag op het moment van de finale beslissing. Dat dit recht beperkt wordt gezien verzoekende partij na het indienen van onderhavig beroep geen geactualiseerde memorie kan bijbrengen. Dat geenszins sprake kan zijn van een jurisdictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft. Verzoeker zal in eerste instantie uiteenzetten dat hij zich rechtstreeks kan beroepen op de grondrechten zoals die voortvloeien uit de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten. Verzoeker zal in tweede instantie uiteenzetten dat hij conform bovenvermelde principes recht heeft op een onderzoek van de feiten door het jurisdictioneel orgaan dat zijn beroep behandelt en dit omwille van het feit dat de natuur van een asielaanvraag een actuele beoordeling dient in te houden van zijn asielaanvraag op het moment van de finale beslissing. Dat dit recht beperkt wordt gezien verzoeker na het indienen van XIV-30.161-9/19 onderhavig beroep geen geactualiseerde memorie/conclusie kan bijbrengen. Dat geenszins sprake kan zijn van een jurisdictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft. Verzoeker zal aantonen dat het begrip "volle rechtsmacht" een bijzondere betekenis heeft en dat de betekenis varieert van materie tot materie. Verzoeker zal tenslotte in derde instantie aantonen dat de processuele waarborgen van het Europees gemeenschapsrechten volledig afwezig zijn en dit ondanks het feit dat de ganse materie van asiel thans onder het Europees recht.
  22. schending van de Grondrechten zoals die voortvloeien uit de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten hebben rechtstreekse werking. Doordat de kern van het afdwingen van procedurele regels in het nationale recht met betrekking tot het EU gemeenschapsrecht is vervat in de Rewe Comet formule (...). “In the absence of Community rules governing the matter, it is for the domestic Legal system of each Member State to designate the courts and tribunals having jurisdiction and to lay down the detailed procedural rules governing actions for safeguarding rights which individuals derive from the direct effect of Community law. However, such rules must not be less favourable than those governing similar domestic actions, nor render virtually impossible or excessively difficult the exercise of rights conferred by Community law". ( ECJ. 33/76 Rewe-Zentralfinanz eG & rewe-Zentral AG v. landwirtschafstskammer fur das Saarland, 1976 ; ECJ 45/76 Comet BVv Produktschap voor Siergewassen Eigen vertaling: Wanneer het Gemeenschapsrecht de materie niet behandelt, dient het eigen rechtsysteem van elk van de lidstaten de hoven en rechtbanken aan te duiden en dient zij gedetailleerde procedurele regels voor te schrijven die instaan voor de waarborg van de rechten waarop individuele personen zich kunnen beroepen op grond van de directe werking van het Gemeenschapsrecht. Echter deze regels mogen enerzijds niet minder gunstig zijn dan gelijkaardige rechten in het eigen rechtssysteem noch mogen zij de uitoefening van de rechten afgeleid uit het Gemeenschapsrecht virtueel onmogelijk of overdreven moeilijk maken. Richtlijn 2004/83 biedt effectief processuele grondrechten voor individuen. De richtlijn verwijst naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de 19 grondrechten" eigen aan het EU recht. Dat processuele grondrechten hier eveneens onder vallen. Overweging 10 stelt: Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In het bijzonder tracht deze richtlijn de menselijke waardigheid, het recht op asiel van asielzoekers en hun begeleidende familieleden en de bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering op grond van de artikelen 1, 18 en 19 van het Handvest ten volle te eerbiedigen. Dat het begrip grondrechten duidt op de grondrechten zoals het Europees Hof van Justitie deze erkend in de rechtspraak of "grondrechten zoals zij uit de gemeenschappe- lijke constitutionele tradities van de lidstaten voorvloeien als beginselen van Gemeenschapsrecht". Het EHJ heeft reeds verschillende keren geoordeeld dat de algemene rechtsbeginselen waartoe ook de grondrechten behoren integraal deel uitmaken van het gemeenschaps- recht (...). Welke grondrechten juist deel uitmaken van het gemeenschapsrecht bepaalt het EHJ niet. Er bestaat geen lijst van grondrechten. Het achterliggende beginsel dat het EHJ gebruikt in zijn rechtspraak over rondrechten is de bescherming van de waarheid en de vrijheid van de menselijke persoon (...). Het EHJ haalt deze grondrechten en fundamentele vrijheden uit de constitutionele tradities welke aan de Lidstaten gemeen zijn (...), alsook uit de internationale verklaringen inzake de bescherming van de rechten van de mens waaraan de Lidstaten hun medewerking hebben verleend of waartoe ze later zijn toegetreden (...). XIV-30.161-10/19 Zo heeft het EHJ al enkele keren een grondrecht uit het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten als integraal deel uitmakend van het gemeenschaps- recht aanvaard (...). De bescherming van de grondrechten als integraal onderdeel van het gemeenschaps- recht geldt niet enkel met betrekking van de maatregelen van de EU zelf. De bescherming geldt ook voor maatregelen die de Lidstaten mogen of moeten nemen uit hoofde van het gemeenschapsrecht (...). Zodat in casu de Vreemdelingenwet voor zover zij handelt inzake materies die geregeld worden door het Europees Gemeenschapsrecht waaronder het asielrecht in overeenstemming dient te zijn met deze grondrechten. Dat in elk geval deze grondrechten rechtstreekse werking hebben. Dat het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie een samenvatting vormt van deze grondrechten. De rechtsleer stelt onder andere: "Het Handvest voegt dus strikt genomen geen rechte toe, maar visualiseert enerzijds de bekende op neutrale wijze en expliciteert anderzijds de potentie van de het gemeen- schappelijk constitutioneel erfgoed en de internationale verplichtingen van de lidstaten, onder de vorm van zogenaamde nieuwe rechten. (...)" De preambule van het Handvest laat over de bedoeling ervan geen twijfel bestaan: "Onder eerbiediging van de bevoegdheden en taken van de Gemeenschap en de Unie en van het subsidiariteitsbeginsel, bevestigt dit Handvest de rechten die met name voortvloeien uit de gemeenschappelijke constitutionele verdragen, uit het EVRM, uit de door de Gemeenschap en de Raad van Europa aangenomen sociale handvesten, alsook uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie en van het Europees Hof voor de rechten van de Mens. Verzoeker verwijst naar de zaak 222/86 (Heylens) waarin voormeld principe van de rechten van verdediging bevestigd wordt. 2 . AANGEZIEN DE VRIJE TOEGANG TOT HET ARBEIDSPROCES EEN FUNDAMENTEEL RECHT IS DAT HET VERDRAG AAN IEDERE WERKNEMER VAN DE GEMEENSCHAP INDIVIDUEEL TOEKENT, IS DE MOGELIJKHEID VAN BEROEP IN RECHTE TEGEN IEDERE BESLISSING VAN EEN NATIONA- LE INSTANTIE WAARBIJ DE UITOEFENING VAN DAT RECHT WORDT GEWEIGERD, VAN WEZENLIJK BELANG OM DE PARTICULIER EEN DOELTREFFENDE BESCHERMING VAN ZIJN RECHT TE WAARBORGEN. DIT VEREISTE VORMT EEN ALGEMEEN BEGINSEL VAN GEMEENSCHAPS- RECHT, DAT VOORTVLOEIT UIT HET CONSTITUTIONELE ERFGOED DAT ALLE LIDSTATEN GEMEEN HEBBEN EN DAT EVENEENS IS NEERGELEGD IN DE ARTIKELEN*6 EN*13 VAN HET EUROPEES VERDRAG TOT BESCHER- MING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS Dat de rechten van verdediging in elk geval grondrechten zijn die gegarandeerd worden door het gemeenschapsrecht. Dat verzoeker ook betoogt dat het recht op een beroep in volle rechtsmacht een grondrecht is dat wordt gegarandeerd door het gemeenschapsrecht. Volle rechtsmacht Doordat verzoeker stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volle rechtsmacht dient te hebben en thans niet voldoet aan deze vereist. Dat de principes van het recht van verdediging eveneens te ontwaren vallen art. 6 EVRM welke uiteraard ook een grondrecht vormt in het gemeenschapsrecht. Terwijl voor zover verzoekster verwijst naar art. 6 EVRM, zij dit enkel doet om het begrip volle rechtsmacht nader uiteen te zetten. Dat zij derhalve geen schending van het artikel op zich inroept daar het asielrecht in de huidige stand van de rechtspraak niet van toepassing is op asielaanvragen. Zodat betoogt dat het principe dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen eigen onderzoek kan stellen in strijd is met het begrip “full jurisdiction" volle rechtmacht zoals vastgelegd in het EVRM en dus indirect van toepassing zijn door het feit dat dit een grondrecht uitmaakt in het gemeenschapsrecht. 'Full jurisdiction' XIV-30.161-11/19 Van belang is om te beginnen dat artikel 6 lid 1 EVRM niet alleen toegang tot een rechter garandeert maar ook eisen stelt aan de rechterlijke toetsing van overheidsoptre- den. In het kader van een procedure moet op grond van vaste jurisprudentie ten minste één rechterlijke instantie met volledige rechtsmacht (full jurisdiction') de betreffende besluiten kunnen controleren (...). De eis van 'full jurisdiction' houdt in dat de betreffende rechter de bevoegdheid moet hebben: 'to examine all questions of fact and law relevant to the dispute before it.' (...) De rechter moet op grond van artikel 6 lid 1 EVRM dus alle voor het betreffende geschil relevante vragen van juridische en feitelijke aard kunnen onderzoeken. Het is belangrijk om expliciet te constateren dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen rechtsvragen en feitelijke vragen (...). Uit het voorgaande volgt dat de rechter om te voldoen aan de eisen van artikel 6 EVRM dus ook moet kunnen oordelen over de vaststelling van de feiten als deze relevant zijn in het geschil. Daarmee is van belang wat wordt bedoeld met 'facts relevant to the dispute'. Immers alleen met betrekking tot deze feiten geldt het vereiste van 'full jurisdiction'. Daarmee is de vraag aan de orde hoe intensief de rechter terzake moet kunnen toetsen. Uitgangspunt van de jurisprudentie van het EHRM lijkt te zijn dat de rechter een eigen oordeel over de feiten moet geven hetgeen impliceert dat hij de bestuurlijke feitenvast- stelling vol moet kunnen toetsen. Gewezen kan hier worden op de uitspraak van het EHRM in de zaak Terra Woningen t. Nederland. Daarin werd een schending van artikel 6 lid 1 EVRM aangenomen omdat de kantonrechter bij het vaststellen van een huurprijs niet zelfstandig wilde onderzoeken of er sprake was van bodemverontreini- ging (een factor bij het bepalen van de huurprijs) en het standpunt van Gedeputeerde Staten daarover zonder meer overnam. Dit ondanks het feit dat partijen van mening verschilden over de vraag of er inderdaad sprake was van bodemverontreiniging. Uit het voorgaande zou kunnen worden afgeleid dat een meer terughoudende - marginale - toetsing van de feitenvaststelling nooit door de beugel zou kunnen,365 maar uit de zaak Bryan t. Verenigd Koninkrijk blijkt dat het EHRM onder bepaalde omstandigheden daarmee wel genoegen neemt (...). Deze zaak betrof een handhavings- besluit op grond waarvan de heer Bryan twee huizen moest slopen en bouwmateriaal moest verwijderen. Daartegen kwam hij vergeefs op bij het bestuursorgaan dat het besluit nam, waarna er beroep werd ingesteld bij de rechter. Daar kon echter de juistheid van de vastgestelde feiten die de basis vormden van het besluit niet meer direct worden betwist. De rechter was alleen bevoegd ten aanzien van rechtsvragen en kon geen nader bewijs ontvangen. Wel had de rechter de bevoegdheid om te beoordelen of de procedure waarin de feiten waren vastgesteld rechtmatig was en of de feitenvaststel- ling 'perverse or irrational' was. Beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling bevinden zich dus 'in de gevarenzone van artikel 6 EVRM', maar zijn gelet op de zaak Bryan niet zonder meer ongeoorloofd. Voor dergelijke beperkingen moet wel een overtuigende rechtvaardigingsgrond bestaan, zoals de aard van het materiële rechtsgebied en de daaraan verbonden bestuurlijke vrijheid en het gespecialiseerde karakter van de feitenvaststelling. Daarbij is van belang dat de bestuurlijke feitenvaststelling in een met voldoende waarborgen omklede - quasirechterlijke - gespecialiseerde administratieve voorprocedure heeft plaatsgevonden. Hieruit lijkt voort te vloeien dat het in dergelijke gevallen in het licht van artikel 6 EVRM ook mogelijk is grenzen te stellen aan het inbrengen van bepaald nieuw bewijsmateriaal in de rechterlijke procedure. Sommige bewijsmateriaal vergt immers een geheel nieuwe beoordeling door de rechter, iets waartoe hij echter juist niet in staat is gelet op, bijvoorbeeld, de daartoe vereiste specialisatie. De beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling mogen in ieder geval nooit zo ver gaan dat de rechter zich geheel verlaat op het oordeel van het bestuur. Dat zou immers feitelijk betekenen dat de betrokkene opdat punt geen toegang heeft tot de rechter. Er moet in het kader van de rechterlijke procedure een debat kunnen worden gevoerd over de juistheid van het bestuurlijke feitenoordeel en de wijze XIV-30.161-12/19 waarop dat tot stand is gekomen. Het geheel uitsluiten daarvan kan blijkens de jurisprudentie van het EHRM niet door de beugel. Gewezen kan worden op de al genoemde zaak Terra Woningen t. Nederland en op de meer recente zaak Chevrol t. Frankrijk (...). Deze laatste zaak werd aan het EHRM voorgelegd nadat de Franse Raad van State (Conseil d’Etat) het beroep van verzoekster tegen de weigering haar Algerijnse artsexamen te erkennen had afgewezen. Daarbij heeft de Raad van State zijn eigen jurisprudentie gevolgd, waarbij hij, bij de beantwoording van de vraag of de betreffende verdragen toepasselijk waren, zich geheel heeft verlaten op het oordeel van een bestuursorgaan, ook waar dat de feitenvaststelling betrof. Het EHRM is daarover kritisch: ook al lijkt raadpleging van de minister door de Raad van State over de beoordeling van de voorwaarde van wederkerigheid bij de erkenning van diploma's noodzakelijk, door deze wijze van werken verplicht de Raad van State zich het oordeel te volgen van de minister, dat wil zeggen van een buiten de Raad staande en tot de uitvoerende macht behorende autoriteit, zonder het oordeel van die autoriteit aan kritiek of aan een contradictoir debat te onderwerpen. Het Hof is verder van oordeel dat met betrekking tot het inwinnen van het oordeel van de minister, dat bepalend zou zijn voor hetgeen in het geschil ter beslissing stond, voor appellante geen enkele voorziening openstond. Zij heeft geen enkele gelegenheid gekregen zich uit te spreken over het gebruik van het ministerieel oordeel, of over de formulering van de aan de minister gestelde vraag, of over de elementen van de beantwoording van die vraag. Appellante heeft aan de Raad van State verscheidene stukken overgelegd om aan te tonen dat de Algerijnse overheid de betreffende regelingen feitelijk wel degelijk toepaste. Deze stukken zijn zelfs niet onderzocht door de Raad, die derhalve niet heeft willen onderzoeken of zij een goede grondslag voor het betoog van appellante vormden. Aldus heeft de Raad zich gebonden geacht aan het oordeel van de minister, en zichzelf de bevoegdheid ontzegd om feitelijke gegevens die beslissend konden zijn voor het aan hem voorgelegde geschil in zijn beoordelingen te betrekken. Onder deze omstandighe- den kan volgens het EHRM niet worden gezegd dat appellante toegang heeft gehad tot een rechterlijke instantie die een toereikende bevoegdheid had, dan wel erkende dat zij een dergelijke bevoegdheid had, om zich te buigen over alle feitelijke en juridische kwesties die relevant waren om het geschil te beoordelen. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit evenwel niet heeft gedaan. Gebrek aan rechten van verdediging en volle rechtsmacht Zodat toegepast op de beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen meent verzoeker dat deze procedure geenszins voldoet. Dat de Raad voor Vreemdelin- genbetwistingen ambtshalve dient over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor deze zaak. Meer bepaald dient zij zich ervan te vergewissen dat verzoeker geen enkel risico op een mensonterende behandeling zal ondergaan wanneer hij terug zou keren naar zijn land van herkomst. Dat verzoeker een foto van zijn verwonde rug toonde tijdens de hoorzitting. Dat het voor elke etnisch Tsjetsjeen gevaarlijk is. Dat Heer Bodaert Eerste Voorzitter van de voormalige VBC meldde dat op middel- lange termijn de situatie in de noord-Kauskaus nog uiterste onstabiel is. Dat de Nederlandstalige kamers van de VBC nog op 28 november 2006 oordeelden (stuk 2) Dat appellant weliswaar niet op alle vragen met betrekking tot concrete gebeurtenissen in Achkoi Martan een antwoord kan verstrekken, maar dat er rekening gehouden moet worden met zijn jeugdige leeftijd; Dat alle mensenrechtenrapporten en publieke bronnen ... bevestigen dat de veiligheids- situatie in Tsjetsjenië uitermate precair blijft; dat de Russische federale troepen geen volledige controle hebben over de deelrepubliek,' dat Tsjetsjeense strijders hun acties verder voeren; dat van alle zijden niet enkel militaire doelwitten worden getroffen maar dat zowel van de kant van de Russische troepen als van de kant van de Tsjetsjeense strijdende partijen regelmatig sprake is van ernstige mensenrechtenschendingen en gewelddadige acties waarvan Tsjetsjeense burgers slachtoffer werden; XIV-30.161-13/19 Dat appellant dan ook een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4, §2 c) van de wet van 15 december 1980 in gevat van terugkeer naar Tsjetsjenië, OM DEZE REDENEN: verklaart het beroep ontvankelijk doch ongegrond en weigert derhalve aan Achmatov Tmur de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling; kent de subsidiaire beschermingsstatus toe aan X. " Dat door het zich niet in volheid van rechtsmacht kunnen verdedigen op de opmerkin- gen van het Commissariaat Generaal ivm de nota en het verblijf van verzoeker in Tsjetsjenië zijn rechten zijn geschonden. Dat hij wel degelijk in Tsjetsjenië heeft verbleven. Dat dit in volheid van rechtsmacht moet kunnen gecontroleerd worden door hem bijvoorbeeld vragen dienaangaande te stellen. Dat dit niet gebeurd is. Dat het een schending van de rechten van verdediging is daar verzoeker van mening is dat hij zich dienstig moet kunnen verweren tegen de repliek van het Commissariaat- Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen. Dat deze mogelijkheid in casu verboden is. Dat verzoeker eveneens verzoekt aan de Raad voor State prejudiciële vragen te stellen aan het Europees Hof van Justitie die als volgt luiden: "Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en houdt art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of het algemeen rechtsbeginsel recht op verdediging en recht op een beroep met volle rechtsmacht in dat deze administratieve rechtscolleges over een eigen onderzoeksbevoegdheid te beschikken die hen toelaat tot op de dag van de eindbeslissing onderzoek te verrichten naar alle relevante feiten, die nuttig zijn om de zaak te beoordelen". “Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en houdt art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of het algemeen rechtsbeginsel recht op verdediging en recht op een beroep met volle rechtsmacht in dat eenieder het recht heeft om schriftelijk te antwoorden op de antwoordbesluiten van de Lidstaat".”; 2.1.
  23. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord integraal het in haar inleidend verzoekschrift uiteengezette middel herhaalt en op het einde van haar “samenvattende memorie van wederantwoord” enkel stelt dat zij “kennis neemt van het verweer van verwerende partij”, “(d)at dit verweer geen afbreuk doet aan de opgeworpen middelen in al haar onderdelen” en “(d)at verzoek(st)er volhardt in zijn (haar) middelen”. 2.1.
  24. Overwegende dat uit de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan, niet blijkt - en verzoekster ook niet beweert - dat zij voor de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen de in het middel vermelde grieven betreffende de beweerde miskenning van de rechten van verdediging heeft aangevoerd; dat deze grieven niet voor het eerst voor de Raad van State kunnen worden aangevoerd; dat het eerste middel niet ontvankelijk is; 2.2.
  25. Overwegende dat verzoekster als tweede middel aanvoert: “TWEEDE MIDDEL: Schending van art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. XIV-30.161-14/19 Verzoeker verwijst naar het eerste middel en stelt dat zijn recht op een beroep in volle rechtsmacht en zijn recht op verdediging eveneens grondrechten zijn welke door het Handvest worden gegarandeerd. Doordat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ondertekend werd op 12 december
  26. Dat het Handvest door verzoeker kan ingeroepen worden op grond van het adagium "patere legem quem ipsi fecisti" en dit enkel in de verticale wijze. Hij kan het met andere woorden inroepen ten aanzien van de Belgische Staat. Doordat de Kwalificatierichtlijn (2004/83) als de Procedurerichtlijn verwijzen direct naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en dus ook naar art. 47 van het Handvest. In juni 2006 citeerde het Europees Hof van Justitie het Charter derwijze dat het zijn rechtstreekse werking bevestigde. Het stelde dat de vermelding in de preambule in de richtlijn voldoende was om het Charter van toepassing te maken (...). Een Advocaat Generaal van het Europees Hof van Justitie stelde dat het Handvest de uitdrukking is van het hoogste niveau, van een democratisch gevestigde politiek consensus welke thans beschouwd moet worden als een catalogus van fundamentele rechten gewaarborgd in het Gemeenschapsrecht. Dat ook het UNHCR deze visie is toegedaan. Dat verzoeker verwijst naar “The European asylum procedures directive in Legal context." Research Paper No.
  27. p. 20 ev. (www.unhcr.org) Dat de toepassing van art. 47 van het Handvest dan ook gewaarborgd dient te worden in alle zaken die de Europese Unie regelt waaronder het asielrecht. Dat art. 47 als volgt luidt: Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordi- gen. Rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voorzover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen. Terwijl de invulling van art. 47 gelijklopend is met de invulling van art. 6 EVRM met het verschil dat het toepassingsgebied zich uitstrekt niet alleen over burgerlijke en strafrechtelijke materies maar ALLE materies die het Europees recht regelt waaronder dus ook het asielrecht. Dat de tekst zowel art. 13 EVRM als art. 6 EVRM incorporeert. Zodat de rechtspraak ivm art. 6 EVRM dan ook relevant is ter beoordeling van het feit of dat onderhavig beroep voldoet aan de voorwaarde zoals gesteld in het Europees Handvest. Dat evenwel art. 47 van het handvest geen vereiste stelt van burgerlijke of politieke rechten. Dat voor het overige verzoeker verwijst naar het eerste middel.”; 2.2.
  28. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord integraal het in haar inleidend verzoekschrift uiteengezette middel herhaalt en op het einde van haar “samenvattende memorie van wederantwoord” enkel stelt dat zij “kennis neemt van het verweer van verwerende partij”, “(d)at dit verweer geen afbreuk doet aan de opgeworpen middelen in al haar onderdelen” en “(d)at verzoek(st)er volhardt in zijn (haar) middelen”; XIV-30.161-15/19 2.2.
  29. Overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - in tegenstelling tot hetgeen verzoekster meent - tot op heden geen bindende kracht heeft; dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in het arrest van 27 juni 2006 in de zaak C-540/03, waarnaar verzoekster verwijst, overigens uitdrukkelijk stelt dat “het Handvest geen bindend rechtsinstrument is”; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 2.3.
  30. Overwegende dat verzoekster als derde middel aanvoert: “DERDE MIDDEL: Schending van het artikel 39/56 van de Vreemdelingenwet. Schending van het artikel 39/59 van de Vreemdelingenwet. Schending van het artikel 3 van het Koninklijk besluit houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelin- genbetwistingen. Doordat Art. 39/56 van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: "Art. 39/
  31. De beroepen bedoeld in artikel 39/2 kunnen voor de Raad worden gebracht door de vreemdeling die doet blijken van een benadeling of van een belang. De Minister of diens gemachtigde kan een beroep instellen tegen een beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die hij strijdig acht met de wet of met de Koninklijke besluiten die ermee in verband staan. De partijen mogen zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door advocaten die ingeschreven zijn op de tabel van de Orde der Advocaten of op de lijst van de stagiairs, alsook, volgens de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, door de onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie die gerechtigd zijn om het beroep van advocaat uit te oefenen. Onverminderd deze mogelijkheid, wordt bij een beroep tegen een beslissing van de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, deze partij vertegenwoordigd door de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, door een van de adjuncten of door een door de Commissaris-Generaal aangewezen gemachtigde." Terwijl op de zitting van de Raad was de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen in casu beweerdelijk vertegenwoordigd door een attaché. Uit geen enkel stuk uit het administratief dossier blijkt dat de attaché een aangewezen gemachtigde van de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen zou zijn. Verzoeker is van mening dat elkeen die beweert gemachtigd te zijn door de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en verschijnt voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hiervan bewijs dient te leveren op de zitting zelf, of minstens dat het dossier zelf een spoor bevat van deze machtiging. Ondergeschikt meent verzoeker dat een dergelijke machtiging een procedurestuk betreft dat in elk dossier dient te worden bijgevoegd zodat het controleerbaar is. Verzoeker stelt vast dat van de opgeworpen procedurekwestie geen spoor in het arrest hieromtrent te vinden. Derhalve kan geen machtiging worden aangetoond. Dat zulks een machtiging een procedurestuk betreft dat zich in het dossier dient te bevinden. Dat een algemene machtiging niet kan en indien er zulks een algemene machtiging zou bestaan dan diende de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen zulks een bewijs ten laatste op de zitting voor te brengen. Zodat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dan ook toepassing had moeten maken van het artikel 39/59 § 2 van de Vreemdelingenwet. Dit artikel 39/59 §2 luidt als volgt: "§
  32. Alle partijen verschijnen ter terechtzitting of zijn er vertegenwoordigd. Wanneer de verzoekende partij noch verschijnt noch vertegenwoordigd is, wordt het beroep verworpen. De andere partijen die niet zijn verschenen of niet vertegenwoordigd zijn, XIV-30.161-16/19 worden geacht in te stemmen met de vordering of het beroep. In elke kennisgeving van een beschikking tot vaststelling van de rechtsdag wordt melding gemaakt van deze paragraaf." De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had dus moeten vaststellen dat de Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen niet geldig was vertegen- woordigd en dat het artikel 39/59 volle uitwerking diende te krijgen, met name dat er ingestemd werd met de vordering. Terwijl, toegepast op de beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistin- gen, Verzoekende partij meent dat deze procedure geenszins voldoet omwille van het feit dat er geen enkel onderzoek is gevoerd in feiten. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ambtshalve dient over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor deze zaak. Meer bepaald dient zij zich ervan te vergewissen dat verzoekende partij geen enkel risico op een mensonterende behande- ling zal ondergaan wanneer zij terug zou keren naar het land van herkomst. Uiteraard schendt dit het recht van verdediging. Volgens de rechtspraak van Uw Raad dient ook de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen zich zorgvuldig te gedragen bij het nemen van zijn beslissingen. Dat het middel derhalve gegrond is. Dat verzoeker ook aantoont dat er een schending is. Er is een schending van de wet en een machtsoverschrijding. Dat door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen grondige controle naar het onderzoek van het Commissariaat Generaal werd doorgevoerd naar de mogelijke vervolging van verzoeker, in de zin van de Vluchtelingenconventie, en in de zin van de subsidiaire bescherming bij een terugkeer naar zijn land. Dat de motivatie in de bestreden beslissing, die besluit tot de ongegrondheid van verzoekers ingestelde beroep, niet afdoende en onwettig is. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nalaat de situatie van de mensenrechten grondig te beoordelen, waardoor de zorgvuldigheidsverplichting geschonden wordt. Dat derhalve verzoeker wegens zijn vlucht, wordt vervolgd bij een terugkeer naar zijn land waardoor zijn vrees en ressorteert onder de Vluchtelingenconventie. Dat de Raad van State niet oordeelt in feiten maar wel dient na te gaan of de overheid de feiten correct heeft vastgesteld. Dat de feiten hier niet werden vastgesteld. Dat de bestreden beslissing volgens de wet en hogere rechtsnormen zoals reeds uiteengezet hierdoor schendt. Dat verweerder derhalve een fout maakte en de bestreden beslissing, genomen ten aanzien van verzoeker, niet afdoende motiveerde en de wetgeving schond.”; 2.3.
  33. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord integraal het in haar inleidend verzoekschrift uiteengezette middel herhaalt en op het einde van haar “samenvattende memorie van wederantwoord” enkel stelt dat zij “kennis neemt van het verweer van verwerende partij”, “(d)at dit verweer geen afbreuk doet aan de opgeworpen middelen in al haar onderdelen” en “(d)at verzoek(st)er volhardt in zijn (haar) middelen”; 2.3.
  34. Overwegende dat uit het proces-verbaal van de zitting van 12 december 2007 en uit het bestreden arrest van 18 januari 2008 blijkt dat verzoekster en haar raadsman zonder enig voorbehoud op voormelde zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn verschenen; dat niet blijkt dat zij opmerkingen of voorbehoud hebben geformuleerd omtrent de vertegenwoordiging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat verzoekster in een administratief cassatieberoep geen rechtsmiddel kan doen XIV-30.161-17/19 gelden dat zij niet vooraf heeft onderworpen aan het administratief rechtscollege waarvan zij de beslissing bestrijdt; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoekster overigens meent, er geen verplichting bestaat het machtigingsbesluit in het administratief dossier op te nemen; dat voor zover verzoekster meent dat door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “geen grondige controle naar het onderzoek van het Commissariaat Generaal werd doorgevoerd naar de mogelijke vervolging van verzoek(st)er, in de zin van de Vluchtelingenconventie, en in de zin van de subsidiaire bescherming bij een terugkeer naar zijn (haar) land”, uit de motivering van het bestreden arrest genoegzaam blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen heeft onderzocht of verzoekster in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus, hetgeen, haars inziens, in casu evenwel niet het geval is; dat voor het overige verzoekster zich beperkt tot enkele vage, algemene zinsneden zonder in concreto toe te lichten op welke wijze de motivering van het bestreden arrest “niet afdoende en onwettig is” en welke “feiten hier niet werden vastgesteld”; dat voor zover verzoekster aanvoert dat zij wel degelijk wordt vervolgd en derhalve ressorteert onder de Vluchtelingenconventie, het middel niet in aanmerking kan worden genomen, vermits het niet aan de Raad van State toekomt het oordeel van de feitenrechter over de grond van de zaak over te doen; dat de Raad immers geen tweede instantiegerecht is dat de zaak opnieuw ten gronde onderzoekt, doch als administratieve cassatierechter enkel de wettigheid van de hem voorgelegde beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen mag nagaan; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling bestuursrechtspraak in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat het derde middel, in de mate dat het al ontvankelijk zou zijn, niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  35. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  36. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-30.161-18/19 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwin- tig januari tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.161-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.859 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.