← België

Arrest 189869 - Milieuvergunningen - 29/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.869 Rolnummer: A. 164495/VII-34395 Zaak: Arrest 189869 - Milieuvergunningen - 29/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-09 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 15:39 Fiche Arrest nr 189.869 van 29 januari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.869 van 29 januari 2009 in de zaak A. 164.495/VII-34.395. In zake : de gemeente KORTENAKEN, die woonplaats kiest bij advocaten E. VAN DER MUSSELE en Y. VANDEN BOSCH, kantoor houdende te ANTWERPEN, Stoopstraat 1, bus 10 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1. tussenkomende partij : de NV LIMBRA, die woonplaats kiest bij advocaat W. MERTENS, kantoor houdende te BERINGEN, Scheigoorstraat 5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente KORTENAKEN op 22 juli 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 23 mei 2005 waarbij aan de NV LIMBRA de definitieve vergunning verleend wordt om tot 31 december 2023 een varkenshouderij te exploiteren, mits naleving van een aantal voorwaarden, gelegen aan de Blijstraat 42 te Kortenaken; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 30 september 2005 ingediend door de NV LIMBRA; Gelet op de beschikking van 4 oktober 2005 die de tussenkomst van de NV LIMBRA toelaat; VII-34.395-1/12 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 28 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. VAN DER MUSSELE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat S. CALLENS die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. De tussenkomende partij exploiteert een varkenshouderij aan de Blijstraat 42 te Kortenaken. De inrichting wordt geëxploiteerd op grond van een op 5 februari 1996 verleende milieuvergunning voor het houden van 2.310 mestvarkens ouder dan tien weken en 1.200 biggen van vijf tot tien weken. De geldigheidstermijn van voormelde vergunning was beperkt tot 31 december 2003. 1.2. Op 6 januari 2003 dient de tussenkomende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant een vergunningsaanvraag in voor het verder exploiteren van de inrichting. VII-34.395-2/12 Het voorwerp van de aanvraag omvat in concreto : - het lozen van 120 m3/jaar huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering; - stallen voor 1.800 mestvarkens ouder dan tien weken en 1.200 biggen van vijf tot tien weken; - mestopslagplaatsen voor in totaal 4.829 m3 dierlijke mest; - de opslag van 2.500 liter propaangas in een vaste houder; - de opslag van 200 liter mazout in een bovengrondse houder. De hernieuwing is beperkt tot stallen voor het houden van in totaal 1.800 mestvarkens. Hiermee heeft de exploitant klaarblijkelijk beoogd de hernieuwingsaanvraag in te passen in de op dat ogenblik geldende verbods- en afstandsregels van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II) met betrekking tot de ligging van varkensstallen (artikel 5.9.4.1 en volgende van Vlarem II). 1.3. Bij besluit van 19 juni 2003 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de gevraagde vergunning voor een proef- termijn van één jaar. Uit de motivering van dit besluit valt af te leiden dat, door het verlenen van een vergunning op proef, wordt ingespeeld op een nakende opheffing van de in Vlarem II bepaalde afstandsregels voor bestaande varkensbedrijven. 1.4. Tegen voormelde proefvergunning stelt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kortenaken beroep in bij de Vlaamse regering. 1.5. Met een besluit van 19 december 2003 bevestigt de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking de in eerste aanleg verleende proefvergunning. Als bijkomende vergunningsvoorwaarde wordt evenwel opgelegd dat de exploitant de in de vergunningsaanvraag in het vooruitzicht gestelde maatregelen om voor de stallen 151 waarderingspunten te behalen, met name de omvorming van stal 11 tot een diepstrooiselstal en de installatie van een geurbestrijdingssysteem, uiterlijk tegen 30 mei 2004 dient uit te voeren. 1.6. Bij besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 25 juni 2004 wordt de proeftermijn met één jaar verlengd (i.e. tot 18 juni 2005). Tegelijk wordt op vraag van de exploitant de bijzondere vergunningsvoorwaarde, opgelegd in het ministerieel besluit van 19 december 2003, gewijzigd en vervangen door de volgende voorwaarden : VII-34.395-3/12 "- het door exploitant voorgestelde voeder-additief (zuurtegraadregelaar) op basis van hoogzuiver benzoëzuur dient te worden toegepast; - via dagelijks onderhoud wordt ervoor gezorgd dat alle oppervlakken waarop zich mest kan bevinden en waarop dieren worden gehouden, zo proper en droog mogelijk worden gehouden; - de mest wordt zo snel als mogelijk uit de stallen verwijderd; de aanwezige mesthoeveelheden moeten tot een minimum beperkt worden, uiteraard met respect voor de geldende regelgeving inzake mesttransporten; - het groenscherm wordt vervolledigd en verdicht, conform de bepalingen hieromtrent in de bouwvergunning van 23 oktober 2003". 1.7. Met het oog op de definitieve uitspraak bij het verstrijken van de proeftermijn, wordt door de afdeling Milieu-inspectie een evaluatieverslag omtrent de proefperiode opgesteld. In het verslag van 3 maart 2005 wordt meegedeeld dat de exploitatievoorwaarden opgelegd bij ministerieel besluit van 25 juni 2004 (grotendeels) worden nageleefd. Tegelijk wordt erop gewezen dat sedert de verlenging van de proefvergunning geen klachten van omwonenden over geurhinder werden ontvangen. De inspectiedienst wijst tevens op eigen vaststellingen ter plaatse waarbij op 23 februari 2005 geen "relevante geurhinder" werd vastgesteld, terwijl op 2 maart 2005 ter hoogte van de huisnummers 31 en 33 in de Overstraat, ten noorden van het bedrijf, een "zwakke, doch typische mestgeur" werd waargenomen. 1.8. Er wordt tevens een aantal adviezen uitgebracht : (

  1. a)de afdeling Natuur deelt op 22 februari 2005 mee dat de inrichting "naar alle waarschijnlijkheid geen significante gevolgen heeft op natuurwaarden waarvan de wijzigingen vergunningsplichtig (zijn) of op natuurgebieden die in uitvoering van het gewestelijk beleid als prioritair te beschermen beschouwd worden"; (
  2. b)het advies van 3 maart 2005 van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen is gunstig over de aanvraag : de inrichting is verenigbaar met de gewestplanbestemming agrarisch gebied; (
  3. c)het bestuur Milieuvergunningen brengt op 21 april 2005 eveneens gunstig advies uit voor het definitief verlenen van de gevraagde vergunning; (
  4. d)door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt op 25 april 2005 voorgesteld om de vergunning definitief te verlenen voor een termijn eindigend op 31 december 2023; (
  5. e)de Vlaamse Landmaatschappij verleent op 23 mei 2005 een laattijdig gunstig advies. VII-34.395-4/12 1.9. Met het thans bestreden besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 23 mei 2005 wordt aan de tussenkomende partij definitief vergunning verleend voor het verder exploiteren, mits naleving van een aantal voorwaarden, van de varkenshouderij voor een termijn eindigend op 31 december 2023. Dit besluit bevat volgende motieven : "(...) Gelet op de ligging van de inrichting in agrarisch gebied, grenzend aan een woongebied met landelijk karakter volgens het gewestplan Aarschot-Diest, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 7 november 1978; Gelet op het feit dat de inrichting gelegen is op een afstand van: • circa 530 meter van een woonuitbreidingsgebied; Gelet op het feit dat binnen een straal van 100 m een 25-tal woningen gelegen zijn; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat het de definitieve uitspraak betreft na het verlenen van een proefvergunning tot 18 juni 2005 bij ministerieel besluit nr. AMV/024120/1003 van 25 juni 2004 voor het verder exploiteren van een veeteeltbedrijf, gelegen te 3473 Kortenaken, Blijstraat 42, kadastergegevens, afdeling 5, sectie B, perceelsnummers 36f, 36g, 36h, 37c, 37e en 40k, en omvattende: - het lozen van 120 m³/jaar huishoudelijk afvalwater in de riolering; - het stallen van 1.800 mestvarkens ouder dan 10 weken en 1.200 biggen van 5 tot 10 weken; - een opslag van 2.500 liter propaangas in een vaste houder; - een opslag van 200 liter mazout in een bovengrondse houder; - mestopslagplaatsen voor 4.829 m³ dierlijke mest; Overwegende dat de proefvergunning werd verleend naar aanleiding van de aanvraag op 6 januari 2003 door de NV Limbra voor het verder uitbaten van het vergund varkensbedrijf met stallen voor 1.800 mestvarkens; dat het bedrijf vergund was voor 2.130 mestvarkens; dat de exploitant de vermindering voorstelde ten einde te kunnen voldoen aan de toen geldende bepalingen in verband met de toen geldende verbods- en afstandsregels; Overwegende dat in het ministerieel besluit van 25 juni 2004 volgende bijzondere voorwaarden werden opgenomen: - het door de exploitant voorgestelde voeder-additief (zuurtegraadregelaar) op basis van hoogzuiver benzoëzuur dient te worden toegepast; - via dagelijks onderhoud wordt ervoor gezorgd dat alle oppervlakken waarop zich mest kan bevinden en waarop dieren worden gehouden, zo proper en zo droog mogelijk worden gehouden; - de mest wordt zo snel als mogelijk uit de stallen verwijderd; de aanwezige mesthoeveelheden moeten tot een minimum beperkt worden, uiteraard met respect voor de geldende regelgeving inzake mesttransporten; - het groenscherm wordt vervolledigd en verdicht, conform de bepalingen hieromtrent in de bouwvergunning van 23 oktober 2003; Overwegende dat in de overwegingen van dit besluit gesteld wordt dat het aangewezen is om de proefvergunning met 1 jaar te verlengen om na te gaan of het voorgestelde voederadditief de gewenste resultaten oplevert en of de andere voorgestelde (en vooral organisatorische) maatregelen worden nageleefd; VII-34.395-5/12 Overwegende dat in het evaluatieverslag van 3 maart 2005 van de afdeling Milieu-inspectie, buitendienst Vlaams-Brabant, de volgende vaststellingen worden opgetekend: - de afdeling Milieu-inspectie heeft sinds de verlenging van de proefvergunning van 25 juni 2004 geen klachten van omwonenden met betrekking tot geurhinder ontvangen; - bij een controle op en in de omgeving van het bedrijf op 23 februari 2005 werd er geen relevante geurhinder vastgesteld; op 2 maart 2005 werd in de Overstraat ten noorden van het bedrijf (ter hoogte van huisnummers 31 en 33) een zwakke, doch typische mestgeur waargenomen; - bij controle op 23 februari 2005 werd eveneens het volgende vastgesteld: • het varkensvoeder dat op het bedrijf wordt gebruikt wordt aangevoerd vanuit het moederbedrijf te Beringen waar eerst de zuurtegraadregelaar (van het merk VevoVitall) wordt toegevoegd; • de stalvloeren oogden droog en betrekkelijk proper; in sommige hokken waar nog houtstrooisel wordt gebruikt was dit niet het geval; • er werd vastgesteld dat de aanplanting van een groenscherm rondom recentelijk werd vervolledigd; • er werden documenten overgemaakt die bekrachtigen dat er overleg is gepleegd met de gewestelijke brandweerdienst te Tienen en dat de aanwezige propaangastank aan een technische keuring werd onderworpen; • de brandstofhouder voor het aandrijven van de noodgroep was niet ingekuipt, maar er werd aangetoond dat er reeds (afspraken) werden gemaakt met een firma voor de reglementaire plaatsing van (een) opvangreservoir; Overwegende dat bij een schrijven van 15 april 2005 van de N.V. Geyskens te Beringen wordt bevestigd dat de zuurtegraadregelaar van het merk 'VevoVitall' toegevoegd wordt aan de geleverde varkensmelen voor het betreffende bedrijf; Overwegende dat op 20 april 2005 door een ambtenaar van de afdeling Milieuvergunningen eveneens werd vastgesteld dat aan de opgelegde voorwaarden wordt voldaan; Overwegende dat, zoals blijkt uit het voorgaande, door het toepassen van de voorgestelde alternatieven de geurhinder, afkomstig van de exploitatie van het varkensbedrijf, tot een aanvaardbaar niveau beperkt wordt; Overwegende dat er aanleiding toe bestaat de gevraagde hernieuwing van de vergunning te verlenen voor 20 jaar". 2. De ontvankelijkheid 2.1. De tussenkomende partij werpt op dat het beroep niet ontvankelijk ingediend is aangezien, in strijd met artikel 270, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet, het dossier het bewijs niet bevat dat het college van burgemeester en schepenen de vordering ingediend heeft nadat het de machtiging van de gemeenteraad ontvangen had, minstens dat de gemeenteraad de vereiste machtiging gegeven heeft binnen de termijn van 60 dagen waarbinnen de gemeente het annulatieberoep kon indienen. VII-34.395-6/12 2.2. Overeenkomstig artikel 270, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet, dat van toepassing was op het ogenblik dat onderhavig beroep werd ingediend, diende een beroep als het onderhavige ingesteld te worden door het college van burgemeester en schepenen "na machtiging van de gemeenteraad". Volgens vaste rechtspraak kan de gemeenteraad de wettelijk vereiste machtiging geven tot aan het sluiten van de debatten. De omstandigheid dat in dit geval het college van burgemeester en schepenen op het ogenblik van het indienen van onderhavig beroep de machtiging van de gemeenteraad nog niet had verkregen, heeft derhalve niet tot gevolg dat het beroep onontvankelijk is. Met ingang van 1 januari 2006 is artikel 270 van de nieuwe gemeentewet vervangen door artikel 193 van het gemeentedecreet van 15 juli 2005 (artikel 313, § 2, 3/, van het gemeentedecreet). Krachtens die bepaling beslist het college van burgemeester en schepenen voortaan alleen over het instellen van een annulatieberoep en is er geen machtiging van de gemeenteraad meer vereist. Daaruit volgt dat de verzoekende gemeente thans geen machtigingsbeslissing meer hoeft over te leggen. De exceptie is niet gegrond. 3. De grond van de zaak 3.1.1. In het eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 50, 3/, en 52, 3/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I) en van artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Zij betoogt dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat het om een "bestaande inrichting" gaat als bedoeld in de artikelen 1.1.2 en 5.9.3.1, § 1, van Vlarem II en dat er bijgevolg in een agrarisch gebied geen vergunning kan worden verleend voor een niet- grondgebonden inrichting als een varkenshouderij. Zij voegt daaraan toe dat er binnen een straal van 100 meter van de inrichting twintig woningen gelegen zijn, hetgeen de vraag of het al dan niet gaat om een "bestaande inrichting" wel degelijk relevant maakt. 3.1.2. De verwerende partij -en de tussenkomende partij sluit zich daarbij aan- merkt vooreerst op dat de artikelen 50, 3/, en 52, 3/, van Vlarem I betrekking hebben op de vereisten waaraan een uitspraak, genomen na beroep tegen een beslissing van het college van burgemeester en schepenen respectievelijk de bestendige deputatie, moet voldoen, terwijl het bestreden besluit betrekking heeft op VII-34.395-7/12 het verlenen, overeenkomstig artikel 53bis van Vlarem I, van een definitieve vergunning nadat eerst een proefvergunning was gegeven. Zij betoogt voorts dat een beslissing als de bestredene niet moet verwijzen naar een "bestaande inrichting" en dat de verzoekende partij ook niet verduidelijkt in welke zin de vergunde exploitatie niet zou voldoen aan de voorwaarden van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffendecreet), zodat niet aangetoond wordt op welke wijze artikel 5.9.3.1, § 1, van Vlarem II geschonden kan zijn. Zij voegt daaraan toe dat het bestuur bij het verlenen van de vergunning op proef moet nagaan of alle voorwaarden vervuld zijn, dat op dat ogenblik een onderzoek is gevoerd naar de overeenstemming van de inrichting met de planologische voorschriften en met de bepalingen van het meststoffendecreet en dat bijgevolg bij de definitieve vergunning nog enkel kan worden nagegaan of de hinder die van de inrichting uitgaat de toelaatbare hinder voor de mens en het leefmilieu niet overschrijdt. Dat is te dezen gebeurd en derhalve is het bestreden besluit regelmatig. Zij voegt daar volledigheidshalve aan toe dat de proefvergunning wel degelijk verwijst naar een bestaande inrichting en dat, door de vermindering van het aantal dieren in de aanvraag, de afstandsregels waar de verzoekende partij op alludeert in dit geval niet meer van toepassing waren. 3.1.3. De verzoekende partij repliceert dat haar rechten niet beperkt kunnen worden door het feit dat zij een definitieve vergunning na proefvergunning bestrijdt. In haar laatste memorie voegt zij daaraan toe dat de belangen van de omwonenden en van het bestuur veel groter zijn bij een definitieve vergunning dan bij een proefvergunning en dat uit de omstandigheid dat de proefvergunning niet bestreden werd niet afgeleid mag worden dat geen kritiek meer geleverd zou mogen worden op de definitieve vergunning. 3.1.4. De verzoekende partij voert in essentie aan dat de verwerende partij de vergunning niet had mogen verlenen omdat niet blijkt dat het om een bestaande inrichting gaat, terwijl enkel in dat geval tot een verlenging van de bestaande vergunning kon worden besloten. 3.1.5. Het bestreden ministerieel besluit doet uitspraak over een milieuvergunningsaanvraag waarvoor eerst op 19 december 2003 -na beroep van de thans verzoekende partij- en vervolgens op 25 juni 2004 een vergunning op proef voor de duur van één jaar was toegekend. In zijn besluit van 19 december 2003 heeft de minister duidelijk aangegeven waarom de inrichting als een bestaande veeteeltinrichting in de zin van het meststoffendecreet kon worden beschouwd. Deze VII-34.395-8/12 beslissing werd niet bestreden. Zij heeft de rechtspositie van de vergunninghouder bepaald en de regelmatigheid van wat aldus definitief beslist is kan, behoudens gewijzigde omstandigheden die een nieuwe beoordeling vereisen, niet meer in vraag gesteld worden naar aanleiding van het verlenen van de aansluitende definitieve vergunning. De verzoekende partij voert niet aan dat de omstandigheden in feite of in rechte gewijzigd zijn. De doelstelling van een proefvergunning bestaat er in essentie in dat de vergunningverlenende overheid binnen een relatief korte termijn proefondervindelijk zou kunnen nagaan welke hinder de inrichting precies veroorzaakt en wat de weerslag is van die hinder op de mens en het leefmilieu. Inzonderheid behoudt zij zich aldus het recht voor om de effectiviteit op het terrein van bepaalde exploitatievoorwaarden, die zij noodzakelijk acht, te beoordelen. Overeenkomstig artikel 53bis, §1, van Vlarem I, neemt zij dan in functie van die beoordeling "zonder extra formaliteiten" een beslissing over de definitieve vergunning. Wanneer het bestuur zich beperkt tot een grondige evaluatie van de proefperiode, zonder daarbij nog op eigener gezag de beoordelingen die het bij het verlenen van de vergunning op proef gemaakt heeft over te doen, handelt het volstrekt binnen de grenzen van artikel 53bis, § 1, van Vlarem I. 3.1.6. Het eerste middel is niet gegrond. 3.2.1. In het tweede middel stelt de verzoekende partij dat de gevraagde vergunning geweigerd had moeten worden omdat zij "zich niet verstaat met de regels van stedenbouw en ruimtelijke ordening die de inrichting betreffen". Zij betoogt in een eerste onderdeel dat het bestreden besluit ervan uitgaat dat de inrichting over geldige bouwvergunningen beschikt, maar dat dit niet het geval is aangezien deze vergunningen vervallen zijn omdat de bouwwerken niet uitgevoerd werden volgens de plannen. In een tweede onderdeel stelt zij dat de tussenkomende partij geen voordeel kan halen uit de omstandigheid dat de gebouwen die niet conform de bouwvergunning opgetrokken zijn, niet overeenstemmen met het gewestplan zodat het bestreden besluit, waar het voor het verlenen van de milieuvergunning rekening houdt met deze onregelmatig opgetrokken gebouwen, een stedenbouwkundige overtreding retroactief regulariseert. 3.2.2. De verwerende partij antwoordt, wat het eerste onderdeel betreft, dat bij het verlenen van de proefvergunning nagegaan is of er planologisch een milieuvergunning kon worden verleend, dat die overeenstemming met de reglemen- VII-34.395-9/12 tering inzake de ruimtelijke ordening onderzocht moet worden, los van de stedenbouwkundige overtredingen die vastgesteld kunnen worden -te dezen de kroonlijsthoogte en de inplanting van de gebouwen- en dat in ieder geval de exploitant op 23 oktober 2003 een bouwkundige regularisatievergunning gekregen heeft. Wat het tweede onderdeel betreft, merkt zij op dat het middel, in de mate er verwezen wordt naar de schending van artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen, niet geëxpliciteerd is en dat, in de mate er verwezen wordt naar de regularisatie van een onwettige toestand, het middel uitgaat van de verkeerde veronderstelling dat de bouwvergunningen vervallen zijn omdat er in ieder geval een regularisatievergunning verleend is. 3.2.3. De tussenkomende partij sluit zich aan bij de uiteenzetting van de verwerende partij en beklemtoont dat zij op 23 oktober 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant een stedenbouwkundige vergunning verkregen heeft waarbij de vastgestelde afwijkingen aan de gebouwen die betrekking hebben op de varkenshouderij geregulariseerd werden. 3.2.4. In haar laatste memorie herhaalt de verzoekende partij nog dat, in de feiten, de inrichting niet overeenstemt met het gewestplan en dat die onwettigheid nu geregulariseerd wordt door het verlenen van een milieuvergunning. 3.2.5. Zoals reeds ten aanzien van het eerste middel werd uiteengezet, heeft het bestreden besluit betrekking op een definitieve vergunning die volgt op een proefvergunning. In die proefvergunning is vastgesteld dat de inrichting op stedenbouwkundig vlak geen problemen opriep en die beslissing is te gelegener tijd niet bestreden. Er was voor het bestuur geen aanleiding om zich opnieuw over dit probleem te beraden. 3.2.6. Het niet voorhanden zijn van een stedenbouwkundige vergunning of van een geldige stedenbouwkundige vergunning staat het toekennen van een milieuvergunning niet in de weg. Immers, de overheid die uitspraak doet over een aanvraag van een milieuvergunning, moet zelf de planologische situatie beoordelen vanuit haar specifieke opdracht om de betreffende hinder voor de mens en het leefmilieu tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Het bestaan van een steden- bouwkundig onregelmatige toestand is op zich dan ook geen dwingende reden om een milieuvergunning te weigeren. Overigens wordt de uitvoering van een VII-34.395-10/12 milieuvergunning voor een inrichting waarvoor een stedenbouwkundige vergunning vereist is, geschorst totdat laatstgenoemde vergunning verleend is. 3.2.7. De overheid die bevoegd is om een milieuvergunning af te leveren moet rekening houden met de planologische voorschriften. Zij moet nagaan of de stedenbouwkundige voorschriften de uitbating van de aangevraagde inrichting niet verhinderen. Dat betekent evenwel niet dat het desbetreffende onderzoek en het onderzoek met betrekking tot het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning elkaar overlappen of inwisselbaar zijn. Beide hebben een eigen finaliteit. Bij het onderzoek van een aanvraag voor een milieuvergunning gaat het bestuur aldus na welke gevolgen de uitbating van de inrichting heeft voor het leefmilieu. Wanneer het bestuur derhalve bij de stedenbouwkundige toetsing van de milieuvergunningsaan- vraag tot het besluit komt dat de inrichting stedenbouwkundig aanvaardbaar is, mag daaruit niet afgeleid worden dat de eventueel vanuit stedenbouwkundig oogpunt onregelmatige toestand geregulariseerd wordt. De verzoekende partij stelt dan ook ten onrechte dat het bestreden besluit de stedenbouwkundige toestand zou regulariseren. 3.2.8. Het tweede middel is niet gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-34.395-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig januari tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-34.395-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.869 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.